Manifest van mevrouw Dekker - Stop de reeënjacht op het Eiland van Dordrecht.pdf
Tekst van het document
MANIFEST Sta op voor de Dordtse reeën!
Foto: Jacques van der Neut
Stop het doden van reeën op het Eiland van Dordrecht
Wij, Dordtse burgers vragen de gemeente Dordrecht om ons te helpen om het doden van reeën binnen onze gemeentegrenzen te stoppen. Wij roepen de gemeente op om zich te bekommeren om en verantwoordelijkheid te nemen voor het lot van de wettelijk beschermde reeën die binnen haar grenzen leven. Het accepteren van het doden van reeën zonder bewezen nut en noodzaak past niet in de groene ambities van de gemeente Dordrecht. De ree is een beschermde diersoort en het doden van reeën is uitsluitend toegestaan als aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan. Het doden van reeën zou beperkt moeten zijn tot het uit hun lijden verlossen van ernstig gewonde of zieke individuen. Er is geen overtuigend of wetenschappelijk bewijs dat het doden van reeën het aantal mens-dieraanrijdingen verlaagt. Ook zijn er op plaatsen waar er een risico bestaat op aanrijdingen onvoldoende effectieve preventieve maatregelen toegepast. Daarmee voldoet de aangevoerde grond voor afschot (verkeersveiligheid) niet aan de vereisten die de wet stelt. Het is goed mogelijk om regionaal een uitzondering te maken voor Dordrecht binnen het provinciale beheerplan voor Zuid-Holland. Provincie Friesland maakte eerder zo’n uitzondering voor Terschelling. Wij zullen aantonen dat er veel overeenkomsten zijn tussen het Eiland van Dordrecht en het eiland Terschelling.
We onderbouwen ons pleidooi tegen het afschot van reeën binnen de Dordtse gemeentegrenzen met feitelijke informatie en (wetenschappelijke) bronnen.
Ons manifest bestaat uit de volgende 10 stellingen: 1. Het doden van wettelijke beschermde dieren als reeën onder provinciale ontheffing is uitsluitend toegestaan als ultimum remedium. Het huidige afschotbeleid voldoet niet aan deze wettelijke eis
2. Op het Eiland van Dordrecht zijn onvoldoende effectieve preventieve maatregelen toegepast om mens-dierbotsingen te voorkomen
3. De link tussen aantallen reeën en aantal aanrijdingen is niet overtuigend aangetoond. Het risico voor de verkeersveiligheid is daarmee niet deugdelijk onderbouwd
4. Voor de grond ‘schade’ of ‘dreigende schade’ en aantalgestuurd afschot ontbreekt een wettelijke onderbouwing
5. Tellingen van jagers zijn onnauwkeurig, onbetrouwbaar en niet controleerbaar
6. De gekozen rekenmethodiek (aantal aanrijdingen t.o.v. aantal getelde reeën) is ongeschikt voor het bepalen van een afschotquotum en bovendien zeer fraudegevoelig
7. Het aantal mens-ree-aanrijdingen in Dordrecht is – zelfs bij het huidige gebrek aan effectieve preventieve maatregelen – verwaarloosbaar
8. De reeënjacht is zeer dieronvriendelijk en veroorzaakt onaanvaardbare risico’s voor mens en dier
9. Reeën ‘beheren’ zichzelf
10. Reeën horen bij de Biesbosch en het Eiland van Dordrecht. Het belang van natuurbescherming en duizenden natuurminnende Dordtenaren moet zwaarder wegen dan de belangen van een handjevol Dordtse hobbyjagers
Wij onderbouwen deze 10 stellingen tegen de reeënjacht in onze gemeente hierna verder.
1. Het doden van wettelijke beschermde dieren als reeën onder provinciale ontheffing is uitsluitend toegestaan als ultimum remedium. Het afschotbeleid voldoet niet aan deze wettelijke eis Het ultimum remedium is het ‘nee, tenzij...-principe’. Afschot is NIET toegestaan TENZIJ alle mogelijke alternatieve maatregelen genomen zijn en deze niet effectief bleken te zijn.1 Anders geformuleerd: er bestaat geen andere bevredigende oplossing dan afschot om aanrijdingen te voorkomen. Aan deze voorwaarde is in Dordrecht niet voldaan.
2. Op het Eiland van Dordrecht zijn onvoldoende effectieve preventieve maatregelen om mens-dierbotsingen te voorkomen Er staan op enkele plekken rasters (langs de A16 en langs delen van het spoor). Rasters zijn volgens de faunabeheereenheid (FBE) zelf: het ‘enige echt effectieve middel’.2 Verder staan er op verschillende plaatsen onopvallende driehoekige waarschuwingsborden en enkele opvallender waarschuwingsborden op de Noorderelsweg. Over de effectiviteit van dit soort borden schrijft de FBE : ‘In de praktijk blijkt dat het rijgedrag slechts zeer beperkt wordt aangepast’.3 Statische waarschuwingsborden zonder verdere snelheidsbeperkende maatregelen en handhaving helpen volgens wetenschappelijke (literatuur)studies niet om aanrijdingen te voorkomen. Dit stelt ook de FBE: ‘Alleen in combinatie met snelheidscontroles kan een lagere rijsnelheid worden bewerkstelligd.’4 Van effectieve snelheidsverlagende maatregelen op risicolocaties is geen sprake en ons is niets bekend over structurele snelheidscontroles op risicolocaties.5 Een wel bewezen effectieve maatregel is het gebruik van dynamische waarschuwingsborden.6 Deze waarschuwen automobilisten als ze een plek naderen waar dieren op dat moment willen oversteken. Ook
Figuur 1. Onderzoek wijst uit dat waarschuwingsborden zonder verdere snelheidsbeperkende maatregelen niet effectief is om aanrijdingen te voorkomen.
