Nota beantwoording zienswijzen en staat van wijzigingen.pdf
Tekst van het document
Nota beantwoording zienswijzen en staat van wijzigingen Behorend bij het besluit tot tweede wijziging van het omgevingsplan gemeente Dordrecht voor bodemkwaliteit, Bouwhuysloca�e, Zuidbuitenpoldersekade en bedrijventerreinen
Datum: april 2025 Organisatie: gemeente Dordrecht
Inhoud 1.
Inleiding ........................................................................................................... 3
2.
Beantwoording zienswijzen................................................................................ 3
3.
4.
2.1
Zienswijze 1 ............................................................................................... 3
2.2
Zienswijze 2 ............................................................................................... 4
2.3
Zienswijze 3 ............................................................................................... 7
2.4
Zienswijze 4 ............................................................................................. 13
2.5
Zienswijze 5 ............................................................................................. 22
2.6
Zienswijze 6 ............................................................................................. 24
2.7
Zienswijze 7 ............................................................................................. 25
Voorgestelde ambtshalve wijzigingen ............................................................... 28 3.1
Tijdelijk uitnemen grond............................................................................ 28
3.2
Asbesthoudende grond ............................................................................ 28
3.3
Informatieplicht graven boven de interventiewaarde ................................... 28
3.4
Definitie voor standaardbodem toegevoegd ............................................... 29
3.5
Graven in de bodem ................................................................................. 29
Staat van wijzigingen ontwerpbesluit ................................................................ 30
2
1. Inleiding Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan gemeente Dordrecht voor de onderwerpen bodemkwaliteit, de Bouwhuyslocatie, bedrijventerreinen en de Zuidbuitenpoldersekade heeft van 12 december 2024 tot en met 22 januari 2025 voor iedereen ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er zeven zienswijzen ontvangen op het ontwerpbesluit. Deze zienswijzen vormen aanleiding om het ontwerpbesluit op onderdelen aan te passen. Dit volgt in hoofdstuk 2. Daarnaast is er ambtshalve aanleiding om ook het ontwerpbesluit op onderdelen aan te passen. De onderbouwing hiervoor volgt in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt een overzicht (staat) van de voorgestelde wijzigingen gegeven.
2. Beantwoording zienswijzen Onderdelen van de ingediende zienswijzen die niet expliciet worden genoemd in de samenvatting zijn wel bij de beoordeling betrokken. De zienswijzen zijn dus in hun geheel beoordeeld.
2.1
Zienswijze 1
Ontvankelijkheid De zienswijze is op 15 januari 2025 ontvangen en daarmee ontvankelijk. Behandeling zienswijze Allereerst wordt de zienswijze verkort weergegeven en vervolgens wordt de zienswijze van een reactie voorzien. Er worden 2 onderwerpen aangehaald: Onderwerp 1 In de Omgevingsvisie zijn percelen opgenomen die in eigendom zijn van reclamant. Deze percelen mogen – zonder nadrukkelijke schriftelijke toestemming van reclamant – niet worden gebruikt. Deze percelen zijn door reclamant benodigd ten behoeve van de uitvoering van haar wettelijke taken en voor eventuele toekomstig (uitbreidings)plannen. In A6.5 Deelgebied Stadsas, bladzijde 101, Openbare ruimte, staat opgenomen dat een extra tunnel voor langzaam verkeer in het verlengde van de Weeskinderendijk en de Erasmuslaan wenselijk is. Reclamant constateert dat er geen duidelijke gedachtegang is met betrekking tot de huidige overwegen en het gebruik daarvan. Reclamant verzoekt een duidelijke gedachtegang uit te werken met betrekking tot alle reeds bestaande en geplande gelijkvloerse spoorkruisingen. Reactie Dit onderdeel van de zienswijze is niet gericht op het ontwerp voor de tweede wijziging van het omgevingsplan, maar op de ontwerp-omgevingsvisie. De zienswijze zal dan ook in het kader van die procedure beantwoord worden en zal hier verder buiten beschouwing worden gelaten.
3
Onderwerp 2 Het omgevingsplan gemeente Dordrecht bevat ten aanzien van archeologisch erfgoed een classificatie in 3 waarden. Van deze waarden liggen delen van waarde 2 en waarde 3 over de treinsporen die de gemeente doorkruisen. Deze waarden zijn gebaseerd op een archeologische verwachting maar er lijkt geen rekening te zijn gehouden met de resultaten van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek. Door het niet meewegen van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek, aantoonbare verwachtingen en eerder vrijgegeven gebieden komt een onnodige beperking te liggen op de spoorzone. Het gaat dan bijvoorbeeld om de resultaten van onderzoeken met zaakidentificatie 2353725100 en 5309091100. Daarbij merkt reclamant op dat het niet enkel gaat om het ontbreken van eerder vrijgegeven gebieden maar ook om gebieden met een hoge verwachting op basis van onderzoek, die in het omgevingsplan nu zijn vrijgegeven. Reclamant verzoekt de gemeente dan ook om de resultaten van uitgevoerd onderzoek te gebruiken om de huidige kaarten aan te passen, zodat deze in overeenstemming zijn met aangetoonde verwachtingen en vrijgaven. Reactie Dit onderdeel van de zienswijze heeft betrekking op regels over archeologische waarden, die bij de eerste wijziging van het omgevingsplan zijn vastgesteld. Deze regels zijn op 18 juni 2024 door de gemeenteraad vastgesteld en zijn onherroepelijk in werking getreden.
De zienswijze gaat over een ander onderwerp dan de onderwerpen die met deze tweede wijziging van het omgevingsplan worden geregeld en kan op dit moment dus niet in behandeling worden genomen. Wel willen we de zienswijze graag nader bespreken met reclamant om na te gaan of het omgevingsplan eventueel bij de volgende wijziging gewijzigd moet worden op het onderdeel waar de zienswijze over gaat. De komende wijziging van het omgevingsplan voor de stations Leerpark en Dordrecht vormt een mooie gelegenheid om dat gesprek te voeren. In overleg met reclamant zullen hier nadere gesprekken over plaatsvinden. Voorstel Wij stellen de gemeenteraad voor om zienswijze 1 ongegrond te verklaren.
2.2
Zienswijze 2
Ontvankelijkheid De zienswijze is op 22 januari 2025 ontvangen en daarmee ontvankelijk. Behandeling zienswijze Allereerst wordt de zienswijze verkort weergegeven en vervolgens wordt de zienswijze van een reactie voorzien. Deze zienswijze heeft betrekking op artikel 11.19. Zienswijze Reclamant geeft aan dat in deze zienswijze uitgelegd zal worden dat een algeheel verbod om AVI-bodemassen toe te passen als bouwstof niet nodig én niet wenselijk is. Een verbod zal reclamant en dus ook de gemeente, aandeelhouder van reclamant, belemmeren in het bereiken van haar doelstellingen op het gebied van het recyclen van grondstoffen. Dit verbod
4
brengt de afzet in gevaar en strookt niet met het landelijke beleid. Reclamant stelt voor om een uitzondering te maken voor gereinigde bodemassen die voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen, zodat tevens het belang van het milieu wordt gediend. Met oog op het beschermen van het milieu reinigt reclamant al sinds 2016 haar bodemassen. Zij vormt al jaren de voorhoede als het gaat om het integraal wassen van haar AVIbodemassen en heeft als eerste afvalenergiecentrale (hierna 'AEC') invulling gegeven aan de Green Deal Verduurzaming nuttige toepassing AEC-bodemas. Op basis van het voorbeeld in 2021 in Katwijk waarbij batterijen in het eindproduct zijn aangetroffen, ondanks dat het voldeed aan de normen, heeft reclamant daarna het reinigingsproces stelselmatig verbetert. Daardoor voldoen de bodemassen aan de kwaliteitseisen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022 en aangekondigde strengere normen voor restmetaal en batterijen. Reclamant geeft aan dat het reinigen van bodemassen aanzienlijk duurder is dan geïmmobiliseerde toepassing. Om die reden kiezen veel andere AEC's voor de goedkopere route van immobiliseren. De landelijke overheid vindt dit onwenselijk. Daarbij verwijst reclamant naar het ontwerp-Circulair Materialenplan waarin staat dat gestuurd gaat worden op het reinigen van bodemassen tot een materiaal dat voldoet aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen.
