CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota beantwoording zienswijzen en staat van wijzigingen.pdf

Dordtse Dinsdag – Beeld- en oordeelsvormende commissies 3 juni 2025, gemeente DordrechtBij agendapunt: 4: Vaststellen tweede wijziging omgevingsplan voor bodem, Bouwhuyslocatie, Zuidbuitenpoldersekade en bedrijventerreinen - Raadsvoorstel15.293 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Reclamant meent dat deze aanvullende informatie op het Bal niet gevraagd hoeft te worden. De noodzaak is ook niet beschreven en zal alleen maar leiden tot onnodige onderzoeksverplichtingen en belemmeringen. Deze verplichting kan eenvoudig in het omgevingsplan opgenomen worden en daarom is geen vergunningplicht nodig. Kortom, de eisen van noodzakelijkheid en rechtszekerheid staan in de weg aan een vergunningplicht voor de toepassing van AVI-bodemas. Voor zover aanvullende lokale eisen nodig zouden zijn, gebiedt de evenredigheid dat hooguit een eenduidige maatwerkregel wordt opgenomen in het omgevingsplan met lokale aanvullende eisen waaronder AVI-bodemas, als alternatief voor een vergunningplicht. Reactie Naar aanleiding van dit onderwerp is de regeling voor een verbod op het toepassen van bouwstoffen in het ontwerpbesluit heroverwogen. Wij kunnen ons voorstellen, in lijn met het bezwaar van reclamant, dat een absoluut verbod een ingrijpend en zwaar instrument is. Daarom is het voorstel om de zienswijze deels tegemoet te komen door in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen waarmee met beoordelingsregels duidelijk wordt wanneer meegewerkt wordt met een toepassing door de gemeente. Van de andere kant houden wij daarmee voldoende beoordelingsruimte en kunnen daarmee onze doelen uitoefenen.

Via onze omgevingsvisie 1.0 stellen wij onszelf tot doel om preventief maatregelen te nemen gericht op het voorkomen van verslechtering van de bodemkwaliteit. Daarmee is het beoordelingskader veranderd. Bij een verbod geldt het beoordelingskader dat het moet bijdragen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij een binnenplanse vergunningplicht vormt het beoordelingskader de beoordelingsregels in het omgevingsplan. Op deze manier kan vooraf beter ingeschat worden of aan de toetsingscriteria in de beoordelingsregels voldaan kan worden. Wanneer hier sprake van is, wordt de omgevingsvergunning verleend door het bevoegd gezag. Een binnenplanse vergunningplicht geeft meer duidelijkheid over de vraag of een vergunning kan worden verleend dan een verbod.

21

In lijn met het verzoek van reclamant over de gevraagde informatie en andere onduidelijkheden zijn de beoordelingsregels en aanvraagvereisten aangepast. Ook zijn deze beter afgestemd op de vereiste informatie vanuit het Besluit activiteiten leefomgeving. Ten aanzien van de noodzakelijkheid en rechtszekerheid is de motivering van het besluit gewijzigd en aangevuld (onderdeel G). Ook bij de eerdere onderwerpen van deze zienswijze is hierop ingegaan. Onderwerp 9 Tot slot wijst reclamant erop dat de invoering van een verbod geen geschikte maatregel is, omdat daarmee niet op een coherente wijze uitvoering wordt gegeven aan het Nederlandse bouwstoffenbeleid. Reclamant verwijst naar de eerdere onderwerpen: - Rijksbeleid richt zich op toepassing van secundaire bouwstoffen ten aanzien van circulariteit en voorziet in toepassingsmogelijkheden, haaks op de gemeentelijke regelgeving. - Daarmee dreigt een lappendeken van verschillende regels voor de toepassing van bouwstoffen, of vergelijkbare regels met procedures. Dat alles levert tegenstrijdigheden op, is niet coherent en daarmee ook om die reden in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Reclamant verzoekt daarom af te zien van de vaststelling van paragraaf 11.2.3 en in de plaats maatwerkregels op te stellen waarmee het belang van mens en milieu ook op adequate wijze kan worden behartigd.

Reactie In onze ogen is onderbouwd waarom een regeling voor bouwstoffen noodzakelijk en evenredig is. Daarbij zien wij af van een verbod, maar stellen in de plaats een binnenplanse vergunningplicht voor die naar de buitenwereld meer duidelijkheid geeft over de vraag of een vergunning kan worden verleend, gedeeltelijk tegemoet komt aan deze zienswijze en tegelijk voldoende beoordelingsruimte biedt voor het bevoegd gezag om op basis van het voorzorgbeginsel haar preventieve taken uit te voeren. Op deze manier worden mens en milieu beschermd en wordt voorkomen dat de bodemkwaliteit verslechterd. Voorstel Wij stellen de gemeenteraad voor om zienswijze 4 deels gegrond en deels ongegrond te verklaren en de regels gedeeltelijk aan te passen zoals aangegeven in de staat van wijzigingen.

2.5

Zienswijze 5

Ontvankelijkheid De zienswijze is op 22 januari 2025 ontvangen en daarmee ontvankelijk. Behandeling zienswijze Allereerst wordt de zienswijze verkort weergegeven en vervolgens wordt de zienswijze van een reactie voorzien.