1 Leidraad verminderen aanrijdingen reeën’, januari
5 Ooms (2010) stelt dat verlaging van de rijsnelheid van
2017: ‘De Omgevingswet is voor dieren in het wild de belangrijkste wet, waarbij veel bevoegdheden voor natuur- en soortenbescherming gedecentraliseerd zijn naar de provincies. In deze wet staan o.a. regels over jacht, beheer en schadebestrijding. De Omgevingswet bepaalt dat afschot gepleegd mag worden voor de verkeersveiligheid maar pas aan de orde is indien er geen andere bevredigende oplossing is.’ (Hierna: ‘Leidraad’). 2 Faunabeheerplan, p. 35. 3 Faunabeheerplan-ree-Zuid-Holland-2020-2026 (hierna: Faunabeheerplan), p. 27. 4 Faunabeheerplan, p. 27.
voertuigen een van de kansrijkste maatregelen is om aanrijdingen met dieren te voorkomen en de ernst van dergelijke aanrijdingen te beperken, Faunabeheerplan, p. 28. In de Leidraad wordt de effectiviteit van deze maatregel (mits gehandhaafd) als zeer effectief beoordeeld. 6 De Roo & Zekhuis (2012) onderzochten het effect van fauna-detectiesystemen op vier locaties in Overijssel. De systemen werden in combinatie met rasters en dwangpassages gebruikt. De onderzoekers concluderen dat de systemen tot een reductie van 95% in het aantal aanrijdingen hebben geleid (‘Before-After’-studie), Faunabeheerplan, p. 28.
wildwaarschuwingssystemen zijn effectief bij het voorkomen van aanrijdingen. 7 Het stappenplan in de ‘Leidraad verminderen aanrijdingen reeën’8 die is opgesteld door o.a. de Dierenbescherming, Natuurmonumenten en de Zoogdiervereniging, is niet gevolgd. Hierbij verwijzen wij naar de recente uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant,9 waarin de rechter concludeerde dat het belang van de verkeersveiligheid voldoende moet worden onderbouwd. Ook hiervan is in Dordrecht geen sprake. Een rechter in Groningen kwam recentelijk tot dezelfde conclusie en legde de reeënjacht stil.10
Figuur 2. In Dordrecht is het stappenplan uit de Leidraad verminderen aanrijdingen reeën zoals opgesteld door de Dierenbescherming, Natuurmonumenten en de Zoogdiervereniging niet gevolgd.
Het is zelfs mogelijk dat afschot juist leidt tot meer aanrijdingen. Daar waar vaker aanrijdingen plaatsvinden, is doorgaans sprake van territoria van gevestigde reeën. De oudere dieren weten wanneer zij veilig kunnen oversteken (wat hen in verreweg de meest gevallen ook lukt). Dit weten we doordat het risico op aanrijdingen stijgt op het moment dat wij in voor- en najaar de klok verzetten. Dieren hebben een groot lerend 7 ‘Het wildwaarschuwingssysteem dient te worden
geplaatst op weggedeelten waar reeën vaak oversteken en zal alleen geactiveerd worden als een ree (of een ander dier van vergelijkbare grootte) zich in de migratiezone bevindt. Na activatie zullen naderende bestuurders naast een specifiek verkeersbord (reeoversteekbord J27) ook een dynamische snelheidslimiet te zien krijgen. Dit attendeert de bestuurder erop dat er een grote kans is dat er wild zal oversteken en dat de snelheid verminderd moet worden tot 60 km/u. Vaak wordt dit systeem aangevuld met een lang stuk hekwerk, waarmee het wild begeleid wordt naar de specifieke migratiezone en niet de weg op een ander gedeelte over zal steken. Dit verhoogt de effectiviteit van de maatregel. Na drie jaar bleken er vijf aanrijdingen met reeën te hebben plaatsgevonden, waar dat er voorheen nog ongeveer 25 per jaar waren (afname van meer dan 90%)’, Leidraad. 8 Leidraad. 9 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Rechtbank ZeelandWest-Brabant, datum uitspraak 11-04-2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2297: ‘Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de conclusie dat sprake is van een gevaar voor de verkeersveiligheid in Zeeland redelijkerwijs niet kunnen baseren op het valwildpercentage van 5%. Verweerder heeft echter niet onderbouwd waaruit blijkt dat bij een valwildpercentage van hoger dan 5% sprake is van een gevaar voor de verkeersveiligheid.
