Memorie van toelichting GR tekst def.pdf
Tekst van het document
Het doel hierbij is om meer inzicht te krijgen op de (meerjarige) baten en lasten, doelstellingen en de te leveren prestaties. Met de vorming van de GR sociaal wordt de ingezette weg op de genoemde onderdelen onverminderd doorgezet.
20
Sturing aan de voorkant Door de gewijzigde structuur en de overgang naar een klassieke collegeregeling komt het primaat lokaal te liggen. Daarmee start de sturing nadrukkelijk aan de voorkant van het proces, bij de vaststelling en invulling van de beleidskaders in bijvoorbeeld beleidsplannen en verordeningen (zoals een verordening Wmo of beleidsplan schuldhulpverlening). Deze stukken worden in co-creatie opgesteld en, belangrijker nog, lokaal vastgesteld. Boven op die lokale kaderstelling via beleidsstukken wordt via de P&C-cyclus jaarlijks al bij de algemene beschouwingen input meegegeven (als voorbeeld, bij de algemene beschouwingen van de begroting 2022-2025 kan input worden meegegeven voor de begroting 2023-2026 van de GR). Uiteindelijk wordt de input vertaald in een uitgangspuntennotitie. Daarin zijn dan landelijke en lokale ontwikkelingen, wensen en vraagstukken verwerkt. Het lokaal vastgestelde beleidskader, samen met de jaarlijkse uitgangspuntennotitie vormt de basis voor de technische verwerking in de begroting, het is de feitelijke vertaling naar de financiën in de begroting. Lokaal vastgestelde beleidskaders
Jaarlijkse uitgangspuntennotitie
Vertaling naar conceptbegroting GR
De begroting wordt door het AB van de GR vastgesteld, maar niet voordat de ontwerpbegroting voor zienswijze aangeboden is aan de gemeenteraden. Dit is zo geregeld in de Wgr. In de praktijk betekent dit dat het concept door het DB voor zienswijzen aan de gemeenteraden worden aangeboden en het DB de zienswijzen inclusief integrale reactie hierop aan het AB aanbiedt bij de behandeling van de stukken. In de integrale reactie wordt toegelicht welke zienswijzen zijn ontvangen, wat hiermee gedaan is en waarom (argumentatie). Nadat het AB de begroting heeft vastgesteld zal deze standaard, met de integrale reactie, verzonden worden aan de colleges en raden van de deelnemende gemeenten. De zienswijzeprocedure is nadrukkelijk iets anders dan de lokale kaderstelling (beleidsplannen en verordeningen), die door de structuurwijzigingen teruggaat naar de raden. De sturing aan de voorkant gebeurt juist straks via de lokale beleidskaderstelling en de jaarlijkse uitgangspuntennotitie. Binnen de individuele gemeenten worden afspraken gemaakt met het afgevaardigde bestuurslid in het AB over tijdige informatie/inlichtingen verstrekking op andere onderdelen (nog los van de inlichtingenplicht van de GR zelf). Verder is een gekwalificeerde meerderheid afgesproken in het AB bij de behandeling van de begroting en begrotingswijzigingen. 50% van de stemmen moet akkoord zijn én minimaal drie gemeenten.
Financieel beleid GR De raadsbevoegdheden blijven lokaal. Dat betekent feitelijk dat de gemeenteraden over de kaderstelling gaan en daarmee beleidskaders vaststellen. Daarbij wordt opgemerkt dat de set aan taken die de Drechtraad nu heeft, niet allemaal naar de lokale raad teruggaan. Een deel zal op grond van de Wgr ook overgaan naar het AB van de GR Sociaal (bijvoorbeeld vaststellen van de begroting). Artikel 24 Algemeen Het spreekt vanzelf dat als enkele gemeenten een orgaan in het leven roepen dat gemeentelijke taken voor hen uitvoert, zij er als eigenaar ook zorg voor dragen dat dit orgaan aan zijn financiële verplichtingen kan voldoen. 21
Immers, er is sprake van verlengd lokaal bestuur hetgeen inhoudt dat de gemeenschappelijke regeling gemeentelijke taken uitvoert onder (gezamenlijke) verantwoordelijkheid van de eigenaren/deelnemers. Zouden de gemeenten deze taken zelf uitvoeren, dan zou de gemeente ook aan zijn financiële verplichtingen moeten voldoen. Dat is bij een gemeenschappelijke taakuitvoering niet anders. De leden 2, 3 en 4 zijn als verplichting van de BNG opgenomen. Artikel 25 Financiële administratie De GR Sociaal heeft de verplichting om financieel beleid op te stellen. Als in dit verband over financieel beleid gesproken wordt, worden de formeel, bestuurlijk vastgestelde regels en afspraken over de begroting, de P&C cyclus en de financiële functie van de GR Sociaal bedoeld. Het financieel beleid wordt vastgelegd in verordeningen en nota’s en is vergelijkbaar met dat van een gemeente, waarbij het bij een gemeente over het algemeen uitgebreider is. De financiële beleidsstukken voor de GR worden vastgesteld door het AB. Uitzondering hierop is het mandaatbesluit, dat door het DB wordt vastgesteld. Dit is zo in de Wgr bepaald, maar tevens betreffen het beleidsregels voor de GR en is het AB het hoogste bevoegde orgaan voor de GR Sociaal. Ook al gaat het AB feitelijk over een groot deel van deze financiële stukken, feit is dat de GR Sociaal geheel gefinancierd wordt door en via de gemeenten.
