Factsheet voortijdig schoolverlaten.pdf
Tekst van het document
Voortijdig schoolverlaters ONDERZOEK NAAR OORZAKEN VAN UITVAL
Zodra kinderen 4 jaar worden, starten zij hun schoolcarrière op de basisschool. Een diploma is dan nog ver weg, maar uiteindelijk verlaat iedereen school met een diploma om vervolgens een goede start op de arbeidsmarkt te kunnen maken. Tenminste, dat is de bedoeling. Toch is er elk schooljaar een groep jongeren die school zónder startkwalificatie (een diploma dat hen voldoende kansen geeft op de arbeidsmarkt) verlaat. Waarom vallen deze jongeren uit en wat had dit kunnen voorkomen? Die vraag staat centraal in dit onderzoek over voortijdig schoolverlaters.
Inhoud 1. Synthese 2. Beschrijving 3. Hoe ontstaat voortijdig schoolverlaten? 4. De gevolgen van voortijdig schoolverlaten 5. Mogelijke oplossingen
Bijlage: Onderzoeks-verantwoording
1
Synthese
Op verzoek van het bestuurlijk overleg VSV/de stuurgroep VSV deden wij onderzoek naar voortijdig schoolverlaters. Voortijdig schoolverlaters zijn jongeren van 12 t/m 23 jaar die de school zonder startkwalificatie verlaten, dat wil zeggen zonder diploma dat hen voldoende kansen geeft op de arbeidsmarkt. In deze factsheet geven wij antwoord op de vraag waarom deze jongeren uitvallen en wat dit had kunnen voorkomen. Dit doen we op basis van literatuuronderzoek, interviews met professionals en gesprekken met tien voortijdig schoolverlaters (zie bijlage). In de literatuur worden diverse signalen die kunnen wijzen op uitval onderkend. Onder andere spijbelen. Dit hoorden wij ook terug in de tien gesprekken met voortijdig schoolverlaters. Zeven van de tien voortijdig schoolverlaters verzuimden voorafgaand aan de uitval regelmatig. Alleen de voortijdig schoolverlaters die uitvielen omdat zij geen stageplek konden vinden, verzuimden niet (zie tabel 1). in paragraaf 2 sommen wij de in literatuur meest genoemde oorzaken van uitval op. Hierbij maken wij een onderscheid naar school gerelateerde, arbeidsmarkt gerelateerde en leerling gerelateerde oorzaken: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
een verkeerde opleidingskeuze (school gerelateerde oorzaak); het schoolklimaat (school gerelateerde oorzaak); geen stageplek kunnen vinden (school gerelateerde oorzaak); kwaliteit van het onderwijs (school gerelateerde oorzaak); "drempelloze doorstroom" van vmbo naar mbo (school gerelateerde oorzaak); groenpluk (arbeidsmarkt gerelateerde oorzaak); persoonlijke problemen (leerling gerelateerde oorzaak); ouderbetrokkenheid (leerling gerelateerde oorzaak) én multi-problematiek.
De uitval van de tien voortijdig schoolverlaters die wij ten behoeve van ons onderzoek spraken, kent grofweg vier oorzaken. Het merendeel worstelde met persoonlijke problemen. Daarbij leidde een gebrek aan betrokkenheid en/of begeleiding vanuit de school ook tot uitval. Twee voortijdig schoolverlaters konden geen stageplek vinden en twee voortijdig schoolverlaters kozen de verkeerde opleiding (zie tabel 2). De overheid wil voortijdig schoolverlaten terugdringen. Dit omdat voortijdig schoolverlaten voor zowel de jongeren zelf als de maatschappij nadelige effecten heeft. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan een zwakke positie op de arbeidsmarkt, een laag inkomen, een groot risico op sociale uitsluiting, een groter beroep op sociale voorzieningen en meer criminaliteit (zie paragraaf 3). Wij vroegen de voortijdig schoolverlaters naar hun huidige situatie. Wat opvalt is dat het merendeel (erg) tevreden is over de huidige situatie. Weliswaar gaan zij niet meer naar school, maar de schoolverlaters zitten nu vaak beter in hun vel en hebben bijna allemaal werk (wat echter meestal niet voldoende oplevert om zelfstandig in hun levensonderhoud te voorzien; zij wonen vaak bij hun ouder(s) en/of ontvangen een bijstandsuitkering). Een aanzienlijk deel is van plan om op korte of lange termijn opnieuw een opleiding te starten en een startkwalificatie te bemachtigen (tabel 3).