Dit blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet uit de Leidraad waar verweerder naar verwijst. Dat uit landelijke cijfers blijkt dat 5% van het totale aantal reeën betrokken is bij een
verkeersongeval, betekent niet dat bij een hoger percentage dan 5% in Zeeland sprake is van een onaanvaardbaar gevaar voor de verkeersveiligheid. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan die 5% grens niet worden gehanteerd om de enkele reden dat er ‘geen beter alternatief voorhanden is’ om dat risico vast te stellen, zoals de ABRvS in een uitspraak van 27 november 20198 lijkt te hebben geoordeeld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan onderzoek worden gedaan naar de ernst van de ongevallen in Zeeland en kan de noodzaak op die manier inzichtelijk worden gemaakt. Bij het voorgaande heeft de voorzieningenrechter ook in aanmerking genomen dat met de cijfers uit de vorige beheerperiode niet kan worden onderbouwd dat de 5% grens gehanteerd kan worden, omdat het valwildpercentage in sommige gebieden is gestegen in die periode. Onder de hierboven genoemde omstandigheden heeft verweerder onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom de reeënpopulatie in Zeeland een zodanig onaanvaardbaar gevaar vormt voor de verkeersveiligheid dat het doden van de reeën redelijkerwijs noodzakelijk kan worden geacht.’ 10
https://fauna4life.nl/afschot-groningse-reeenvoorlopig-van-de-baan/. Toestemming voor ‘planmatig beheer’ kan alleen gegeven worden als is aangetoond dat het afschot daadwerkelijk bijdraagt aan de beperking van het aantal aanrijdingen. Door de ontheffing op voorhand lag de verantwoordelijk bij de aanvrager (de fbe) en dat is in strijd met de wet.
vermogen. Het zijn vooral jongere, onervaren dieren die met minder aarzeling wegen oversteken. Schiet je op ‘hotspots’ langs die wegen een aantal dieren die daar hun territoria hebben, dan worden deze onmiddellijk ingenomen door jongere generaties dieren. Daardoor neemt het risico op aanrijdingen juist toe, omdat deze jongere individuen geen ervaring hebben met het oversteken van de betreffende weg. Recent onderzoek van universiteit Wageningen in opdracht van BIJ12 (de provincies) wijst uit dat de effectiviteit van maatwerkbeheer (het afschieten van reeën ‘in relatief smalle zones aan weerszijden van een weg waar veel aanrijdingen gebeuren’ (ook wel ‘Landschap van angst’ genoemd) niet aantoonbaar is. Ook wildspiegels en -reflectoren verlagen het aantal aanrijdingen niet.11 Ook schieten jagers vaak van ‘binnen naar buiten’. Dieren vluchten zo naar de wegen toe. Zelfs met een ‘goed’ schot, kan een ree nog 80 tot 100 meter doorrennen. Ook verstoring door recreatie en loslopende honden verjagen reeën uit hun leefomgeving en verhoogt het risico dat ze in (doods)angst de weg over vluchten. En die weg is in Dordrecht nooit ver weg... Ook in Dordrecht doorsnijden meerdere wegen het leefgebied van reeën. Reeën in die gebieden moeten dan ook dagelijks één of meerdere keren de weg oversteken. Meestal bereiken ze ongedeerd de overkant.
Ook als je reeën doodschiet, moeten de overgebleven dieren nog steeds dagelijks oversteken. Het doel moet dan ook zijn het veiliger maken van deze wegen voor dier en mens en niet het willekeurig doden van reeën. Afschot van een aantal dieren is dus geen effectief middel tegen aanrijdingen. Het is niet meer dan symptoombestrijding en dient geen praktisch nut. Want de belangrijkste factoren bij aanrijdingen zijn verkeersdichtheid en rijgedrag van automobilisten. Het doden van dieren verandert niets aan het rijgedrag van mensen!
3. De link tussen aantallen reeën en aantal aanrijdingen is niet overtuigend aangetoond. Het risico voor de verkeersveiligheid is daarmee niet deugdelijk onderbouwd Afschot is als ultimum remedium uitsluitend toegestaan als middel om een wettelijk doel te bereiken. In het geval van reeën mag de FBE bijvoorbeeld ‘verkeersveiligheid’ als grond aanvoeren. De stelligheid waarmee de FBE beweert: ‘Hoe hoger de dichtheid aan reeën in een gebied is, hoe meer aanrijdingen er zullen plaatsvinden’, wordt op geen enkele manier bewezen.12 Dit zullen we hierna aantonen. Dat afschot niet helpt om de Dordtse wegen veiliger te maken, blijkt ook uit de door jagers aangeleverde cijfers in het faunabeheerplan.
11 ‘Reeën wennen snel aan jagers en spiegels, experts
zien ‘verrassing’ als aanpak die wél werkt’, de Stentor, 10 juni 2024, https://www.destentor.nl/epe/reeen-
wennen-snel-aan-jagers-en-spiegels-experts-zienverrassing-als-aanpak-die-wel-werkt~a7da438b/. 12 Faunabeheerplan, p. 3.