22

Zienswijze Reclamant geeft aan dat deze zienswijze betrekking heeft op de afspraken die zijn gemaakt in het regionale bodembeleid. In het kader van ervaringen ziet reclamant graag een bepaling opgenomen, die aanvullend reguleert dat bij onverhoopte schade aan de omgeving de eigenaar verantwoordelijk is voor de schade én in staat is de kosten voor sanering te dragen. Conform de gemaakte afspraken wordt verzocht het volgende toe te voegen: De eigenaar dient ten genoegen van het bevoegde gezag (= de gemeente) aan te tonen, dat hij in staat is om de negatieve gevolgen van het toepassen van stoffen in het kader van activiteiten, zoals bedoeld in Paragraaf 11.2.2 Toepassen van grond of baggerspecie, Artikel 11.7 Verbod toepassen thermische gereinigde grond en Paragraaf 11.2.3 Toepassen van bouwstoffen, Artikel 11.19 Verbod toepassen van AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken, te voorkomen en eventuele uit die toepassing voortvloeiende milieu- dan wel gezondheidsschade volledig te vergoeden. Reclamant vraagt rekening te houden met de gemaakte regionale afspraken en uniformiteit te hanteren rondom het bodembeleid.

En de regel in de artikelsgewijze toelichting op Artikel 11.7 Verbod toepassen thermische gereinigde grond en de artikelsgewijze toelichting op Artikel 11.19 Verbod toepassen van AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken op te nemen. Reactie Wij begrijpen dat reclamant bij onverhoopte schade de eigenaar verantwoordelijk wilt stellen en de eigenaar in staat moet zijn de kosten voor sanering te dragen. Om diverse redenen stellen wij een alternatieve aanpassing van de artikelsgewijze toelichting bij de artikelen 11.7 en 11.19 voor. Daarbij is het verbod gewijzigd in een binnenplanse vergunningplicht. Bij de aanvraagvereisten van de binnenplanse vergunningplicht zullen wij de volgende informatie eisen: - het akkoord van de opdrachtgever - de verantwoordelijke voor de toepassing en nazorg in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase Met deze informatie is het mogelijk om de verantwoordelijke partijen aan te schrijven/aan te spreken en te wijzen op de zorgplicht. Onze reden voor dit alternatief: - het aantonen, oftewel het laten zien dat er financiële middelen zijn bij de eigenaar, is lastig uitvoerbaar - het is niet duidelijk aan wie vergoed moet worden - de grondeigenaar is niet altijd de verantwoordelijke, er zijn veel partijen betrokken bij een toepassing of er kan sprake zijn van een huurconstructie.

De veroorzaker moet opdraaien voor de schade - de zorgplicht uit de Omgevingswet ziet al grotendeels hierop toe. Daar moet bij aangesloten worden (aanschrijven op basis van de zorgplicht) Het voorstel van reclamant voor aanvulling in de artikelsgewijze toelichting over financiële zekerheidsstelling kan in onze ogen in eerste instantie het doel niet bereiken. Ten eerste zal het doel niet gehaald worden als het in de toelichting komt, omdat een artikelsgewijze toelichting formeel geen status heeft, maar een uitleg van een regel is. Het is niet bindend. Ten tweede is er geen praktische invulling te bedenken. Het is niet duidelijk op welke manier een eigenaar aantoont dat hij eventuele schade kan vergoeden. De schade is niet vooraf bekend, waardoor er geen bedrag kan worden bepaald. Daarnaast leidt eventuele schade

23

over het algemeen tot maatregelen die worden opgelegd en niet tot geld dat uitbetaald moet worden. Bij uitbetaling is niet duidelijk aan wie geld wordt uitbetaald en of die dan ook verantwoordelijk wordt gehouden voor de schade. Ook is niet altijd de eigenaar aansprakelijk voor schade maar kan dit ook de erfpachter, initiatiefnemer, toepasser of andere partij zijn. Ten derde zijn er betere alternatieven voorhanden. Onder andere zou een beroep kunnen worden gedaan op de algemene zorgplicht uit de Omgevingswet. Verder mag in onze ogen de gewenste bepaling niet worden opgenomen in het omgevingsplan. Wat je als gemeenteraad wel en niet mag opnemen in je omgevingsplan staat in artikel 2.7 Omgevingswet en is verder uitgewerkt in artikel 2.1 van het Omgevingsbesluit. De volgende regels mogen niet worden opgenomen in het omgevingsplan: 1. Regels die buiten de reikwijdte van de Omgevingswet vallen, 2. Regels op grond van bijzondere wetten en 3. regels genoemd in artikel 2.1, tweede lid van het Omgevingsbesluit. Regels over vergoedingen en financiële zekerheidstelling vallen onder 2: Regels op grond van bijzondere wetten. Voorstel Wij stellen de gemeenteraad voor om zienswijze 5 deels gegrond te verklaren en de regels gedeeltelijk aan te passen zoals aangegeven in de staat van wijzigingen.

2.6

Zienswijze 6

Ontvankelijkheid De zienswijze is op 22 januari 2025 ontvangen en daarmee ontvankelijk. Behandeling zienswijze Allereerst wordt de zienswijze verkort weergegeven en vervolgens wordt de zienswijze van een reactie voorzien. Zienswijze Deze zienswijze heeft betrekking op artikelen 10.3 en 10.4 in het ontwerpbesluit voor wijziging omgevingsplan Dordrecht. Reclamant geeft aan dat in artikel 10.3 van het omgevingsplan een zorgplicht is opgenomen voor enkele activiteiten binnen het 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding', terwijl artikel 10.4 van het omgevingsplan de vergunningplichtige activiteiten regelt. Voor (1) het opslaan van goederen, (brandbare) stoffen en materialen, en (2) het opwekken van elektriciteit met een windturbine geldt op basis van de ontwerpwijziging van het omgevingsplan een zorgplicht. Reclamant vindt dat voor die twee activiteiten een vergunningplicht moet gelden om de volgende redenen: - Het opslaan van goederen, (brandbare) stoffen en/of materialen: Opslag onder een hoogspanningsverbinding is volgens reclamant één van de grootste veiligheidsrisico's voor zowel hun goederen als voor de omgeving. Hierbij kan gedacht worden aan een palletopslag die in brand vliegt en daarbij ook de verbinding beschadigt. Dit kan zeer