In diverse onderzoeken worden interventies opgesomd die het voortijdig schoolverlaten kunnen verminderen (zie paragraaf 4). Met name het bieden van maatwerk komt steeds meer naar voren als belangrijke succesfactor. Enerzijds maatwerk in de manier waarop leerlingen een opleiding kunnen volgen (onderwijsaanbod flexibel afstemmen op de leerling). Anderzijds maatwerk in de begeleiding van leerlingen en het creëren van een betrokken én veeleisend schoolklimaat. Daarnaast wordt gewezen op het belang van leerlingen voldoende informeren over en begeleiden bij hun studiekeuze. Veel van de interventies zijn gericht op de scholen en niet op Leerplicht en Voortijdig Schoolverlaten (LVS). Wij vroegen tien voortijdig schoolverlaters naar hun ervaringen (tabel 4). De verbeterpunten die deze schoolverlaters noemen, sluiten goed aan op de in de literatuur genoemde interventies en zijn ook vooral gericht op de school. Ook de schoolverlaters benadrukken het belang van het tonen van betrokkenheid, leerlingbegeleiding en maatwerk (rekening houden met het verschil tussen leerlingen).
2
Beschrijving
Wat is voortijdig schoolverlaten? Als wij het hebben over 'voortijdig schoolverlaten', wat bedoelen wij dan precies? Voortijdig schoolverlaters zijn jongeren die de school verlaten zonder startkwalificatie; dat wil zeggen zonder diploma dat hen voldoende kansen geeft op de arbeidsmarkt. Een voortijdig schoolverlater kan gedefinieerd worden als een jongere van 12 t/m 23 jaar die het onderwijs heeft verlaten en niet tenminste een havo/vwo of mbo-opleiding niveau2 heeft behaald. Waar vallen jongeren uit? Het behalen van de startkwalificatie staat dus centraal. Deze kan via twee verschillende 'routes' worden behaald. Ofwel rechtstreeks via havo of vwo, ofwel via het vmbo en mbo (zie figuur 1).
Figuur 1
Routes naar een startkwalificatie
Bron: Herweijer (2008). Gestruikeld voor de start. Sociaal en Cultureel Planbureau. Toelichting: mbo niveau 1 ook wel de entreeopleiding (voor jongeren zonder een diploma van een vooropleiding), het praktijkonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs leiden niet tot een startkwalificatie.
Binnen deze 'routes' zijn er drie uitvalmomenten: uitval in het mbo; uitval in het voortgezet onderwijs (vmbo, havo, vwo); uitval bij de overgang tussen vmbo en mbo.
2
De meeste uitval vindt plaats in het mbo (zo'n twee derde van het totaal aantal voortijdig schoolverlaters) (Herweijer, 2008). Zowel op het voortgezet onderwijs (vmbo, havo en vwo) als ook op het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) komt voortijdig schoolverlaten relatief het meest voor op de lagere niveaus. In het voortgezet onderwijs is dit de basisberoepsgerichte leerweg (vmbo); in het mbo zijn dit niveau 1 (ookwel de entreeopleiding) en 2 (basisberoepsopleiding). Binnen het vmbo is de uitval extra groot onder de groep leerlingen die leerwegondersteuning krijgt. Dit gaat om zwakke leerlingen van wie na de basisschool wordt verwacht dat zij zonder extra steun niet in staat zijn een vmbo-diploma te halen. Bij de overgang van het vmbo naar het mbo, kunnen jongeren ook uitvallen. Hierbij moet worden aangetekend dat de omvang van deze groep uitvallers minder groot is dan nogal eens wordt gedacht. Zo geeft Herweijer (2008) aan dat 94% van de vmbo-gediplomeerden direct aansluitend een opleiding in het mbo (of de havo) volgt. Veel vmbo-gediplomeerden stromen dus 'probleemloos' door naar het mbo. Dit komt overeen met de ervaring van de leerplichtconsulenten die wij spraken.