Het aantal aanrijdingen nam niet af in de jaren dat ze 20% van de door henzelf getelde reeën doodden.13 Je kunt stellen dat bij een groter aantal dieren het risico op aanrijdingen kan stijgen (bij afwezigheid van reeën is het risico immers nul). Het aantal bewegingen zal bij een groter aantal dieren groter zijn. De effectiviteit van afschot is echter onbekend en nooit onderzocht. De hierna nog besproken ecoloog Geert Groot Bruinderink stelt: ‘Het blijft echter onduidelijk wat het effect van afschot op de dichtheid en daarmee op het aantal aanrijdingen is of zal zijn. Slechts onderzoek, bijvoorbeeld in het kader van een AIM-gerichte aanpak, kan hier licht op werpen.’14 Afschot als middel tegen aanrijdingen kan daarom niet afgewogen worden tegen andere mogelijke verkeersveiligheidsmaatregelen. Daarnaast is afschot symptoombestrijding. Het leidt – zoals hiervoor aangetoond – niet tot minder dieren en biedt daarom in ieder geval geen duurzame oplossing. Het zijn de weggebruikers die te gast zijn in de leefgebieden van in het wild levende dieren en het zijn mensen die aanrijdingen veroorzaken. De claim dat wilde dieren ‘zomaar oversteken’ is onjuist. Zij volgen vaste routes tussen rustgebieden en foerageergebieden en doen dat op bepaalde tijden binnen een etmaal. Natuurbescherming houdt in dat wilde dieren zich ongehinderd en veilig kunnen verplaatsen tussen leefgebieden.
Onze argumentatie is in lijn met de argumenten die de Leidraad noemt tegen afschot:15 • Leegvallen van territoria leidt tot immigratie: nieuwe – en vaak minder ervaren – dieren vullen de leeggeschoten plekken op • afschot leidt tot een jaarlijkse maximale reproductie: afschot leidt niet tot minder dieren, maar vaak juist tot een snellere voortplanting en een grotere overlevingskans van de overgebleven dieren. Onze conclusie, dat het aantal reeën juist stijgt door afschot bevestigt de FBE zelf in het fbp: ‘Het klopt dat in WBE’s met populatiebeheer de populatie is gegroeid!’ 16 • doordat afschot niet leidt tot blijvend kleinere populaties, moet afschot elk jaar weer plaatsvinden
13 In de periode 2015-2018 doodden jagers naar eigen
14 Geert Groot Bruinderink e.a., ‘Hoefdierenadvies
zeggen 79 reeën, terwijl het door henzelf getelde aantal reeën niet afnam (dat steeg in diezelfde periode met 60%!). Het aantal geregistreerde aanrijdingen daalde ook niet.
provincie Utrecht, Rapport van 9 maart 2023. 15 Leidraad, p. 11. 16 Faunabeheerplan, p. 75.
• effectiviteit van afschot op het risico van aanrijdingen is onbekend: dat het aantal aanrijdingen niet daalt door afschot blijkt uit de cijfers van jagers in het fbp Ecoloog Geert Groot Bruinderink pleit tegen het afschot van reeën De FBE noemt in haar faunabeheerplan (inmiddels gepensioneerd) ecoloog Geert Groot Bruinderink als medeauteur.a Dit is opmerkelijk omdat dhr. Groot Bruinderink zich meermaals heeft uitgesproken tegen afschot van reeën: ‘De jagers doen alsof de kans op aanrijdingen door jacht vermindert, maar dat slaat nergens op. Men kent het effect niet omdat men niet weet hoeveel reeën er zitten. Stel dat een lege plek wordt gemaakt in een gebied door een hoge jachtdruk. Dan is het dweilen met de kraan open omdat reeën altijd naar het gebied trekken waar te eten valt.’b In een ander artikel zei hij het ‘bizar te vinden dat de mensen die wild tellen (jagers) ook het afschotplan maken en vervolgens dat plan mogen uitvoeren’. c Recenter pleitte hij er op basis van eigen onderzoek voor dat de nadruk moet liggen op het effect van beheer in plaats van op aantallen.d Het is tijd voor een alternatieve aanpak: adaptief beheer, waarbij de focus ligt op ‘het probleem en de maatregel(en) die je moet inzetten om het gewenste effect te bereiken’ in plaats van op afschot op basis van aantallen. En: ‘je laat het idee los dat je een streefstand kunt bepalen’.