24

snel gaan en blussen is dan vrijwel onmogelijk, zo stelt reclamant. Het is voor reclamant onaanvaardbaar dat die risico's enkel aan een zorgplicht worden gekoppeld. Reclamant wil bij opslag te allen tijde zelf vooraf de toetsing kunnen doen om ervoor te zorgen dat er geen onwenselijke situaties ontstaan. - Het opwekken van elektriciteit met een windturbine: Naast opslag stelt reclamant dat ook bij windturbines de risico's zo groot zijn dat wanneer daarbij wat misgaat een volledige verbinding buiten werking kan treden voor een langere tijd. Dit is een risico dat volgens reclamant onmogelijk juist beschermd kan worden via een zorgplicht, omdat de toetsing dan achteraf plaatsvindt terwijl de turbine er dan al staat. Reclamant is van mening dat er bij het opwekken van elektriciteit via een windturbine in een gebied met bovengrondse hoogspanningsverbindingen vooraf een toetsing moet plaatsvinden op grond van een vergunningplicht. Door de gemeente is in een overleg met reclamant aangegeven dat in de buurt van hoogspanningsverbindingen geen windturbines zijn toegestaan. Toch vindt reclamant dat er rekening mee gehouden moet worden dat dit in de toekomst zou kunnen veranderen. Vandaar dat reclamant wil dat het opwekken van elektriciteit via een windturbine in een gebied met bovengrondse hoogspanningsverbindingen toch onder een vergunningplicht valt.

Reactie De opslag van goederen, (brandbare) stoffen of materialen en het opwekken van elektriciteit met windturbines in de nabijheid van hoogspanningsverbindingen zijn activiteiten die veel aandacht vragen vanwege de mogelijke risico's die ze met zich mee kunnen brengen voor goederen, personen en de leefomgeving. De zorgen die reclamant heeft over de mogelijkheden die het omgevingsplan biedt voor de toezicht en de handhaving op deze activiteiten snappen wij dan ook volledig. Bij het kiezen van instrumenten voor het toezicht houden op de naleving van regels en het handhaven daarop moeten wij altijd de afweging maken tussen verschillende aspecten. Te denken valt dan aan de noodzakelijkheid om te kiezen voor een bepaald instrument (zoals een vergunningplicht, zorgplicht, maatwerkvoorschrift, enzovoort), mogelijke alternatieven en wat de keuze voor een instrument concreet betekent voor de initiatiefnemer, vergunningverleners, toezicht en handhaving. In dat kader hebben advies ingewonnen bij de omgevingsdienst Zuid Holland Zuid (OZHZ) die zowel de vergunningverlening als het toezicht en handhaving voor de gemeente doet. Uit dit advies volgt nog geen eenduidig antwoord, de OZHZ wil nader onderzoeken in hoeverre overtreding van de zorgplicht handhaafbaar is. Tot die tijd wordt geadviseerd vast te houden aan de vergunningplicht. Dit advies nemen wij over.

Daarmee komen wij tegemoet aan de zienswijze van TenneT. In de planregels zal de opslag van goederen, (brandbare) stoffen of materialen en het opwekken van elektriciteit met windturbines in de nabijheid van hoogspanningsverbindingen onder de vergunningplicht worden gebracht. Voorstel Wij stellen de gemeenteraad voor om zienswijze 6 gegrond te verklaren en de regels aan te passen zoals aangegeven in de staat van wijzigingen.

2.7

Zienswijze 7

Ontvankelijkheid De zienswijze is op 22 januari 2025 ontvangen en daarmee ontvankelijk.

25

Behandeling zienswijze Allereerst wordt de zienswijze verkort weergegeven en vervolgens wordt de zienswijze van een reactie voorzien. Onderwerp 1 Deze zienswijze heeft betrekking op de onderdelen van het wijzigingsplan die gaan over de locatie Zuidbuitenpoldersekade 3 en 3a te Dordrecht. Reclamant heeft bedrijfsactiviteiten die voor een belangrijk deel plaatsvinden op de locatie aan de Sikkelstraat en gedeeltelijk vanuit de locatie Zuidbuitenpoldersekade 3a. Reclamant is al enige tijd met het college in gesprek over het volledig verplaatsen van hun bedrijfsactiviteiten naar de locaties Zuidbuitenpoldersekade 3 en 3a. Deze maatregel is volgens reclamant nodig, omdat de bedrijven dusdanig zijn gegroeid waardoor de locatie aan de Sikkelstraat te klein is geworden. Daarnaast geeft reclamant aan dat de bedrijfsvoering aan de Sikkelstraat mogelijk wordt belemmerd door de aanstaande ontwikkeling van woningen in de buurt van de bedrijfslocatie. De klantenkring van de bedrijven zit in de regio Dordrecht en verder is er op andere bedrijvenlocaties geen ruimte, waardoor de locaties aan de Zuidbuitenpoldersekade volgens reclamant zeer geschikt zijn voor hun toekomstige bedrijfsvoering.