En dat voor AVI-bodemassen die na het opwerken voldoen aan deze kwaliteitseisen het ontwerp-CMP geen beperkingen kent. De keuze van de gemeente om een algeheel verbod om AVI-bodemassen toe te passen op te nemen is niet in lijn met het ontwerp-Circulair Materialenplan. Reclamant verwijst daarbij naar een bijeenkomst met partijen als de VNG, ODNL en bedrijfstak waarin staat: 'Actief uitdragen dat vergunningsplicht niet geldt voor gereinigde bodemas'. Reclamant geeft aan dat op een andere wijze moet worden voorzien in een uitzondering op het verbod op het toepassen van AVI-bodemassen als bouwstof voor zover het gaat om gereinigde bodemassen. Een algeheel verbod en daarmee vergunningplicht (BOPA) zal in de praktijk niet werken en uiteindelijk leiden tot het toepassen van schaarse primaire grondstoffen, zoals schoon zand. Reclamant geeft aan dat gereinigde bodemassen hoofdzakelijk, zo niet uitsluitend worden toegepast als ophoogmateriaal. Voor de gebruikers van dit materiaal is er (te) weinig tijd tussen het moment van vergunningverlening en het moment van uitvoering. Vergunningverlening blijkt in de praktijk bovendien een onzekere factor te zijn en dat heeft grote gevolgen voor de planning. Niet in de laatste plaats, omdat het toepassen van gereinigde bodemassen in het begin van het project zit.
In de praktijk wordt ophoogmateriaal zo snel als mogelijk aangebracht, om zettingen voldoende tijd te geven om grotendeels uit te werken. Het finale ontwerp is dan nog niet uitgekristalliseerd. Reactie Naar aanleiding van deze zienswijze is de regeling voor bouwstoffen uit het ontwerpbesluit heroverwogen. Wij kunnen ons voorstellen, in lijn met het bezwaar van reclamant, dat een absoluut verbod een ingrijpend en zwaar instrument is. Daarom is het voorstel om aan de zienswijze deels tegemoet te komen door in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen en met beoordelingsregels duidelijk te maken onder welke voorwaarden een activiteit vergunbaar is. Aan de andere kant houden wij daarmee voldoende beoordelingsruimte en dragen we hiermee bij aan de doelen van de omgevingsvisie. In de omgevingsvisie 1.0 stellen wij onszelf tot doel om preventief maatregelen te nemen gericht op het voorkomen van verslechtering van de bodemkwaliteit.
5
Wij begrijpen dat wij daarmee niet helemaal tegemoet komen aan het verzoek van reclamant, waarin gevraagd wordt om een uitzondering gereinigde bodemassen. Het probleem bij deze bouwstoffen is dat als voldaan wordt aan het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Regeling Bodemkwaliteit 2022, de stoffen vrij toepasbaar zijn. In de praktijk heeft dat in een aantal gevallen tot incidenten geleid waarbij de bodem, het grondwater en/of het oppervlaktewater verontreinigd is geraakt. Daarnaast zijn er meerdere onderzoeksrapporten verschenen die een zorgelijk beeld over de vrije toepasbaarheid en de geldende regels schetsen. Die regels schieten naar onze mening tekort. Dat geldt ook voor de regels voor gereinigde bodemassen. Wij zien daarom geen mogelijkheid om een uitzondering voor deze categorie te maken. In de gewijzigde motivering bij de regeling (in deel G) wordt uitgebreid ingegaan op deze zorgelijke signalen. De huidige landelijke regels bieden onvoldoende bescherming in onze ogen. Daarmee beroepen wij ons op het voorzorgbeginsel en nemen een binnenplanse vergunningplicht op. Ons doel is om zorgwekkende situaties te voorkomen (omgevingsvisie). Wij zijn van mening dat een binnenplanse vergunningplicht het meest geschikte instrument is om grip te krijgen op deze problematiek. In de gewijzigde motivering (in deel G) zijn de verschillende instrumenten afgewogen.
Daarin wordt duidelijk dat een informatieplicht of meldplicht onvoldoende is. Een vergunningplicht kan ook voordelen hebben boven een meldplicht met algemene regels, juist omdat er dan nog afwegingsruimte is. Wij zijn graag bereid met reclamant in overleg te treden om te komen tot een beleidslijn of beleidsregel die het voorspel maakt wanneer wij de vergunning zullen verlenen en wanneer niet. Het landelijke Besluit activiteiten leefomgeving is zo opgesteld dat gemeenten op decentraal niveau ruimte krijgen om maatwerkregels te stellen voor bodemactiviteiten. Als de lokale omstandigheden en lokaal beleid daarom vragen zijn gemeenten bevoegd om strengere regels te stellen dan het Besluit activiteiten leefomgeving. Een maatwerkregel kan ook een verbod of vergunningplicht inhouden. De wetgever heeft daar niet gekozen voor een landelijke aanpak. Alleen de basis is door de wetgever geregeld. Wij zijn ons ervan bewust dat een vergunningprocedure extra tijd en kosten oplevert voor de praktijk en dat alternatieven dan aantrekkelijker worden waardoor het product van reclamant mogelijk niet meer wordt afgenomen. Door in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen wordt duidelijk via beoordelingsregels wanneer de gemeente de vergunning verleend. Het uitgangspunt is dus niet weigering, maar meewerken aan een zorgvuldige toepassing.
Daarmee wordt de onzekere factor kleiner. Tot slot zijn wij ons ook bewust van en steunen wij de ontwikkelingen en doelen op het gebied van circulaire toepassing van bouwstoffen. Gereinigde bodemas heeft daarbij zonder meer de voorkeur boven niet-gereinigde bodemas. Voor alle toepassingen geldt dat er voldoende waarborgen moeten zijn om verontreiniging van bodem, grondwater en/of oppervlaktewater te voorkomen. Zoals hierboven aangegeven zijn wij van mening dat de rijksregels op dit punt op dit moment tekort schieten. Zolang dit de situatie is willen wij met aanvullende regels en de voorgestelde binnenplanse vergunningplicht grip houden op het toepassen van de betreffende bouwstoffen in onze gemeente.
Voorstel
6
Wij stellen de gemeenteraad voor om zienswijze 2 deels gegrond en deels ongegrond te verklaren. Voor wat gegrond is, is het voorstel om de regels aan te passen zoals aangegeven in de staat van wijzigingen.
2.3
Zienswijze 3
Ontvankelijkheid De zienswijze is op 20 januari 2025 ontvangen en daarmee ontvankelijk. Behandeling zienswijze Allereerst wordt de zienswijze verkort weergegeven en vervolgens wordt de zienswijze van een reactie voorzien. Deze zienswijze bestaat uit 8 onderwerpen en heeft betrekking op de bodemregels in hoofdstuk 11 van het omgevingsplan. Onderwerp 1 Reclamant geeft aan dat deze een grote aannemer is binnen de GWW-sector (Grond-, wegen waterbouw-sector) en zich kenmerkt door het uitvoeren van grootschalige grondverzet in zowel land- als waterbodem, waarbij de focus ligt op het grensvlak. Voor reclamant geldt in zijn algemeenheid dat werken worden gegund door overheden en doorgaans 3- 5 jaar in uitvoering zijn. Het vooraf hebben/kennen van uniforme regels is bepalend voor een efficiënte uitvoering binnen het daarvoor overeengekomen budget/aanneemsom. Op het gebied van wijzigende wetgeving is reclamant lid van diverse brancheverenigingen. Vanuit het verleden vindt via dergelijke branches afstemming plaats met marktpartijen om de uitwerking van weten regelgeving uitvoerbaar te krijgen (en te houden). Door de introductie van (meer) lokale bodemregels, maatwerk en zorgplicht ontstaat er op regionale en landelijke schaal een lappendeken aan regels.
