MER Drechtsteden 2021.pdf
Tekst van het document
Vanwege de vergelijkbaarheid met huishoudens jonger dan de AOW-leeftijd (waar we extra kosten voor woon-werkverkeer meenemen), rekenen we ook voor ouderen extra kosten voor
vervoer bij een inkomen boven het minimum. Deze extra kosten liggen wel lager dan bij huishoudens jonger dan de AOW-leeftijd. De combinatie van een geringere inkomensstijging op 110 procent en meer uitgaven aan vervoer, leidt onder de streep tot een lager saldo dan bij een volledige AOW-uitkering. Wanneer ouderen geen extra vervoerskosten maken, zal de bestedingsruimte op 110 procent wel hoger zijn dan op AOW-niveau en is er dus geen sprake van een uitstroomval. Doorstroomval Van een doorstroomval is sprake als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau. In dit onderzoek zien we een doorstroomval bij: paren met jonge of oudere kinderen op 120 procent huishoudens met oudere kinderen (zowel alleenstaande ouders als paren) op 150 procent De doorstroomval bij paren met kinderen op 120 procent is al zichtbaar na invulling van alleen het basispakket. Oorzaken hiervan zijn de lagere huur- en zorgtoeslag, het wegvallen van het recht op kwijtschelding van lokale lasten en het wegvallen van de reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer. Deze laatste twee factoren zien we ook bij andere huishoudtypen, alleen voor paren geldt dat ook de landelijke toeslagen al afbouwen bij 120 procent, terwijl dit voor alleenstaanden en alleenstaanden ouders niet het geval is.
De doorstroomval op 150 procent bij eenoudergezinnen en paren met oudere kinderen wordt veroorzaakt door het wegvallen van de vergoeding vanuit het SMS-Kinderfonds. Omdat deze vergoeding voor oudere kinderen (fors) hoger is dan voor jonge kinderen, zien we deze doorstroomval niet bij huishoudens met jonge kinderen. Bij paren met kinderen speelt naast het wegvallen van de vergoeding vanuit het SMSKinderfonds ook de verdere afbouw van landelijke toeslagen. Daarom neemt de bestedingsruimte bij paren met oudere kinderen op 150 procent méér af dan bij eenoudergezinnen met oudere kinderen.
4.4
Huishoudens met langdurig een laag inkomen
Huishoudens in de Drechtsteden, die gedurende 1 jaar of langer van een inkomen moeten leven dat niet hoger is dan 110 procent van het Wettelijk Sociaal Minimum, kunnen in aanmerking komen voor het Persoonlijk Minimabudget (PMB). De hoogte van de toeslag is voor alleenstaanden met of zonder kinderen 380 euro per jaar en voor paren met of zonder kinderen 540 euro. In de vierde en vijfde kolom in tabel 1 is het saldo opgenomen inclusief PMB. Uit de tabel valt af te lezen dat bijna alle onderzochte huishoudtypen die in aanmerking komen voor het PMB, te maken krijgen met een doorstroomval op 120 procent. Het besteedbaar inkomen op 110 procent, verhoogd met het PMB, ligt hoger dan het besteedbaar inkomen op 120 procent van de norm. Door het PMB zijn huishoudens met een inkomen op 110 procent financieel beter af dan huishoudens met een inkomen vlak daarboven (die geen recht hebben op het PMB). Als we kijken naar de bestedingsruimte inclusief het PMB zien we dat het tekort bij paren met oudere kinderen op bijstandsniveau omslaat naar een positief saldo. Dit tekort wordt door het PMB dus volledig gecompenseerd.
4.5
Huishoudens met een participatie- of vrijwilligersbonus
In de laatste twee kolommen van tabel 1 zijn de saldi opgenomen van huishoudens die in aanmerking komen voor een participatiebonus of een vrijwilligersbonus. We rekenen hier met één bonus per huishouden, hoewel paren waarvan beide partners vrijwilligerswerk verrichten en waarvan beiden aan de voorwaarden voldoen, allebei een bonus kunnen aanvragen en ontvangen. Ook de participatie- of vrijwilligersbonus kan een doorstroomval veroorzaken bij een inkomensniveau van 120 procent. Met andere woorden, een huishouden dat een vrijwilligersbonus ontvangt bij een inkomen van 110 procent, houdt onder de streep meer over dan een huishouden zonder bonus met een inkomen van 120 procent. Dit is het geval bij een eenoudergezin met oudere kinderen en bij paren (zowel met als zonder kinderen). Net als bij het Persoonlijk Minimabudget zien we dat het saldo voor het paar met oudere kinderen omslaat van negatief naar positief, als een van de leden in dit huishouden een bonus ontvangt.
4.6
Situatie zonder reiskostenvergoeding
In tabel 1 is de post “werkgerelateerde kosten” op 110 procent gehalveerd. Dit is gedaan omdat de Sociale Dienst Drechtsteden een tegemoetkoming biedt in de reiskosten voor woon-werkverkeer. In de begrotingen is zichtbaar gemaakt wat de invloed van deze regeling is op de bestedingsruimte van inwoners die voor deze vergoeding in aanmerking komen en wat dit betekent in relatie tot het inkomensniveau hierboven, wanneer er geen recht op de vergoeding bestaat. Echter, niet alle huishoudens met een inkomen op 110 procent zullen voor deze tegemoetkoming in aanmerking komen. De vergoeding is alleen bedoeld voor inwoners die zijn uitgestroomd vanuit de bijstand naar werk en kent een looptijd van maximaal twee jaar. Daarom zijn in tabel 2 de saldi weergegeven van de situatie zonder reiskostenvergoeding.
Tabel 2. Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand, zonder reiskostenvergoeding a. Alleenstaande
100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €
saldo na basispakket 123 165 224 308 380 449
saldo na basispakket en participatie € 23 € 65 € 124 € 208 € 280 € 349
saldo na basispakket 340 323 413 476 533 561
saldo na basispakket en participatie € 240 € 223 € 313 € 376 € 433 € 461
b. Alleenstaande oudere
100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €
inclusief PMB saldo na basispakket € 155 € 197 € 224 € 308 € 380 € 449
saldo na basispakket en participatie € 55 € 97 € 124 € 208 € 280 € 349
inclusief bonus saldo na basispakket € 144 € 186 € 224 € 308 € 380 € 449
saldo na basispakket en participatie € 44 € 86 € 124 € 208 € 280 € 349
inclusief PMB saldo na basispakket
saldo na basispakket en participatie
inclusief bonus saldo na basispakket
saldo na basispakket en participatie
c. Eenoudergezin met 2 jonge kinderen (3 &5 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 470 € 292 110% € 511 € 333 120% € 576 € 398 130% € 625 € 447 140% € 716 € 538 150% € 814 € 623
inclusief PMB saldo na basispakket € 501 € 543 € 576 € 625 € 716 € 814
saldo na basispakket en participatie € 323 € 365 € 398 € 447 € 538 € 623
inclusief bonus saldo na basispakket € 490 € 532 € 576 € 625 € 716 € 814
saldo na basispakket en participatie € 312 € 354 € 398 € 447 € 538 € 623
d. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 316 € 144 110% € 358 € 186 120% € 406 € 234 130% € 514 € 342 140% € 622 € 450 150% € 646 € 426
inclusief PMB saldo na basispakket € 348 € 390 € 406 € 514 € 622 € 646
saldo na basispakket en participatie € 176 € 218 € 234 € 342 € 450 € 426
inclusief bonus saldo na basispakket € 337 € 379 € 406 € 514 € 622 € 646
saldo na basispakket en participatie € 165 € 207 € 234 € 342 € 450 € 426
e. Paar zonder kinderen saldo na basispakket 187 262 300 355 366 424
saldo na basispakket en participatie € 27 € 102 € 140 € 195 € 206 € 264
inclusief PMB saldo na basispakket € 232 € 307 € 300 € 355 € 366 € 424
saldo na basispakket en participatie € 72 € 147 € 140 € 195 € 206 € 264
inclusief bonus saldo na basispakket € 208 € 283 € 300 € 355 € 366 € 424
saldo na basispakket en participatie € 48 € 123 € 140 € 195 € 206 € 264
f. Paar met 2 jonge kinderen (3 &5 jaar) saldo na basispakket 100% € 355 110% € 443 120% € 468 130% € 506 140% € 512 150% € 555
saldo na basispakket en participatie € 116 € 205 € 230 € 267 € 273 € 304
inclusief PMB saldo na basispakket € 400 € 488 € 468 € 506 € 512 € 555
saldo na basispakket en participatie € 161 € 250 € 230 € 267 € 273 € 304
inclusief bonus saldo na basispakket € 375 € 464 € 468 € 506 € 512 € 555