Reclamant heeft in 2021 een koopovereenkomst met het college gesloten voor de aankoop van het perceel aan de Zuidbuitenpoldersekade 3 en voeren ook gesprekken met het college over het juridisch-planologisch inpassen van hun bedrijfsactiviteiten op de locaties Zuidbuitenpoldersekade 3 en 3a. Het college is bezig met het wegbestemmen van de bestemming wonen op de locatie Zuidbuitenpoldersekade 3 i.v.m. de uitkoopregeling ''Specifieke uitkering aankoop woningen onder een hoogspanningsverbinding'' van het Rijk. Om die reden heeft de locatie Zuidbuitenpoldersekade 3 in de ontwerpwijziging van het omgevingsplan de bestemming ''dagrecreatie'' gekregen. Volgens reclamant maakt deze functie de bedrijfsontwikkelingen die zij voor ogen hebben op de locaties Zuidbuitenpoldersekade 3 en 3a niet mogelijk. Reclamant vraagt de raad om het college te verzoeken om met hen in gesprek te blijven om hun voorgenomen bedrijfsontwikkelingen op Zuidbuitenpoldersekade 3 en 3a mogelijk te maken. Reactie In het ontwerpbesluit van de omgevingsplanwijziging heeft Zuidbuitenpoldersekade 3 de functie ''Dagrecreatie'' gekregen. Reclamant geeft aan dat deze nieuwe functie de bedrijfsactiviteiten beperkt die zij met hun bedrijven willen uitoefenen op de locaties Zuidbuitenpoldersekade 3 en 3a. Wij begrijpen die zorgen.

Zoals in de zienswijze terecht wordt opgemerkt wordt voor Zuidbuitenpoldersekade 3 een wijziging van het omgevingsplan voorgesteld in verband met de uitkoopregeling 'specifieke uitkering aankoop woningen onder een hoogspanningsverbinding' van het Rijk. Vanwege deze regeling is wonen onder hoogspanningslijnen onwenselijk vanwege gezondheidsrisico's. Dat betekent dat ook percelen onder hoogspanningslijnen die al de woonfunctie hadden en die door de gemeente zijn aangekocht via de uitkoopregeling een andere functie moeten krijgen, zoals het geval is voor Zuidbuitenpoldersekade 3. Hierbij is de gemeente gebonden aan een strikte termijn vanuit de ministeriële regeling. Binnen een bepaald aantal jaar na aankoop moet de woonbestemming zijn verwijderd. Om die deadline te halen is nu gekozen voor een wijziging omgevingsplan.

26

Bij het bepalen welke nieuwe functie het beste past op de locatie Zuidbuitenpoldersekade 3 is gekeken naar de functies van percelen in de omgeving. Het gebied waartoe Zuidbuitenpoldersekade 3 behoort heeft voornamelijk een recreatieve functie. Om die reden is de functie dagrecreatie op dit moment het meest passend voor Zuidbuitenpoldersekade 3 en een functie die het beste bijdraagt aan het recreatieve karakter van het gebied, tot een passende nieuwe functie is gevonden. In relatie tot een nieuwe passende functie is er contact geweest tussen gemeente en reclamant en hebben overleggen plaatsgevonden. In lijn met het verzoek van reclamant blijft het college graag in gesprek over de mogelijkheden voor uitbreiding van hun bedrijfsactiviteiten en de mogelijk nieuwe functie voor Zuidbuitenpoldersekade 3, waarbij uitgangspunt is dat deze functie past in de omgeving en in lijn is met het gemeentelijk en provinciaal beleid. Onderwerp 2 Reclamant geeft aan dat bij de publicatie van de ontwerpwijziging van het omgevingsplan op het Omgevingsloket een deel van het hoveniersbedrijf op Zuidbuitenpoldersekade 3a is wegbestemd. Volgens reclamant is dit ten onrechte gebeurd.

Zij verzoeken de raad om deze fout te herstellen en om Zuidbuitenpoldersekade 3a bij de vaststelling van het wijzigingsplan buiten het plangebied van de wijziging van het omgevingsplan te laten, zodat het bestemmingsplan Nieuwe Dordtse Biesbosch voor Zuidbuitenpoldersekade 3a blijft gelden. Reactie Bij de publicatie van de ontwerpwijziging van het omgevingsplan is inderdaad een fout is gemaakt voor het perceel Zuidbuitenpoldersekade 3a. Het was de bedoeling dat alleen de functie van Zuidbuitenpoldersekade 3 wegbestemd zou worden, in lijn met de via de uitkoopregeling aangekocht perceel, maar door een fout is ten onrechte ook een deel van het hoveniersbedrijf op Zuidbuitenpoldersekade 3a wegbestemd. Deze fout wordt hersteld bij de definitieve vaststelling van de tweede wijziging van het omgevingsplan zodat de huidige functie van Zuidbuitenpoldersekade 3a volledig van kracht blijft in het nieuwe omgevingsplan. Voorstel Wij stellen de gemeenteraad voor om zienswijze 7 gegrond te verklaren en de regels aan te passen zoals aangegeven in de staat van wijzigingen.

27

3. Voorgestelde ambtshalve wijzigingen Hierna worden de voorgestelde ambtshalve wijzigingen gemotiveerd. In hoofdstuk 4 Staat van wijzigingen zijn de exacte wijzigingen weergeven. Ook redactioneel zijn wijzigingen doorgevoerd zoals spelling, structuur, leesbaarheid en verbeterde zinsopbouw.