Reclamant is tot de conclusie gekomen dat de belangen voor de uitvoerbaarheid van een grootschalig project, die meerdere beheergebieden kan doorkruisen, onvoldoende geborgd is. Daarom geeft reclamant overwegingen mee om tot een uniformer lokaal beleid te komen. Indiener zienswijze wil graag in contact komen met de gemeente over een uniformer lokaal beleid. Reactie Eén van de kenmerken van de Omgevingswet is lokaal maatwerk. In het Besluit activiteiten leefomgeving is lokale afwegingsruimte voor decentrale overheden gecreëerd door maatwerkmogelijkheden op te nemen (het stellen van maatwerkregels in het omgevingsplan of maatwerkvoorschriften). Deze zijn wel afgebakend. De gemeente heeft dus de bevoegdheid om lokale regels te stellen waardoor verschillen ontstaan. Onderwerp 2 Ten aanzien van artikel 11.1 (oogmerken bodem) heeft reclamant het verzoek om een oogmerk/doel circulariteitsopgave op te nemen in lijn met het Circulair Materialen Plan (CMP) en toekomstige aanbestedingen.
7
Reclamant geeft aan dat ondanks begrip voor een beschermende houding voor het milieu onze maatschappij ook circulariteitsopgave (hoogwaardig hergebruik van grond secundaire bouwstoffen en het beperken van transport/CO2-uitstoot) kent. Deze ogenschijnlijke tegenstelling dient eveneens ondersteund te worden in lokaal bodembeleid. De landelijke circulaire opgave wordt enerzijds beleidsmatig ingegeven en anderzijds via contracten/aanbestedingen. Reactie De in artikel 11.1 genoemde doelstellingen sluiten aan bij/zijn ontleend uit de doelstellingen in het Besluit activiteiten leefomgeving en de Omgevingswet. Daarnaast werken de doelstellingen uit de omgevingsvisie Dordrecht door in het omgevingsplan. De circulaire opgave, opgenomen in de omgevingsvisie Dordrecht 1.0 (en 2.0), is terug te leiden op punt d en e van artikel 11.1. In de artikelsgewijze toelichting op artikel 11.1 is dit ook verwoordt onder 'het zoveel mogelijk hergebruiken' en 'ruimte voor maatschappelijke ontwikkelingen'. Daarmee wordt ook aangesloten bij de landelijke circulaire opgave en vertaald naar aanbestedingen. Onderwerp 3 Ten aanzien van artikel 11.7 (Verbod toepassen thermische gereinigde grond) merkt reclamant op dat het onduidelijk is op basis van welke motieven maatregelen nodig zijn.
Door het regionaal opleggen van (verschillende) maatregelen zorgt ervoor een lappendeken aan regels, waardoor grootschalige projecten, die door meerdere beheergebieden lopen, onwerkbaar worden. Een nationale aanpak is gewenst om een gelijk speelveld te behouden. Een vergunningplicht helpt hier niet bij. De vraag is zelfs of een vergunningplicht is toegestaan. Ten aanzien van de maatregelen in de toelichting merkt reclamant het volgende op: Maatregel 1 om de toepassing boven grondwaterstand en onder gesloten verharding toe te passen zijn rigide. Er is hierdoor geen ruimte voor praktische oplossingen. Zo is het enkel toepassen onder asfaltverharding geen werkbare praktijk. Thermische gereinigde grond wordt ingezet als fundatiemateriaal en moet doorlopen tot in de wegbermen. Maatregel 2 dat een werk binnen 1 jaar na toepassing moet zijn afgerond is niet realistisch. Een werk is een ruim begrijp en een project heeft meerdere fasen en kan langer duren dan 1 jaar. Overwegingen hierbij zijn om de vergunningplicht te schrappen, speelruimte te introduceren en “afronding” te herdefiniëren als ‘realiseren bovenbouw’. Ook wordt extra toelichting gevraagd voor onder andere: - Welk doel wordt bereikt met indienen waarborging eisen van productcertificaat? Welke eisen zijn dit? Waarborging door wie? Wanneer voldaan wordt aan de normering dan is beperkte uitloging naar ondergrond toegestaan.
- Onduidelijk waaraan de beschrijving kritische aspecten getoetst wordt door enerzijds vergunningverlener en anderzijds toezichthouder en handhaver - Welk doel wordt bereikt met schriftelijke instemming van de eigenaar? Hoe kan dit worden gebruikt bij handhaving? - Voorbeelden en normen voor de gevraagde schriftelijke onderbouwing hoe overlast voor de omgeving (in de vorm van stofvorming en wateropvang als dit vrijkomt uit het materiaal) wordt voorkomen. Reactie Naar aanleiding van deze zienswijze is de regeling voor thermisch gereinigde stoffen uit het ontwerpbesluit heroverwogen. Net als bij de regeling voor bouwstoffen constateren wij dat
8
een verbod een ingrijpend en zwaar instrument is en daarmee niet in het omgevingsplan vastgelegd kan worden onder welke voorwaarden thermisch gereinigde grond wel toegepast kan worden. Daarom is het voorstel om deze zienswijze tegemoet te komen door in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen waarmee met beoordelingsregels duidelijk wordt gemaakt wanneer meegewerkt kan worden met een toepassing door de gemeente. Aan de andere kant houden wij daarmee voldoende beoordelingsruimte en kunnen daarmee onze doelen uitoefenen en aan de andere kant biedt dat voor reclamant de gevraagde ruimte voor praktische oplossingen . Via onze omgevingsvisie 1.0 stellen wij onszelf tot doel om preventief maatregelen te nemen gericht op het voorkomen van verslechtering van de bodemkwaliteit. Het Besluit activiteiten leefomgeving is zo opgesteld door het rijk dat gemeenten op decentraal niveau ruimte krijgen om maatwerkregels te stellen voor bodemactiviteiten, waaronder thermisch gereinigde grond. Als de lokale omstandigheden en lokaal beleid daarom vragen zijn gemeenten bevoegd om strengere regels te stellen dan het Besluit activiteiten leefomgeving. Een maatwerkregel kan ook een verbod of vergunningplicht inhouden.
Wij erkennen dat zo een lappendeken van regels kan ontstaan en dit geen nationale aanpak te weeg brengt, maar de wetgever heeft niet gekozen voor een landelijke aanpak. Wat wel landelijk geregeld is, is de basis. Op het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit is geen maatwerk mogelijk door gemeenten. De maatregelen die reclamant benoemt komen nu terug als beoordelingsregels bij de vergunningplicht. In de artikelsgewijze toelichting bij de beoordelingsregels en aanvraagvereisten is extra toelichting toegevoegd over deze maatregelen, in lijn met het verzoek van reclamant. Specifiek is onder andere nu een aanvraagvereiste opgenomen over de planning (ipv. werk binnen 1 jaar) en wordt een beschrijving van de kritische aspecten gevraagd. Onderwerp 4 Ten aanzien van artikel 11.8 (Bodemvreemd materiaal in toe te passen grond of baggerspecie) merkt reclamant het volgende op: Het bepalen van de mate van bodemvreemde bijmenging wordt gedaan door een veldwerker, die hiervoor gecertificeerd is. In milieuhygienisch bewijsmiddelen wordt niet eenduidig gerapporteerd in gewichtsprocenten. Enkel in een partijkeuring zijn gewichtsprocenten (m%) opgenomen. In (water)bodemonderzoek wordt in boorstaten gerefereerd naar sporen/brokken, lichte, matige, sterke, uiterst en volledige bijmenging.
Er dient in de toelichting opgenomen te worden hoe een dergelijke annotatie van bodemvreemde bijmenging vertaald wordt naar gewichtsprocenten (m%). Het is ook onduidelijk of dit ook voor grootschalig toepassen (in de kern) geldt. Reactie Wij kunnen deze constatering bevestigen en daarom wordt in lijn met de zienswijze de artikelsgewijze toelichting aangevuld met uitleg over gewichtsprocenten (m%). Wat betreft grootschalig toepassen, zoals in de toelichting bij de regel te lezen, is het niet de bedoeling dit artikel ook te laten gelden voor de kern van grootschalige bodemtoepassingen. Echter constateren wij dat de regel hier wel voor geldt. Daarom wordt de regel aangepast en wordt een uitzondering opgenomen voor de kern van grootschalige bodemtoepassing.
