Modelverordening VNG.pdf
Tekst van het document
hoeven dit echter niet te doen. Desondanks is de regeling van dit onderwerp niet als facultatief aangemerkt. Dit omdat niet goed denkbaar is dat gemeenten geen voorwaarden zullen stellen gelet op de taakstelling van de wet. Immers, als een gemeente afziet van een regeling, dan gelden er geen nadere voorwaarden voor het inkopen van de ondersteuning van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk. Derde lid, onderdeel a: Hier is als uitgangspunt genomen dat het tarief voor maatschappelijke ondersteuning verleent door een derde, niet zijnde op onverplichte basis verleende maatschappelijke ondersteuning door een hulp uit het sociale netwerk als bedoeld in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, het wettelijk minimumloon wordt gehanteerd. Er kan echter voor een hoger tarief gekozen worden. Lager is niet mogelijk. Op grond van het BW kan arbeid worden verricht op grond van diverse contractvormen, echter in de Wmo 2015 is vastgelegd dat de budgethouder verplicht is om een vooraf bepaalde modelovereenkomst te gebruiken. Deze modelovereenkomst biedt de keuze tussen een arbeidsovereenkomst, een overeenkomst van opdracht en een overeenkomst van vervoer.
Op de budgethouder rusten de verplichtingen die het BW en ook andere wetten, zoals de belasting-, arbeidsomstandigheden- en sociale verzekeringswetten aan de budgethouder als werkgever, opdrachtgever of wederpartij van de vervoerder stelt. Sinds 1 januari 2018 is de Wml onverkort van toepassing op alle overeenkomsten van opdracht die zijn gesloten buiten beroep of bedrijf. Voor overeenkomsten met niet-professionele hulpen uit het sociaal netwerk koos men tot nog toe vaak het model van de overeenkomst van opdracht, waarbij men dan echter ook vergoedingen kon overeenkomen die beneden het minimumloon lagen. Doordat in VWS-wetgeving is voorgeschreven dat er een overeenkomst (van opdracht of vervoer) tegen beloning moet worden afgesproken om uit het pgb te putten en hierdoor een arbeidsrelatie ontstaat, moet aan de Wml voldaan worden, ook in situaties die zich meer kenmerken als vrijwillige hulp in familieverband. Derde lid, onderdeel b: Bovenstaande laat onverlet dat er voor sommige vormen van hulp uit het sociaal netwerk behoefte is aan continuering van de voor 1 januari 2018 bestaande mogelijkheid om minder dan het minimumloon te vergoeden uit het pgb voor informele zorgrelaties (hulp hoofdzakelijk vanuit morele en sociale overwegingen).
Bij niet-professionele hulp uit het sociaal netwerk gaat het om hulp of ondersteuning die op basis van sociale en morele overwegingen wordt verleend. In de uitvoeringspraktijk van het pgb is het gewenst dat deze hulpen bedragen ontvangen uit het pgb (los van het bestaande jaarlijkse mantelzorgcompliment ex artikel 2.1.6 van de Wmo 2015). Voor deze categorie wordt in de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 een nieuwe mogelijkheid geïntroduceerd om met een verklaring (niet zijnde een arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht) bedragen te ontvangen. Het gaat dan om hulp en bijstand in de particuliere sfeer waarbij geen aanspraak op beloning wordt gemaakt, maar waarvoor de budgethouder een kleine (symbolisch) bedrag wenst te verstrekken. De Wml geldt namelijk niet in situaties zoals een vriendendienst of vrijwillige hulp in familieverband. In die situaties is er namelijk geen sprake van een juridische afdwingbare verbintenis om tegen beloning arbeid te verrichten.15 15
De hier bedoelde relatie met de hulp is geen arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht of vervoer. Van een arbeidsovereenkomst is sprake indien een werknemer zich verbindt om in dienst van de andere partij, de werkgever, gedurende een zekere periode tegen loon arbeid te verrichten (artikel 7:610 van het BW). De overeenkomst van opdracht is de overeenkomst ‘waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
Om van deze mogelijkheid gebruik te kunnen maken dient deze via de verordening bestendigd te worden. Daarbij kan gekozen worden voor de variant dat een tegemoetkoming van € 141 per kalendermaand ten laste van het pgb mag worden verstrekt aan een hulp uit het sociale netwerk.16 De gemeente kan ook een lager bedrag hanteren en dit in de verordening vastleggen. Daarnaast óf in plaats daarvan kan ook worden gekozen voor de variant dat een ten laste van het pgb een forfaitaire tegemoetkoming kan worden verstrekt ten behoeve van schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten ten behoeven van de hulp, overeenkomstig de door het college daarvoor vastgestelde bedragen. Let op! In de verordening van veel gemeenten staat – net als voorheen in de Model Verordening maatschappelijke ondersteuning (waarop dit hoofdstuk is gebaseerd) – dat onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de Wmo 2015 – geen pgb verstrekt voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die voorafgaand aan de indiening van de aanvraag zijn gemaakt en waarvan niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. Op zich heel redelijk, maar strikt genomen hebben gemeenten geen verordenende bevoegdheid om aanvullende weigeringsgronden vast te stellen.