De onderzoekers pleiten voor ‘een “gereedschapskist” met verschillende instrumenten. ... Dit kunnen preventieve maatregelen zoals het plaatsen van hekken of rasters zijn, verstoring of verjaging en als laatste middel populatiebeheer door afschot.’ Overigens heeft Groot Bruinderink, die in het faunabeheerplan wordt aangeduid als ‘een erkend expert t.a.v. het ree’,e uitgaande van de bronnen in de literatuurlijst in het faunabeheerplan nooit onderzoek gedaan in Zuid-Holland. Zijn onderzoek richtte zich vooral op grote hoefdieren op de Veluwe. Een gebied dat onvergelijkbaar is met het Eiland van Dordrecht. Daarbij komen edelherten en wilde zwijnen hier niet voor. Bij de bronverwijzingen naar Groot Bruinderink gaat het slechts eenmaal specifiek over reeën (dat betreft een onderzoek in Friesland uit 1987). a Faunabeheerplan, p. 72. b Eerst reeën tellen, dan reeën schieten, Volkskrant, 9 april 2005, https://www.volkskrant.nl/voorpagina/eerst-reeen-tellen-dan-reeenschieten~bca44f54/. c Daniël Mulder. ‘Een jager met een lege maag’, Roots Magazine, 17 November 2014. d Terugblik Kennissymposium Faunazaken, Het faunadossier: de wet, beleid en beheer, 8 maart 2023, https://publicaties.bij12.nl/terugblikkennissymposium-faunazaken-2023/deelsessies-ronde-1.
Geert Groot Bruinderink, Luuk Boerema en Rik Schoon, ‘Andere benaderingen voor populatiebeheer van wilde hoefdieren’, in opdracht van BIJ12. e Faunabeheerplan, p. 74.
4. Voor de grond ‘schade’ of ‘dreigende schade’ en aantal gestuurd afschot ontbreekt elke wettelijke onderbouwing Reeën zijn door het Faunafonds niet gekwalificeerd als schadesoort. Om op deze grond toch reeën te doden, dient goed te worden onderbouwd dat er sprake is van (dreigende) belangrijke schade. Daarbij zijn er volgens het Handboek Faunaschade bovendien goed werkende preventieve middelen op de markt om eventuele schade door reeën mee te
voorkomen. 17 Op het Eiland van Dordrecht is geen sprake van gedocumenteerde (landbouw)schade, met uitzondering van vermeende vraatschade aan bietenplanten midden jaren tachtig van de vorige eeuw(!)18 Eventuele schade aan jonge boomaanplant kan prima voorkomen worden door een deugdelijke afrastering.19 Zonder aantoonbare schade in het verleden, vervalt ook de grond ‘dreigende schade’ uit het faunabeheerplan. Populatiebeheer, afschot op basis van de grootte van een populatie, is op grond van de wet toegestaan in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden. Dat gaat in het geval van reeën niet op, aangezien reeën niet binnen omrasterde gebieden worden gehouden en dus niet worden beperkt in hun bewegingsvrijheid. Er kan dan ook geen sprake zijn van een te bepalen draagkracht.
Figuur 3. Reeën veroorzaken nauwelijks schade aan landbouwgewassen (Foto: Jacques van der Neut)
5. Tellingen van jagers zijn onnauwkeurig, onbetrouwbaar en niet controleerbaar Dit beaamt ook het ministerie van LNV: ‘dat de cijfers van de WBE’s nu nog niet meegenomen worden (...) omdat de gegevens zodanig zijn dat zij niet gevalideerd kunnen worden door het CBS. Het CBS heeft in 2013 de telgegevens en protocollen van de WBE’s geanalyseerd. (...) Het gebruikte telprotocol is door het CBS beoordeeld als onvoldoende en 17 Handreiking Faunaschade, Preventieve maatregelen,
soorten faunaschade, wetgeving, beleidsregels en procedures, 2009. 18 Faunabeheerplan, p. 45: ‘Het eerste afschot vond midden jaren ‘80 plaats, op aandringen van de boeren vanwege schade aan jonge bietenplanten.’ Niet onderbouwd, p. 46: ‘In het verleden is er schade
geconstateerd aan bietenplanten, graszaad, fruitbomen, spruiten en erwten.’ En: ‘In de periode 2012 – 2019 heeft BIJ12-Faunafonds in het kader van de regeling voor een tegemoetkoming in de faunaschade geen landbouwschade getaxeerd op het Eiland van Dordrecht.’ 19 Zie verder Handreiking Faunaschade 2009.