Jongere 5: Geen zin meer om door te leren (uitstroom overgang vmbo-mbo) In het kader van dit onderzoek hebben wij met tien voortijdig schoolverlaters gesproken. Marieke (gefingeerde naam) kampt al vanaf haar twaalfde jaar met depressies. Zij heeft weinig vrienden op school, spijbelt regelmatig en wil eigenlijk zo snel mogelijk van school af. Daarom besluit zij om van de havo naar de mavo terug te zakken. Zonder dat zij hier veel moeite voor hoeft te doen, slaagt Marieke met mooie cijfers voor de mavo. Zij heeft geen zin meer om door te leren en wil na de zomervakantie een betaalde baan gaan zoeken. Uiteindelijk zit Marieke twee jaar bij haar moeder thuis op de bank. Sinds kort werkt Marieke, die inmiddels 20 jaar oud is, twee dagen per week in een winkel. Zij heeft het daar best naar haar zin. Ooit wil zij een diploma halen, maar voorlopig nog niet. Marieke weet nu nog niet wat zij wil. "Als ik lekker in mijn vel zit, wil ik wel eens naar een vervolg opleiding gaan kijken." De matchmakers hebben Marieke geholpen met een uitkeringsaanvraag en bij het zoeken naar werk. Af en toe neemt een matchmaker contact met Marieke op om te vragen hoe het met haar gaat. "Een aardige vrouw. Zij belt zo nu en dan. Dan vraagt zij of ik eens naar een opleiding kan kijken. maar zij pusht niet." Al met al is Marieke nu wel tevreden met haar leven.
Ook kunnen vmbo-leerlingen die nog géén diploma hebben, instromen in niveau 1 van het mbo; in de literatuur wordt dit ook wel aangeduid als de drempelloze instroom.1 Door deze drempelloze instroom is er minder uitval in het vmbo. Echter, het uitvalmoment verplaatst zich naar het mbo, want op het mbo is het uitvalrisico van drempelloos ingestroomde leerlingen groter dan dat van leerlingen die wél hun vmbo-diploma hebben gehaald. Leerlingen die het vmbo-niveau al niet aan konden, komen zo toch in het mbo terecht en hebben daar vaker moeite om het niveau bij te benen. Zij hebben in de vooropleiding bijvoorbeeld te weinig lees- en rekenvaardigheden opgedaan. Een kwart van de leerlingen in het beroepsgerichte vmbo is niet in staat om hun leerboeken te lezen, zo blijkt uit onderzoek van Herweijer (2008). Wij spraken tien voortijdig schoolverlaters. Twee van de tien schoolverlaters zijn zonder diploma in het mbo ingestroomd en vervolgens uitgevallen. Treffend is het verhaal van Jeroen (gefingeerde naam).
1
leerlingen die kunnen bewijzen dat zij de eerste drie leerjaren van de havo of het vwo goed hebben doorlopen, kunnen vaak ook zonder diploma instromen in het mbo (niveaus 2, 3 en 4). (Zie https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/middelbaar-beroepsonderwijs/vraag-en-antwoord/ wat-zijn-de-vooropleidingseisen-voor-het-middelbaar-beroepsonderwijs-mbo)
3
Jongere 8: "Ik had het idee dat docenten mij een last vonden en blij waren dat ik weg was." Jeroen heeft ADD (Attention Deficit Disorder). Hij is sneller afgeleid, rusteloos en heeft een ander tijdsbesef. Door een gebrek aan concentratie en motivatie maakt hij het vmbo niet af. Toch kan Jeroen zonder vmbo-diploma drempelloos instromen in een BBL opleiding, een beroepsbegeleidende leerweg, wat inhoudt dat Jeroen tijdens zijn opleiding 3 tot 4 dagen werkt en 1 tot 2 dagen naar school gaat. Hoewel hij gemotiveerd is, heeft Jeroen ook op het mbo moeite om zich te concentreren. Bovendien verlopen zijn stages moeizaam. Het lukt Jeroen niet om mee te komen in arbeidsritme en werktempo. Hierdoor wordt hij drie keer achter elkaar, binnen twee maanden na aanvang van zijn stage, ontslagen. Omdat Jeroen behoefte heeft aan meer begeleiding op zijn stageplek, vraagt hij de opleiding meerdere malen om een jobcoach. Deze heeft hij nooit gekregen. Enkel dagen na zijn achttiende verjaardag wordt Jeroen voor de derde keer ontslagen. Om door te kunnen gaan met zijn BBL opleiding moet hij een opnieuw een stageplek vinden, zo laat school hem weten. Daarop besluit Jeroen te stoppen met de opleiding, zich uit te schrijven en een bijstandsuitkering aan te vragen.