Een ‘aanvullende’ weigeringsgrond als deze kan mogelijk nog gerechtvaardigd worden door aan te voeren dat het impliciet volgt uit de wet. Wat uiteraard in ieder geval wel kan is de bestaande ‘verstrekkingsvoorwaarden’ (artikel 2.3.6, tweede lid) en de wettelijke weigeringsgronden (artikel 2.3.6, vijfde lid) in beleid uitwerken (wat wordt bijvoorbeeld verstaan onder veilig, doeltreffend en cliëntgericht). Onder andere is bijvoorbeeld gebleken dat diverse gemeenten zich zorgen maken over de ondersteuning door vertegenwoordigers of personen uit het sociale netwerk, geboden aan cliënten die niet op eigen kracht voldoende in staat zijn hun pgb te beheren. Desgewenst kan het college in een beleidsregel uiteenzetten hoe en op grond waarvan zij beoordelen wanneer een cliënt, met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat kan worden geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (een vereiste om in aanmerking te komen voor een pgb in het geval dat de cliënt naar het oordeel van het college niet op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen (artikel 2.3.6, tweede lid, aanhef en onder a)).
Zie in dit verband ook de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 september 2018 (ECLI:NL:RBGEL:2018:3911)17, waarin de rechtbank oordeelde dat een pgb in redelijkheid geweigerd kon worden omdat de gemeente ervan uit mocht gaan dat onvoldoende vaststond dat de werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken’ (art. 7:400 BW). In de begrippen ‘zich verbinden’ en ‘arbeid’ of ‘werkzaamheden’ ligt besloten dat er bij beide overeenkomsten sprake is van een verplichting jegens een ander om arbeid te verrichten. Er wordt met andere woorden een juridische verbintenis aangegaan die in beginsel moet worden nagekomen. Dit verplichtende element (en dus ook de mogelijkheid om nakoming af te dwingen, alsmede de andere verplichtingen die uit de overeenkomst voortvloeien) is niet aanwezig bij hulp in familieverband, burenhulp, vriendendiensten en activiteiten in de sfeer van ‘heitje voor een karweitje’. Dit sluit aan bij wat in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is. Er is dus in die gevallen geen sprake van een overeenkomst van opdracht, noch van een arbeidsovereenkomst, noch van een andere overeenkomst in de zin van Boek 7 BW zoals de overeenkomst voor vervoer.
16 Onder een hulp uit het sociale netwerk wordt verstaan een natuurlijke persoon die maatschappelijke ondersteuning verleent die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen hem en de cliënt bestaande sociale relatie, tenzij de maatschappelijke ondersteuning tevens beroeps- of bedrijfsmatig wordt verleend (artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015). 17 De rechtbank verwijst hierbij naar jurisprudentie van de CRvB ten aanzien van AWBZ-pgb’s (te weten de uitspraken van 21 augustus 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1488) en 11 januari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:232)). Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
cliënt met hulp van zijn hulpverlener het pgb op verantwoorde wijze kon beheren, omdat de hulpverlener de persoon was die vanuit het pgb werd bekostigd. Artikel 30. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van: a. huishoudelijke hulp niveau 1, ter hoogte van [bedrag] per uur; b. collectief vervoer, ter hoogte van [bedrag] [per kilometer OF per rit]; c. dagbesteding met laag intensieve ondersteuning, ter hoogte van [bedrag] per dagdeel; d. kortdurend verblijf- of respijtzorg met laag intensieve ondersteuning, ter hoogte van [bedrag] per dagdeel; e. de was- en strijkservice, ter hoogte van [bedrag] per [gewassen EN/OF gestreken] was; f. de klussendienst, ter hoogte van [bedrag] per uur en de materiaalkosten, en g. […]. 2. Op de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, onder [… (bijvoorbeeld a tot en met d)], is een korting van toepassing van: a. [percentage], voor cliënten met een inkomen tot [percentage (bijvoorbeeld 110%)] van het wettelijk minimumloon; b. [percentage], voor cliënten met een inkomen vanaf [percentage gesteld onder a] tot en met [percentage (bijvoorbeeld 130%)] van het wettelijk minimumloon. [3.