saldo na basispakket en participatie € 137 € 226 € 230 € 267 € 273 € 304
g. Paar met 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 221 € -11 110% € 309 € 77 120% € 334 € 102 130% € 388 € 156 140% € 400 € 167 150% € 374 € 94
inclusief PMB saldo na basispakket € 266 € 354 € 334 € 388 € 400 € 374
saldo na basispakket en participatie € 34 € 122 € 102 € 156 € 167 € 94
inclusief bonus saldo na basispakket € 242 € 330 € 334 € 388 € 400 € 374
saldo na basispakket en participatie € 9 € 98 € 102 € 156 € 167 € 94
h. Paar met een thuiswonend werkend kind (25 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 256 € 36 110% € 277 € 57 120% € 394 € 173 130% € 517 € 297 140% € 577 € 356 150% € 691 € 471
inclusief PMB saldo na basispakket € 301 € 322 € 394 € 517 € 577 € 691
saldo na basispakket en participatie € 81 € 102 € 173 € 297 € 356 € 471
inclusief bonus saldo na basispakket € 277 € 298 € 394 € 517 € 577 € 691
saldo na basispakket en participatie € 57 € 78 € 173 € 297 € 356 € 471
i. Alleenstaande oudere met zorgvraag saldo na basispakket 100% € 291 110% € 274 120% € 321 130% € 356 140% € 412 150% € 438
inclusief PMB saldo na basispakket
saldo na basispakket en participatie
inclusief bonus saldo na basispakket
saldo na basispakket en participatie
100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €
saldo na basispakket en participatie € 191 € 174 € 221 € 256 € 313 € 339
Zonder reiskostenvergoeding is de bestedingsruimte van de huishoudens onder de AOWleeftijd op 110 procent uiteraard in alle gevallen lager. Dit leidt nergens tot een negatief saldo. Wel zien we enkele doorstroomvallen op 120 procent verdwijnen, dat wil zeggen dat de bestedingsruimte op 120 procent niet langer lager is dan op 110 procent. Dit speelt in de volgende gevallen: ➢ ➢ ➢ ➢ ➢ ➢
alleenstaanden die in aanmerking komt voor het PMB eenoudergezinnen met jonge en oudere kinderen die in aanmerking komen voor het PMB eenoudergezinnen met oudere kinderen die in aanmerking komen voor de vrijwilligersbonus paren zonder kinderen die in aanmerking komen voor de vrijwilligersbonus paren met jonge en oudere kinderen zonder PMB paren met jonge en oudere kinderen met vrijwilligersbonus
5 Vergelijking 2018 - 2021 De Sociale Dienst Drechtsteden heeft in 2018 ook een minima-effectrapportage laten uitvoeren. In dit hoofdstuk wordt een vergelijking gemaakt tussen de uitkomsten van drie jaar geleden met de resultaten van dit jaar.
5.1
Aanpassingen van de begrotingen
In tabel 3 zijn de saldi van de inkomsten en uitgaven over de jaren 2018 en 2021 naast elkaar gezet. In de laatste twee kolommen zijn de verschillen tussen beide jaren weergegeven. Bij het lezen van deze tabel moet het volgende in gedachten worden gehouden: De bedragen van de verschillende uitgavenposten worden jaarlijks geactualiseerd. Bij een vergelijking tussen 2018 en 2021 valt op dat de kosten voor gas, voor voeding en voor onderwijs in 2021 hoger liggen. Anderzijds is de belasting op elektriciteit verlaagd, waarmee de kosten voor deze post rond de 15 euro per maand lager liggen dan in 2018. Naast de veranderingen die het Nibud jaarlijks in de voorbeeldbegrotingen doorvoert, zijn er ook enkele bedragen aangepast die samenhangen met (beleids)keuzes van de Sociale Dienst Drechtsteden: In de eerste plaats werd in 2018 gerekend met lagere huren: 597 euro voor een- en tweepersoonshuishoudens en 640 euro voor meerpersoonshuishoudens. Hierbij is aangesloten bij de grenzen van het passend toewijzen. In 2021 liggen deze grenzen hoger, namelijk op 633 euro voor een- en tweepersoonshuishoudens en 678 euro voor meerpersoonshuishoudens. Deze verschillen worden gedeeltelijk gecompenseerd door de huurtoeslag; uiteindelijk resulteert dit in verschillen van 17 euro voor een- en tweepersoonshuishoudens en 18 euro voor meerpersoonshuishoudens (op bijstandsniveau).
Ten tweede is de premie van de collectieve zorgverzekering in 2021 hoger dan in 2019, dit scheelt 41 euro per persoon per maand. Echter, in 2018 is maandelijks 32 euro voor het eigen risico in de begrotingen opgenomen, terwijl in 2021 is gerekend met het pakket waarin het eigen risico is meeverzekerd. Per saldo zijn de kosten voor de collectieve zorgverzekering daarmee 9 euro hoger in 2021. Ten slotte is het minimabeleid van de Sociale Dienst Drechtsteden op enkele punten aangepast. Zo is er in 2021 een reiskostenvergoeding mogelijk voor woon-werkverkeer en is er een tegemoetkoming voor de eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang. Beiden gelden voor een inkomen tot en met 110 procent van de geldende bijstandsnorm. Voor de hoogte van de bijstandsuitkering, de AOW-uitkering en de toeslagen hanteren we de bedragen zoals die in elk van de afzonderlijke jaren gelden. De betreffende inkomsten vergelijken we exclusief de individuele inkomenstoeslag.
Tabel 3. Vergelijking saldo inkomsten min uitgaven 2021 – 2018 a. Alleenstaande
100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €
saldo na basispakket 123 198 224 308 380 449
2021 saldo na basispakket en participatie € 23 € 98 € 124 € 208 € 280 € 349
saldo na basispakket 340 323 413 476 533 561
saldo na basispakket en participatie € 240 € 223 € 313 € 376 € 433 € 461
€ € € € € €
saldo na basispakket 43 143 199 267 316 378
2018 saldo na basispakket en participatie € -48 € -14 € 42 € 110 € 159 € 221
saldo na basispakket € 80 € 55 € 25 € 40 € 64 € 70
verschil 2021-2018 saldo na basispakket en participatie € 71 € 113 € 82 € 98 € 121 € 127
€ € € € € €
saldo na basispakket 219 265 340 400 429 322
saldo na basispakket en participatie € 127 € 130 € 206 € 265 € 294 € 187
saldo na basispakket € 121 € 58 € 73 € 76 € 104 € 239
saldo na basispakket en participatie € 113 € 93 € 107 € 111 € 139 € 274
€ € € € € €
saldo na basispakket 354 414 473 541 625 719
saldo na basispakket en participatie € 197 € 192 € 251 € 319 € 403 € 479
saldo na basispakket € 116 € 130 € 103 € 83 € 92 € 94
saldo na basispakket en participatie € 94 € 174 € 147 € 127 € 136 € 144
€ € € € € €
saldo na basispakket 195 294 341 441 524 551
saldo na basispakket en participatie € 52 € 85 € 133 € 232 € 315 € 283
saldo na basispakket € 121 € 97 € 65 € 73 € 98 € 96
saldo na basispakket en participatie € 92 € 134 € 101 € 110 € 135 € 143
€ € € € € €
saldo na basispakket 61 171 230 271 272 246
saldo na basispakket en participatie € -86 € -42 € 17 € 59 € 60 € 34
saldo na basispakket € 127 € 124 € 70 € 84 € 94 € 178
saldo na basispakket en participatie € 114 € 177 € 123 € 136 € 147 € 230
€ € € € € €
saldo na basispakket 202 327 359 367 350 272
saldo na basispakket en participatie € -10 € 49 € 81 € 89 € 72 € -24
saldo na basispakket € 153 € 149 € 109 € 139 € 162 € 283
saldo na basispakket en participatie € 126 € 189 € 148 € 178 € 201 € 329
€ € € € € €
saldo na basispakket 63 188 219 244 227 84
saldo na basispakket en participatie € -135 € -76 € -45 € -20 € -37 € -240
saldo na basispakket € 157 € 154 € 115 € 144 € 173 € 291
saldo na basispakket en participatie € 124 € 186 € 147 € 176 € 205 € 334
b. Alleenstaande oudere
100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €
c. Eenoudergezin met 2 jonge kinderen (3 &5 jaar)
100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €
saldo na basispakket 470 544 576 625 716 814
saldo na basispakket en participatie € 292 € 366 € 398 € 447 € 538 € 623
d. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar)
100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €
saldo na basispakket 316 391 406 514 622 646
saldo na basispakket en participatie € 144 € 219 € 234 € 342 € 450 € 426
saldo na basispakket 187 295 300 355 366 424
saldo na basispakket en participatie € 27 € 135 € 140 € 195 € 206 € 264
e. Paar zonder kinderen
100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €
f. Paar met 2 jonge kinderen (3 &5 jaar)
100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €
saldo na basispakket 355 476 468 506 512 555