Gezien het grote financieel belang dat daarmee is gemoeid, is het goed als gemeenten in positie worden gebracht vooraf kennis te nemen van het financieel beleid van de GR Sociaal. Om ervoor te zorgen dat alle onderdelen van het financieel beleid aan gemeenten worden voorgelegd, is in de GR tekst (artikel 25 en 28) een procedureregeling (zienswijze) opgenomen waarmee geregeld wordt dat het bestuur van de GR Sociaal het financieel beleid voorlegt aan de lokale raden voordat zij een besluit neemt. De verplichting om een zienswijze te vragen aan de raden gold tot nu toe alleen voor de begrotingsprocedure. Met de wijziging in artikel 25 en artikel 28 wordt ook geborgd dat het financieel beleid én de bijdrageverordening ook via deze procedureregeling vooraf aan raden worden aangeboden, zodat zij hun zienswijze hierop kunnen meegeven. In de praktijk betekent dit dat het concept door het DB voor zienswijzen aan de gemeenteraden worden aangeboden en het DB de zienswijzen inclusief integrale reactie hierop aan het AB aanbiedt bij de behandeling van de stukken. In de integrale reactie wordt toegelicht welke zienswijzen zijn ontvangen, wat hiermee gedaan is en waarom (argumentatie). Nadat het AB de stukken heeft vastgesteld zullen deze standaard, met de integrale reactie, verzonden worden aan de colleges en raden van de deelnemende gemeenten.
Ter verduidelijking: voor beleidskeuzes geldt de zienswijzeprocedure niet. Immers het kaderstellend beleid wordt in de GR Sociaal, altijd lokaal door de gemeenteraden vastgesteld. Zij stellen altijd de verordeningen en beleidsplannen vast, waardoor een zienswijzeprocedure niet nodig is bij deze stukken. Voor zover het maatwerk betreft, verwijzen wij naar hoofdstuk 2 en bijlage 1 van deze memorie van toelichting. Het proces van maatwerk en de rol van het bestuur is daar uitgebreid toegelicht. Twee verordeningen die een GR moet hebben zijn wettelijk verplicht: de Financiële verordening en de Controleverordening. Deze verplichting is opgenomen in de gemeentewet, artikel 212 en artikel 213. In de Wgr staat dat deze verplichting ook voor GR-en geldt (artikel 25). In de tabel hieronder zijn alle belangrijke financiële stukken opgesomd met een korte toelichting. De stukken worden vastgesteld door het AB van de GR Sociaal.
22
Stuk Financiële verordening
Toelichting Uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. De verordening bevat in ieder geval: 1. Regels voor waardering en afschrijving van activa; 2. Grondslagen voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 229b, alsmede, voor zover deze wordt geheven, voor de heffing bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; 3. Regels inzake de algemene doelstellingen en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie. ControleDeze gaat over de accountantscontrole en de rol van het verordening dagelijks Bestuur en algemeen Bestuur. Deze moet in de toekomst worden uitgebreid met de rechtmatigheidsverklaring van het DB. Financierings- Beschrijft hoe met de geldstromen wordt omgegaan, inclusief statuut bevoegdheden en rolverdeling Garantstellingen en leningen Activeren en afschrijven Risicomanagement en Weerstandsvermogen Verbonden partijen
Financiële mandaten
Wettelijke basis Artikel 212 gemeentewet, artikel 35 Wgr
Artikel 213 gemeentewet, artikel 35 Wgr Artikel 212 gemeentewet, artikel 35 Wgr
De GRS heeft geen garantstellingen, alleen leningen aan verbonden partijen (Stroomlijn en Baanbrekend Detacheren). De vaste activa van de GR SDD zijn erg beperkt (huisvesting, ICT). De nota die voor de GRD bestand kan inhoudelijk worden gehandhaafd, maar wordt aangepast aan nieuwe terminologie Deze notitie beschrijft in algemene zin hoe met risico's wordt omgegaan. De notitie bepaalt ook hoe de GR met weerstandsvermogen/ reserves omgaat. De nieuwe GR Sociaal zal aandelen hebben in Stroomlijn en Baanbrekend Detacheren. In de aandeelhoudersvergaderingen wordt de GR vertegenwoordigd door een lid van het dagelijks Bestuur. Geadviseerd wordt begin 2022, als de nieuwe samenstelling van het DB bekend is, af te spreken wie die vertegenwoordiger is. Daarbij aandacht hebben voor de verschillende rollen van opdrachtgever en aandeelhouder. Er zal een nieuwe mandaatregeling moeten worden vastgesteld, toegespitst op de organisatorische inrichting.