9
Onderwerp 5 Opmerkingen van reclamant bij de artikelen voor afwijkende kwaliteitseisen: Artikelen 11.9 en 11.10: "Vreemde gronden" is een vaag begrip. Wordt hier grond van buiten beheergebied mee bedoeld of iets anders? Oftewel, betekent dit dat voor grond binnen beheergebied deze eis niet geldt? In principe is alle grond antropogeen belast. Het gemakshalve initiatiefnemers op voorhand opzadelen met extra analyses is een verregaande verzwaring. Het "niet vaak zullen voorkomen" staaft dit namelijk niet. Het verzoek is om "vreemde gronden" te verduidelijken en dat daarmee geen pH analyse nodig is voor binnen beheergebied vrijkomende grond. Ook is het verzoek om de pH-analyse voor "antropogene gronden" te schrappen. Reclamant verzoekt ook om te verduidelijken wat "zure gronden" betreffen. Refereer naar een onafhankelijke informatiebron met kaart. Verduidelijk welke analyse en met welke onderzoeksinspanning pH-analyse gedaan moet worden. Duidelijkheid over een toepassingsnorm en toch ruimte bieden voor maatwerk is prettig. Graag wel (niet limitatief) voorbeelden geven van bijzondere situaties. (…) Op basis van welke onafhankelijke informatiebron kan worden bepaald of sprake is van "zilte of zoute gronden". Oftewel, wanneer is sprake van 'verdachte' grond. Dit blijft te vaag. (…) Geef (niet limitatief) voorbeelden van bijzondere situaties die in aanmerking komen voor maatwerk.
Wat betreft barium wordt afgeweken van landelijk beleid. Reclamant merkt op dat partijen grond met dergelijke gehalte barium weinig zullen voorkomen. Artikel 11.12: Hoe verhoudt zich deze bepaling met (1) tijdelijke uitname en (2) grootschalig toepassen, waarbij de wegbermen als klasse Industrie mag worden toepast? Reclamant verzoekt om de relatie met (1) tijdelijke uitname en (2) "Grootschalig toepassen" te verduidelijken. Reactie Zure gronden kan grond van buiten onze regio betreffen die van nature zuurder is. Antropogene gronden met een pH buiten deze range zijn bijvoorbeeld grond met een betonbijmenging. Er is sprake van zilte of zoute grond als het chloridegehalte groter is dan 200 mg/kg. In de omgevingsplanregels wordt geen pH analyse voorgeschreven. Wanneer een grond verdacht is en op welke parameter (zoals pH of chloride) moet worden onderzocht volgt uit bestaande (Rijks)regelgeving (Besluit en regeling bodemkwaliteit) en protocollen (NEN of BRL). De regel in het omgevingsplan legt geen extra onderzoeks- of analyseverplichting op ten opzichte van de bestaande (Rijks)regelgeving. Bij de door de omgevingsdienst (OZHZ) binnengekomen en getoetste meldingen komt een sterk verhoogd bariumgehalte in de grond circa 5x per jaar voor. Het tijdelijk uitnemen valt onder de activiteit grootschalig graven en dan geldt deze regel dus niet.
Bij grootschalig graven gelden de kwaliteitseisen die staan in artikel 4.1274 en geldt deze regel dus niet. Het voorstel is om dit te verduidelijken in de handreiking die door de omgevingsdienst (OZHZ) wordt opgesteld en bij de artikelsgewijze toelichting van dit artikel. Wat betreft de termen, deze staan in de toelichting van het artikel uitgelegd. Het is niet nodig om dit verder te verduidelijken in de artikelsgewijze toelichting. Voor onderzoeksprotocollen wordt verwezen naar het rijksbeleid en hun uitleg hierbij. Onderwerp 6
10
Ten aanzien van artikel 11.15 Maatwerkregel milieukwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie merkt reclamant het volgende op: Een bodemkwaliteitskaart is een milieuhygiënisch bewijsmiddel. Er wordt geen reden aangevoerd waarom extra bewijslast nodig moet zijn. Deze eis brengt onnodig veel extra onderzoekskosten met zich mee. Eén van de uitgangspunten van Omgevingswet is juist het verminderen van deze onderzoekslast. Daarom wordt voorgesteld dit vereiste te schrappen, want de bodemkwaliteitskaart is voldoende. Reactie De bodemkwaliteitskaart is gebaseerd op een rekenkundig gemiddelde per zone. Dit betekent dat de kwaliteit van de grond vaak afwijkt van de kwaliteit in de zone. Daarom is ervoor gekozen dat tenminste een bodemonderzoek de kwaliteit moet bevestigen. De bodemkwaliteitskaart is daarom volgens ons niet afdoende. Onderwerp 7 Ten aanzien van artikel 11.19 Verbod toepassen van AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken merkt reclamant op: Met de term "aandachtstoffen" en de introductie van een vergunningplicht wordt een duidelijk onderscheid gemaakt met 'gangbare' bouwstoffen wordt hiermee een ongelijk speelveld gecreëerd. Er dient een gelijk speelveld te zijn tussen alle genoemde secundaire bouwstoffen.
Hierbij (juist) de oproep dat alle bouwstoffen dezelfde regels moeten gelden voor wat betreft informatie/meldplicht, zodat alle toepassingen met bouwstoffen gecontroleerd en gehandhaafd kunnen worden. Het is onduidelijk op basis van welke motieven maatregelen nodig zijn. Door het regionaal opleggen van (verschillende) maatregelen zorgt ervoor een lappendeken aan regels, waardoor grootschalige projecten, die door meerdere beheergebieden lopen, onwerkbaar worden. Een nationale aanpak is gewenst om een gelijk speelveld te behouden. Een vergunningplicht helpt hier niet bij. De vraag is zelfs of een vergunningplicht is toegestaan. In zijn algemeenheid is een nationale aanpak gewenst. Vergunningplicht schrappen. Extra eisen kunnen ook (centraal) aan format DSO-melding worden aangebracht. Introduceer meer speelruimte door "afwijken mogelijk indien gelijkwaardig als". Specifiek: In de toelichting staat aangegeven dat met een buitenplanse omgevingsvergunning voor afwijking op het omgevingsplan (Bopa) kan worden afgeweken van het verbod en met welke punten dan rekening gehouden moet worden. De opmerkingen zijn dezelfde als bij artikel 11.7 met aanvulling van het volgende: - Schrappen onderbouwing van de functionaliteit van de toepassing. Het toepassen van een bouwstof in een werk is per definitie nuttig en functioneel. Het ontwerp en contractuele voorwaarden zijn hierin leidend.
- Wat gebeurt er als de hoeveelheid wijzigt? Of een andere stroom wordt aangewend? Is de vergunning dan niet meer geldig? - Welk doel wordt bereikt met vragen van beschrijving voorzieningen en maatregelen ter voorkoming dat bindmiddel in de bodem de zuurgraad van grondwater of oppervlaktewater beïnvloed of in strijd is met de specifieke zorgplicht (artikel 2.11 Besluit activiteiten leefomgeving). Dit is toch een basisuitgangspunt van de Omgevingswet? Reactie Naar aanleiding van deze zienswijze is de regeling voor (secundaire) bouwstoffen uit het ontwerpbesluit heroverwogen. Wij constateren dat een verbod een ingrijpend en zwaar
11
instrument is en daarmee niet in het omgevingsplan vastgelegd kan worden onder welke voorwaarden bouwstoffen wel toegepast kunnen worden. Daarom is het voorstel om deze zienswijze tegemoet te komen door in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen waarmee met beoordelingsregels duidelijk wordt gemaakt wanneer meegewerkt kan worden met een toepassing van bouwstoffen. Van de andere kant houden wij daarmee voldoende beoordelingsruimte en kunnen daarmee onze doelen uitoefenen. Via onze omgevingsvisie 1.0 stellen wij onszelf tot doel om preventief maatregelen te nemen gericht op het voorkomen van verslechtering van de bodemkwaliteit. Wij zien alsnog op basis van incidenten van deze specifieke bouwstoffen die verontreiniging veroorzaken van de bodem, grondwater en/of oppervlaktewater en meerdere onderzoeksrapporten over deze specifieke bouwstoffen een zorgelijk beeld over de vrije toepasbaarheid van deze bouwstoffen en dat de geldende regels tekortschieten. Zij zijn immers vrij toepasbaar, maar kennen andere effecten dan andere bouwstoffen. In de gewijzigde motivering (deel G) wordt hier uitgebreid bij stilgestaan. Daardoor beroepen wij ons op het voorzorgbeginsel en nemen een binnenplanse vergunningplicht op om deze zorgwekkende situaties te voorkomen, in lijn met onze omgevingsvisie.