saldo na basispakket en participatie € 116 € 238 € 230 € 267 € 273 € 304
g. Paar met 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar)
100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €
saldo na basispakket 221 342 334 388 400 374
saldo na basispakket en participatie € -11 € 110 € 102 € 156 € 167 € 94
h. Paar met een thuiswonend werkend kind (25 jaar)
100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €
saldo na basispakket 256 310 394 517 577 691
2021
saldo na basispakket en participatie € 36 € 90 € 173 € 297 € 356 € 471
2018
verschil 2021-2018
€ € € € € €
saldo na basispakket 138 256 328 370 507 691
saldo na basispakket en participatie € -65 € -12 € 60 € 102 € 239 € 423
saldo na basispakket € 118 € 55 € 66 € 147 € 70 € 0
saldo na basispakket en participatie € 100 € 102 € 113 € 195 € 118 € 48
€ € € € € €
saldo na basispakket 228 267 310 326 290 123
saldo na basispakket en participatie € 136 € 133 € 175 € 191 € 155 € -12
saldo na basispakket € 63 € 6 € 11 € 30 € 122 € 316
saldo na basispakket en participatie € 55 € 41 € 46 € 65 € 157 € 351
i. Alleenstaande oudere met zorgvraag
100% € 110% € 120% € 130% € 140% € 150% €
5.2
saldo na basispakket 291 274 321 356 412 438
saldo na basispakket en participatie € 191 € 174 € 221 € 256 € 313 € 339
Vergelijking van de resultaten
Vergelijking bestedingsruimte Uit tabel 2 valt af te lezen dat alle onderzochte huishoudtypen er op alle onderzochte inkomensniveaus op vooruit zijn gegaan. Dit geldt als alleen de kosten uit het basispakket zijn bekostigd én als zowel de kosten uit het basispakket als de kosten voor sociale participatie zijn gedaan. De hogere bestedingsruimte in 2021 wordt voornamelijk veroorzaakt door de inkomstenkant. Zoals hierboven aangegeven zijn er qua uitgaven enkele verschuivingen, sommige posten zijn iets duurder, andere iets goedkoper dan in 2018. Alles bij elkaar genomen nemen de uitgaven in 2021 wel toe, vergeleken met 2018, maar zijn de inkomsten harder gestegen. Aan de inkomstenkant zijn zowel de uitkeringen als de landelijke toeslagen hoger geworden: ➢ De bijstandsuitkering voor een alleenstaande (ouder) is gestegen van 992 euro in 2018 naar 1.079 euro in 2021. Voor een paar steeg de bijstand van 1.417 euro naar 1.541 euro. ➢ De zorgtoeslag is voor een alleenstaande met 13 euro gestegen en voor een paar met 31 euro. ➢ Ook het de hoogte van kindgebonden budget is toegenomen. Bovendien is in 2020 de grens waarop het kindgebonden budget wordt afgebouwd flink verhoogd. In 2021 blijft het kindgebonden budget op alle onderzochte inkomensniveaus gelijk; in 2018 werd dit voor paren afgebouwd vanaf 120 procent.
➢ De toename van de huurtoeslag hangt uiteraard samen met de hogere huur waarmee in 2021 is gerekend. Al met al zijn werkenden er het meest op vooruit gegaan. De grootste verschillen ten opzichte van 2018 zitten op 110 procent (vanwege de reiskostenvergoeding en bij het eenoudergezin met jonge kinderen de tegemoetkoming in de eigen bijdrage voor de kinderopvang) en op hogere inkomensniveaus van 140 en 150 procent (vanwege de hogere bijstandsuitkering; hoe hoger het percentage waarmee wordt vermenigvuldigd, hoe hoger het verschil met 2018).
Bij paren met kinderen speelt ook de verhoging van de grens waarop het kindgebonden budget wordt afgebouwd een rol.
Vergelijking armoedevallen In 2018 waren enkele armoedevallen zichtbaar die zich in 2021 niet meer voordoen. Het gaat om het eenoudergezin met jonge kinderen op 110 procent, het paar met jonge kinderen op 140 en 150 procent, het paar met oudere kinderen op 140 procent en de alleenstaande oudere en het paar zonder kinderen op 150 procent. ➢ Het eenoudergezin met jonge kinderen had in 2018 op 110 procent van de norm minder bestedingsruimte dan op 100 procent. Dit werd veroorzaakt door hogere reiskosten. Iemand met een inkomen (net) boven het sociaal minimum zal een laagbetaalde baan hebben en kosten voor woon-werkverkeer maken. In 2021 worden is er een reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer. Hierdoor is in 2021 geen doorstroomval zichtbaar op 110 procent. ➢ De doorstroomval op 140 procent bij paren met zowel jonge als oudere kinderen in 2018 werd grotendeels veroorzaakt door de afbouw van landelijke toeslagen (huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget). In 2021 nemen de zorgtoeslag en de huurtoeslag ook af, maar het kindgebonden budget blijft op 140 procent gelijk. Hierdoor is er geen doorstroomval in 2021. ➢ Op 150 procent was in 2018 sprake van een doorstroomval bij de alleenstaande oudere, bij het paar zonder kinderen en bij het paar met jonge kinderen. De belangrijkste oorzaak was het volledig wegvallen van de huurtoeslag.
In 2020 is de inkomensgrens voor de huurtoeslag komen te vervallen, waardoor er ook op 150 procent nog recht is op huurtoeslag. Om deze reden wordt in 2021 geen doorstroomval zichtbaar. Daarnaast zien we ook nieuwe armoedevallen ontstaan in 2021, te weten bij de oudere alleenstaande op 110 procent en bij paren met (jonge en oudere) kinderen op 120 procent. ➢ De armoedeval bij de oudere alleenstaande in 2021 wordt voornamelijk veroorzaakt door de systematiek van het onderzoek: Op 100 procent wordt gerekend met een volledige AOW-uitkering en op 110 procent wordt gerekend op basis van een bijstandsuitkering voor AOW-gerechtigden. Dat was ook in 2018 het geval, maar toen leidde dit niet tot een armoedeval, omdat het verschil tussen 100 procent AOW en 110 procent bijstand voor AOW-gerechtigden toen groter was. Met andere woorden, de AOW is tussen 2018 en 2021 harder gestegen dan de bijstand. ➢ De doorstroomval bij paren met (jonge en oudere) kinderen op 120 procent in 2021 wordt veroorzaakt door een combinatie van lagere landelijke toeslagen, het wegvallen van het recht op kwijtschelding van lokale lasten en het wegvallen van de reiskostenvergoeding van woon-werkverkeer. In 2018 was er nog geen vergoeding voor reiskosten en deed de doorstroomval zich niet voor.
De doorstroomval bij het eenoudergezin met oudere kinderen en bij paren met oudere kinderen op 150 procent, doet zich zowel in 2018 als in 2021 voor. De belangrijkste oorzaak hiervan is het wegvallen van de vergoeding vanuit het SMS-Kinderfonds.
6
Conclusies en aanbevelingen
Dit hoofdstuk beschrijft, naar aanleiding van de resultaten in de vorige hoofdstukken, de conclusies. Daarnaast worden er verschillende adviezen gegeven voor de aanpassing van regelingen in het kader van het minimabeleid van de Sociale Dienst Drechtsteden.
6.1
Conclusies
Welke huishoudens hebben het moeilijk? De Sociale Dienst Drechtsteden kent een ruimhartig minimabeleid, waarbij ook sterk ingezet wordt op gezinnen met kinderen. Dit is terug te zien in de bestedingsruimte van deze huishoudens: bijna alle onderzochte huishoudens met kinderen kunnen de maandbegroting rond krijgen. De enige uitzondering is het paar met oudere kinderen op bijstandsniveau; als zij de uitgaven voor zowel het basispakket als voor sociale participatie willen bekostigen komen zij 11 euro te kort. De belangrijkste oorzaak van dit tekort ligt in het feit dat paren de kosten voor twee volwassenen moeten dragen. Ter vergelijking, een eenoudergezin ontvangt 70 procent van de norm voor een paar plus de alleenstaande ouderkop vanuit het kindgebonden budget, wat samen neerkomt op ongeveer 90 procent van de norm. De extra inkomsten voor paren (van ongeveer 10 procent) ten opzichte van het eenoudergezin wegen vaak niet op tegen de kosten voor een extra volwassene aan bijvoorbeeld voeding, kleding en de zorgverzekering. Bovendien drukken met name oudere kinderen sterk op de begroting. Deze kosten worden niet volledig gecompenseerd door (leeftijdsafhankelijke) kindgebonden toeslagen. Bovengenoemde factoren vinden hun oorsprong in het Rijksbeleid. Gemeenten kunnen via het eigen beleid trachten de gevolgen hiervan te repareren.