er was bovendien gerede twijfel aan de mate waarin dit telprotocol gevolgd werd. (...) Het CBS geeft aan dat er sinds de vorige beoordelingen geen grootschalige verbeteringen hebben plaatsgevonden in de tellingen door WBE’s.’20 Uit de cijfers van tellingen in het faunabeheerplan zou je kunnen opmaken dat je de exacte aantallen zou kunnen bepalen. Maar dit is door hun levenswijze haast onmogelijk. Toch worden deze tellingen gebruikt om afschotquota vast te stellen. Tellingen zijn op hun best schattingen die bruikbaar zijn om door de jaren heen populatietrends vast te stellen.21 De Leidraad adviseert ‘Vanuit het oogpunt van betrokkenheid, draagvlak en transparantie’ om telgroepen breed samen te stellen. 22 Hiervan is in Dordrecht geen sprake. We weten niet wie de tellingen uitvoert, hoe dat gebeurt en wanneer. Er is geen onafhankelijk toezicht op de tellingen van jagers. Ook de controle op de registratie van die tellingen ontbreekt. Dat tellingen onnauwkeurig zijn, bevestigt ook de hiervoor genoemde medeopsteller van het faunabeheerplan Groot Bruinderink: ‘De uitkomst [van de inventarisering] zegt ook nog iets over de precisie van de methode (hoe dicht liggen de uitkomsten van elke inventarisatieronde bij elkaar), maar de nauwkeurigheid (hoeveel dieren zitten er nu echt) blijft een vraagteken.’23
6. De gekozen rekenmethodiek (aantal aanrijdingen t.o.v. aantal getelde reeën) is ongeschikt voor het bepalen van een afschotquotum en bovendien zeer fraudegevoelig Er zijn dus geen betrouwbare cijfers over aantallen reeën beschikbaar, alleen schattingen. Dat staat ook te lezen in het faunabeheerplan: ‘De getelde voorjaarsstand en ervarings- en monitoringsgegevens zijn de basis voor het bepalen van de voorjaarsstand. De theoretische zomerstand van dat jaar wordt berekend door: voorjaarsstand + aanwaspercentage. Ervaringscijfers wijzen erop dat de aanwas ongeveer 80% van de voorjaarspopulatie geiten bedraagt. De theoretische zomerstand wordt verminderd met het aangetroffen valwild in het vorige beheerjaar; de te verwachten overige mortaliteit, op basis van lokale ervaringscijfers. Dit levert een te verwachten voorjaarsstand op voor het volgende jaar. Op basis van deze te verwachten voorjaarsstand, de maximale (en minimale) voorjaarsstand en ervarings- en monitoringsgegevens wordt het afschotquotum
20 Brief ministerie van LNV, 4 april 2023, DGNV-
22 Leidraad, p. 6.
S/26236884. 21 Dynamiek van een populatie reeën zonder beheersjacht, Leo van Breukelen en Sip van Wieren, Zoogdier 2004, 15(1), p. 9-13.
23 Geert Groot Bruinderink e.a., ‘Hoefdierenadvies
provincie Utrecht, Rapport van 9 maart 2023.
bepaald.’ 24 Geen harde, controleerbare cijfers, maar ‘verwachtingen’ en schattingen van belanghebbenden bij de jacht. Wie een ree aanrijdt, is verplicht om de politie te bellen. Alleen aanrijdingen die geregistreerd zijn bij de politie mogen meetellen bij het vaststellen van het aantal diermensaanrijdingen in een gebied. Voor valwildcijfers geldt dat niet. De provincie acht 5% aanrijdingen op het totaal aantal ‘getelde’ reeën acceptabel. Aangezien het werkelijke aantal reeën onbekend is, kan helemaal geen aanrijdingspercentage worden bepaald. Afgezien daarvan, is het een cynisch standpunt, omdat in het geval van Dordrecht aantoonbaar onvoldoende preventieve maatregelen zijn genomen om aanrijdingen te voorkomen. Deze 5% is ontleend aan een landelijke schatting van de totale reeënpopulatie, afgezet tegen het aantal reeën dat landelijk sterft in het verkeer.25 Dit getal is volledig arbitrair en laat jagers alle ruimte om toe te ‘tellen’ naar een gewenste uitkomst van meer dan 5%.
Hierbij verwijzen we weer naar de uitspraak van de rechter in de zaak van de reeënjacht in Zeeland: ‘Dat uit landelijke cijfers blijkt dat 5% van het totale aantal reeën betrokken is bij een verkeersongeval, betekent niet dat bij een hoger percentage dan 5% in Zeeland sprake is van een onaanvaardbaar gevaar voor de verkeersveiligheid.’26 In Dordrecht berekenden de jagers een percentage van 6%, terwijl het aantal aanrijdingen erg klein is (zie punt 7). Hierbij gaat de FBE uit van gemiddeld 9 geregistreerde aanrijdingen over een periode van drie jaar. Kijk je echter over een periode van zes jaar, dan komt het jaarlijkse percentage al uit onder de 6% (dus onder de 5%-drempel). Zo zijn cijfers wel heel eenvoudig te beïnvloeden in het voordeel van de jagers. Zij voeren immers ook de tellingen uit én leveren de overige input voor het fbp.
7. Het aantal mens-ree-aanrijdingen in Dordrecht is – zelfs bij het huidige gebrek aan effectieve preventieve maatregelen – verwaarloosbaar Ondanks dat de FBE het wegennetwerk in Dordrecht ‘zeer frequent bereden’ noemt, 27 maakt het aantal aanrijdingen met wilde dieren nog geen 1% van het totaal aantal verkeersongevallen uit in onze gemeente.28 Uit de ‘heatmap’ van de verspreiding van het aantal ongelukken blijkt dat het aantal aanrijdingen in Dordrecht vergeleken met andere gebieden in Zuid-Holland laag is.29 Het risico voor de verkeersveiligheid is dus al bijzonder klein, zonder dat er voldoende passende preventieve maatregelen zijn toegepast om de risicowegen veiliger te maken en aanrijdingen met reeën te voorkomen. Door de juiste en 24 Faunabeheerplan, p. 64. 25 De verwijzing van de FBE in het fbp (Smit et al. 2017)
komt in de genoemde Leidraad helemaal niet voor. In de Leidraad wordt wel verwezen naar onderzoeken van Ooms 2010 (Ooms 2010, J.W. Wildongevallen, Preventieve maatregelen en hun toepassingsgebied. Scriptie NOVI verkeersacademie) en Koch 2014 (Koch S. 2014. Reeënbeheer in Nederland, Inventarisatie naar en analyse van het reeënbeheer in Nederland.