Artikel 212 gemeentewet, artikel 35 Wgr Nadere invulling financiële verordening, artikel 212 gemeentewet
Wgr, GR tekst
Artikel 26 De rekenkamer(functie) Hierin is geregeld dat rapporten van een rekenkamer in het AB worden besproken en van commentaar voorzien.
23
Artikel 27 De begroting Het financieel kader Het financieel kader is een set van uitgangspunten voor de financiële sturing die van belang is bij het opstellen van de begroting. De uitwerking van wat in dit kader is opgenomen vindt vervolgens plaats in diverse P&C stukken, waaronder de jaarlijkse uitgangspuntennotitie die eerder al benoemd is. Op basis van de lokaal vastgestelde kaders en deze uitgangspunten wordt de conceptbegroting voor de GR Sociaal opgesteld. Zoals gezegd is het financieel kader een set van uitgangspunten voor de financiële sturing die met name van belang is bij het opstellen van de begroting. Dat kader kan niet zo “hard” zijn als in het verleden, omdat de uitkeringen uit het gemeentefonds steeds minder gealloceerd worden en omdat er bewust voor gekozen is om niet langer te begroten op basis van beschikbare middelen, maar op basis van reële kosten.
Om financiële sturing op de GR Sociaal mogelijk te maken én invulling te geven aan de eisen en wensen die bij gemeenten leven, moet het financieel kader daarom in samenhang worden bezien met twee andere instrumenten: de jaarlijkse uitgangspuntennotitie en een financiële monitor sociaal domein. Voor de inhoud van het kader wordt verwezen naar het aparte document dat hiervoor beschikbaar is. Artikel 28 Bijdrageverordening Een belangrijk document is de bijdrageverordening: hierin is vastgelegd volgens welke verdeelprincipes en sleutels de kosten van de GRD-dochters worden doorbelast aan de gemeenten. Over de kostenverdeelsystematiek is in 2021 nog in de Drechtraad besloten. De transitie GR Sociaal en het project kostenverdeelsystematiek zijn bewust twee gescheiden sporen in 2021 geweest. Een wijziging van kostenverdeling staat namelijk volledig los van de te kiezen (of te behouden) rechtsvorm. De uitkomst van dit traject, dat start in november 2021, krijgt in elk geval zijn weerslag in de begrotingscyclus 2023 van de GR Sociaal. Formeel gaat het AB van de GR Sociaal er per 1 januari 2022 over. Om te voorkomen dat de systematiek bij de start opnieuw op tafel komt zijn de colleges van de deelnemende gemeenten overeen gekomen dat de door de Drechtraad nieuw vastgestelde systematiek 1 op 1 wordt overgenomen door het AB en deze in elk geval voor de komende vier jaar vaststaat.
Artikel 29 Weigering opname in de begroting De raden van de deelnemende gemeenten zijn wettelijk verplicht om de effecten van de begroting van een gemeenschappelijke regeling voor hun gemeente op te nemen in de begroting. Als een gemeenteraad weigert om dat te doen heeft het AB de bevoegdheid om aan Gedeputeerde Staten van de provincie te vragen dat voor de raad te doen.
24
Artikel 30 De jaarrekening In dit artikel is geregeld dat het DB elk jaar financiële verantwoording aflegt aan het AB. In de Wgr is geregeld dat het DB de ontwerp-rekening vóór een bepaalde datum toezendt aan de raden van de deelnemers. Uit praktisch oogpunt wordt voor die datum aangesloten bij de in de wet genoemde datum. Artikel 31 Onderzoek en Vaststelling De Wgr verplicht het bestuur van een GR om de jaarrekening met bijbehorende stukken aan Gedeputeerde Staten van de provincie te sturen in het kader van het toezicht op gemeenschappelijke regelingen door het provinciebestuur. Als het AB de jaarrekening heeft vastgesteld leidt dat tot décharge van de leden van het DB. Artikel 32 Bijdrage per gemeente De GR wordt gefinancierd op basis van voorschotten. Het verschil tussen de betaalde voorschotten en de werkelijke kosten wordt in kaart gebracht in de jaarrekening en op basis daarvan verrekend. Artikel 33 Weigering verrekening De verrekening op basis van de jaarrekening kan tot gevolg hebben dat een gemeente moet bijbetalen. Als een gemeente dat weigert kan het AB aan Gedeputeerde Staten vragen om de bevoegde gemeenteambtenaar de betaling op te dragen ten laste van de gemeente van hetgeen als verplichte uitgaaf op de begroting is gebracht. Dat is een directe opdracht aan een ambtenaar en dus niet aan het bestuur.