De Sociale Dienst Drechtsteden kent al een aantal inkomensondersteunende regelingen om de bestedingsruimte voor paren met kinderen te verruimen, zoals een gunstige collectieve zorgverzekering en het SMS-Kinderfonds. Desondanks is het saldo van paren met oudere kinderen op bijstandsniveau negatief. Daarnaast is de bestedingsruimte van huishoudens zonder kinderen op bijstandsniveau laag. Alleenstaanden onder de AOW-gerechtigde leeftijd houden, als alle uitgaven uit het basispakket én alle uitgaven voor sociale participatie zijn gedaan, slechts 23 euro per maand over. Het paar zonder kinderen heeft een saldo van 27 euro op bijstandsniveau. Dat maakt deze huishoudens erg kwetsbaar. Als er sprake is van persoonlijk onvermijdbare uitgaven (zoals onverwachte zorgkosten, een hogere huur, schulden, etc.), dan zal dit al snel leiden tot een tekort. De alleenstaande vanaf de AOW-leeftijd met een zorgvraag houdt, als alle uitgaven uit het basispakket én alle uitgaven voor sociale participatie zijn gedaan, 191 euro per maand over bij een inkomen op bijstandsniveau. Dat is 49 euro minder dan een vergelijkbaar huishouden zonder dergelijke zorgkosten. De lagere bestedingsruimte wordt veroorzaakt door de extra zorgkosten. De meeste zorgkosten worden vergoed door de collectieve zorgverzekering en de bijzondere bijstand.
De inkomensgrens van de bijzondere bijstand is 110 procent, daarboven wordt draagkracht veronderstelt. Daarom loopt het verschil in saldo tussen een oudere met en zonder zorgvraag op vanaf een inkomen op 120 procent.
Het paar met een thuiswonend meerderjarig kind kan, ondanks de kostendelersnorm, op alle onderzochte inkomensniveaus rondkomen. Hierbij moet worden aangetekend dat het inkomen van het kind in deze rapportage volledig wordt opgeteld bij het gezinsinkomen en verrekend met alle uitgaven waar dat gezin minimaal voor staat. In de praktijk zal dit vaak anders uitpakken.
Welke huishoudens kennen armoedevallen? Oudere alleenstaanden (met en zonder zorgvraag) krijgen te maken met een lager besteedbaar inkomen op 110 procent. Dit heeft voornamelijk te maken met de systematiek van dit onderzoek: op 100 procent rekenen we met een volledige AOWuitkering, terwijl we bij de hogere inkomensniveaus uitgaan van een bijstandsuitkering voor AOW-gerechtigden. Omdat op 110 procent de uitgaven iets toenemen, leidt dit onder de streep tot een lagere bestedingsruimte dan bij een volledige AOW-uitkering. Een doorstroomval (als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau) doet zich voor bij paren met kinderen op 120 procent. Dit komt doordat deze huishoudens op 120 procent niet meer in aanmerking komen voor kwijtschelding van lokale lasten en voor de vergoeding van woon-werkverkeer. Bovendien worden enkele landelijke toeslagen, te weten de zorgtoeslag en de huurtoeslag, op 120 procent afgebouwd. Bij eenoudergezinnen en paren met oudere kinderen wordt op 150 procent een doorstroomval zichtbaar. Deze doorstroomval wordt veroorzaakt door het wegvallen van de vergoeding vanuit het SMS-Kinderfonds. Bij paren speelt ook de verdere afbouw van landelijke toeslagen (huurtoeslag en zorgtoeslag). Het voorkómen deze doorstroomvallen is lastig.
De gemeente zou ervoor kunnen kiezen om (enkele) vergoedingen getrapt af te bouwen. Een dergelijke constructie is echter voor inwoners niet altijd gemakkelijk te begrijpen en kan leiden tot niet-gebruik. Bovendien werd hierboven al aangegeven dat de genoemde doorstroomvallen niet alleen veroorzaakt worden door de grenzen van het gemeentelijk minimabeleid, maar ook de afbouw van landelijke toeslagen. Zou de gemeente de genoemde uitstroomvallen (veroorzaakt door het wegvallen van gemeentelijke regelingen) willen repareren, dan moet tegelijkertijd de afbouw van landelijke toeslagen gecorrigeerd worden. Wanneer op enig moment wijzigingen optreden in de (afbouw van) landelijke toeslagen, zal bovendien het gemeentelijk beleid hier op moeten worden afgestemd. Alle onderzochte huishoudtypen die bij een inkomen op 110 procent van de geldende bijstandsnorm in aanmerking komen voor het Persoonlijk Minimabudget hebben een hogere bestedingsruimte dan huishoudens die een inkomen ontvangen op 120 procent van de norm. Met andere woorden, als deze huishoudens het inkomen verhogen van 110 procent (inclusief PMB) naar 120 procent van de bijstandsnorm, dan krijgen zij te maken met een doorstroomval. Nu is het PMB specifiek bedoeld voor inwoners die geen zicht hebben op inkomensverbetering.
Het is wel goed om in het oog te houden dat huishoudens met een inkomen op 110 procent van de geldende bijstandsnorm, die in aanmerking komen voor het PMB, meer bestedingsruimte hebben dan huishoudens met een inkomen op 120 procent. Immers, ook in deze groep kunnen zich inwoners bevinden die geen zicht op inkomensverbetering hebben.
De hierboven beschreven doorstroomval wordt niet alléén veroorzaakt door het wegvallen van de PMB. Ook zonder PMB neemt de bestedingsruimte tussen 110 en 120 procent niet evenredig toe met het netto inkomen. En bij paren met kinderen is ook zonder PMB al sprake van een doorstroomval op 120 procent. Dat de bestedingsruimte op 120 procent niet evenredig toeneemt wordt veroorzaakt door het wegvallen het recht op kwijtschelding van lokale lasten en van de vergoeding van kosten voor woon-werkverkeer. Bij paren speelt ook de afbouw van landelijke toeslagen (zorgtoeslag en huurtoeslag) een rol.
6.2
Aanbevelingen
Verminder niet-gebruik regelingen De Sociale Dienst Drechtsteden kent een ruimhartig minimabeleid: veel van de onderzochte huishoudtypen kunnen de maandbegroting rond krijgen. Alleen het paar met oudere kinderen kan op bijstandsniveau het basispakket plus de kosten voor sociale participatie niet bekostigen. Hierbij moet de gemeente het volgende goed in het oog houden. In de berekeningen is ervan uitgegaan dat alle aanspraken op landelijke en lokale regelingen zijn aangevraagd. Dat is echter niet voor ieder huishouden een vanzelfsprekendheid.4 Gemeenten kunnen het gebruik van lokale regelingen stimuleren door hieraan publiciteit te geven en de toegang tot deze regelingen te vereenvoudigen. Ook voorlichting door intermediairs is vaak doeltreffend. Het is daarbij belangrijk dat de intermediairs bekend zijn met alle regelingen die de Sociale Dienst Drechtsteden te bieden heeft en dat zij ook continu op de hoogte worden gebracht van veranderingen in inkomensondersteunende maatregelen. Om het niet-gebruik te verminderen, kunnen gemeenten ook de wijkteams inzetten. De wijkteams bestaan uit professionals met een verschillende achtergrond en expertise. In hun gesprekken met inwoners blijken wijkteams veel te maken te hebben met financiële problemen van burgers.
Om de kwaliteit van de hulpverlening te waarborgen tijdens keukentafelgesprekken, is het wenselijk dat de professionals binnen het wijkteam op de hoogte zijn van alle inkomensondersteunende maatregelen die de Sociale Dienst Drechtsteden te bieden heeft.
Stimuleer goed financieel beheer Om rond te kunnen komen van een minimuminkomen is een goed financieel beheer van het huishouden noodzakelijk. Men reserveert om zo nodig grote uitgaven te kunnen doen voor de vervanging van inventaris. We gaan ervan uit dat het huishouden niet leent, zodat er niet nog extra kosten van rente en aflossing bijkomen. Veel huishoudens die van een minimum inkomen moeten rondkomen, voeren een goed financieel beheer, maar een deel ook niet. Voor deze huishoudens is het aan te bevelen cursussen of begeleiding te ____________________
organiseren. Het Nibud, en ook andere (lokale) organisaties, hebben hiervoor een uitgebreid aanbod.