De in het eerste lid genoemde bedragen zijn uitgedrukt in het prijspeil van [jaar van vaststellen bedragen] en worden ieder opvolgend kalenderjaar gewijzigd aan de hand van ontwikkeling van [de consumentenprijsindex OF het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag]. De berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,2. 4. Als toepassing is gegeven aan het vorige lid, draagt het college zorg voor de kenbaarheid van de laatstelijk in de plaats gestelde bedragen.] Toelichting (ook voor artikel 31) Bijdrage in de kosten De Wmo 2015 maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en deze mogen kostendekkend zijn. Als een algemene voorziening in een individueel geval echter niet financieel toegankelijk is voor de cliënt, en het ook niet mogelijk is ondanks de geldende kortingsregeling (bijvoorbeeld vanwege schulden of andere hoge kosten), dan kan de algemene voorziening dus geen passende bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van een cliënt. In dat geval is verwijzing naar de bijzondere bijstand ook niet mogelijk. De cliënt komt dan – als de ondersteuning noodzakelijk is – in aanmerking voor een maatwerkvoorziening.
Alle cliënten die gebruik maken van één of meer maatwerkvoorzieningen, met uitzondering van degenen die gebruik maken van beschermd wonen zorg in natura of maatschappelijke opvang betalen, ongeacht inkomen en vermogen, [sinds OF met ingang van] 1 januari 2019 een maximale periodebijdrage van € 17,50. Cliënten die gebruik maken van beschermd wonen zorg in natura of maatschappelijke opvang betalen (net als [nu OF voorheen]) een inkomensafhankelijke eigen bijdrage, met dien verstande dat de vermogensinkomensbijtelling [sinds OF met ingang van] 1 januari 2019 4% bedraagt (in plaats van 8%). Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
Conform het nieuw toegevoegde onderdeel in het vierde lid van artikel 3.8 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, geldt de maximale periodebijdrage van € 17,50 niet voor niet AOWgerechtigde meerpersoonshuishoudens. Voor die groep is de eigen bijdrage op nihil vastgesteld. De hoogte van de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening wordt door het CAK vastgesteld. Het CAK ziet toe op het niet overschrijden van de kostprijs, bedoeld in artikel 2.1.4, derde lid, van de Wmo 2015 bij het vaststellen van de bijdrage. Het is in een enkel geval mogelijk dat de kostprijs van de maatwerkvoorziening lager is dan de periodebijdrage van € 17,50. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen Artikel 30 geeft uitvoering aan artikel 2.1.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2015. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de in artikel 2.1.4, tweede lid, aanhef, van de Wmo 2015 geboden mogelijk om de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen verschillend vast te stellen (eerste lid). Ook wordt gebruik gemaakt van de in artikel 2.1.4, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2015 geboden mogelijk om te bepalen dat voor bepaalde groepen een korting op de bijdrage van toepassing is (tweede lid). [De hoogte van de bijdragen voor een algemene voorziening wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van [gekozen indexeringswijze] (derde lid).
Omdat het voor cliënten vooraf duidelijk moet zijn welke bijdrage zij verschuldigd zullen zijn voor het gebruik van een algemene voorziening, is in het vierde lid geregeld dat het college er zorg voor dient te dragen dat de geldende hoogte van de bijdragen voor eenieder kenbaar is. De wijze waarop is vrij, als de kenbaarheid maar in redelijkheid verzekerd is. Gedacht kan worden aan publicatie in het (elektronisch) gemeenteblad, op de gemeentelijke website en/of in een lokaal dagblad, via redactionele aanpassing van de verordening in de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (onderdeel van www.overheid.nl) en/of door het beschikbaar stellen van een flyer. Verder ligt het voor de hand dat daarnaast met de aanbieders afgesproken wordt dat cliënten, voordat zij gebruik maken van een algemene voorziening, op de hoogte worden gesteld van de bijdrage die zij daarvoor verschuldigd zullen zijn.] Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s Artikel 31 heeft betrekking op maatwerkvoorzieningen en pgb’s en geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, en het derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid, van de Wmo 2015. Het totaal van de bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen dan wel pgb’s is als aangegeven gelimiteerd tot een bedrag van maximaal € 17,50 per periodebijdrage.
[In het vierde lid is in afwijking van het eerste lid de bijdrage op nihil vastgesteld voor de genoemde categorieën personen. OF In het vierde lid is de bijdrage voor de genoemde categorieën personen, in afwijking van artikel 3.8, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, lager vastgesteld. Te weten [bedrag] in plaats van € 17,50 per bijdrage periode.] Vaststellen kostprijs De Wmo 2015 verplicht tot het vaststellen van de kostprijs van een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4, derde lid, tweede zin). Dat kan op drie manieren en deze zijn vastgelegd in sub a van het vijfde lid (door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder).
Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
Implementatiehandleiding (ook voor artikel 31): Bijdrage in de kosten: Op grond van artikel 2.1.4, eerste en tweede lid, van de Wmo 2015 kunnen gemeenten bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, en maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd zijn en dat de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt met een pgb, verschillend worden vastgesteld. Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage in de kosten voor een algemene voorziening een korting wordt gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot. Daarnaast kunnen gemeenten op grond van artikel 2.1.4, zevende lid, van de Wmo 2015 bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere instantie dan het CAK worden vastgesteld en geïnd. Verder kunnen gemeenten op grond van artikel 2.1.5, eerste lid, bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf de eigenaar is van de woning, de bijdrage wordt opgelegd aan diens onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de cliënt uitoefent.