3.1

Tijdelijk uitnemen grond

In de artikelen 11.27 en 11.28 van het ontwerpbesluit is een regeling voor het tijdelijk uitnemen van grond opgenomen. Het doel van deze regel is om wanneer tijdelijk grond ergens wordt weggenomen, het vervolgens onder voorwaarden zonder te zijn bewerkt en onder dezelfde omstandigheden weer kan worden teruggeplaatst. Het doel was een versoepeling ten opzichte van de rijksregels. Ten tijde van het opstellen van de bodemregel (2021) was nog niet bekend wat "op of nabij" bij tijdelijke uitname betekende. Dit is later door het rijk pas duidelijk aangegeven. 1 Het rijk geeft zelf een zeer ruime uitleg aan "op of nabij" bij tijdelijk uitname en maakt grondverzet, van niet sterk verontreinigde grond, binnen een project/ werkgebied mogelijk. De regel was bedoeld als versoepeling en duidelijke uitleg ten aanzien van de rijksregel. De regel werkt nu beperkend ten opzichte van de uitleg die aan de rijksregel wordt gegeven en is overbodig geworden doordat het rijk zelf een duidelijk uitleg heeft gegeven. Omdat artikel 11.27 overbodig is, kan deze worden geschrapt. Dit werkt door in artikel 11.28 waar gegevens en bescheiden worden gevraagd volgend uit artikel 11.27.

3.2

Asbesthoudende grond

In artikel 11.22 van het ontwerpbesluit is een regeling voor asbesthoudende grond opgenomen. Naar aanleiding van overleg met de Grondbank aan de Omgevingsdienst kwam aan het licht dat deze regel onduidelijkheid geeft over of deze ook geldt voor de activiteiten van grondbanken. Dat laatste is niet de bedoeling. Inhoudelijk geeft artikel 11.22 niet aan wanneer sprake is van asbesthoudende grond. De regel is bedoeld voor (eenzame) partijen grond buiten een inrichting of grondbank, want op die plekken kan er overlast ontstaan en kan er grond door onbekenden illegaal worden bijgestort. Voor die situaties is de regel voor bedoeld. Het is niet bedoeld voor grondbanken waar het op die plek is toegestaan om partijen grond op te slaan (of ingenomen/verhandeld). In artikel 11.22 wordt een 2e lid toegevoegd zodat grondbanken zijn uitgezonderd.

3.3

Informatieplicht graven boven de interventiewaarde

In artikel 11.31 van het ontwerpbesluit worden in aanvulling op de informatieplicht in het Bal extra gegevens en bescheiden gevraagd voor het begin van de activiteit graven in de bodem

1

Zie voor de omschrijving: https://iplo.nl/thema/bodem/regelgeving/hergebruik-bouwstoffen-grond-

baggerspecie/tijdelijk-uitnemen-grond-baggerspecie/

28

boven de interventiewaarde. Hierbij wordt de termijn uit het Bal herhaald: namelijk deze informatie moet tenminste vier weken voor het begin van de activiteit worden aangeleverd. In het Bal wordt een uitzondering gemaakt voor het tijdelijk uitnemen van grond. Hier geldt in plaats van vier weken een termijn van één week. De regel in het omgevingsplan kan nu onbedoeld ook voor het tijdelijk uitnemen van grond verplichten deze informatie eerder aan te leveren. Dat is niet de bedoeling. In lijn met de regels van het rijk wordt voor het tijdelijk uitnemen van grond de uitzondering opgenomen. Dit betekent dat in artikel 11.32 een extra lid is toegevoegd dat aansluit bij de termijnen in het Bal.

3.4

Definitie voor standaardbodem toegevoegd

Het begrip standaardbodem komt veelvoudig terug in de tabellen in het ontwerpbesluit. Ter verduidelijk en in het kader van de uitwerking in toepasbare regels (de vergunningscheck-vragen en indieningsvereisten) wordt de definitie voor standaardbodem toegevoegd in de begrippenlijst. Deze kan dan gebruikt worden als uitleg bij de vergunningscheck en indieningsvereisten.

3.5

Graven in de bodem

Bij het stellen van maatwerkregels in het omgevingsplan geldt als grens dat deze regels het toepassingsbereik van het Besluit activiteiten leefomgeving niet mogen aanpassen (met name verruimen). Het toepassingsbereik van de regels over de activiteiten graven boven en onder interventiewaarden is gekoppeld aan de lijst interventiewaarden in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In het ontwerpbesluit van het omgevingsplan zijn regelingen voor de stof PFOA bij de activiteit graven opgenomen, echter staat de stof PFOA niet in de lijst interventiewaarden. Het betreft een maatwerkregel die daarmee het toepassingsbereik van het Besluit activiteiten leefomgeving aanpast en dat is niet toegestaan. Wat wel is toegestaan zijn algemene regels. Daarom zijn artikelen 11.26 en 11.30 aangepast naar algemene regels.