"Er moest gewoon geld binnenkomen, ik kon niet op school of een stageplek wachten." Na zijn uitschrijving, neemt de opleiding geen contact meer met Jeroen op. Hij heeft het idee dat de docenten hem lastig vonden en blij waren dat hij met de opleiding is gestopt. Inmiddels werkt Jeroen, na tussenkomst van de matchmakers, bij de gemeente op een beschutte werkplek. Op termijn wil Jeroen weer met een opleiding starten en een diploma halen, maar hij ziet er tegenop om weer naar school te gaan. "Ik kan toch niet m'n hele leven op een beschutte werkplek blijven zitten?!?"
Wat zijn de signalen die kunnen wijzen uitval? Een leerling valt meestal niet van het ene op het andere moment uit. Het is vaak het resultaat van een al langer moeizaam verlopende schoolloopbaan. In de literatuur worden diverse signalen onderkend die kunnen wijzen op mogelijke uitval. Onder andere spijbelen, zitten blijven, veel van school wisselen, orde-verstorend gedrag, crimineel gedrag, (te) hoge verwachtingen van de opleiding c.q. een (te) groot vertrouwen in het eigen kunnen, een sterke daling in welzijn en multi-problematiek. Een belangrijk signaal dat kan wijzen op uitval is spijbelen, zo blijkt uit de literatuur. Dit hoorden wij ook terug van de voortijdig schoolverlaters die wij ten behoeve van ons onderzoek spraken. Zeven van de tien voortijdig schoolverlaters verzuimden voorafgaand aan de uitval regelmatig. Alleen de voortijdig schoolverlaters die uitvielen omdat zij geen stageplek konden vinden, verzuimden niet (zie ook paragraaf 3). Tabel 1 Verzuim voortijdig schoolverlaters naam jongere (gefingeerd) opleiding Teun (1) Casper (2) Karin (3) Anouk (4) Marieke (5) Denise (6) Daisy (7) Jeroen (8) Marlies (9) Alex (10)
mbo mbo mbo mbo mavo mbo vmbo mbo mbo mbo
4
verzuim voorafgaand aan uitval ja nee ja nee ja ja ja nee ja ja
Omdat verzuim een voorbode kan zijn van voortijdig schoolverlaten, zijn scholen en Leerplicht (LVS) hier zeer alert op. Wanneer een leerling niet in de les verschijnt, wordt gesproken van verzuim. Dit verzuim kan geoorloofd, wanneer de school toestemming heeft gegeven voor de afwezigheid (bijvoorbeeld bij ziekte) of ongeoorloofd zijn. De school moet het verzuim in een aantal gevallen doorgeven/melden aan de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Bijvoorbeeld wanneer de leerling in een periode van vier weken meer dan 16 uur ongeoorloofd afwezig is. Als een leerling zich ziekmeldt, maar de school hier haar twijfels bij heeft, moet dit ook worden doorgegeven/gemeld aan DUO. Ook wanneer een leerling is uitgevallen en een langere aaneengesloten periode niet naar school gaat, moet de school dit doorgeven aan DUO. DUO zal vervolgens Leerplicht (LVS) informeren. Ook komt het voor dat een jongere zich lopende het schooljaar uitschrijft, zonder zich bij een andere opleiding in te schrijven. Met behulp van het leerlingvolgsysteem, krijgt LVS deze jongeren in beeld. In het leerlingvolgsysteem worden schoolinschrijvingen (DUO), gegevens over behaalde diploma's (DUO) en gegevens uit de Basis Registratie Persoonsgegevens (BRP) gekoppeld. Deze koppeling levert een lijst op van jongeren van 12 t/m 23 jaar, die niet staan ingeschreven bij een opleiding en ook geen startkwalificatie hebben.
DUO rekent alle ingeschreven op 1 oktober van het schooljaar die één jaar later niet in het onderwijs zitten en geen startkwalificatie hebben als voortijdig schoolverlater. Door bovendien een koppeling te maken met Suwinet (inkomensgegevens), kan LVS nagaan of de jongeren een uitkering ontvangen of werken. LVS reageert sneller op verzuimmeldingen dan op uitschrijvingen, aldus de teamleider. De afdeling krijgt elke dag nieuwe verzuimmeldingen binnen en neemt – in de regel - meteen contact op met de jongere (bellen, mailen of een huisbezoek) om te vragen wat er aan de hand is. Dit om voortijdig schooluitval te voorkomen. Een veel ingezette interventie op zo'n moment is om in samenspraak met school de leerling te bespreken in een multidisciplinair team op school, om te kijken hoe de leerling het best geholpen kan worden (bijvoorbeeld hulp bij zoeken naar een andere studie, hulp bij persoonlijke problemen of eventueel begeleiding richting werk of een ander maatschappelijk actieve bezigheid). Jongeren die zich al hebben uitgeschreven op school krijgen binnen een maand een brief van de LVS. De praktijk leert dat jongeren meestal niet reageren op deze brief. In juni gaan de leerplichtconsulenten langs de deur (de zogenaamde zomeractie). Voortijdig schoolverlaters worden dan aangespoord om in september met een nieuwe opleiding te starten.