Help energielasten verlagen Het is te verwachten dat de energielasten een groter deel van de woonlasten en daarmee van de totale begroting van minima gaan innemen. Daarnaast blijkt uit onderzoek dat juist minima vaak in minder goed geïsoleerde woningen wonen, waardoor ze ook een hoger verbruik dan gemiddeld hebben. Ook de toekomstige energietransitie zal de nodige kosten met zich meebrengen. Voor bewoners van een huurwoning is nog onduidelijk of de woningbouwcorporaties dit gaan doorberekenen aan hun huurders. Het Nibud adviseert de gemeente hier aandacht voor te hebben. Huishoudens met een laag inkomen zouden hulp van energieadviseurs of gratis/ goedkope energieboxen aangeboden kunnen krijgen. Producten zoals ledlampen en isolatiefolies, waarvan de aanschafkosten voor deze doelgroep vaak te hoog zijn, terwijl ze een snelle terugverdientijd hebben, zijn dan het meest effectief.
Onderzoek de mogelijkheid om sociale participatie voor volwassenen te vergoeden De Sociale Dienst Drechtsteden zet sterk in op de ondersteuning van kinderen: vanuit het SMS-Kinderfonds zijn diverse vergoedingen mogelijk, onder andere voor het lidmaatschap van een (sport)vereniging, sportbenodigdheden en voor muziek of culturele vorming. Dit is een extra stimulans om kinderen deel te laten nemen aan sportieve en culturele activiteiten. Ook is een vergoeding mogelijk voor schoolgerelateerde kosten. Het Nibud beoordeelt dit als zeer positief. Voor volwassenen kent de Sociale Dienst Drechtsteden geen tegemoetkoming voor sportieve of culturele activiteiten. Echter, ook voor volwassenen is sociale participatie belangrijk. Sociale uitsluiting kan zo worden tegengegaan, wat de kansen op de arbeidsmarkt zou kunnen vergroten. Financiële ondersteuning voor volwassenen kan hier een positieve rol spelen. Daarom adviseert het Nibud om ook aan inwoners vanaf 18 jaar een vergoeding voor sociale participatie te verstrekken. Alleenstaanden en paren zonder kinderen hebben op bijstandsniveau een zeer lage bestedingsruimte en bij paren met oudere kinderen is het saldo zelfs negatief.
Wanneer de Sociale Dienst Drechtsteden voor volwassenen met een inkomen op bijstandsniveau bijvoorbeeld het lidmaatschap van een (sport)vereniging zou vergoeden, dan zou dit bovenstaande huishoudens meer ruimte geven bij het opvangen van (onverwachte) uitgaven.5 In dit onderzoek gaan we uit van een contributie van 18,50 euro per maand (zie bijlage 1, uitgaven aan sociale participatie). Vergoeding van dit bedrag leidt bij de meeste huishoudens niet tot een uitstroomval op 110 procent. Alleen de bestedingsruimte van de alleenstaande oudere zou op AOW-niveau hoger komen te liggen dan op 110 procent van de norm. Dit is overigens nu ook al het geval, maar het verschil zou nog groter worden. Anderzijds wordt dit verschil voornamelijk veroorzaakt door de systematiek van dit onderzoek: op 100 procent gaan we uit van een AOW-uitkering, op 110 procent van een bijstandsuitkering voor AOW-gerechtigden. ____________________
Breng duidelijk de voordelen van de collectieve zorgverzekering onder de aandacht De Sociale Dienst Drechtseden biedt inwoners met een laag inkomen (tot en met een inkomen van 130 procent van het bruto minimumloon) een collectieve zorgverzekering aan. Het gaat om de basisverzekering plus een aanvullend pakket waarin ook de tandartskosten worden meegenomen. Deelnemers zijn met deze verzekering uitgebreider verzekerd dan huishoudens met een gemiddelde verzekering. Door deze uitgebreide verzekering zal het beroep op de bijzondere bijstand lager zijn, wat gunstig uitpakt voor de (uitvoerings)kosten van de sociale dienst. Ook deelnemers aan de collectieve verzekering zijn beter af: zij krijgen een uitgebreid pakket aan medische kosten vergoed. Het Nibud adviseert de collectieve zorgverzekering actief te promoten zodat iedereen die er recht op heeft van dit dekkingsvoordeel gebruik kan maken.
Zie er op toe dat deelnemers aan de collectieve zorgverzekering het ‘juiste’ pakket kiezen Steeds vaker ontvangen belangengroeperingen signalen dat huishoudens zorg mijden, zodat zij hun eigen risico niet hoeven aan te spreken. Dit is een onwenselijke situatie. Het is daarom positief dat de Sociale Dienst Drechtsteden een pakket aanbiedt waarin het eigen risico is meeverzekerd. Daarnaast biedt de Sociale Dienst Drechtsteden goedkopere pakketten aan zonder herverzekering van het eigen risico. Voor deelnemers aan de collectieve zorgverzekering, die het eigen risico opmaken, is het meest uitgebreide pakket de goedkoopste optie. Echter, een verzekerde die verwacht weinig zorgkosten te hebben en die daarom kiest voor een pakket zonder herverzekering van het eigen risico, maar die onvoorzien toch het volledig eigen risico moet aanspreken, is onderaan de streep duurder uit: het VGZ GemeentePakket zonder herverzekering van het eigen risico is weliswaar 15,90 euro goedkoper dan het pakket inclusief herverzekering van het eigen risico, maar de bekostiging van het volledig eigen risico komt neer op 32 euro per maand (385 euro op jaarbasis). Het Nibud adviseert de gemeente om dit duidelijk naar de doelgroep te communiceren, aangezien veel inwoners in de minimadoelgroep een onverwachte tegenvaller als de (volledige) eigen bijdrage niet kunnen dragen.
Het beschikbaar stellen van duidelijke informatie over de gemeentepolis kan inwoners helpen een voor hun zo'n goed mogelijke keuze te maken. Bovendien stimuleert de Sociale Dienst Drechtsteden inwoners om een uitgebreider pakket te kiezen, door een hogere gemeentelijke bijdrage op de zwaarste pakketvorm (inclusief vergoeding eigen risico) te verstrekken. Het Nibud adviseert om dit in stand te houden.
Differentieer het Persoonlijk Minimabudget In de Drechtsteden kunnen huishoudens onder de AOW- gerechtigde leeftijd, die gedurende minimaal twaalf maanden een inkomen ontvangen van maximaal 110 procent van de geldende bijstandsnorm, in aanmerking komen voor het Persoonlijk Minimabudget. De tegemoetkoming heeft een gunstig effect op de bestedingsruimte van huishoudens die langdurig van een laag inkomen moeten rondkomen. Huishoudens met een laag inkomen zullen, als dat nodig is, in eerste instantie bezuinigen op de reserveringsuitgaven, omdat deze niet elke maand terugkomen.
Dit is een onwenselijke situatie; wanneer dit huishouden dan plotseling voor een grote uitgave komt te staan, is er een reële kans dat het huishouden schulden zal moeten maken. Het PMB biedt dan een goed vangnet. Het Nibud adviseert daarom deze regeling in stand te houden. De hoogte van het PMB bedraagt voor paren 540 euro per jaar en voor alleenstaanden 380 euro per jaar. Het Nibud beoordeelt het als positief dat gemeenten bij het vaststellen van de hoogte van het minimabudget rekening houden met de verschillen in kosten die verschillende huishoudtypen hebben. Er wordt echter geen onderscheid gemaakt tussen huishoudens met en zonder kinderen. Ook het aantal kinderen heeft geen invloed op de hoogte van de minimabudget. Aangezien de kosten van (oudere) kinderen niet volledig gecompenseerd worden door kindgebonden toeslagen, zou de Sociale Dienst huishoudens met kinderen een hoger bedrag toe kunnen kennen dan huishoudens zonder kinderen. Er zou bijvoorbeeld per ten laste komend kind een extra bedrag kunnen worden toegekend. De gemeente kan zelfs nog een stap verder gaan door voor oudere kinderen een hogere toeslag te verstrekken dan voor jonge kinderen, aangezien de kosten voor oudere kinderen hoger liggen (onder meer voor voeding, kleding en onderwijs).
Houdt de vrijwilligers/participatiebonus in stand Inwoners die gedurende tenminste zes maanden werk vanuit een participatieplek of vrijwilligerswerk hebben verricht, komen in aanmerking voor een participatie- of vrijwilligersbonus. Het gaat om een jaarlijkse vergoeding van 250 euro. De vrijwilligersbonus is bedoeld voor inwoners ouder dan 27 jaar en jonger dan de AOWleeftijd, waarvan het inkomen niet hoger mag zijn dan 110 procent van de bijstandsnorm. Een participatie- of vrijwilligersvergoeding wordt verstrekt aan inwoners met zicht op inkomensverbetering en gaat dus niet samen met het PMB. De participatie- of vrijwilligersvergoeding heeft (uiteraard) een gunstig effect op de bestedingsruimte van huishoudens. Bij het paar met oudere kinderen maakt een bonus het verschil tussen een negatief een positief maandsaldo: zonder bonus komt dit huishouden op bijstandsniveau maandelijks 11 euro tekort, inclusief bonus is er een positief saldo van 9 euro. Als meerdere leden van dit huishouden een bonus ontvangen, gaat het saldo nog verder omhoog. Het Nibud beoordeelt dit als positief. Een participatie- of vrijwilligersbonus kan leiden tot een doorstroomval op 120 procent; de bestedingsruimte op 110 procent, inclusief bonus, is hoger dan op 120 procent. Dit is het geval bij een eenoudergezin met oudere kinderen en bij paren (zowel met als zonder kinderen).