29

4. Staat van wijzigingen ontwerpbesluit Hieronder is schematisch weergeven wat exact de wijzigingen aan het ontwerpbesluit zullen zijn. Dit betreffen de in hoofdstuk 2 en 3, vanuit de zienswijzen en ambtshalve aangekondigde wijzigingen, waarmee de raad wordt verzocht in te stemmen. Bij het raadsbesluit zal ook een renvooi van de regeling en artikelsgewijze toelichting worden toegevoegd voor een exacte weergave van alle wijzigingen (ook de redactionele wijzigingen). Vanuit de zienswijzen worden ook wijzigingen aan de artikelsgewijze toelichting doorgevoerd. Dit is met name voor verduidelijking van een regel bedoeld. Het wijzigt de inhoud van de juridische regel niet. Deze wijzigingen zijn terug te lezen in de renvooi en zijn hieronder niet weergeven. Hierna volgen de wijzigingen aan de juridische regels. Ook is de motivering van dit wijzigingsbesluit aangepast naar aanleiding van de zienswijzen. In het kader van de regelingen voor bouwstoffen en thermisch gereinigde grond is gemotiveerd waarom een binnenplanse vergunningplicht (i.p.v. een verbod) noodzakelijk is geacht. Ook is de screenshot van het plangebied vervangen. Was

Wordt

1. Zienswijze 6: Vergunningplicht bovengrondse hoogspanningsverbinding Artikel 10.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bovengrondse hoogspanningsverbinding 1. Het is binnen de locatie 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding' verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'gebouw bouwen’ en ‘ander bouwwerk bouwen’ uit te voeren. 2. Het is binnen de locatie 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding' verboden zonder Oomgevingsvergunning de activiteit ‘grondwerkzaamheden verrichten’ uit te voeren. 3. Het is binnen de locatie 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding' verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'waterpeil wijzigen' uit te voeren. 4. Het is binnen de locatie 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding' verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'bouwwerk slopen' uit te voeren.

Artikel 10.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bovengrondse hoogspanningsverbinding 1. Het is binnen de locatie 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding' verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'gebouw bouwen’ en ‘ander bouwwerk bouwen’ uit te voeren. 2. Het is binnen de locatie 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding' verboden zonder Oomgevingsvergunning de activiteit ‘grondwerkzaamheden verrichten’ uit te voeren. 3. Het is binnen de locatie 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding' verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'waterpeil wijzigen' uit te voeren. 4. Het is binnen de locatie 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding' verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'bouwwerk slopen' uit te voeren.

30

5. Het is binnen de locatie 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding' verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'het opwekken van elektriciteit met een windturbine’ uit te voeren. 6. Het is binnen de locatie 'beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding' verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit ‘opslaan van goederen, (brandbare) stoffen en of materialen ‘uit te voeren. Was

Wordt 2. Zienswijze 7: Plangebied Zuidbuitenpoldersekade

Was

3. Verbod thermisch gereinigde grond

(zienswijzen 2, 3 en 4) Artikel 11.7 Verbod toepassen thermische gereinigde grond Met het oog op het beschermen van het milieu is het, in afwijking van paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving, verboden thermisch gereinigde grond toe te passen.

Wordt Binnenplanse vergunningplicht thermisch gereinigde grond Artikel 11.7 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen thermisch gereinigde grond Met het oog op het beschermen van het milieu is het, in aanvulling op paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving, verboden zonder omgevingsvergunning thermisch gereinigde grond toe te passen. Artikel 11.8 Aanvraagvereisten vergunning thermisch gereinigde grond Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 11.7, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de verwachte datum van het begin van de activiteit, als bedoeld in artikel 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

31

b. een planning van de werkzaamheden; c. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen grond of baggerspecie die overeenkomstig BRL SIKB 7500 is bewerkt in een grondreinigingsinstallatie, aangevuld met de zuurgraad, geleidbaarheid, kritische parameters van deze bouwstof en indien relevant de eisen van het productcertificaat; d. de ligging en de omvang van de toepassing, aangeduid in locatietekeningen en doorsneden; e. een identificatie en een beschrijving van kritische aspecten en hoe hier de zorgplicht, als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt ingevuld, waaronder in ieder geval grondwater en oppervlaktewater in de nabijheid, zetting, PHbuffercapaciteit, kwetsbare objecten en ecologie; f. een beschrijving van de wijze waarop overlast voor de omgeving wordt voorkomen in de vorm van stofvorming en ook de wijze waarop overlast voor de omgeving in de vorm van wateropvang, als dit vrijkomt uit het materiaal, wordt voorkomen; g.

een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat grond of baggerspecie die overeenkomstig BRL SIKB 7500 is bewerkt in een grondreinigingsinstallatie de kwaliteit of zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden of anderszins in strijd met de specifieke zorgplicht, als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast; h. de toepassingshoogte ten opzichte van de grondwaterstand (GHG); i. schriftelijke instemming van de eigenaar van de locatie; j. het akkoord van de opdrachtgever; k. de gegevens van de verantwoordelijke voor de toepassing en nazorg in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase; l. de verwachte zetting voor de komende 100 jaar.

32

Artikel 11.9 Beoordelingsregels thermisch gereinigde grond De omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 11.7, wordt alleen verleend als: a. de toepassing voldoet aan de eisen uit paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de specifieke zorgplicht, als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tijdens en na het toepassen wordt gewaarborgd; c. de toepassing verenigbaar is met het belang van: 1. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; 2. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en 3. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; d. bij het bepaalde onder c rekening wordt gehouden met het waterbeheerprogramma, het regionale waterprogramma, het stroomgebiedsbeheerplan en het nationale waterprogramma die betrekking heeft op het betreffende krwoppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam; e. de toepassing past bij de functie van de locatie; f. de toepassing herkenbaar en beheersbaar is door voldoende schaalgrootte; g. de thermisch gereinigde grond: 1. zodanig wordt toegepast dat deze vanaf het begin van de activiteit tot aan het buiten gebruik stellen van het werk boven de grondwaterstand (GHG) ligt en niet in contact komt met het grond- en oppervlaktewater; en 2.

wordt toegepast onder gesloten verharding of op vergelijkbare manier worden afgedekt zodat contact met hemelwater wordt voorkomen; h. de bovenafdichting waaronder de thermisch gereinigde grond wordt toegepast binnen 1 jaar na toepassing wordt aangebracht; en

33

i.