Afstudeeronderzoek In Holland Hogeschool, in opdracht van Dierenbescherming), Leidraad, p. 3. 26 Zie verder noot 7. 27 Faunabeheerplan, p. 45. 28 In 2021 ging het van de in totaal 852 verkeersongevallen 7 keer om een wildaanrijding, https://www.independer.nl/autoverzekering/info/schad e/onderzoek/verkeersongevallen-nederland-2022. 29 Faunabeheerplan, p. 78.
bewezen effectieve preventieve maatregelen toe te passen op risicolocaties, kan dat al kleine aantal aanrijdingen nog verder omlaag gebracht worden. De effectiefste methode is het verlagen van de maximumsnelheid op risicovolle locaties en daarop te handhaven. Hierbij kunnen wegversmallingen en verkeersdrempels helpen. Daarnaast is het belangrijk dat reeën en weggebruikers elkaar tijdig kunnen zien, door wegbermen overzichtelijk te maken. Automobilisten verminderen automatisch hun snelheid als zij dieren in de berm of op de weg zien.30
8. De reeënjacht is zeer dieronvriendelijk en veroorzaakt onaanvaardbare risico’s voor mens en dier Het perfecte, dodelijke schot is niet vanzelfsprekend. Het is een (ook door jagers) geaccepteerd gegeven dat zij driemaal meer munitie gebruiken dan dat zij dieren doden. 31 Jager Jan Marius Smit noemt de kans op een raak schot bij een gemiddelde jager één op vier; bij een bedreven jager één op tweeënhalf.32 Een aangeschoten dier (in jagersjargon heet dit ‘ziek schieten’) dat niet gevonden wordt, kan uren, dagen, soms wekenlang lijden, totdat het uiteindelijk sterft.
In Zuid-Holland loopt het ‘seizoen’ voor de reeënjacht van 1 september tot 1 maart. Beheerperioden voor reeën in Zuid-Holland Geslachtscategorie Geiten & kalveren Bokken
Van
Tot
1-sep 1-apr
1-mrt 1-okt
30 André Donker, Wolf & maatschappij, 2024, p. 75.
32 ‘Jan Marius is oervader van de reeënpopulatie op
31 Jaap Korteweg in ‘De ontmoeting, “Ik nodig iedereen
Terschelling. “Er zijn jagers op het eiland, die kijken me niet meer aan”’, Dagblad van het Noorden, 9-9-2023, https://archive.ph/2023.09.09200922/https://dvhn.nl/groningen/wadden/Onmin-enree%C3%ABngeluk-op-Terschelling-28631598.html.
uit om te zien waarom ik jaag”’, 7 september 2023, Financieel Dagblad, https://fd.nl/samenleving/1488212/de-ontmoeting-iknodig-iedereen-uit-om-te-zien-waarom-ik-jaag.
Figuur 2. Jagers mogen vrouwelijke reeën doden tijdens de draagtijd (Foto: Jacques van der Neut)
Dit betekent dat jagers vrouwelijke reeën (geiten) doden tijdens de draagtijd. Reeën kennen een verlengde draagtijd, waarbij de bevruchting plaatsvindt in juli en augustus. Eind december gaat het embryo groeien. De geboorte volgt tussen eind mei en begin juni. Heeft een vrouwtje nog een kalf bij zich, dan schieten jagers eerst het kalf dood en daarna de moeder.33 In Zuid-Holland ligt de nadruk op het doden van vrouwtjesreeën en kalveren.34 Het doden van gezonde reeën zonder nut en noodzaak zijn vastgesteld, vinden wij wreed en onethisch.
9. Reeën ‘beheren’ zichzelf Uit langlopend trendonderzoek op Terschelling blijkt dat de reeënpopulatie ‘zelfbeherend’ is.35 Dit bleek eerder ook al uit een zes jaar lopend onderzoek naar de dynamiek van een populatie reeën in de Amsterdamse Waterleidingduinen. De populatie bleef zonder afschot stabiel: ‘Interne regulatiemechanismen zorgen er voor dat de populatie niet verder doorgroeit en massale sterfte van volwassen dieren uitblijft.’36 In maart 2024 meldde boswachter Harm Blom over Nationaal Park de Biesbosch op Instagram: ‘In totaal leven er in 33 Faunabeheerplan, p. 36.
36 Dynamiek van een populatie reeën zonder
34 Idem.
beheersjacht, Leo van Breukelen en Sip van Wieren, Zoogdier 2004, 15(1), p. 9-13.