Sommige jongeren zitten dan bijna al een jaar thuis. Daarom wil LVS meer naar de voorkant en eerder – wanneer jongeren nog op school staan ingeschreven – betrokken zijn, zodat meer jongeren beter worden bereikt en effectiever ondersteuning kan worden geboden. Voordat deze werkwijze in de hele regio wordt ingevoerd wil LVS het eerst 'uitproberen' met twee mbo's: het ROC Da Vinci College en het ROC Wellant College. Met hen zijn afspraken gemaakt.
Soorten voortijdig schoolverlaters Eimers & Bekhuis (2006) onderscheiden in hun publicatie drie soorten voortijdig schoolverlaters:
de niet-kunners: dit zijn jongeren die te maken hebben met factoren die het hen zeer moeilijk maken om onderwijs te volgen. Deze jongeren hebben niet het leervermogen om een startkwalificatie te halen. de verhinderden: deze jongeren hebben te maken met factoren die het hen zeer moeilijk maken om onderwijs te volgen. Zij hebben veel problemen (bijvoorbeeld gedragsproblemen), vaak ook buiten school (bijvoorbeeld problemen rond het gezin), en vallen daardoor uit. de opstappers: dit zijn leerlingen zonder (al te veel) risicofactoren die de school vaak vrij probleemloos hebben doorlopen. Ze zijn niet op basis van risicofactoren te herkennen en vallen in die zin dus niet op. Ze verlaten het onderwijs vanwege push- en pullfactoren die te maken hebben met school en/of de arbeidsmarkt.
De omvang van de groep klassieke risicoleerlingen (niet-kunners en verhinderden) is waarschijnlijk vrij stabiel. De omvang van de groep opstappers daarentegen is conjunctuurgevoelig. Hoe gunstiger de economische situatie en hoe meer vacatures, hoe groter de groep opstappers is die verleid wordt door pullfactoren van de arbeidsmarkt. De leerplichtconsulenten en zorgcoördinator die wij spraken, gaven overigens aan dat het niet vaak voorkomt dat jongeren met school stoppen door pullfactoren van de arbeidsmarkt;
5
pushfactoren van school komen vaker voor. In dit onderzoek spraken wij tien voortijdig schoolverlaters, waaronder Denise (gefingeerde naam); een voorbeeld van een opstapper.
Jongere 6: "Ik was niet meer welkom" Met een vmbo-diploma op zak, start Denise aan de mbo-opleiding Zorg & Welzijn (Beroeps Opleidende Leerweg). Vanaf dag één vindt zij die opleiding saai en te theoretisch. "Ik wil niet in de schoolbanken." Omdat zij school niet leuk vindt, gaat Denise spijbelen. School spreekt haar hier op aan en wijst een ambulante begeleider toe. In een gesprek met de ambulant begeleider vertelt Denise dat zij niet gemotiveerd is omdat de opleiding voor haar veel te theoretisch is. Dit gesprek levert in de ogen van Denise weinig op. "Er gebeurde verder niks." Omdat Denise blijft aangeven dat zij niet gemotiveerd is, wordt zij aan het eind van het jaar met een negatief bindend studieadvies van school gestuurd. "Ik was niet meer welkom". Nadat Denise van school is gestuurd, heeft zij niks meer vernomen van school. Zo'n anderhalf jaar zit Denise thuis en verdient wat bij met schoonmaakwerk. Omdat zij toch wat wil maken van haar leven, neemt Denise uiteindelijk zelf contact op met de matchmakers. Zij krijgt nu ondersteuning van de matchmakers en start in september met een Beroeps Begeleidende Leerweg opleiding Zorg & Welzijn. Hier ligt toch haar passie!