4. Verbod toepassen van bouwstoffen (zienswijzen 2, 3 en 4) Artikel 11.19 Verbod toepassen van AVIbodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken Met het oog op het beschermen van het milieu is het, in afwijking van paragraaf 4.123 van het Besluit activiteit leefomgeving, verboden AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken bestaan toe te passen.

de thermisch gereinigde grond wordt toegepast over een oppervlakte van minimaal 1.000 m2. Binnenplanse vergunningplicht toepassen van bouwstoffen Artikel 11.21 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen AVIbodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken Met het oog op het beschermen van het milieu is het, in aanvulling op paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving, verboden zonder omgevingsvergunning AVIbodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, toe te passen. Artikel 11.22 Aanvraagvereisten vergunning AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 11.21, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de verwachte datum van het begin van de activiteit, als bedoeld in artikel 4.1257 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. een planning van de werkzaamheden; c. de RD-coördinaten van de ontvangende landbodem; d. de ligging, de omvang en de dimensionering van de functionele toepassing, aangeduid in locatietekeningen en doorsneden; e. een onderbouwing van de toepassingshoogte na zetting van het werk ten opzichte van de grondwaterstand (GHG); f.

de hoeveelheid AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVIbodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, in kubieke meters die in totaal in het werk zal worden toegepast;

34

g. de aanduiding van de functionele toepassing, als bedoeld in artikel 4.1260 Bal, in het kader waarvan de AVIbodemassen, grondstabilisatie, immobilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, worden toegepast; h. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen de AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, die de kwaliteit duidt, aangevuld met de zuurgraad, geleidbaarheid en kritische parameters van deze bouwstof; i. de schriftelijke instemming van de eigenaar van de locatie; j. het akkoord van de opdrachtgever; k. de gegevens van de verantwoordelijke voor de toepassing en nazorg in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase; l. een beschrijving van de wijze waarop overlast voor de omgeving in de vorm van stofvorming wordt voorkomen en, indien de bouwstof met een toepassingseis gericht op het voorkomen van permanent in contact komen van de bouwstof met hemel-, grond- en oppervlaktewater wordt geleverd, ook de wijze waarop overlast voor de omgeving in de vorm van wateropvang als dit vrijkomt uit het materiaal wordt voorkomen; m.

bij het toepassen van immobilisaten: een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de toevoeging van de bindmiddelen aan de bodem de zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden; n. bij het toepassen van immobilisaten: de hoeveelheid bindmiddelen en de exacte beschrijving en receptuur van het type immobilisaat die in totaal voor de

35

immobilisatie of stabilisatie van de bodem zal worden toegepast; o. een beschrijving van de voorzieningen en de maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVIbodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, de kwaliteit of zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden. Artikel 11.23 Beoordelingsregels vergunning AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 11.22, wordt alleen verleend als: a. de toepassing voldoet aan de eisen uit paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de specifieke zorgplicht, als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tijdens en na het toepassen wordt gewaarborgd; c. de toepassing verenigbaar is met het belang van: 1. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; 2. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en 3. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; d.

bij het bepaalde onder c rekening wordt gehouden met het waterbeheerprogramma, het regionale waterprogramma, het stroomgebiedsbeheerplan en het nationale waterprogramma die betrekking heeft op het betreffende krwoppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam; e. de locatie van de toepassing zich niet in een waterwingebied bevindt, tenzij het de uitvoering van taken betreft door

36

drinkwaterbedrijven als bedoeld in artikel 7 van de Drinkwaterwet; f. de toepassing past bij de functie van de locatie; g. de toepassing herkenbaar en beheersbaar is door voldoende schaalgrootte; h. de AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan: 1. zodanig worden toegepast dat deze vanaf het begin van de activiteit tot aan het buiten gebruik stellen van het werk boven de grondwaterstand (GHG) liggen en niet in contact komen met het grond- en oppervlaktewater; en 2. worden toegepast onder gesloten verharding of op vergelijkbare manier worden afgedekt zodat contact met hemelwater wordt voorkomen; i. indien de bouwstoffen met aanvullende toepassingseisen (zogenaamde ‘wenken’ voor de toepasser) worden geleverd, wordt voldaan aan de aanvullende toepassingseisen; j. beschreven is welke voorzieningen of maatregelen worden genomen om te voorkomen dat de AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit AVIbodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken bestaan, in de aanlegfase en in de gebruiksfase de kwaliteit of zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden; en k.

de toepassing in de aanlegfase en gebruiksfase geen nadelige gevolgen heeft voor veiligheid, gezondheid en milieu, waaronder de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. Wordt

Was

5. Grootschalige toepassing

uitzonderen (zienswijze 3)

37

Artikel 11.8 Bodemvreemd materiaal in toe te passen grond of baggerspecie Met het oog op het beschermen van het milieu wordt, in afwijking van artikel 4.1271, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, binnen de bodemfunctieklassen landbouw/natuur en wonen alleen grond of baggerspecie toegepast, als daarin niet meer dan 5 gewichtsprocent steenachtig materiaal of hout voorkomt.