Hoofdstuk 10 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing (artikelen 34-42) Gekeken is welke regelingen er al bestaan in het land, welke afspraken de huidige regeling al kent en welke jurisprudentie er is over met name uittreding. Op basis hiervan zijn de artikelen in de tekst GR Sociaal geactualiseerd naar een nieuwe systematiek, die zoveel als mogelijk aan de voorkant duidelijk maakt hoe het proces van uittreden eruit ziet en hoe de gevolgen duidelijk worden voor alle betrokkenen. In het licht van de vernieuwde regels is goed om nogmaals te vermelden dat de GR Sociaal niet een GR is die vanaf nul wordt opgebouwd. De bestaande Gemeenschappelijke Regeling Drechtsteden wordt omgebouwd. Dat betekent ook dat elke wijziging in taken en bevoegdheden afspraken met zich meebrengen over mogelijke meer- of minderkosten. Dit is een gegeven vanwege het feit dat het bestaande aangepast wordt en er ook nu al afspraken zijn in taak- en bevoegdheidsverdeling. Die verdeling maakt dat taken op een bepaalde manier binnen de GR Sociaal zijn ingericht (organisatie, overhead e.d.). Maatwerk, maar ook het zelf gaan uitvoeren van taken, die nu nog regionaal belegd zijn, horen ook bij die keuzes. En met die keuzes komen mogelijk ook meer- of minderkosten naar boven.
Daarbij zij opgemerkt dat elke wijziging of uittreding maatwerk is en feitelijk al start bij de keuzes in beleid en de jaarlijkse uitgangspuntennotitie. Via die route worden keuzes gemaakt, zaken voorbereid en kunnen ook afspraken worden gemaakt over de voorbereiding hierop binnen de GR Sociaal zelf. Bovendien kan de vraag dan gezamenlijk worden aangescherpt. Daarmee kan het zo zijn dat een uiteindelijke wijziging of uittreding, geen kosten meer met zich meebrengt, omdat hier al tijdig naartoe gewerkt kan worden. In de tekst is een bewuste splitsing gemaakt tussen uittreden en een beperking in de afname van een deel van de diensten, taken en bevoegdheden c.q. bepaalde diensten, taken of bevoegdheden niet langer te delegeren of mandateren aan de gemeenschappelijke regeling. Beiden hebben gevolgen, maar de gevolgen zijn verschillend, ook in impact en consequenties.
25
Artikel 34 Toetreding Dit artikel maakt het mogelijk dat en regelt het proces hoe andere gemeenten kunnen toetreden tot deze regeling. Een toetreding leidt automatisch tot een wijziging van de regeling. Voor een wijziging van een regeling hebben de colleges toestemming nodig van hun raad. Betrokkenheid van de raden bij een dergelijk besluit is dus al langs die weg verzekerd. Artikel 35 Uittreding Artikel 35 heeft betrekking op de situatie dat een gemeente zich volledig als deelnemer uit de GR wil terugtrekken. Tussen het moment waarop het AB het besluit tot uittreding van een gemeente ontvangt tot de daadwerkelijke datum van uittreden, zit een periode van 2 kalenderjaren. Dus als het AB op 30 december van 2022 een opzeggingsbesluit ontvangt kan de betreffende gemeente op zijn vroegst per 1 januari 2025 uittreden. Voor die periode is gekozen omdat er een redelijke periode nodig is om met elkaar de gevolgen van die uittreding te bespreken, bijvoorbeeld op het gebied van personeel, inrichting processen, financiën. Ook is er een periode van 9 maanden tot een jaar nodig voor het opstellen van stukken en het laten vaststellen daarvan, zoals de tekst van de GR Sociaal maar mogelijk ook van regelingen en contracten.