Deze doorstroomval wordt niet alléén veroorzaakt door het wegvallen van de participatieof vrijwilligersbonus. Ook zonder deze bonus neemt de bestedingsruimte tussen 110 en 120 procent niet evenredig toe met het netto inkomen. En bij paren met kinderen is ook zonder bonus al sprake van een doorstroomval op 120 procent. Dat de bestedingsruimte op 120 procent niet evenredig toeneemt wordt veroorzaakt door het wegvallen het recht op kwijtschelding van lokale lasten en van de vergoeding van kosten voor woon-werkverkeer. Bij paren speelt ook de afbouw van landelijke toeslagen (zorgtoeslag en huurtoeslag) een rol.
Het Nibud ziet in de geconstateerde doorstroomval daarom geen reden om de vrijwilligersbonus anders in te vullen. Het voordeel van een hogere bestedingsruimte en de extra stimulans om vrijwilligerswerk te verrichten wegen in deze zwaarder.
Heroverweeg de tegemoetkoming eigen bijdrage kinderopvang De Sociale Dienst Drechtsteden kent een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang, voor huishoudens met een inkomen tot 110 procent van de geldende bijstandsnorm. Het gaat om de vergoeding van de eigen bijdrage die resteert nadat de kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst is ontvangen. Dit gaat om een relatief laag bedrag (4 procent van de totale kosten bij de laagste inkomens). Bovendien blijkt uit dit onderzoek dat de onderzochte huishoudens met jonge kinderen niet met tekorten op de begroting te maken hebben. Wel zal vergoeding van de eigen bijdrage stimulerend werken, omdat gezinnen met jonge kinderen dan geen extra kosten maken bij werkaanvaarding. Indien er geen recht bestaat op kinderopvangtoeslag bestaat er ook geen recht op een tegemoetkoming. In de huidige situatie komen eenverdieners (kostwinnergezin) of werkloze alleenstaande ouders niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag en dus ook niet voor de tegemoetkoming. De achterliggende gedachte is dat deze huishoudens geen kinderopvang nodig hebben: bij paren, waarvan een van de partners werkt, kan de andere partner op de kinderen passen en een alleenstaande ouder die niet werkt, kan dit zelf doen. Echter, in deze rapportage gaan wij ervan uit dat deze huishoudens wel gebruik maken van de peuteropvang voor twee dagdelen per week.
Voor huishoudens met een inkomen tot 120 procent van de geldende bijstandsnorm verstrekt de Sociale Dienst Drechtsteden bijzondere bijstand, in het kader van maatschappelijke participatie kinderen en hun ouders. Boven dit inkomen wordt de eigen bijdrage niet vergoed en wordt uitgegaan van de ouderbijdragetabel. Het Nibud adviseert de Sociale Dienst Drechtsteden om nog eens kritisch te kijken naar de vergoeding van kinder- en peuteropvang: welke groepen wil de sociale dienst bereiken en met welk doel? In de huidige situatie zien we geen tekorten op de maandbegroting van de onderzochte huishoudens met jonge kinderen en ook zonder de vergoeding van de eigen bijdrage voor kinder- en peuteropvang, zou dit niet het geval zijn. Bovendien zien we geen armoedeval ontstaan als de gemeentelijke bijdrage voor kinder- of peuteropvang wegvalt. Anderzijds nemen de kosten wel toe: voor kinderopvang is dit bij een inkomen boven 110 procent van de geldende bijstandsnorm en voor peuteropvang bij een inkomen boven 120 procent. Dit kan de betreffende ouder ervan weerhouden om méér uren te gaan werken, hoewel dit niet voor de hand ligt aangezien de extra kosten voor kinder- of peuteropvang lager zijn dan het extra inkomen.
Houd aandacht voor paren met oudere kinderen Paren met oudere kinderen kunnen, ondanks de gemeentelijke ondersteuning, op bijstandsniveau de maandbegroting niet rond krijgen, als zij naast het basispakket de uitgaven voor sociale participatie willen bekostigen. Het Nibud adviseert de ondersteuning voor deze doelgroep voort te zetten en het bestaan van inkomensondersteunende regelingen voor gezinnen met (oudere) kinderen actief onder de aandacht te brengen. Ook verstrekkingen vanuit de individuele bijzondere
bijstand (niet in dit onderzoek meegenomen) kunnen dergelijke gezinnen helpen om hun tekorten beperken. In dit laatste geval kunnen alleen noodzakelijke bijzondere kosten vergoed worden, maar het is zeker de moeite waard om ook dit extra onder de aandacht te brengen. Dat paren (en met name paren met oudere kinderen) met tekorten te maken hebben, ziet het Nibud ook bij andere gemeenten en het blijkt ook uit onze landelijke koopkrachtberekeningen. Inzetten op de begeleiding naar werk van tenminste één van beide partners lijkt de eerste stap op weg uit de armoede. Bovendien blijkt een klein baantje van de andere partner veel meer op te leveren dan alleen het maandelijks bruto inkomen: fiscaal houdt een stel meer over als beide partners parttime werken dan als één persoon fulltime werkt.6
____________________
Bijlage 1 | Verantwoording uitgaven Het Nibud gebruikt diverse bronnen voor de referentiecijfers. Hieronder volgt een korte verantwoording van keuzes en bronnen uitgesplitst naar het basispakket en de uitgaven voor sociale participatie. De bedragen in de begrotingen zijn de bedragen voor het jaar 2021. De uitgavenpakketten worden in overleg met andere organisaties regelmatig aangepast. De prijzen van de pakketten worden elk jaar herijkt en zo nodig aangepast.
Basispakket Huur Er is gerekend met een huur van 633 euro voor een- en tweepersoonshuishoudens en 678 euro voor meerpersoonshuishoudens. Energie Dit is 90 procent van de prijs van gemiddeld verbruik naar huishoudtype met een opslag voor huishoudens vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd en voor de huishoudens met een zorgvraag. Daarbij hanteert het Nibud de prijs van het gemiddelde verbruik. Lokale lasten Dit zijn de gemeentelijke- en waterschapsheffingen verminderd met de eventuele kwijtschelding. Telefoon, televisie en internet Deze bedragen zijn gebaseerd op het bellen met een mobiele telefoon met een sim-only abonnement voor 100 tot 150 belminuten per maand met een databundel tot maximaal 500 MB, een basisabonnement voor internet en een basis digitaal televisie abonnement. We gaan er van uit dat iedereen in het huishouden van 12 jaar en ouder een eigen mobiele telefoon heeft. Zorgverzekeringen Dit betreft de nominale premie van de basis- en aanvullende verzekering inclusief een tandartsverzekering. Voor de basisverzekering wordt uitgegaan van een naturaverzekering. Voor huishoudens die voldoen aan de voorwaarden zijn de tarieven voor de collectieve basisverzekering en de aanvullende verzekering (incl. tand) gehanteerd.
Overige verzekeringen Dit betreft een aansprakelijkheidsverzekering, een inboedelverzekering en voor volwassenen in huishoudens onder de pensioengerechtigde leeftijd een uitvaartverzekering. Onderwijs Deze bedragen zijn gebaseerd op onderzoek van SEO, zoals gepubliceerd in de Schoolkostenmonitor 2018-2019. Het betreffen onder andere de vrijwillige ouderbijdrage, leermiddelen en gereedschappen, ICT-benodigdheden en kosten voor extra schoolactiviteiten.