Gemeenten hoeven dit echter niet – of niet allemaal – te bepalen, desondanks is de regeling van de bijdrage en de korting niet als facultatief aangemerkt. Het wordt namelijk onwaarschijnlijk geacht dat gemeenten geen eigen bijdragen zullen willen hanteren. Het is namelijk een vereiste – om een passende bijdrage te kunnen leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van een cliënt – dat een algemene voorziening financieel toegankelijk is voor de cliënt. In individuele gevallen is het mogelijk dat dit niet het geval is ondanks de geldende kortingsregeling (bijvoorbeeld vanwege schulden of andere hoge kosten). In dat geval is verwijzing naar de bijzondere bijstand niet mogelijk en komt de cliënt – als de ondersteuning noodzakelijk is – in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. De hoogte van de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening wordt door het CAK vastgesteld en opgelegd op basis van het individuele inkomen en vermogen. De regeling is uitgewerkt in twee artikelen, artikel 30 voor de bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen en artikel 31 voor de bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen. Er zijn bovendien twee varianten uitgewerkt voor de regeling van de korting op de bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen.
Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen: Artikel 30 geeft uitvoering aan artikel 2.1.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2015. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de in artikel 2.1.4, tweede lid, aanhef, van de Wmo 2015 geboden mogelijk om de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen verschillend vast te stellen (eerste lid). De bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en deze mogen kostendekkend zijn. In de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 95) staat hierover dat de regering gemeenten beleidsruimte geeft door hen de mogelijkheid te bieden om in de verordening te bepalen welke eigen bijdrage een cliënt verschuldigd is voor een algemene voorziening. Bij het bieden van deze beleidsruimte gaat de regering ervan uit dat gemeenten hier verstandig mee omgaan en voorzieningen, zoals laagdrempelige informatievoorziening, uit zal sluiten van eigen bijdragen. Gemeenten hebben er zelf belang bij om een algemene voorziening (financieel) laagdrempelig te maken, zodat de druk op vaak duurdere maatwerkvoorzieningen wordt beperkt. Verder wordt gebruik gemaakt van de in artikel 2.1.4, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2015 geboden mogelijk om te bepalen dat voor bepaalde groepen een korting op de bijdrage van toepassing is (tweede lid).
Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
Let op! Of overname van de genoemde voorzieningen voor de hand ligt hangt namelijk af van of de betreffende voorziening in de gemeente als maatwerkvoorziening/pgb en/of als algemene voorziening wordt aangeboden. Zie in dit verband tevens het rapport het rapport Wmo 2015 in uitvoering: passend en onderbouwd (lokaal) beleid voor hulp bij het huishouden, waarin de vereisten uiteengezet worden om hulp bij het huishouden als algemene voorziening in te kunnen richten. Ook ten aanzien van andere mogelijke algemene voorzieningen kan hier les uit getrokken worden. Verder is ook niet ondenkbaar dat t.a.v. bepaalde voorzieningen een gedetailleerdere regeling wenselijk wordt geacht (bijvoorbeeld een instaptarief voor collectief vervoer, een bepaalde prijs per kilometer tot 25 kilometer en een hoger tarief daarboven). Ook moeten hier t.a.v. het benoemen van de groepen nog enige keuzes worden gemaakt, zal bepaald moeten worden wat het percentage van de korting is en is het mogelijk om in afwijking van de hier uitgewerkte regeling te kiezen voor een andere groepsindeling. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s: Artikel 31 heeft betrekking op maatwerkvoorzieningen en pgb’s en geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, en het derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid, van de Wmo 2015.
Het totaal van de bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen dan wel pgb’s is als aangegeven gelimiteerd tot een bedrag van maximaal € 17,50 per periodebijdrage. Artikel 3.8, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 biedt bovendien de ruimte om voor bepaalde categorieën personen geen of een lagere bijdrage te vragen. Gemeenten die hiertoe willen overgaan, moeten dit bij verordening regelen. Er zijn twee varianten uitgewerkt: variant 1: voor als het de wens is om de bijdrage voor de in artikel 3.8, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 genoemde categorieën personen op nihil te stellen (de inkomensbedragen dienen nog ingevuld te worden); variant 2: voor als het de wens is om de bijdrage voor al de in artikel 3.8, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 genoemde categorieën personen in gelijke mate lager vast te stellen (de hoogte van de lagere bijdrage dient nog ingevuld te worden). In het zesde lid moet ook nog worden opgenomen welke instantie belast wordt met de vaststelling en inning van de bijdrage voor opvangvoorzieningen. Artikel 31. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. [2.