Artikel 36 Niet langer afnemen van een deel van de diensten, taken en bevoegdheden Artikel 36 heeft betrekking op de situatie dat een of meerdere gemeenten een deel van de taken weghaalt bij de GR Sociaal, bijvoorbeeld om die taken weer zelf te gaan uitvoeren of onder te brengen bij een andere organisatie. Artikel 36, lid 2 regelt dat ook voor deze gevallen een plan en deskundige nodig is, maar geeft wel meer ruimte om daarin af te wijken ten opzichte van een volledige uittreding. Tussen het moment waarop het AB een dergelijke aankondiging ontvangt en de datum waarop dat voornemen daadwerkelijk kan worden geëffectueerd, zit een periode van ten minste een kalenderjaar. Dat volgt uit lid 4. Er is wel ruimte om hier van af te wijken in het AB. Als alle deelnemende gemeenten hetzelfde deel van de taken weghalen bij de GR Sociaal regelt lid 6 dat in dat geval een gezamenlijk plan wordt opgesteld om alle gevolgen voor de GR van dat besluit te regelen. Artikel 37 Uittredingsplan In artikel 37 wordt een risico-opslag benoemd. De ene uittreding is de andere niet, per geval kan het anders zijn en er is een verantwoordelijkheid als eigenaar (ook al treedt men 'deels' uit). Door deze verscheidenheid is geen eenduidig percentage genoemd, maar is besloten het berekenen van het percentage juist te beleggen bij de externe deskundige die in artikel 38 is genoemd.
Met andere woorden, de extern deskundige beoordeelt welke opslag gerechtvaardigd is en laat het daarmee onderdeel zijn van het uittredingsplan. Dan krijgen gemeenten op dit punt dus per geval maatwerk op het percentage aan risico-opslag, die door een extern deskundige wordt onderbouwd. Artikel 38 Externe deskundige Als de situatie zich voordoet dat een gemeente wil uittreden moeten de gevolgen daarvan worden geregeld. Door een periode van 2 kalenderjaren in te bouwen tussen het moment waarop de uittreding wordt aangekondigd en het daadwerkelijke moment van uittreden, is tijd ingebouwd om in te spelen op die uittreding. Daarbij kan worden gedacht aan het aanpassen van processen, het omzetten van contracten, het organiseren van de personele gevolgen. Dat vergroot de kans dat er zo min mogelijk frictiekosten en desintegratiekosten ontstaan. Dit alles moet worden vastgelegd in een uittredingsplan. 26
Vanwege de complexiteit van het vraagstuk en de onbekendheid daarmee binnen het eigen ambtelijk apparaat en ook om discussie over belangenverstrengelingen te voorkomen is in artikel 38 bepaald dat voor het opstellen van het uittredingsplan een externe deskundige wordt ingeschakeld. In het geval het gaat om het niet langer afnemen van een deel van de diensten, taken en bevoegdheden regelt artikel 36, dat het AB kan bepalen of de deskundige in artikel 37 daadwerkelijk een externe is. Artikel 39 Uittreedsom Ondanks de overbruggingsperiode is het niet ondenkbaar dat er kosten ontstaan of achterblijven bij de GR Sociaal als gevolg van dat uittreden. De uittredende gemeente zal die kosten moeten compenseren. Het AB stelt het Uittredingsplan en de uittreedsom vast. De uittreedsom kan, op verzoek van de uittredende gemeente, eventueel in termijnen worden voldaan. In het geval het gaat om het niet langer afnemen van een deel van de diensten, taken en bevoegdheden regelt artikel 36, dat het AB de termijnen in artikel 39, lid 1 en nader kan bepalen. Hiermee ontstaat er meer flexibiliteit. Zoals gezegd zal per situatie immers de impact verschillen. Op deze manier kan daar rekening mee worden gehouden.
Artikel 40 Verplichtingen uittreder Op grond van dit artikel is de uittredende gemeente verplicht zich in elk geval in te spannen om personeel dat boventallig wordt als gevolg van het uittreden, zelf in dienst te nemen of anderszins voor een oplossing te zorgen. Dezelfde verplichting geldt voor andere aspecten van het uittreden. Artikel 41 Wijziging Voor wijzigen, toetreden en uittreden uit een regeling geldt dat de colleges dit niet kunnen doen voordat er toestemming is van de gemeenteraden. Dit volgt uit artikel 1, lid 2 en 3 van de Wgr, waarin het volgende is opgenomen: De colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters gaan niet over tot het treffen van een regeling dan na verkregen toestemming van de gemeenteraden. De toestemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Onder het treffen van een regeling wordt in dit artikel mede verstaan het wijzigen van, het toetreden tot en het uittreden uit een regeling. Om verwarring te voorkomen is in de GR tekst waar het gaat over wijzigen, toetreden of uittreden een verwijzing naar het bepaalde hierover in de Wet Gemeenschappelijke regelingen opgenomen. In het tweede lid is bepaald dat voorstellen tot wijziging van de regeling in principe via het college van Dordrecht aan de andere deelnemers worden voorgelegd. De reden daarvoor is van praktische aard.
De opsteller van de wijzigingsvoorstellen is in dienst van de gemeente Dordrecht en kan daarom deze voorstellen het snelst en meest efficiënt langs deze weg in procedure brengen. Dat is al vaste praktijk sinds de oprichting van de GR Drechtsteden in 2006 en daarvan is, wederom om praktische redenen slechts één keer afgeweken. In dat ene geval is het voorstel via het college van Zwijndrecht aan de andere gemeenten voorgelegd. Artikel 42 Opheffing De regeling kan slechts worden opgeheven als alle deelnemers dat met elkaar besluiten. In dat geval wordt voor de opheffing een liquidatieplan opgesteld.