6. Afscherming bij opslaan grond (zienswijze 3) Artikel 11.22 Afscherming bij opslaan grond Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met bodembedreigende stoffen wordt, in aanvulling op paragraaf 4.122 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij het opslaan van grond van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, wonen en industrie: a. het depot grond afgeschermd van de omgeving, en b. indien sprake is van asbesthoudende grond: de bovenzijde van het depot met een zeil afgedekt.

Was

Artikel 11.8 Bodemvreemd materiaal in toe te passen grond of baggerspecie 1. Met het oog op het beschermen van het milieu wordt, in afwijking van artikel 4.1271, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, binnen de bodemfunctieklassen landbouw/natuur en wonen alleen grond of baggerspecie toegepast, als daarin niet meer dan 5 gewichtsprocent steenachtig materiaal of hout voorkomt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een grootschalige toepassing als bedoeld in artikel 4.1274 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van de afdeklaag als bedoeld in het vierde lid van dat artikel.

Artikel 11.22 Afscherming bij opslaan grond 1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met bodembedreigende stoffen wordt, in aanvulling op paragraaf 4.122 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij het opslaan van grond van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, wonen en industrie: a. het depot grond afgeschermd van de omgeving, en b. indien sprake is van asbesthoudende grond: de bovenzijde van het depot met een zeil afgedekt. Er is sprake van asbesthoudende grond als meer dan 10 mg/kg droge stof asbest aanwezig is in de grond of als asbesthoudend materiaal zichtbaar aanwezig is in de partij grond. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Wordt

7. Graven in de bodem (2x)

38

Artikel 11.26 Maatwerkregel graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Paragraaf 4.119 van het Besluit activiteiten leefomgeving is ook van toepassing op het graven in bodem met een gehalte PFOA (perfluoroctaanzuur) onder of gelijk aan 0,060 mg/kg droge stof.

Artikel 11.26 Graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Paragraaf 4.119 van het Besluit activiteiten leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op het graven in bodem met een gehalte PFOA (perfluoroctaanzuur) onder of gelijk aan 0,060 mg/kg droge stof.

Artikel 11.30 Maatwerkregel graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Paragraaf 4.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving is ook van toepassing op het graven in bodem met een gehalte PFOA (perfluoroctaanzuur) van meer dan 0,060 mg/kg droge stof.

Artikel 11.30 Graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Paragraaf 4.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op het graven in bodem met een gehalte PFOA (perfluoroctaanzuur) van meer dan 0,060 mg/kg droge stof.

8. Tijdelijk uitnemen van grond Artikel 11.27 Maatwerkregel bodem en Komt niet meer terug afval: tijdelijk uitnemen van grond Ook de bijbehorende artikelsgewijze 1. Bij het terugbrengen van grond op of nabij de locatie van uitname, bedoeld toelichting komt niet meer terug in artikel 4.1222a Besluit activiteiten leefomgeving, wordt de grond binnen hetzelfde werk binnen 25 meter van de herkomstlocatie en onder dezelfde omstandigheden teruggebracht. Daarbij mogen er geen aanwijzingen zijn dat de bodemkwaliteit op de locatie waar de grond wordt teruggebracht verslechtert. 2. In afwijking van het eerste lid kan grond binnen hetzelfde werk worden ontgraven en teruggebracht op afstanden groter dan 25 meter van de herkomstlocatie als: a. de bodemkwaliteit van het gehele werkgebied bekend is via minimaal een verkennend bodemonderzoek; en b. de terug te brengen grond van vergelijkbare of betere kwaliteit is dan de kwaliteit van de terugbrenglocatie. 3. Bij de toepassing van het tweede lid wordt rekening gehouden met humane en ecologische risico's en de toekomstige gebruiksfunctie van de locatie. 4. Toepassing van het tweede en derde lid blijkt uit een grondstromenplan.

39

Artikel 11.28 Maatwerkregel informatieplicht: voor het begin van de activiteit 1. Indien grond binnen hetzelfde werk wordt ontgraven en teruggebracht op afstanden groter dan 25 meter van de herkomstlocatie, wordt, in aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving, ook een verkennend bodemonderzoek en het grondstromenplan, bedoeld in artikel 11.27 [maatwerkregel bodem en afval: tijdelijk uitnemen van grond], verstrekt. 2. Het verkennend bodemonderzoek wordt ook verstrekt in het bestandsformaat XML. 3. In aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden tenminste een week voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag extra gegevens en bescheiden verstrekt in verband met de risico’s bij het graven in de bodem.

Artikel 11.28 Maatwerkregel informatieplicht: voor het begin van de activiteit In aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden tenminste een week voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag extra gegevens en bescheiden verstrekt in verband met de risico’s bij het graven in de bodem.

Was

Wordt

9. Informatieplicht Graven boven de

interventiewaarde Artikel 11.31 Maatwerkregel informatieplicht: voor het begin van de activiteit 1. In aanvulling op artikel 4.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden tenminste vier weken voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag extra gegevens en bescheiden verstrekt in verband met de risico’s bij de het graven in de bodem.

Artikel 11.31 Maatwerkregel informatieplicht: voor het begin van de activiteit 1. In aanvulling op artikel 4.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden tenminste vier weken voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag extra gegevens en bescheiden verstrekt in verband met de risico’s bij de het graven in de bodem. 2. In afwijking van het eerste lid, geldt bij het tijdelijk uitnemen van grond een termijn van een week, als bedoeld in artikel 4.1226, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

10. Begripsbepaling voor

standaardbodem toevoegen

40

Standaardbodem: standaardbodem bedoelt in de Regeling bodemkwaliteit 2022, bijlage GII

41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/1020/documents/40119