Invloed van de coronacrisis op voortijdig schoolverlaten Begin 2020 kreeg Nederland te maken met de coronacrisis en bijbehorende maatregelen. Wat de gevolgen van de coronacrisis zijn voor het voortijdig schoolverlaten zal nog moeten blijken. Er spelen zowel bevorderende als belemmerende factoren. Enerzijds kan de coronacrisis leiden tot meer voortijdig schoolverlaten, omdat er minder stageplekken beschikbaar zijn, de leerlingen minder gemotiveerd raken en een deel van de leerlingen niet of nauwelijks bereikt wordt met online onderwijs. Anderzijds kan een eventuele economische crisis leiden tot minder voortijdig schoolverlaten, doordat er minder werk beschikbaar is voor jongeren zonder startkwalificatie ('minder groenpluk'). Jongeren zullen hun kansen op de arbeidsmarkt met een startkwalificatie willen vergroten.
3
Hoe ontstaat voortijdig schoolverlaten?
'Fit' tussen leerling en school Voortijdig schoolverlaten ontstaat niet van het ene op het andere moment. Er gaat meestal een heel proces aan vooraf waarin vaak meerdere factoren en zogenaamde ('stressful') 'life events' gebeuren. De aanwezigheid van risicofactoren vergroot de kans op uitval daarbij. Eimers & Bekhuis (2006) geven dit visueel weer in hun Model Voortijdig Schoolverlaten (figuur 2). Figuur 2: Model Voortijdig Schoolverlaten (Eimers & Bekhuis, 2006)
Bron: Eimers & Bekhuis (2006). Vroeg is nog niet voortijdig. Kenniscentrum Beroepsonderwijs Arbeidsmarkt.
6
Eimers & Bekhuis benadrukken het belang van een goede 'fit' tussen leerling en school. Leerling en school moeten goed op elkaar afgestemd zijn. Leerlingen moeten zich thuis voelen op school, hier goed kunnen meekomen en zich goed kunnen ontwikkelen. In hoeverre dat lukt is mede afhankelijk van risicofactoren die enerzijds liggen op het gebied van de leerling en zijn of haar omgeving en anderzijds op het gebied van de school. Deze risicofactoren worden weer beïnvloed door de maatschappelijke context. De 'fit' tussen leerling en school is voortdurend in beweging, omdat er gedurende de schoolloopbaan allerlei gebeurtenissen plaatsvinden die de 'fit' in gevaar kunnen brengen. Dit kunnen ingrijpende 'life events' zijn die zorgen voor een abrupt schoolverlaten, maar ook ogenschijnlijk kleine gebeurtenissen; een opvolging van kleine gebeurtenissen kan uiteindelijk ook leiden tot voortijdig schoolverlaten. Samengevat, uit het literatuuronderzoek komt naar voren dat school en leerling op elkaar afgestemd moeten zijn (de 'fit' tussen beiden) en dat ingrijpende life-events, maar ook ogenschijnlijke kleine gebeurtenissen voor voortijdig schoolverlaten kunnen zorgen (geleidelijk of abrupt). Uit de gesprekken die wij met voortijdig schoolverlaters voerden, blijkt dit ook. Illustratief is het verhaal van Alex die in een 'foute' relatie zat.
Jongere 10: "Ik zat in een foute relatie" Met een vmbo-diploma op zak start Alex (gefingeerde naam) op het mbo. Dat gaat goed totdat hij gaat samenwonen met zijn toenmalige vriendin. Zij gebruikt drugs en Alex doet hier aan mee. Alex krijgt last van depressies en paniekaanvallen. Hij meldt zich vaak ziek en spijbelt veel. Leerplicht wordt ingeschakeld en er volgt een gesprek met zijn mentor en de leerplichtconsulent. In dit gesprek verzwijgt Alex de paniekaanvallen en het druggebruik. Wel worden er afspraken gemaakt over het spijbelen. Het lukt Alex echter niet om zich aan deze afspraken te houden. Hierop besluit de school Alex uit te schrijven. Alex begrijpt dit besluit wel. "Ik dacht zelf ook dat dit niet meer te redden was." Vervolgens gaat Alex aan het werk. Hij heeft allerlei baantjes, maar nergens houdt hij het lang vol. Ook op zijn werk krijgt Alex namelijk regelmatig een paniekaanval. Uiteindelijk ziet hij in dat dit zo niet langer kan. Alex beëindigt zijn 'foute' relatie en het lukt hem om op eigen kracht te stoppen met drugs. Met frisse moed start Alex op twintigjarige leeftijd aan een nieuwe opleiding. Toch krijgt hij na verloop van tijd weer last van paniekaanvallen. Regelmatig meldt Alex zich ziek. Zijn mentor spreekt hem hierop aan. Dit keer is Alex wél open over zijn paniekaanvallen.