27
Hoofdstuk 11 Slotbepalingen (artikelen 43-49) Artikel 43 Geschillen In de laatste artikelen van de tekst GR Sociaal komt o.a. aan bod hoe omgegaan wordt met geschillen. Dit is nadrukkelijk een ander onderwerp dan het kunnen instellen van een arbitragecommissie bij discussie over maatwerk. Artikel 43 gaat altijd uit van het bereiken van consensus in het bestuur en het goede gesprek met het bestuur en (een afvaardiging van) het college waarop het geschil betrekking heeft. Als dit niet tot een oplossing leidt, wordt een deskundigenadvies aangevraagd. Elke deelnemer kan een geschil voorleggen aan Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, als het deskundigenadvies voor een deelnemer tot een onwenselijke uitkomst leidt. Artikel 44 Het archief Deze bepaling is ongewijzigd ten opzichte van de huidige situatie. Artikel 45 Beheerder Deze bepaling is ongewijzigd ten opzichte van de huidige situatie. Artikel 46 Evaluatie In artikel 46 worden afspraken gemaakt over de evaluatie van de regeling en dat dit in elk geval gebeurt 3 jaar na de invoering van een wezenlijke wijziging. Hiervoor is gekozen zodat er voldoende tijd is om de wijzigingen te bestendigen in de dagelijkse praktijk. Artikel 47 Geldigheidsduur De regeling geldt totdat de deelnemers besluiten dat hij wordt opgeheven overeenkomstig artikel 42. Artikel 48 Inwerkingtreding In artikel 48 wordt de inwerkingtreding geregeld.
Dat is 1 januari 2022, met uitzondering van het kopje "sociale werkvoorziening (wsw). Deze treedt in werking met terugwerkende kracht tot 1 april 2021. In de GR D tekst die gold tot 1-1-2022 stonden de volgende 2 taken uitgewerkt: c. het bieden van begeleiding aan werkgevers en werknemers, waarbij de werknemers op 1 januari 2015 een sw-indicatie begeleid werken hebben en in dienst zijn van de werkgever; d. het uitvoeren van de verordening persoonsgebonden budget begeleid werken Wsw voor zover het gaat om mensen die op 1 januari 2015 een sw-indicatie begeleid werken hebben; Deze 2 onderdelen zijn per 1 april 2021 komen te vervallen, de taken zijn teruggegaan naar de gemeenschappelijke regeling Drechtwerk. Met een juiste inwerkingtreding van dit onderdeel, is dit ook rechtmatig afgehandeld. Artikel 49 Citeertitel Bepaalt de formele naam van de regeling
28
Bijlage 1 Spelregels maatwerk en flexibiliteit Maatwerk is mogelijk op verschillende manieren. Hieronder treft u een aantal uitgewerkte voorbeelden aan. Dit is niet limitatief. In voorkomende situaties vindt altijd overleg plaats:
Elke route kent eigen kenmerken, die op de volgende bladzijden nader worden toegelicht. In het gemeenschappelijke takenpakket kan er een maatwerkwens per gemeente zijn > de paarse route Maatwerk in het gemeenschappelijke takenpakket Zoals gezegd kan er in de regionale afspraken maatwerk worden toegepast. Met name de paarse route is nieuw. Immers, in de huidige GRD worden alle kaders eenduidig voor alle gemeenten door de Drechtraad vastgesteld, dit gebeurt straks door de lokale raden. Zoals al aangegeven blijft (enige) harmonisatie voor de robuustheid en efficiëntie van de GR Sociaal daarin van belang. Het maatwerk komt bij voorkeur vroegtijdig naar boven tijdens het interactieve beleidsproces tussen gemeenten en GR Sociaal, waarin in co-creatie gewerkt wordt aan de kaderstellende beleidsstukken, de nadere regels en beleidsregels. GR Sociaal is conform het principebesluit penvoerder (beleid wordt in de GR Sociaal opgesteld en uitgevoerd). Informatie wordt gedeeld, kennis wordt uitgewisseld en in samenwerking wordt tot één of meer voorstellen gekomen. Tijdens het proces wordt duidelijk waar maatwerk gewenst is. De GR Sociaal maakt daarbij inzichtelijk wat wel en niet kan vanuit wet- en regelgeving en geeft aan of en zo ja welke consequenties er zijn voor de bedrijfsvoering, uitvoering en inwoners. In dit proces wordt geduid met elkaar waar de echte verschillen zitten.