Kinderopvang Dit zijn de kosten inclusief de landelijke vergoeding die wordt gegeven. Voor een alleenstaande ouder gaan we ervan uit dat er op bijstandsniveau gebruik wordt gemaakt van twee dagdelen per week peuteropvang. Bij een hoger inkomen gaan we uit van 20 tot 40 uur per week kinderopvang. Voor paren gaan we op elk inkomensniveau uit van twee dagdelen per week peuteropvang. Vervoerskosten Voor ieder lid van het huishouden zijn dit de kosten van een fiets en de kosten voor stadsen streekvervoer met de bus. Hierbij is uitgegaan van een beperkte hoeveelheid vervoer per maand. Voor huishoudens met zorgkosten zijn de kosten van een fiets niet meegerekend maar gelden de kosten voor het collectieve vervoer (belbus). Uitgaven in verband met het verkrijgen of behouden van werk We houden rekening met werkgerelateerde kosten (vervoer, representatieve kleding). Hiervoor houden we een vast bedrag aan. Ouderen hebben geen werkgerelateerde kosten. Om de vergelijking tussen de huishoudtypen juist te laten verlopen, wordt bij ouderen de post vervoer verhoogd. Kleding en schoenen Deze bedragen zijn gebaseerd op het Nibud-basispakket voor kleding. Het gaat hierbij net als bij alle andere uitgavenposten om een goedkoop pakket met nieuwe artikelen. De bedragen zijn gebaseerd op de prijzen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Inventaris en onderhoud Bedragen zijn gebaseerd op het Nibud-basispakket voor inventaris en onderhoud. De bedragen zijn gebaseerd op de prijzen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en eigen onderzoek. Niet-vergoede ziektekosten In het basispakket zitten kosten die elk huishouden heeft. De kosten betreffen de huisapotheek met pleisters, aspirines e.d. plus het bedrag dat een huishouden maximaal kwijt kan zijn aan het eigen risico van de zorgverzekering. Voeding De bedragen zijn gebaseerd op de aanbevolen hoeveelheden voor een gezonde voeding van het Voedingscentrum en de prijzen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Was- en schoonmaakmiddelen Dit is een bedrag per huishouden en een bedrag per persoon op basis van Nibudonderzoek. Persoonlijke verzorging Er is uitgegaan van een bedrag per persoon op basis van Nibud-onderzoek. Diversen Dit is een bedrag per huishouden en een bedrag per persoon voor diverse uitgaven.
Pakket voor sociale participatie Het bedrag dat overblijft nadat alle uitgaven uit het basispakket zijn gedaan, is bestemd voor vrije bestedingen, waaronder sociale participatie. Als voorbeeld heeft het Nibud in samenwerking met het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) een pakket aan uitgaven voor sociale participatie opgesteld. De uitgavenposten waar rekening mee is gehouden staan hieronder weergegeven evenals de richtbedragen voor deze uitgavenposten. Het gaat hierbij om een voorbeeld van een invulling van activiteiten. Bij vakanties/uitgaan kan ook gedacht worden aan andere activiteiten zoals het bezoeken van een museum of zwembad. Uitgaven aan sociale participatie, bedrag per maand € Contributies en abonnementen per kind 4 tot 12 jaar 12,00 per persoon vanaf 12 jaar 18,50 per huishouden 2,50 Bezoek ontvangen per persoon 9,00 per huishouden 12,00 Op bezoek gaan per persoon 6,00 Vakantie/uitgaan per persoon 18,50 per huishouden 25,00 Vervoer per kind 4 tot 12 jaar 2,50 per persoon vanaf 12 jaar 8,00 Bron: Hoff et al, SCP/Nibud, 2009, berekeningen Nibud, 2021
Bijlage 2 | Begrotingen In de volgende tabellen zijn de begrotingen van de verschillende voorbeeldhuishoudens opgenomen. Bovenaan staan de inkomsten en daaronder de uitgaven aan het basispakket en aan sociale participatie. Het basispakket is verdeeld in vaste lasten, reserveringsuitgaven en huishoudelijke uitgaven. In de begrotingen zijn landelijke en lokale inkomensondersteunende maatregelen van de gemeente verwerkt. De uitgavenposten waar lokale tegemoetkomingen tegenover staan zijn aangeduid. De bedragen worden weergegeven in hele euro’s, waardoor optellingen een euro te laag of te hoog kunnen lijken.
a. Alleenstaande 100%
110%
120%
130%
140%
150%
1079 107 328 0 0 0 0 0 1514
1187 107 328 0 0 0 0 0 1622
1294 107 328 0 0 0 0 0 1729
1402 107 304 0 0 0 0 0 1813
1510 107 268 0 0 0 0 0 1885
1618 107 229 0 0 0 0 0 1954
VASTE LASTEN huur 633 gas 74 elektriciteit 11 w ater 9 gemeentelijke heffingen 0 • waterschapsheffingen 0 • telefoon, televisie, internet 61 zorgverzekering 169 •• overige verzekeringen 24 onderw ijs 0 kinderopvang 0 contributies en abonnementen 2 vervoer 17 levensonderhoud anderen/betalingsverplichtingen * w erkgerelateerde kosten 0 totaal vaste lasten 1000
633 74 11 9 0 • 0 • 61 169 •• 24 0 0 2 17 * 33 •• 1033
633 74 11 9 33 16 61 169 •• 24 0 0 2 17 * 66 1115
633 74 11 9 33 16 61 169 •• 24 0 0 2 17 * 66 1115
633 74 11 9 33 16 61 169 •• 24 0 0 2 17 * 66 1115
633 74 11 9 33 16 61 169 •• 24 0 0 2 17 * 66 1115
RESERVERINGSUITGAVEN kleding en schoenen inventaris onderhoud huis en tuin zelfzorgmiddelen eigen risico zorgverzekering eigen bijdragen/betalingen zorg vrijetijdsuitgaven totaal reserveringsuitgaven
51 67 25 8 0 •• 0 * 151
51 67 25 8 0 •• 0 * 151
51 67 25 8 0 •• 0 * 151
51 67 25 8 0 •• 0 * 151
51 67 25 8 0 •• 0 * 151
51 67 25 8 0 •• 0 * 151
Huishoudelijke uitgaven voeding w as- en schoonmaakmiddelen persoonlijke verzorging huishoudelijke dienstverlening huisdieren roken diversen totaal huishoudelijke uitgaven
212 5 18 0 * * 5 240
212 5 18 0 * * 5 240
212 5 18 0 * * 5 240
212 5 18 0 * * 5 240
212 5 18 0 * * 5 240
212 5 18 0 * * 5 240
TOTAAL UITGAVEN BASISPAKKET
1391
1424
1506
1506
1506
1506
BESCHIKBAAR NA BASISPAKKET
123
198
224
308
380
449
SOCIALE PARTICIPATIE
100
100
100
100
100
100
BESCHIKBAAR NA BASIS- EN PARTICIPATIE
23
98
124
208
280
349
INKOMSTEN netto loon/uitkering zorgtoeslag huurtoeslag kinderbijslag kindgebonden budget kinderopvangtoeslag voorlopige aanslag forfaitaire vergoeding totaal inkom sten
* Deze posten vallen onder het restpakket Vet en cursief Afhankelijk van gemeentelijke tarieven • Verminderd met de kw ijtschelding •• Lokale tegemoetkomingen en/of meerkosten
b. Alleenstaande oudere 100%
110%
120%
130%
140%
150%
1294 107 330 0 0 0 0 0 1731
1320 107 330 0 0 0 0 0 1757
1440 107 330 0 0 0 0 0 1877
1560 107 292 0 0 0 0 0 1959
1680 105 231 0 0 0 0 0 2016
1800 82 162 0 0 0 0 0 2044
VASTE LASTEN huur 633 gas 82 elektriciteit 13 w ater 10 gem eentelijke heffingen 0 • w aterschapsheffingen 0 • telefoon, televisie, internet 61 zorgverzekering 169 •• overige verzekeringen 14 onderw ijs 0 kinderopvang 0 contributies en abonnementen 2 vervoer 15 levensonderhoud anderen/betalingsverplichtingen * w erkgerelateerde kosten 0 totaal vaste lasten 999
633 82 13 10 0 • 0 • 61 169 •• 14 0 0 2 58 * 0 1042
633 82 13 10 14 • 16 61 169 •• 14 0 0 2 58 * 0 1073
633 82 13 10 33 16 61 169 •• 14 0 0 2 58 * 0 1091