Hoewel Alex daarna de lessen op een aparte locatie mag volgen, blijven de paniekaanvallen hem parten spelen. School vindt het beter dat Alex een tussenjaar neemt om aan zichzelf te werken en schrijft hem voor de tweede keer uit. Alex zoekt hierop hulp bij een instelling gespecialiseerd in de behandeling van psychiatrische problemen. Ook neemt hij contact op met de matchmakers. Inmiddels gaat het iets beter met Alex. Hij heeft een uitkering en doet begeleid werk (participatieplek/beschutte werkplek). Hij wil graag een nieuwe opleiding gaan doen, maar vindt zich nu nog niet sterk genoeg om aankomende september al te starten. "Ik ben nog niet waar ik zou willen zijn."
Risicogroepen In de literatuur worden een aantal groepen benoemd waarbij de kans op uitval relatief groot is. Hierbij kan gedacht worden aan: 2
leerlingen die opgroeien in een eenoudergezin; leerlingen met laagopgeleide ouders; leerlingen met ouders die geen betaald werk hebben; leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond2;
Hierbij tekenen wij aan dat uit de doorgenomen literatuur niet duidelijk wordt of dit kenmerk (de nietwesterse migratieachtergrond) als zelfstandige factor de relatief grotere kans op uitval kan verklaren, of dat dit kenmerk vooral samenhangt met achterliggende kenmerken zoals een laag opleidingsniveau van ouders en de achterstand waarmee deze leerlingen van de basisschool afkomen (lager startniveau in het voortgezet onderwijs).
7
leerlingen woonachtig in achterstandswijken in de grote steden (verstedelijkt leefmilieu). Hierbij spelen onderliggende factoren een belangrijke rol. Zoals het prestatieniveau van de leerling bij aanvang van het voortgezet onderwijs3 en problemen buiten het onderwijs in de thuissituatie of leefmilieu. In recent onderzoek van U-can-Act (2020) wordt gesteld dat het identificeren van risicogroepen op zich waardevol is, maar weinig houvast biedt voor het bijsturen van jongeren die dreigen uit te vallen. Daarvoor is praktische kennis nodig over factoren die van direct belang zijn bij voortijdig schoolverlaten én beïnvloedbaar zijn door betrokkenen/school/leerplicht (zo is sociaal-economische status bijvoorbeeld niet beïnvloedbaar, maar de hoeveelheid motivatie voor school wel). In het U-can-Act onderzoek worden een aantal van deze beïnvloedbare factoren opgesomd:
intrinsieke motivatie van de leerling; autonomie (de regie en beslissingen bij de leerling laten); gevoel van verbondenheid met anderen (in het bijzonder met de leerlingbegeleider); gevoel van competentie; binding aan de school/opleiding; tijd/energie investeren in de opleiding (commitment); verwachtingen ten aanzien van het eigen studiesucces.
Wanneer een leerling een warme band heeft met een begeleider (van school) en zelf sturing aan z'n leven mag geven door zelf beslissingen te maken (autonomie), leidt dit tot een hogere intrinsieke motivatie en een sterkere binding aan school/opleiding. Dit leidt weer tot betere schoolprestaties, een lagere kans op schooluitval en een hoger welzijn. Jongeren voelen zich verbonden met hun school/opleiding wanneer ze het gevoel hebben dat de opleiding aansluit op hun interesses, capaciteiten en doelen. De leerling hoeft zich niet te schikken naar de standaard structuur/werkwijze van de opleiding, maar het onderwijs past zich aan de behoeften van de individuele leerling aan. Een sterke binding met school zorgt er vaak voor dat jongeren ook bereid zijn er tijd en energie in te steken (commitment). Een belangrijke noot hierbij is dat er een grens zit aan het stimuleren van de binding met school als de opleiding te weinig aansluit bij de interesses, capaciteiten en doelen van de leerling. In dat geval is het de vraag in hoeverre het wenselijk is om te blijven inzetten op het stimuleren van de binding en of het niet wenselijker is om uit te kijken naar een andere opleiding of omgeving die beter past bij de leerling. Op korte termijn betekent dit dan mogelijk uitval, maar op de langer termijn leidt het waarschijnlijk tot succes.