35 Beheerplan ree 2023-2024 voor het leefgebied
Terschelling. Reeënstichting Terschelling.
de Biesbosch minimaal 400 reeën 37 ... We denken aan de hand van tellingen en inschattingen dat er in de Biesbosch minimaal 400-500 reeën leven. ... Daarvan gaan er in de winter ongeveer 100 dood’ (dat is 20-25%). Natuurlijke sterfte komt uiteraard ook buiten het park voor en deze zal rond hetzelfde percentage liggen. ‘Sterfte onder dieren wordt slechts incidenteel (vondst van een kadaver of skelet) vastgesteld.’38 Natuurlijke sterfte is een belangrijk gegeven in de natuur, omdat daardoor natuurlijke selectie kan optreden. Reeën hebben dus geen ‘beheer met het geweer’ nodig. De populatie past zich automatisch aan de leefomgeving aan.39
10. Reeën horen bij de Biesbosch en bij het Eiland van Dordrecht. Het belang van natuurbescherming en duizenden natuurminnende Dordtenaren moet zwaarder wegen dan de belangen van een handjevol Dordtse hobbyjagers Jagers hebben één primair belang, en dat is de jacht. Dat belang weegt blijkbaar in ZuidHolland (en in Dordrecht) zwaarder dan de bescherming van reeën en het vergroten van de verkeersveiligheid. Dierenbeschermers kunnen hun stem niet laten horen in de besluitvorming over de jacht. De zetels in de FBE zijn bijna zonder uitzondering bezet door jagers en belanghebbenden bij de jacht. Zelfs de ‘onafhankelijke’ plaatsvervangend voorzitter van de FBE Zuid-Holland is een jager.40 Dit vinden wij ondemocratisch en maatschappelijk onaanvaardbaar.
Voor veel mensen betekent een ontmoeting met een ree een magisch moment. Die verwondering over de schoonheid van deze dieren mag gewoonweg niet kapotgeschoten worden.
Dus: sta op voor de reeën! Want jij laat onze reeën toch niet langer schieten?
37 Volgens het fbp leven er in de Biesbosch ‘enkele
tientallen reeën’, p. 45. Hoewel boswachter Blom het heeft over de hele Biesbosch, lijkt het cijfer dat de FBE noemt onwaarschijnlijk laag. 38 Faunabeheerplan, p. 20. 39 Leidraad, p. 5. 40 Van de zes zetels (inclusief de voorzitterszetel) wordt 4,5 zetel ingenomen door jagers en belanghebbenden bij
de jacht. De Dierenbescherming heeft een halve zetel. Voorzitter Jacqueline van Hoey Smith jaagt zelf op reeën: ‘In gesprek met Jacqueline van Hoey Smith – Reeën zijn geen loodjes, Magazine Het Reewild, https://www.overreeen.nl/Portals/0/artikelen/interview/nederlands/inter view_jacqueline_van_hoey_smith_vhr2015.pdf.
Extra informatie en cijfers Terschelling Wij zijn van mening dat de factoren die op Terschelling hebben geleid tot het stilleggen van de jacht op reeën ook gelden voor het eiland van Dordrecht: − Terschelling is een eiland − Terschelling en Dordrecht verschillen weinig in landoppervlak (respectievelijk 85 km2 en 79 km2) − Terschelling kent – net als Dordrecht – een gevarieerd landschap met duin, agrarisch gebied en bosareaal − Een deel van het eiland valt onder het toezicht van de terreinbeschermende organisatie Staatsbosbeheer − Op beide eilanden zijn slechts een klein aantal hobbyjagers actief (< 10) − Er is op beide eilanden veel recreatie, wat leidt tot een verhoogd risico op wildaanrijdingen − Op Terschelling zijn behalve statische waarschuwingsborgen geen effectieve preventieve maatregelen toegepast − Er komen desondanks weinig aanrijdingen met reeën voor − Op beide eilanden komt nauwelijks reeënschade voor − Er is sprake van een natuurlijke sterfte van ca. 15%; dit is gelijk aan de schatting op het Eiland van Dordrecht Hoe Terschelling tot een reeënjachtverbod kwam... In 2016 stelde de Partij voor de Dieren n.a.v. een opiniestuk in de Leeuwarder Courant Kamervragen aan de toenmalige staatsecretaris van Economische zaken Martijn van Dam.
Deze gaf de provincie Fryslân opdracht een nader onderzoek te doen naar de machtigingen voor afschot van wettelijk beschermde reeën op de eilanden Ameland en Terschelling. Vragen van de Leeuwarder Courant aan de provincie leidden er uiteindelijk tot de conclusie dat de provincie voor de eilanden niet dezelfde maatstaven kon hanteren dan die voor het vasteland. De ontheffing voor reeënbeheer werd beperkt tot het ‘voorkomen en bestrijden van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren’. Sindsdien zijn er geen reeën meer doodgeschoten op Terschelling.
NB: Tussen 1 oktober 2018 en 19 mei 2023 zijn er geen reeën gedood in Dordrecht. Dit hangende een lopende rechtszaak bij de Rechtbank Den Haag. De FBE kon geen antwoord geven op onze vragen hoeveel aanrijdingen er in deze periode plaatsvonden. Ze kon (of wilde) niet zeggen of en zo ja hoeveel reeën hobbyjagers na 19 mei in Dordrecht hebben gedood.