633 82 13 10 33 16 61 169 •• 14 0 0 2 58 * 0 1091
633 82 13 10 33 16 61 169 •• 14 0 0 2 58 * 0 1091
RESERVERINGSUITGAVEN kleding en schoenen inventaris onderhoud huis en tuin zelfzorgmiddelen eigen risico zorgverzekering eigen bijdragen/betalingen zorg vrijetijdsuitgaven totaal reserveringsuitgaven
51 67 25 10 0 •• 0 * 153
51 67 25 10 0 •• 0 * 153
51 67 25 10 0 •• 0 * 153
51 67 25 10 0 •• 0 * 153
51 67 25 10 0 •• 0 * 153
51 67 25 10 0 •• 0 * 153
Huishoudelijke uitgaven voeding w as- en schoonmaakmiddelen persoonlijke verzorging huishoudelijke dienstverlening huisdieren roken diversen totaal huishoudelijke uitgaven
211 5 17 0 * * 5 238
211 5 17 0 * * 5 238
211 5 17 0 * * 5 238
211 5 17 0 * * 5 238
211 5 17 0 * * 5 238
211 5 17 0 * * 5 238
TOTAAL UITGAVEN BASISPAKKET
1391
1434
1464
1483
1483
1483
BESCHIKBAAR NA BASISPAKKET
340
323
413
476
533
561
SOCIALE PARTICIPATIE
100
100
100
100
100
100
BESCHIKBAAR NA BASIS- EN PARTICIPATIE
240
223
313
376
433
461
INKOMSTEN netto loon/uitkering zorgtoeslag huurtoeslag kinderbijslag kindgebonden budget kinderopvangtoeslag voorlopige aanslag forfaitaire vergoeding totaal inkom sten
* Deze posten vallen onder het restpakket Vet en cursief Afhankelijk van gemeentelijke tarieven • Verminderd met de kw ijtschelding •• Lokale tegemoetkomingen en/of meerkosten
c. Eenoudergezin met 2 jonge kinderen (3 &5 jaar) 100%
110%
120%
130%
140%
150%
1079 107 357 149 455 0 0 0 2147
1120 107 357 149 455 704 66 0 2958
1219 107 357 149 455 1056 75 0 3418
1318 107 357 149 455 1056 84 0 3526
1417 107 357 149 455 1408 93 0 3986
1516 107 357 149 455 1408 102 0 4094
VASTE LASTEN huur 678 gas 90 elektriciteit 36 w ater 17 gem eentelijke heffingen 0 • w aterschapsheffingen 0 • telefoon, televisie, internet 61 zorgverzekering 169 •• overige verzekeringen 26 onderw ijs 0 •• kinderopvang 0 •• contributies en abonnementen 2 vervoer 27 levensonderhoud anderen/betalingsverplichtingen * w erkgerelateerde kosten 0 totaal vaste lasten 1107
678 90 36 17 0 • 0 • 61 169 •• 26 0 •• 704 •• 2 27 * 33 •• 1844
678 90 36 17 0 • 0 • 61 169 •• 26 0 •• 1100 2 27 * 66 2272
678 90 36 17 32 • 27 61 169 •• 26 0 •• 1100 2 27 * 66 2331
678 90 36 17 33 27 61 169 •• 26 0 •• 1466 2 27 * 66 2699
678 90 36 17 33 27 61 169 •• 26 10 1466 2 27 * 66 2709
RESERVERINGSUITGAVEN kleding en schoenen inventaris onderhoud huis en tuin zelfzorgmiddelen eigen risico zorgverzekering eigen bijdragen/betalingen zorg vrijetijdsuitgaven totaal reserveringsuitgaven
98 83 25 8 0 •• 0 * 214
98 83 25 8 0 •• 0 * 214
98 83 25 8 0 •• 0 * 214
98 83 25 8 0 •• 0 * 214
98 83 25 8 0 •• 0 * 214
98 83 25 8 0 •• 0 * 214
Huishoudelijke uitgaven voeding w as- en schoonmaakmiddelen persoonlijke verzorging huishoudelijke dienstverlening huisdieren roken diversen totaal huishoudelijke uitgaven
297 7 42 0 * * 10 357
297 7 42 0 * * 10 357
297 7 42 0 * * 10 357
297 7 42 0 * * 10 357
297 7 42 0 * * 10 357
297 7 42 0 * * 10 357
TOTAAL UITGAVEN BASISPAKKET
1677
2414
2843
2902
3269
3280
BESCHIKBAAR NA BASISPAKKET
470
544
576
625
716
814
SOCIALE PARTICIPATIE
178 ••
178 ••
178 ••
178 ••
178 ••
190
BESCHIKBAAR NA BASIS- EN PARTICIPATIE
292
366
398
447
538
623
INKOMSTEN netto loon/uitkering zorgtoeslag huurtoeslag kinderbijslag kindgebonden budget kinderopvangtoeslag voorlopige aanslag forfaitaire vergoeding totaal inkom sten
* Deze posten vallen onder het restpakket Vet en cursief Afhankelijk van gemeentelijke tarieven • Verminderd met de kw ijtschelding •• Lokale tegemoetkomingen en/of meerkosten
d. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar) 100% INKOMSTEN netto loon/uitkering 1079 zorgtoeslag 107 huurtoeslag 357 kinderbijslag 214 kindgebonden budget 513 kinderopvangtoeslag 0 voorlopige aanslag 0 forfaitaire vergoeding 0 totaal inkom sten 2270
110%
120%
130%
140%
150%
1187 107 357 214 513 0 0 0 2378
1294 107 357 214 513 0 0 0 2485
1402 107 357 214 513 0 0 0 2593
1510 107 357 214 513 0 0 0 2701
1618 107 357 214 513 0 0 0 2809
VASTE LASTEN huur 678 gas 90 elektriciteit 36 w ater 17 gemeentelijke heffingen 0 • w aterschapsheffingen 0 • telefoon, televisie, internet 69 zorgverzekering 169 •• overige verzekeringen 26 onderw ijs 16 •• kinderopvang 0 contributies en abonnem enten 2 vervoer 52 levensonderhoud anderen/betalingsverplichtingen * w erkgerelateerde kosten 0 totaal vaste lasten 1155
678 90 36 17 0 • 0 • 69 169 •• 26 16 •• 0 2 52 * 33 •• 1188
678 90 36 17 33 27 69 169 •• 26 16 •• 0 2 52 * 66 1281
678 90 36 17 33 27 69 169 •• 26 16 •• 0 2 52 * 66 1281
678 90 36 17 33 27 69 169 •• 26 16 •• 0 2 52 * 66 1281
678 90 36 17 33 27 69 169 •• 26 99 0 2 52 * 66 1365
RESERVERINGSUITGAVEN kleding en schoenen inventaris onderhoud huis en tuin zelfzorgmiddelen eigen risico zorgverzekering eigen bijdragen/betalingen zorg vrijetijdsuitgaven totaal reserveringsuitgaven
137 91 25 10 0 •• 0 * 264
137 91 25 10 0 •• 0 * 264
137 91 25 10 0 •• 0 * 264
137 91 25 10 0 •• 0 * 264
137 91 25 10 0 •• 0 * 264
137 91 25 10 0 •• 0 * 264
Huishoudelijke uitgaven voeding w as- en schoonmaakmiddelen persoonlijke verzorging huishoudelijke dienstverlening huisdieren roken diversen totaal huishoudelijke uitgaven
462 7 55 0 * * 10 535
462 7 55 0 * * 10 535
462 7 55 0 * * 10 535
462 7 55 0 * * 10 535
462 7 55 0 * * 10 535
462 7 55 0 * * 10 535
TOTAAL UITGAVEN BASISPAKKET
1954
1986
2080
2080
2080
2163
BESCHIKBAAR NA BASISPAKKET
316
391
406
514
622
646
SOCIALE PARTICIPATIE
172 ••
172 ••
172 ••
172 ••
172 ••
220
BESCHIKBAAR NA BASIS- EN PARTICIPATIE
144
219
234
342
450
426
* Deze posten vallen onder het restpakket Vet en cursief Afhankelijk van gemeentelijke tarieven • Verminderd met de kw ijtschelding •• Lokale tegemoetkomingen en/of meerkosten
e. Paar zonder kinderen 100%
110%
120%
130%
140%
150%
1541 207 328 0 0 0 0 0 2076
1695 207 328 0 0 0 0 0 2230
1849 180 285 0 0 0 0 0 2314
2003 145 221 0 0 0 0 0 2369
2157 110 150 0 0 0 0 0 2417
2312 74 90 0 0 0 0 0 2476
VASTE LASTEN huur 633 gas 74 elektriciteit 28 w ater 13 gem eentelijke heffingen 0 • w aterschapsheffingen 0 • telefoon, televisie, internet 72 zorgverzekering 339 •• overige verzekeringen 35 onderw ijs 0 kinderopvang 0 contributies en abonnementen 5 vervoer 35 levensonderhoud anderen/betalingsverplichtingen * w erkgerelateerde kosten 0 totaal vaste lasten 1233
633 74 28 13 2 • 11 • 72 339 •• 35 0 0 5 35 * 33 •• 1279
633 74 28 13 33 27 72 339 •• 35 0 0 5 35 * 66 1359
633 74 28 13 33 27 72 339 •• 35 0 0 5 35 * 66 1359
633 74 28 13 33 27 72 311 35 0 0 5 35 * 66 1331
633 74 28 13 33 27 72 311 35 0 0 5 35 * 66 1331
RESERVERINGSUITGAVEN kleding en schoenen inventaris onderhoud huis en tuin zelfzorgmiddelen eigen risico zorgverzekering eigen bijdragen/betalingen zorg vrijetijdsuitgaven totaal reserveringsuitgaven
103 79 25 13 0 •• 0 * 220
103 79 25 13 0 •• 0 * 220
103 79 25 13 0 •• 0 * 220
103 79 25 13 0 •• 0 * 220