In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor: a. [… (bijvoorbeeld individuele begeleiding of dagbesteding)]; b. […], en c. […].] 3. De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, dan wel het totaal van de bijdragen, is gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 17,50 per bijdrageperiode voor de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4, derde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015[, OF of] hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 [of het volgende lid] geen of een lagere bijdrage is verschuldigd.
Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
Variant A (als de bijdrage voor de in artikel 3.8, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 genoemde categorieën personen op nihil wordt vastgesteld) [4. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd per bijdrageperiode door: a. de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en die een bijdrageplichtig inkomen heeft van minder dan € [inkomensbedrag]; b. de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en die een bijdrageplichtig inkomen heeft van minder dan € [inkomensbedrag]; c. de gehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en die een gezamenlijk bijdrageplichtig inkomen heeft van minder dan € [inkomensbedrag].] Variant B (als de bijdrage voor al de in artikel 3.8, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 genoemde categorieën personen in gelijke mate lager wordt vastgesteld) [4. In afwijking van artikel 3.8, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 bedraagt de bijdrage [… (bedrag lager dan € 17,50)] per bijdrageperiode voor de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en de gehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.] 5. De kostprijs van een: a.
maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; b. pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. 6. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door [instantie die zal innen] vastgesteld en geïnd. 7. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. [Artikel 32. Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 2.
Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 33, derde lid, onder d. 3. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid.] [Toelichting Met deze regeling wordt uitvoering gegeven aan artikel 2.1.3, vierde lid, van de Wmo 2015, in combinatie met artikel 2, vierde lid, aanhef en onder e, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, en Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
wordt beoogd misbruik en oneigenlijk gebruik van pgb’s te bestrijden. In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering (op grond van artikel 2, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015) of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit (op grond van artikel 2.3.10 van de Wmo 2015). Middels opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting aan de verordening toegevoegd. Het college kan een verzoek enkel doen als een ernstig vermoeden is gerezen dat: 1) de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, 2) de cliënt niet voldoet aan de aan het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden, of 3) de cliënt het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt.
Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de cliënt niet langer voldoende in staat is op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting. Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56 van de Awb en onder de Wet langdurige zorg. Op grond van het tweede lid kan het college de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 38, derde lid, onder d.
Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een cliënt tijdelijk geen gebruik van een maatwerkvoorziening of pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de maatwerkvoorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Zie artikel 6:3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien.] Implementatiehandleiding: In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering (op grond van artikel 2, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015) of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit (op grond van artikel 2.3.10 van de Wmo 2015). Door opschorting kan ruimte worden geboden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Het is aan de SVB om te beslissen om over te gaan tot opschorting. Dit kan echter ook op verzoek van het college, mits dit met toepassing van bij de verordening gestelde regels gebeurt Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
(artikel 2, vierde lid, aanhef en onder e, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015). Gemeenten die deze mogelijkheid wenselijk achten, moeten dit artikel (of enig artikel ter uitvoering van artikel 2, vierde lid, aanhef en onder e, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015) in de verordening opnemen. Voor de termijn van dertien weken is gekozen na overleg met het ministerie van VWS en op verzoek van de SVB (VWS en SVB wijzen erop dat een uniforme regeling bij gemeenten de praktische uitvoerbaarheid voor de SVB zeer ten goede komt). Paragraaf 4 – Overige bepalingen maatschappelijke ondersteuning Artikel 33. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; d. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken, en e. […]. 2.
Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Toelichting Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. Het in het tweede lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de Wmo 2015. Implementatiehandleiding: Op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015 moeten gemeenten regelen welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten.
De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de Wmo 2015 en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De raad legt in ieder geval de hoofdregel vast in de verordening; detailafspraken kunnen daarnaast desgewenst vormgegeven worden via de contracten en afspraken met aanbieders. In het artikel is een aantal eisen opgenomen, dit zijn uitdrukkelijk allemaal suggesties. Gemeenten zijn vrij
Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
om deze over te nemen, aan te vullen, of andere eisen hiervoor in de plaats te stellen. Ter inspiratie kan desgewenst ook gekeken worden naar hoofdstuk 3 van de Wmo 2015.
[Artikel 34. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.] [Toelichting In artikel 3.4, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015 onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de Wmo 2015is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015.
In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 34 dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen (eerste lid) en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld (derde lid).] Implementatiehandleiding: Dit artikel betreft een uitwerking van de verordeningsplicht die in het oorspronkelijke wetsvoorstel in artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, was opgenomen en waarin stond dat in de verordening in ieder geval bepaald moest worden welke eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. Bij amendement (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 83) is deze bepaling (kennelijk onbedoeld) geschrapt. De regeling is echter onverminderd van belang; omdat de Wmo 2015 dus niet langer verplicht een regeling te treffen, is dit artikel desondanks als facultatief aangemerkt. Als overname wenselijk wordt geacht, kan eventueel worden volstaan met het eerste en derde lid (het tweede lid voegt inhoudelijk niets toe aan de regeling van dit onderwerp in de Wmo 2015). Artikel 35. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 1.
Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. [2. Onverminderd artikel 2.3.8 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 3. Onverminderd artikel 2.3.10 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt langer dan […] weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; e. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of f. de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.] 4. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen [… (bijvoorbeeld zes maanden)] na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. [5.
Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.] 6. Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. Toelichting Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Aan het ‘bestrijden’ van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s gaat als het goed is echter een poging dit te ‘voorkomen’ vooraf. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de cliënt en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het eerste lid een ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen.
[Het tweede, derde en vijfde lid bevatten grotendeels een herhaling van hetgeen al in de tekst van de Wmo 2015 is opgenomen (zie de artikelen 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opname van deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Op grond van het derde lid, onderdeel d, kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wmo 2015 herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat de cliënt langer dan een […] aantal weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling langdurige zorg op basis waarvan het zorgkantoor de Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
verleningsbeschikking kan wijzigen of intrekken, indien de verzekerde langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de wet of de Zorgverzekeringswet. De gemeente kan deze termijn overnemen, maar heeft de beleidsvrijheid om op dit punt eigen regels te stellen. Zie ook de Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 156-157 (bovenaan).] Het vierde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het derde lid, onder f (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet). In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de Wmo 2015 zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p.
157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’ In het zesde lid is dan ook een bepaling opgenomen die het college de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom of in bruikleen verstrekte voorzieningen. Implementatiehandleiding: Het tweede, derde en vijfde lid zijn als facultatief aangemerkt vanwege het feit dat ze inhoudelijk grotendeels niets toevoegen aan de regeling van dit onderwerp van de Wmo 2015 (zie de artikelen 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Een reden om deze leden desondanks toch op te nemen kan liggen in de wens in de verordening een meer volledig beeld te schetsen van de rechten en plichten van de cliënt. De rest van het artikel geeft uitvoering aan de verplichte verordenende bevoegdheid van artikel 2.1.3, vierde lid, van de Wmo 2015. Op grond daarvan moeten gemeenten regels stellen voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. In het vierde lid moeten gemeenten nog de periode invullen. NB Zie voor een uitgebreide toelichting de artikelsgewijze toelichting. [Artikel 36.
Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.] [Toelichting Net als artikel 35 betreft deze bepaling grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
Op grond van artikel 2.3.9 van de Wmo 2015 moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of toekenning van een pgb te heroverwegen. Soms bestaat er echter twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning, het onderzoek in het kader van artikel 2.3.9 biedt dan onvoldoende houvast om hier goed naar te kijken. Daarom is artikel 36 toegevoegd. Op grond van deze bepaling moet het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 2.3.9 ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte maatwerkvoorzieningen in natura en pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een cliënt of pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder.
Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en gesprekken met de aanbieder.] Implementatiehandleiding: Het artikel is als facultatief aangemerkt, omdat de Wmo 2015 niet verplicht om een dergelijke onderzoeksverplichting op te nemen in de verordening en er ogenschijnlijk niet in alle gemeenten behoefte aan is. Zo het artikel niet wordt overgenomen, dient er wel voor gezorgd te worden dat op andere wijze voldoende uitvoering wordt gegeven aan de verordeningsplicht van artikel 2.1.3, vierde lid, van de Wmo 2015. Daarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels moeten worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. [Artikel 37.
Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen [1.] Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, en die een inkomen hebben lager dan [percentage] van het wettelijke minimumloon, een tegemoetkoming van [bedrag] verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. [2. Het in het eerste lid genoemde bedrag is uitgedrukt in het prijspeil van [jaar van vaststellen bedrag] en worden ieder opvolgend kalenderjaar gewijzigd aan de hand van ontwikkeling van [de consumentenprijsindex OF het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag]. Het berekende bedrag wordt naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,2. 3. Als toepassing is gegeven aan het vorige lid, draagt het college zorg voor de kenbaarheid van het laatstelijk in de plaats gestelde bedrag.] [Toelichting Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de Wmo 2015.
Daarin is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de
Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
participatie. En als dat mogelijk is, in welke gevallen en in welke mate ((Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 140). De tegemoetkoming kan op aanvraag kan verstrekt. De beslissing op een dergelijke aanvraag is een beschikking en meer in het bijzonder een subsidiebeschikking. De bepalingen in de Awb, onder andere over bezwaar en beroep en subsidies zijn hierop van toepassing. De hoogte van de tegemoetkoming wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van [gekozen indexeringswijze] (tweede lid). Het college draagt er zorg voor dat de nieuwe bedragen voor iedereen kenbaar kunnen zijn (derde lid). De wijze waarop is vrij, als de kenbaarheid maar in redelijkheid verzekerd is. Gedacht kan worden aan publicatie in het (elektronisch) gemeenteblad, op de gemeentelijke website en/of in een lokaal dagblad , via redactionele aanpassing van de verordening in de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (onderdeel van www.overheid.nl) en/of door het beschikbaar stellen van een flyer.] Implementatiehandleiding: Op grond van artikel 2.1.7 van de Wmo 2015 kunnen gemeenten bepalen dat personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen met daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.