Gemeenten en GR Sociaal beogen met elkaar waar dat kan harmonisatie in de beleidskaders te behouden zodat het uitvoerbaar en efficiënt kan blijven, maar geven de ruimte om lokale wensen te bespreken en een goede plek te geven. Als er consequenties zijn maakt de GR Sociaal een uitvoeringtoets: een gedetailleerde uitwerking van de consequenties, inclusief reële kostenindicatie van de vraag. Onderdeel van deze uitwerking is o.a. personele- en, organisatorische gevolgen, juridische consequenties, de eventuele meer of minderkosten daarvan en eventuele consequenties voor de andere gemeenten. Ook wordt een dekkingsvoorstel uitgewerkt. Daarbij wordt opgemerkt dat kosten kunnen fluctueren al naar gelang er één of meer gemeenten dezelfde maatwerkvraag hebben. Mogelijke (frictie)kosten zijn voor de vragende organisatie. Bij een akkoord op het maatwerk zal dit in de verschillende (beleids)stukken verwerkt worden. 29
Het AB van de GR Sociaal wordt vroegtijdig betrokken in de volgende gevallen: Het maatwerk raakt de kosten en resultaatafspraken van de andere deelnemende gemeenten De GR Sociaal loopt met het maatwerk een risico op het gebied van rechtmatigheid of voor de bedrijfsvoering De dekking van het maatwerk moet deels komen uit de begroting van de GR Sociaal Het AB leidt alle beleidsvoorstellen door naar lokale gremia voor vaststelling en is daarmee ook vroegtijdig betrokken en krijgt scherp waar eventuele verschillen zijn. Zij stelt binnen deze kaders en gegeven de gedelegeerde of gemandateerde bevoegdheden ook zelf stukken vast. Voorbeeld 1: Gemeente X wil graag voor het persoonlijk minimabudget 300 euro verstrekken, gemeente Y 200 euro. Dit is kostenneutraal uitvoerbaar voor een GR Sociaal, zolang voorwaarden en eisen hetzelfde blijven. Voorbeeld 2: Gemeente Y wil de tegenprestatie (participatiewet) invoeren. De tegenprestatie zou een wijziging van de kaderstelling binnen de verordening Werk & Inkomen inhouden. Idealiter overigens wordt deze wens vroegtijdig kenbaar gemaakt in het interactieve beleidsproces (en niet bij de uiteindelijke behandeling in de lokale raden). Het invoeren van een tegenprestatie heeft een forse impact op de bedrijfsvoering en mogelijk ook maatschappelijke gevolgen.
Met een uitvoeringstoets zal de GR Sociaal de gevolgen voor de bedrijfsvoering, uitvoering én inwoners in beeld brengen als ook de financiële consequenties voor de betreffende gemeente Y.
Er kunnen ook, al dan niet tijdelijk in de vorm van bijvoorbeeld projecten, extra taken worden afgesproken, boven op het gemeenschappelijke takenpakket ten gunste van deze taak > de groene route. (Tijdelijke) projecten of afspraken boven op het gemeenschappelijke takenpakket ten gunste van deze taak als extra “plus”. Op zich is dit ook nu al geen onbekend gegeven, aangezien er nu ook al maatwerk in deze vorm bestaat. Het is goed om vooraf heldere afspraken te maken over het proces in de nieuwe GR. Het gaat om aanvullende activiteiten naast het gemeenschappelijke aanbod die ten gunste komen van de gemeenschappelijke taak waar gemeenten in de GR Sociaal aan samenwerken. Er komt een regulier ambtelijk overleg tussen de zeven gemeenten en de GR Sociaal. Daar worden maatwerkvragen gemeld en besproken. Zo is er overzicht over de vragen én kunnen andere gemeenten tegelijkertijd aanhaken op de vraag als hen dat interessant lijkt. Door het aanhaken van andere gemeente op de vraag mag de oorspronkelijke vrager geen onnodige vertraging oplopen. Zodra duidelijk is dat er een wens is vinden er één of meer vraagverhelderingsgesprekken plaats tussen de vrager en GR en informatie en kennis wordt gedeeld. De GR Sociaal en de vragende gemeente komen met een gedetailleerde uitwerking van de vraag, de consequenties, inclusief reële kostenindicatie van de vraag.
Onderdeel van deze uitwerking is o.a. personele- en, organisatorische gevolgen, juridische consequenties, de eventuele meer of minderkosten daarvan en eventuele consequenties voor de andere gemeenten. Ook wordt een dekkingsvoorstel uitgewerkt. Daarbij wordt opgemerkt dat kosten kunnen fluctueren al naar gelang er 1 of meer gemeenten dezelfde maatwerkvraag hebben. Mogelijke (frictie)kosten zijn voor de vragende organisatie. Na akkoord zal de ambtelijke organisatie van de GR Sociaal met de gemeente(n) het initiatief nemen om de afspraak vast te leggen in de juiste documenten (bv een beleidsnotitie of P&C documenten). (Tijdelijke) projecten of afspraken boven op het gemeenschappelijke takenpakket ten gunste van deze taak als extra “plus”.