De maatregelen die reclamant benoemt komen nu terug als beoordelingsregels bij de binnenplanse vergunningplicht. Via de artikelsgewijze toelichting wordt nu uitleg gegeven over deze maatregelen en waarom deze nodig zijn, in lijn met het verzoek van reclamant. Echter is het zo dat wij functionele toepassing moeten regelen op basis van de nationale wetgeving. Voor een andere stroom (andere bouwstof) betekent het inderdaad dat een nieuwe vergunning aangevraagd moet worden. Voor elke bouwstof is apart een vergunning nodig en als dit wijzigt is een wijziging van de vergunning nodig. De beschrijving van de maatregelen en voorzieningen is een basisuitgangspunt en dat is opgenomen zodat vooraf overeenstemming gezocht kan worden tussen aanvrager en bevoegd gezag. Het rijk, de wetgever, heeft gekozen voor decentrale afwegingsruimte en geen nationale aanpak. Het Besluit activiteiten leefomgeving is zo opgesteld door het rijk dat gemeenten op decentraal niveau ruimte krijgen om maatwerkregels te stellen voor bodemactiviteiten, waaronder bouwstoffen. Als de lokale omstandigheden en lokaal beleid daarom vragen zijn gemeenten bevoegd om strengere regels te stellen dan het Besluit activiteiten leefomgeving. Een maatwerkregel kan ook een verbod of vergunningplicht inhouden. Wij erkennen dat zo een lappendeken van regels kan ontstaan. Wat wel landelijk geregeld is, is de basis.
Op het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit is geen maatwerk mogelijk door gemeenten. Onderwerp 8 Ten aanzien van artikel 11.23 Maatwerkregel gegevens en bescheiden merkt reclamant het volgende op: In de praktijk kan het voorkomen dat diegene die het onderzoek wil gebruiken niet over een XML-bestand beschikt, omdat deze oud is of gewoonweg niet is meegeleverd door onderzoeksbureau of diegene niet de opdrachtgever is geweest van het betreffende onderzoeksbureau. Hoe wordt hiermee omgegaan? Opmerking bij artikel 11.27 Maatwerkregel bodem en afval: Reclamant verzoekt om de eis aan te passen door een verkennend bodemonderzoek te koppelen aan verdachte locaties. Neem concrete voorbeelden op wat op basis van onderzoeksresultaten wel en niet kan bij tijdelijke uitname, alsook welk gedeelte je dan dient te onderzoeken. En hoe dit verwerkt wordt in een grondstromenplan.
12
Reactie Het opnemen van deze indieningsvereiste in het omgevingsplan vindt zijn grondslag in de Wet basisregistratie ondergrond (wet-BRO). Daarbij zijn gemeenten de bronhouder geworden van bodemonderzoeken bij ingediende/gemelde activiteiten. Om deze rol uit te voeren hebben wij de bodemonderzoeken in het xml format nodig. Dat is ook in deze wet vastgelegd. Dan kunnen wij de bodemonderzoeken in beheer/archief nemen. We zijn ons ervan bewust dat een xml-format niet altijd voor handen is bij de aanvrager of melder. De indiener moet wel proberen de xml's te verkrijgen. Hier kan, volgens ons, verder alleen praktisch mee omgegaan worden. In de loop der tijd moet het gebruikelijk gaan worden dat standaard xml’s van een bodemonderzoek mee te leveren. Wat betreft artikel 11.27; tijdens het opstellen van deze regel was er op nationaal niveau nog niets geregeld. Op dit moment is er een ruime uitleg aan het tijdelijk uitplaatsen gegeven door het rijk (iplo). Onze regel is daarmee overbodig geworden en zou zelfs averechts werken en strenger zijn. Het voorstel is daarom om het artikel te verwijderen. Voorstel Wij stellen de gemeenteraad voor om zienswijze 3 deels gegrond en deels ongegrond te verklaren. Voor wat gegrond is, is het voorstel om de regels aan te passen, zoals aangegeven in de staat van wijzigingen in hoofdstuk 3.
2.4
Zienswijze 4
Ontvankelijkheid De zienswijze is op 22 januari 2025 ontvangen en daarmee ontvankelijk. Behandeling zienswijze Allereerst wordt de zienswijze verkort weergegeven en vervolgens wordt de zienswijze van een reactie voorzien. Deze zienswijze bestaat uit 9 onderwerpen en heeft betrekking op paragraaf 11.2.3 van het omgevingsplan, specifiek artikel 11.19 (Verbod toepassen van AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken). Onderwerp 1 Reclamant geeft aan een verwerker te zijn van bodemassen afkomstig van afvalverbrandingsinstallaties. Deze bodemassen worden verwerkt tot circulaire bouwstoffen en worden toegepast in de grond-, weg- en waterbouw. Daarnaast produceert reclamant uit de bodemassen secundaire grondstoffen voor de toepassing in beton en betonproducten. Deze toepassing als bouwstof is voorgeschreven in landelijk beleid. Er geldt bovendien een verbod op het storten van bodemas. Als gevolg van het Ontwerp zal de toepassing van AVI-bodemassen binnen de gemeente Dordrecht ernstig worden belemmerd. Deze belemmering is onwenselijk in meerdere opzichten en in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Reclamant verwerkt al vele jaren AVIbodemassen tot bouwstoffen. Daarbij is veel onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de bouwstoffen en daarmee is steeds gebleken dat een verantwoorde toepassing mogelijk is.
13
Er is geen aanleiding voor een verbod. Reclamant geeft aan dit verder toe te lichten. Reactie Wij begrijpen deze zorgen. In de verdere beantwoording van deze zienswijze wordt ingegaan op deze belemmeringen en strijdigheden. Daarbij nemen wij in acht wat de gevolgen zijn voor het bedrijf van reclamant en dat zonder verbod ook een verantwoorde toepassing mogelijk is. Onderwerp 2 Reclamant wijst erop dat besluitvorming van het bestuursorganen moet voldoen aan het evenredigheidsbeginsel. Uit vaste rechtspraak volgt dat de bestuursrechter toetst of een bestreden besluit geschikt is om het doel te bereiken, of het een noodzakelijke maatregel is of dat met een minder vergaande maatregel kan worden volstaan, en of de maatregel in het concrete geval evenwichtig is. Reclamant geeft aan dat niet aan de eis van noodzakelijkheid en evenwichtigheid wordt voldaan. Reactie Wij begrijpen deze reactie en hebben daardoor onze regeling in het ontwerpbesluit voor bouwstoffen en de motivering hiervoor heroverwogen. Daarbij hebben wij geconstateerd dat een iets minder vergaand instrument, namelijk de binnenplanse vergunningplicht in de plaats van het verbod, ook kan volstaan. In onze ogen is dit instrument geschikt om het doel te bereiken. Lees hiervoor de aangepaste motivering bij de regeling, specifiek onderdeel G.