Gemeenten hoeven dit echter niet te bepalen, vandaar dat dit artikel als facultatief is aangemerkt. Bovendien hebben gemeenten beleidsvrijheid met betrekking tot de besteding van de middelen voor het bieden van maatwerk aan cliënten met meerkosten vanwege een beperking of chronische ziekte. Het gevoerde beleid zal uiteengezet moeten worden in het beleidsplan.18 Gedacht kan worden aan inzet van de middelen via de individuele bijzondere bijstand, in een aanvullende collectieve ziektekostenverzekering met een ruimere dekking voor burgers met een laag inkomen of juist ook voor burgers met een hoger inkomen, of inzet op grond van artikel 2.1.7 van de Wmo 2015. Eerste lid: De tegemoetkoming kan gebruikt worden om de aannemelijke meerkosten te compenseren van personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen behorende tot een bepaalde inkomensgroep (nog in te vullen). Daarbij ligt het ogenschijnlijk voor de hand om deze nader te bepalen groep een vast bedrag per jaar te verstrekken (eveneens nog in te vullen), zonder dat er een specifieke, benoemde relatie is met een specifieke voorziening die daarmee gefinancierd moet worden. Tweede lid: Om te voorkomen dat voor iedere bijstelling van het bedrag de raadsverordening gewijzigd moet worden, kunnen het (dubbel)facultatieve tweede en derde lid worden overgenomen.19 Artikel 38.
Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden
18
Wellicht ten overvloede, als een gemeente besluit een dergelijke regeling niet te treffen, dan zal ook dit in het beleidsplan gemotiveerd moeten worden. 19 ‘Dubbelfacultatief’ in die zin dat heel artikel 37 facultatief is, maar dat aan overname van óók het tweede en derde lid weer een afzonderlijke afweging ten grondslag ligt. In plaats van werken met indexering kan er uiteraard ook voor gekozen om de raad telkens als zij daar aanleiding toe zien zelf de bedragen aan te laten passen (middels een wijziging van de verordening). Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1°. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en 2°. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis- en opleidingskosten; e.
indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen, en g. […]. [4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.] [5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.] Toelichting Algemeen Het college kan de uitvoering van de Wmo 2015, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door derden (aanbieders) laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de Wmo 2015). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015).
Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden en de op grond van artikel 2.6.6, tweede lid, in artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 gestelde nadere regels. Dat artikel bepaalt aan welke eisen ten minste moet worden voldaan om een goede prijs-kwaliteitverhouding te borgen. Gemeenten kunnen meer zaken hieromtrent regelen; een uitputtende regeling is in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 niet bedoeld.
Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
De regels hebben tot doel dat een vaste prijs of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die in opdracht van het college door derden worden verleend, zodat de kwaliteit en continuïteit van deze diensten kunnen worden gewaarborgd door het gemeentebestuur (artikel 2.1.1 van de Wmo 2015) en de gecontracteerde aanbieders (artikel 3.1 van de Wmo 2015). Er wordt gerefereerd aan het begrip voorziening dat op grond van artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 zowel een algemene voorziening als maatwerkvoorziening kan betekenen. Daarnaast ziet dit artikel enkel op diensten als onderdeel van een voorziening. Dat betekent een beperking van de reikwijdte. De eis voor de continuïteit, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 ziet enkel op diensten die in het kader van een maatwerkvoorziening wordt geleverd. Dit volgt uit artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo 2015. Voor de volledigheid wordt vermeld dat het artikel alleen toeziet op overeenkomsten die het college sluit met derden over opdrachten in het kader van de uitvoering van deze wet. Het toekennen van een subsidiebeschikking is niet het sluiten van een overeenkomst voor een opdracht voor een dienst. Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en artikel 38 zien dan ook niet toe op subsidies.
Denk hierbij aan veelal kleine welzijnssubsidies die een gemeente verstrekt aan bewoners of vrijwilligersorganisaties. Vanzelfsprekend kan het college bij de bepaling van het toe te kennen subsidiebedrag wel gebruik maken van de genoemde kostprijselementen. Op grond van artikel 5.4, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 dient het college voor het vaststellen van de vaste prijs of reële prijs rekening te houden met de vastgestelde kwaliteit van de dienst en de continuïteit in de relatie tussen cliënt en hulpverlener. Met het derde lid van artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 wordt een vaste prijs of reële prijs nader gedefinieerd en geconcretiseerd, zodat kan worden beoordeeld of in redelijkheid de kostprijselementen zijn verdisconteerd in een reële prijs. De kostprijselementen waar het college ten minste een vaste prijs of reële prijs op moet baseren staan hierin vermeld en zijn opgenomen in het derde lid van artikel 38. Het betreft de kosten van de beroepskracht, redelijke overheadkosten en overige kostprijselementen.