30
Het AB van de GR Sociaal wordt vroegtijdig betrokken in de volgende gevallen: • Het project raakt de kosten en resultaatafspraken van de andere deelnemende gemeenten • De GR Sociaal loopt met het project/afspraak een risico op het gebied van rechtmatigheid of voor de bedrijfsvoering • De dekking moet deels komen uit de begroting van de GR Sociaal Voorbeeld 1: Gemeente X wil graag een extra tijdelijk project voor de re-integratie van jongeren uitvoeren, naast de bestaande afspraken voor re-integratie Voorbeeld 2: Gemeente X wil graag een project opzetten voor alleenstaande moeders met multi-problematiek om hun leven daarmee sneller op de rit te krijgen zodat zij met ontwikkelen naar werk aan de slag kunnen.
Ook op uitvoeringsniveau, het hoe, is maatwerk mogelijk > de blauwe route. Maatwerk op uitvoeringsniveau (het HOE) Dit gaat over het concrete dagelijks werk en hoe je dit met elkaar doet en afspreekt. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de gemeenschappelijke toegang en triage en over het overleg op uitvoeringsniveau over inwoners om tot de beste oplossing voor een inwoner te komen. Dit krijgt vorm door samen op locatie of in teams te werken. En zo tijdig contact met elkaar op uitvoeringsniveau te hebben en daar af te stemmen. Elkaar leren kennen, verdiepen in elkaars werkwijze en manier van handelen is daarbij belangrijk, zodat er makkelijker en sneller contact mogelijk is en organisaties met elkaar werken aan de oplossing die het beste past bij de situatie op inwonerniveau. Aangezien de wethouder die lid is van het AB verantwoording aflegt aan raad, is het van belang dat hij of zij regelmatig geïnformeerd wordt door de GR Sociaal over de uitvoering in zijn/haar gemeente en eventuele bijzonderheden. Door deze rechtstreekse contacten kunnen ook signalen snel worden opgepakt en uitgezocht. Gemeenten en andere organisaties kunnen tot slot aparte afspraken maken in de vorm van een DVO. Een DVO kan worden afgesloten met 1 of meer gemeenten (maar niet alle 7, want dan hoort het in het gemeenschappelijke takenpakket), maar ook met andere organisaties. Dit is de oranje route.
Buiten het gemeenschappelijke takenpakket: afspraken over andere taken met 1 of meer gemeenten of andere organisaties Deze afspraken kunnen zich voordoen bij bijvoorbeeld nieuwe wetgeving. In het regulier ambtelijk overleg tussen de zeven gemeenten en de GR Sociaal worden ook de landelijke beleidsontwikkelingen gevolgd en besproken. Bij nieuwe wetgeving in het sociaal domein zullen de gemeenten met elkaar in gesprek gaan over het organiseren en uitvoeren van deze wet. Ook kan het gaan om nieuwe wensen of behoeften. Op het moment dat met elkaar vastgesteld wordt dat de zeven gemeenten de taak graag regulier in de GR Sociaal met elkaar willen afspreken, kan dit verder uitgewerkt worden en zal dit uiteindelijk met een wijziging van de GR tekst juridisch ook geregeld worden.
31
Tijdens de gesprekken kan ook blijken dat één of meer gemeenten dit lokaal willen organiseren en één of meer gemeenten dit regionaal gezamenlijk willen regelen met de GR Sociaal. Het zal dan zo zijn dat de gemeenten die hier afspraken over willen maken met de uitvoeringsorganisatie van de GR Sociaal, hier verder over in gesprek gaan om te komen tot een dienstverleningsovereenkomst (DVO). Er kunnen DVO’s worden gesloten met niet alleen de zeven Drechtstedengemeenten, maar ook met andere organisaties of partijen. De DVO’s kunnen in principe door de directeur van de ambtelijke organisatie van de GR worden afgesloten. In de GR tekst ligt de opdracht bij het dagelijks bestuur. Zij kunnen op hun beurt in mandaatbesluiten tussen het bestuur van de GR Sociaal en de directeur van de ambtelijke organisatie een en ander verder regelen. Het AB van de GR Sociaal wordt betrokken bij de totstandkoming van de DVO’s in de volgende gevallen: • Het project raakt de kosten en resultaatafspraken van de andere deelnemende gemeenten • De GR Sociaal loopt met deelname aan het project een risico op het gebied van rechtmatigheid of voor de bedrijfsvoering • De dekking van het project moet deels komen uit de begroting van de GR Sociaal
32