Daar wordt duidelijk dat wij met een binnenplanse vergunningplicht duidelijker kunnen aangeven wanneer meegewerkt wordt aan een toepassing van deze bouwstoffen. En van de andere kant is er voldoende beoordelingsruimte voor het bevoegd gezag om daarmee preventief zorgwekkende situaties te voorkomen, in lijn met onze omgevingsvisie. In onze ogen laat de praktijk zien dat zorgvuldige toepassing nodig is om mee te kunnen werken. Wij beroepen ons hiermee op het voorzorgbeginsel. In onze ogen wordt met de gewijzigde motivering bij de regeling voldaan aan de eis van noodzakelijkheid en evenwichtigheid. Onderwerp 3 Reclamant geeft aan dat er sprake zou zijn van bouwstoffen die in opspraak zijn en bij onzorgvuldige toepassing milieuschade veroorzaken. In de motivering staat dat uit rapportages en publicaties van RIVM en ILT zou blijken dat de wetgeving niet of onvoldoende toereikend zou zijn om aandachtsbouwstoffen veilig voor mens en milieu te kunnen gebruiken. Volgens reclamant is deze onderbouwing volstrekt onvoldoende, zeker voor een ingrijpend verbod. Ten onrechte wordt geen enkele uitleg gegeven waaruit de opspraak zou bestaan, noch wordt geduid op welke rapportages en publicaties van RIVM en ILT en welke ontwikkelingen in de sector wordt gedoeld. Niet is onderbouwd waarom een verbod op de toepassing van AVI-bodemassen nodig zou zijn.
Daarbij geeft reclamant aan dat ten onrechte allerlei verschillende bouwstoffen als "aandachtsbouwstoffen" over een kam worden geschoren. Dat klopt volgens reclamant niet, omdat de eigenschappen van bodemassen in vergelijking met bijvoorbeeld staalslakken of grondstabilisatie anders zijn. Een RIVM-rapport over LD-staalslakken kan niet dragend zijn voor een verbod op bodemassen. Voor elke bouwstof afzonderlijk had nader beoordeeld en onderbouwd moeten worden of regelgeving in aanvulling op landelijke regelgeving überhaupt evenredig is en zo ja, welke vorm van regulering dan passend en proportioneel zou zijn.
14
Ook ontbreken volgens reclamant: - een analyse van de geschetste materie en een onderbouwing van de aanpak die daarvoor nodig en evenredig is. - een onderbouwing ten aanzien van de 20% gewichtsprocenten als bovengrens voor het gehalte AVI-bodemassen in bouwstoffen en voor de "maatregelen ter voorkoming van milieuschade" zoals in de toelichting opgenomen. - onduidelijk is waarom de bouwstof alleen onder een gesloten verharding zou mogen worden toegepast, en waarom de bouwstoffen een oppervlakte van minimaal 1.000 m2 zouden moeten beslaan. Aldus wordt niet voldaan aan het motiveringsbeginsel volgens reclamant. Reactie Terecht wordt opgemerkt dat de onderbouwing voor de regeling bouwstoffen in het ontwerpbesluit onvoldoende is. Dit is hersteld in de vorm van een aanvulling op de motivering. In onderdeel G in de motivering wordt stilgestaan bij de beweegredenen voor een regeling voor deze specifieke bouwstoffen. In dit onderdeel in de motivering wordt uitleg gegeven over de risico’s van deze bouwstoffen, onderbouwd met voorbeelden, en worden rapportages van onderzoeken duidelijker aangehaald (inclusief bronvermelding). Op deze manier wordt duidelijker gemotiveerd waarom deze bouwstoffen in opspraak zijn.
Naar aanleiding van deze zienswijze is ook de regeling, het verbod, in heroverweging genomen en zijn wij tot inzicht gekomen dat dit instrument te ingrijpend is en ook kan worden volstaan met een binnenplanse vergunningplicht. Daarbij maakt het bevoegd gezag duidelijk onder welke voorwaarden wel meegewerkt kan worden (middels beoordelingsregels) en dus de vergunning wordt verleend. Het uitgangspunt hierbij is een zorgvuldige toepassing. In de gewijzigde motivering is onderbouwd waarom een binnenplanse vergunningplicht noodzakelijk is, en andere instrumenten zoals een informatie- of meldplicht niet kunnen volstaan. Daarin komt terug waarom dit instrument passend is, en proportioneel ten opzichte van de praktijk. Om de volgende reden is voor een grens van 20% gekozen: De grens van 20% wordt vaker gehanteerd in wet- en regelgeving, bijvoorbeeld bij bodemvreemd materiaal bij grond of baggerspecie. Bij grond waarbij minder dan 20% AVI-bodemas in een bouwstof valt, geldt geen vergunningplicht voor het toepassen. In deze gevallen achten wij dit niet nodig omdat mogelijke nadelige effecten op de fysieke leefomgeving bij toepassing ervan naar verwachting niet significant zijn. Verdere verduidelijking is ook doorgevoerd in de artikelsgewijze toelichting bij de binnenplanse vergunningplicht.
Onderwerp 4 Reclamant geeft aan dat een verbod op de toepassing van AVI-bodemassen zal leiden tot een afname van de afzet van bodemas. De bodemassen die door reclamant worden geproduceerd worden afgenomen door aannemers. Reclamant legt uit dat deze aannemers veelal opdrachten moeten binnenhalen via aanbestedingen. Als ten tijde van de inschrijving voor een aanbesteding onzeker is of een omgevingsvergunning wordt verkregen voor de toepassing van AVI-bodemassen, zal een aannemer in zijn aanbieding kiezen voor de toepassing van andere bouwstoffen. Want als een omgevingsvergunning niet wordt verleend, heeft dat grote gevolgen voor prijs en planning van het project. Reclamant geeft aan dat een
15
aannemer dit risico zal willen vermijden. Ook omdat het onzeker is of en onder welke voorwaarden een Bopa wordt verleend. Gezien de eisen in de toelichting is het onhaalbaar. Reclamant verklaart dat het verbod tot gevolg heeft dat geen AVI-bodemassen meer in Dordrecht zullen kunnen worden toegepast, in strijd met landelijk beleid. Het gevolg van een verbod zal zijn dat juist minder secundaire bouwstoffen worden gebruikt, terwijl rijksbeleid juist is gericht op een toename van het gebruik van secundaire bouwstoffen in het kader van de doelstelling om in 2050 volledig circulair te zijn. (…) Hierbij verwijst reclamant naar een Kamerbrief van 1 juli 2024. Het effect van het verbod is juist dat het belang van het milieu wordt geschaad, doordat de circulaire doelstellingen niet kunnen worden gehaald. Dat geldt voor de landelijke doelstellingen, maar ook voor de gemeentelijke circulaire doelstellingen. Gemeentelijke projecten zullen voorts duurder worden omdat primaire bouwstoffen in de regel duurder zijn dan secundaire bouwstoffen. Tegelijk wordt ook het bedrijfsbelang van reclamant onevenredig geschaad. De verwerking van bodemassen is het belangrijkste onderdeel van haar bedrijf. Als bodemassen in Nederland niet langer kunnen worden toegepast als bouwstoffen, bedreigt dat de continuïteit van reclamant.
Als sprake is geweest van een enkel incident met de toepassing van AVI-bodemas, dan is dat nog geen reden om de toepassing geheel te verbieden. Dat kan wellicht reden zijn voor specifieke maatregelen zoals extra toezicht, of een concrete aanvullende voorwaarde in het omgevingsplan ter voorkoming van herhaling. Met een verbod is het middel erger dan de kwaal. Voor deze nadelige gevolgen is geen rechtvaardiging, omdat het belang van mens en milieu niet noopt tot de instelling van een verbod. Reclamant licht dit in de volgende onderwerpen verder toe. Reactie Naar aanleiding van dit onderwerp uit de zienswijze is de regeling voor bouwstoffen in het ontwerpbesluit heroverwogen. Wij constateren dat een verbod een ingrijpend en zwaar instrument is en daarmee niet in het omgevingsplan vastgelegd kan worden onder welke voorwaarden bouwstoffen wel toegepast kunnen worden. Daarom is het voorstel om deze zienswijze tegemoet te komen door in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen waarmee met beoordelingsregels duidelijk wordt gemaakt wanneer meegewerkt kan worden met een toepassing van bouwstoffen. Van de andere kant houden wij daarmee voldoende beoordelingsruimte en kunnen daarmee aan onze doelen voldoen.