Een vaste prijs of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht (onderdeel a, - een beroepskracht is een natuurlijk persoon die de ondersteuning uitvoert; dit kan zowel een zelfstandige zonder personeel zijn als een werknemer), waaronder de loonkosten en overige kosten voortvloeiend uit de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, de kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid en de overige kosten van wettelijke verplichtingen verbonden aan het leveren van een dienst. Het gaat hierbij onder meer om wettelijke verplichtingen als werkgeverspremies, wettelijke sociale verzekeringen en pensioenpremies, wettelijk verlof, wettelijke verplichtingen op het gebied van arbeidsomstandigheden en overige wettelijke verplichtingen die het leveren van de dienst met zich mee brengt. Als uitgangspunt geldt dat een aanbieder beroepskrachten inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden (de eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, zie artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wmo 2015). Het college zal zich dus een beeld moeten vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten.
Het college baseert een reële prijs vervolgens op de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de aanbieder in de betreffende sector moeten worden gehanteerd. In Nederland zijn immers bij veel aanbestedingen de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een collectieve Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
arbeidsovereenkomsten van toepassing en daarmee gelden de bepalingen voor alle werknemers in de betreffende sector. Als op een beroepskracht geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, omdat het bijvoorbeeld gaat om een zelfstandige zonder personeel of een buitenlandse aanbieder (Europese aanbesteding), wordt van colleges evengoed verwacht een reële kostprijs te hanteren die qua arbeidsvoorwaarden gelijk is aan de positie van een werknemer (immers de gemeente is al gebonden aan één kwaliteitsniveau) en de wijze van kostprijsopbouw te motiveren. Bij een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst kan bij een Europese aanbesteding hetzelfde niveau aan arbeidsvoorwaarden worden geëist. Immers via de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid (Waga) waarmee de Europese Detacheringsrichtijn is omgezet in Nederlandse wetgeving, zijn de kernbepalingen van deze algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten ook van toepassing op gedetacheerde werknemers van dienstverleners uit andere EU-lidstaten die hier (tijdelijk) werken. Indien er geen sprake is van een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst en de werkgever geen partij is bij een afgesloten bedrijfstak-cao gelden de wettelijke minimumnormen zoals opgenomen in de Wet minimumloon en vakantiebijslag.
Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs gebaseerd op directe en indirecte kostprijselementen als een redelijke mate van overheadkosten (derde lid, onderdeel b), een voor de sector reële mate van niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg (derde lid, onderdeel c), reis- en opleidingskosten (derde lid, onderdeel d), indexatie van loon en prijs binnen een overeenkomst (derde lid, onderdeel e) en kosten als gevolg van gemeentelijke eisen zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen (derde lid, onderdeel f). Vanuit het oogpunt van kostenbeheersing kunnen colleges en derden afspraken maken om bepaalde kostenverhogende activiteiten die niet aan de directe dienstverlening zijn gerelateerd zoals gemeentelijke rapportageverplichtingen niet meer te doen of de administratieve lasten terug te brengen. Dergelijke afspraken tussen het college en derden kunnen een reële prijs verlagen. Het vaststellen van een reële prijs door het college sorteert pas effect als duidelijk is voor welk proces het college die prijs dient te gebruiken. De vastgestelde reële prijs dient daartoe zijn plaats te krijgen in de aanbestedingsprocedure en in de overeenkomst met de derde. Er moet na gunning nog een overeenkomst met de betrokken ondernemer worden gesloten.
De mededeling van de gunningsbeslissing betekent immers nog niet dat een overeenkomst tot stand is gekomen (zie ook artikel 2.129 van de Aanbestedingswet 2012). Het college dient op grond van artikel 2.114, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 en artikel 2.6.4, tweede lid, van de Wmo 2015, de overheidsopdracht te gunnen op grond van het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving. Overigens kan het college in afwijking van artikel 2.114, tweede lid, van de Aanbestedingswet 2012 een overheidsopdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs gunnen (artikel 2.6.4, derde lid, van de Wmo 2015). Het college moet bij het criterium “economisch meest voordelige inschrijving” in de aankondiging van de opdracht bekendmaken welke nadere criteria hij toepast met het oog op de toepassing van dat criterium (artikel 2.115 van de Aanbestedingswet 2012). Die nadere criteria kunnen onder meer prijs en kwaliteit betreffen. De toepassing van het criterium “prijs” betekent dat de inschrijving met de laagste prijs het beste scoort op dat criterium. De vastgestelde reële prijs wordt opgenomen in de aankondiging of de aanbestedingsstukken als eis zodat een inschrijving geen prijs bevat die lager is dan de vastgestelde reële prijs.