Via onze omgevingsvisie 1.0 stellen wij onszelf tot doel om preventief maatregelen te nemen gericht op het voorkomen van verslechtering van de bodemkwaliteit. Het probleem bij deze bouwstoffen is dat als voldaan wordt aan het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Regeling Bodemkwaliteit deze stoffen vrij toepasbaar zijn. Ondanks deze regels vinden in de praktijk incidenten plaats die verontreiniging veroorzaken van de bodem, grondwater en/of oppervlaktewater. En verschillende onderzoeksrapporten schetsen een zorgelijk beeld over de vrije toepasbaarheid en de geldende regels die tekort schieten. In de motivering bij de regeling (in deel G) wordt uitgebreid ingegaan op deze zorgelijke signalen.
16
De huidige landelijke regels bieden onvoldoende bescherming in onze ogen. Daarmee beroepen wij ons op het voorzorgbeginsel en nemen een binnenplanse vergunningplicht op. Ons doel is om zorgwekkende situaties te voorkomen (omgevingsvisie). Wij zijn van mening dat een binnenplanse vergunningplicht het meest geschikte instrument is om enerzijds grip te krijgen op deze problematiek en anderszijds afwegingsruimte te kunnen bieden voor praktische oplossingen. In de gewijzigde motivering (in deel G) zijn de verschillende instrumenten afgewogen. Daarin wordt duidelijk dat een informatieplicht of meldplicht onvoldoende is. Wij begrijpen de zorgen over een afname van de afzet en begrijpen dat aannemers deze weg mogelijk vermijden. Tot nu toe met het voorbereidingsbesluit is dit nog niet onze ervaring en hebben wij een aantal BOPA’s in behandeling. Toch komen wij de praktijk tegemoet want via de beoordelingsregels wordt duidelijk voor de buitenwereld wanneer de vergunning wordt verleend. We hebben in relatie tot dit bezwaar ook de eisen/voorwaarden herzien en anders geformuleerd in de beoordelingsregels t.o.v. het verbod. Naar onze mening is er geen sprake van strijd met het landelijke beleid. Het rijk, de wetgever, heeft gekozen voor decentrale afwegingsruimte en (nog) geen nationale aanpak.
Het Besluit activiteiten leefomgeving is zo opgesteld door het rijk dat gemeenten op decentraal niveau ruimte krijgen om maatwerkregels te stellen voor bodemactiviteiten, waaronder bouwstoffen. Als de lokale omstandigheden en lokaal beleid daarom vragen zijn gemeenten bevoegd om strengere regels te stellen dan het Besluit activiteiten leefomgeving. Wat wel landelijk geregeld is, is de basis. Op het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit is geen maatwerk mogelijk door gemeenten. Daarbovenop zijn ook onze circulaire doelstellingen van toepassing op deze bouwstoffen. In artikel 11.1 (oogmerken) is na te lezen dat de regels zijn gesteld met oog op duurzaam bodembeheer. In de artikelsgewijze toelichting leggen wij uit dat dit gaat over hergebruik. Andere regels in het omgevingsplan dragen hieraan bij. Wat betreft de incidenten en rechtvaardiging van deze regeling, verwijzen wij naar de gewijzigde motivering (deel G) waarin hierop wordt ingegaan. Onderwerp 5 Reclamant geeft aan dat er geen noodzaak is voor een generiek verbod op het toepassen van AVI-bodemas en bouwstoffen die bestaan uit AVI-bodemas. Volgens reclamant is het niet nodig om ter bescherming van de kwaliteit van de bodem de toepassing van AVI-bodemas te verbieden. Het staat ook haaks op landelijk beleid.
Het gaat dan specifiek om de Green Deal, ontwerp Circulair Materialenplan (opvolger Landelijk Afvalstromenplan 3) en nu opgewerkte bodemas die voldoen aan de kwaliteitseisen vanuit de Regeling bodemkwaliteit 2022. In het CMP is toepassing van AVI-bodemas als bouwstof dat voldoet aan de kwaliteitseisen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022, als minimumstandaard voorgeschreven. Reclamant geeft aan dat de wetgever nadrukkelijk niet heeft gekozen voor een verbod en/of een vergunningplicht voor de toepassing van deze bouwstoffen, omdat met de specifieke regeling het belang van mens en milieu voldoende beschermd is, zoals ook te lezen in de toelichting van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Een informatieverplichting voor
17
AVI-bodemassen en immobilisaten wordt als adequaat instrument gezien om toe te kunnen zien op de kwaliteit van de AVI-bodemas en de locatie van toepassing. Bovendien ziet reclamant niet welke specifieke situatie binnen de gemeente Dordrecht aan de orde zou zijn die een verbod alsnog nodig maakt. Geen specifieke situatie wordt benoemd. De enkele verwijzing niet nader genoemde rapporten en publicaties van RVIM en ILT, volstaat daartoe niet volgens reclamant. Enkele incidenten kunnen niet een algeheel verbod rechtvaardigen. Daarbij beschrijft reclamant dat AVI-bodemassen verantwoord kunnen worden toegepast. De noodzaak om de toepassing van AVI-bodemas te verbieden, is kortom niet aangetoond. Voor zover er zorgen zijn omtrent de kwaliteit van de bouwstoffen die worden toegepast, voorziet het Bal erin dat tijdig informatie wordt aangeleverd, zodat de toezichthouder kan vaststellen of inderdaad bouwstoffen worden toegepast binnen de kaders van de wet. De gemeente heeft hier een toezichthoudende taak die binnen het huidige kader adequaat kan worden uitgevoerd. De invoering van een vergunningplicht voegt daar niets aan toe. Reactie Zoals aangegeven bij onderwerp 4 hiervoor, zien wij als gemeente wel een noodzaak voor een regeling voor bouwstoffen. Om het bezwaar gedeeltelijk tegemoet te komen is gekozen om in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen.
De noodzaak hiervoor is aangetoond en opgenomen in de gewijzigde motivering (in onderdeel G). De huidige landelijke regels bieden onvoldoende bescherming. In de praktijk vinden incidenten plaats die leiden tot verontreiniging van de bodem, grondwater en/of oppervlaktewater. Verschillende onderzoeksrapporten schetsen een zorgelijk beeld over de vrije toepasbaarheid. Daarom beroepen wij ons op het voorzorgbeginsel, in lijn met ons doel in de omgevingsvisie om preventief maatregelen te nemen gericht op het voorkomen van een verslechtering van de bodemkwaliteit. Naar onze mening is er geen sprake van strijd met het landelijke beleid. Het rijk, de wetgever, heeft gekozen voor decentrale afwegingsruimte en (nog) geen nationale aanpak. Het Besluit activiteiten leefomgeving is zo opgesteld door het rijk dat gemeenten op decentraal niveau ruimte krijgen om maatwerkregels te stellen voor bodemactiviteiten, waaronder bouwstoffen. Als de lokale omstandigheden en lokaal beleid daarom vragen zijn gemeenten bevoegd om strengere regels te stellen dan het Besluit activiteiten leefomgeving. Zoals hiervoor aangegeven zijn voorbeelden van incidenten beschreven in de gewijzigde motivering, eveneens de noodzaak. Op rijksniveau is een informatieplicht als basis voldoende geacht, maar dat vinden wij niet voldoende en daarom pakken wij de ruimte om hier maatwerkregels te stellen.
De informatieplicht (eveneens een meldplicht) bieden onder andere geen ruimte om de toepassing en de risico’s ervan te beoordelen. Het bevoegd gezag kan alleen aanschrijven op gegevens die missen. De toepassing willen wij op de locatie kunnen afwegen. Ook een maatwerkvoorschrift, dat achteraf wordt opgelegd, biedt geen ruimte om deze zorgvuldigheid te toetsen en/of voorwaarden aan te verbinden.
Onderwerp 6 Volgens reclamant is ten onrechte gekozen voor het meest vergaande middel en reclamant stelt alternatieven voor die minder vergaand zijn.
18
Volgens reclamant kan ook via een intensivering van het toezicht de gemeente erop toezien dat toepassingen van AVI-bodemassen voldoen aan de wettelijke eisen, ter voorkoming van een onverhoopt incident. Reclamant verwijst naar de brief van de Minister en het Ontwerp CMP waarin ook op alternatieven wordt gewezen waarmee de zorgen van de gemeenten die een vergunningplicht overwegen kunnen worden ondervangen. Reclamant meent dat de gemeente Dordrecht deze herijking van de rijksregels ten onrechte doorkruist met de invoering van een verbod. Ook wordt gewezen op het opzetten van een ketenaanpak door de Minister. Reclamant wijst erop het gesprek dat de minister zal aangaan met gemeenten om te zien wat zij nodig hebben voor een verantwoorde toepassing van secundaire bouwstoffen in het algemeen, af te wachten. Dan kan pas beoordeeld worden of nadere regels op gemeentelijk niveau voor één of meer stoffen opportuun zijn. En als die nadere regels dan toch opportuun worden bevonden, dan hoeft dat niet met een verbod maar kan dat ook worden vormgegeven door het stellen van nadere eisen in het Omgevingsplan, naar evenredigheid toegespitst op de betreffende stoffen. Reactie In lijn met de voorgaande antwoorden op de onderwerpen, zijn de alternatieven voor instrumenten afgewogen door de gemeente. Dit is terug te lezen in de gewijzigde motivering (in onderdeel G).
Daaruit blijken een informatie- of meldplicht onvoldoende. Ons doel is preventie en het beoordelen van een zorgvuldige toepassing. Bij toezicht kan alleen ingegrepen worden als de toepassing al heeft plaatsgevonden. Dat sluit niet aan op ons beleid. Het is wel zo dat is gekozen voor een iets minder vergaand instrument dan een verbod, namelijk een binnenplanse vergunningplicht, waarmee duidelijk wordt wanneer het bevoegd gezag een vergunning verleend voor de toepassing van deze bouwstoffen. Reclamant wijst op de landelijke ontwikkelingen. Op dit moment heeft de wetgever het toegestaan om decentraal maatwerkregels te stellen op de regeling voor bodem in het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor alle toepassingen geldt dat er voldoende waarborgen moeten zijn om verontreiniging van bodem, grondwater en/of oppervlaktewater te voorkomen. Wij zijn van mening dat de rijksregels op dit punt op dit moment tekort schieten. Zolang dit de situatie is willen wij met aanvullende regels en de voorgestelde binnenplanse vergunningplicht grip houden op het toepassen van de betreffende bouwstoffen in onze gemeente. De zorgelijke signalen die wij door krijgen zijn reden om ons te beroepen op het voorzorgbeginsel en een binnenplanse vergunningplicht door te voeren. Dit biedt volgens ons voldoende bescherming tot er mogelijk landelijk een alternatief wordt doorgevoerd in de landelijke wetgeving.
Onderwerp 7 In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 11.19 moet rekening gehouden worden met een viertal maatregelen. Reclamant geeft aan dat de noodzaak voor deze maatregelen niet wordt onderbouwd. Ten aanzien van deze maatregelen maakt reclamant de volgende opmerkingen: - De voorwaarde dat de bouwstof onder gesloten verharding moet worden toegepast is niet aanvaardbaar. De AVI-bodemas die voldoet aan de kwaliteitscriteria in de Regeling bodemkwaliteit mag vrij worden toegepast. Een deel van die toepassing ligt
19
niet onder een gesloten verharding, maar vormt bijvoorbeeld zelf de verharding. AVIbodemassen worden toegepast in waterpasserende systemen. Er is geen onderbouwing waarom die bewezen toepassing in Dordrecht wordt uitgesloten. - De maatregel dat de bouwstof boven de grondwaterstand moet worden toegepast is onduidelijk omdat het begrip grondwaterstand niet is gedefinieerd. De grens van 1.000 m2 is verder volstrekt willekeurig. - Deze maatregelen kunnen net zo goed als maatwerkregel in het omgevingsplan worden opgenomen, wat minder verstrekkend is dan een verbod. Reactie Er is gekozen om het verbod te wijzigen naar een binnenplanse vergunningplicht. Dit betekent dat de maatregelen die reclamant aanhaalt terugkomen als beoordelingsregels bij deze binnenplanse vergunningplicht. Als hieraan wordt voldaan, wordt de omgevingsvergunning verleend. De noodzaak voor deze maatregelen (nu beoordelingsregels) volgt in de gewijzigde motivering (in onderdeel G). Er zijn beoordelingsregels toegevoegd om zo goed als mogelijk vooraf duidelijk te maken op welke punten een aanvraag wordt beoordeeld. Vanwege de naar onze mening verouderde en onvolledige uitlogingsnormen is in de beoordelingsregels opgenomen dat de bouwstoffen nu en in de toekomst niet in contact mogen komen met het grondwater en ook niet met hemelwater.
Daarnaast moet het project onder meer voldoende schaalgrootte hebben en moet ook bij de aanleg uitloging of verontreiniging van de onderliggende bodem, het grondwater of het oppervlaktewater voorkomen worden. De grondwaterstand wordt gedefinieerd als gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Dit is, naar aanleiding van de opmerking van reclamant hierover, opgenomen in de toelichting van de aanvraagvereisten. Naar aanleiding van de opmerking van reclamant over de grens van 1.000 m2 is deze vervangen door de eis dat ‘de toepassing herkenbaar en beheersbaar is door voldoende schaalgrootte’. Voldoende schaalgrootte is flexibeler en nader toegelicht in de toelichting bij de beoordelingsregel. Het doel van de schaalgrootte is dat de toepassing herkenbaar en beheersbaar is. In de artikelsgewijze toelichting bij de beoordelingsregels en aanvraagvereisten is extra toelichting toegevoegd over deze maatregelen, in lijn met het verzoek van reclamant. Als reclamant meent dat een toepassing die niet past binnen onze beoordelingsregels wel zou moeten worden toegestaan, kan hiervoor alsnog een verzoek via een buitenplanse omgevingsvergunning worden aangevraagd. Onderwerp 8 Volgens reclamant is het mogelijk een sluitende regeling op te nemen in het omgevingsplan die recht doet aan de wens om het belang van mens en milieu bij de toepassing van AVIbodemassen zonder dat een verbod nodig is.
Zo verwijst reclamant naar informatie die is aangeleverd in het kader van een Woo-verzoek. Daaruit blijkt dat voor een verbod is gekozen omdat dit de regels simpeler maakt. Reclamant geeft aan dat hiermee een verdere uitwerking in de regels niet onmogelijk werd bevonden. Reclamant vindt het argument ‘simpeler’ onbegrijpelijkHet vormt een aanzienlijke belemmering voor de toepassing van secundaire bouwstoffen en de transitie naar circulariteit, terwijl met goed doordachte regels het belang van mens en milieu evengoed gediend kan worden.
20
Reclamant geeft aan dat wanneer een initiatiefnemer vooraf kan inschatten of aan de geldende toetsingscriteria kan voldaan, dit rechtszekerheid geeft en secundaire bouwstoffen zullen worden gekozen waar dat ook volgens de gemeente aanvaardbaar wordt gevonden. Reclamant merkt het volgende op ten aanzien van de gevraagde informatie in de artikelsgewijze toelichting: - Onduidelijk welke concrete informatie overlegd moet worden en wat daarvan de waarde is voor verdere beoordeling. - Waarborging van de eisen van het productcertificaat is nodig, indien een milieuhygiënische verklaring een productcertificaat is. Reclamant begrijpt dit niet, omdat dit toch juist met het productcertificaat wordt geborgd. - Kritische aspecten zoals grondwater en oppervlaktewater in de nabijheid worden beschreven. Het is volgens reclamant onduidelijk wanneer sprake is van "nabijheid"? Verder is de opsomming niet uitputtend, zodat onduidelijk is wat de gemeente als kritische aspecten beschouwt. Dat is rechtsonzeker. - De "grondwaterstand" is niet gedefinieerd, zodat niet goed kan worden aangegeven wat de toepassingshoogte is ten opzichte van de grondwaterstand. - Informatie over de zetting voor de komende 100 jaar moet worden gegeven. Dit snapt reclamant niet. Dat is in de eerste plaats een overdreven lange periode en vergt een onnodig onderzoeksinspanning. Verder blijkt niet wat de relevantie hiervan is.