Oorzaken van uitval Uit de literatuur blijkt dat voortijdig schoolverlaters zelf als belangrijkste reden voor hun uitval aangeven dat hun huidige opleiding tegenviel/dat zij een andere opleiding willen gaan volgen of dat het schoolklimaat hen tegenviel. Zij zoeken de redenen dus vooral buiten zichzelf. Zo blijkt bijvoorbeeld uit onderzoek van het Research Centrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (2018) dat de helft van de voortijdig schoolverlaters een school-gerelateerde reden als belangrijkste uitvalreden noemt. Op afstand volgen gezondheidsproblemen (22%), een lonkende arbeidsmarkt (11%) en tot slot persoonlijke problemen (8%). De in de literatuur meest genoemde oorzaken van uitval sommen wij hieronder op. Hierbij maken wij een onderscheid naar school gerelateerde, arbeidsmarkt gerelateerde en leerling gerelateerde oorzaken. 1. School gerelateerde oorzaken: een verkeerde opleidingskeuze Deze reden staat met stip op nummer één van uitvalredenen. Jongeren die om deze reden uitvallen, hadden vooraf een andere verwachting van de opleiding. De opleiding valt hen tegen. Daardoor verdwijnt hun motivatie en stoppen deze jongeren met de opleiding. Overigens vaak met de intentie om daarna met een andere opleiding te starten. Dit doen zij uiteindelijk echter lang niet allemaal.
3
Leerlingen met een lage Cito-toetsscore en/of laag schooladvies van de basisschool missen vaak de basisvaardigheden op het gebied van taal en rekenen. Zij krijgen het daardoor op het voortgezet onderwijs zwaar en lopen een grote kans op uitval.
8
Dit komt doordat:
zij niet weten welke opleiding zij kunnen/willen gaan volgen (gebrek aan informatie over studiemogelijkheden); zij geen geschikte school/leerplaats kunnen vinden; zij meestal moeten wachten met een nieuwe opleiding tot de start van het nieuwe schooljaar. In de tussentijd gaan zij vaak werken. In eerste instantie tijdelijk, maar een deel van de jongeren keert uiteindelijk niet terug in de schoolbanken.
2. School gerelateerde oorzaken: het schoolklimaat Leerlingen die deze reden noemen, voelen zich vaak in de steek gelaten door school. Ze ervaren een gebrek aan interesse en ondersteuning vanuit de school. Leerlingen die gepest werden, vonden dat de school daar te weinig tegen deed. Leerlingen die vaak spijbelden vonden dat de school daar laks op reageerde en weinig tegen probeerde te doen.
Jongere 1: "Ik ging weken niet naar school, maar dit werd niet opgemerkt." September 2018 start Teun (gefingeerde naam), op zestienjarige leeftijd, aan een mbo opleiding. De opleiding valt hem tegen. Hij is ontevreden over de kwaliteit van het onderwijs en heeft het gevoel er weinig nieuws te leren. Teun zit niet lekker in zijn vel en spijbelt regelmatig. Hoewel Teun regelmatig langdurig niet op school verschijnt, spreekt de school hem hier niet op aan. De docenten communiceren niet met de leerlingen of met elkaar en tonen geen betrokkenheid bij de leerlingen, aldus Teun. Begin 2019 laat Teun de school weten dat hij zich wil uitschrijven. Hij wordt namelijk 14 weken opgenomen in een kliniek voor de behandeling van zijn psychische problemen. Een gesprek met de zorgcoördinator volgt. School weigert Teun uit te schrijven en plaats de leerling in een 'klas' van mensen die door ziekte absent zijn. Na de behandeling in de kliniek zit Teun van half 2019 tot eind 2020 thuis bij zijn ouders op de bank. Hoewel Teun niet meer naar school gaat, benadert Leerplicht (LVS) hem niet. Inmiddels werkt Teun een aantal uur per week als pizzabezorger. Hij wil in september met een nieuwe opleiding starten. Teun heeft één belangrijke tip voor onderwijsinstellingen: "Luister naar leerlingen en toon meer betrokkenheid!".
3. School gerelateerde oorzaken: geen stageplek kunnen vinden Twee procent van de voortijdig schoolverlaters noemt dit als belángrijkste uitvalreden, zo blijkt uit het onderzoek van het ROA.
Jongere 2: de opleiding automonteur Casper (gefingeerde naam) doet de Beroeps Begeleidende Leerweg opleiding automonteur (mbo). Dit houdt in dat hij af en toe naar school gaat, maar het vak vooral op de werkvloer moet leren. Daarom loopt hij ook stage bij een garagebedrijf. Februari 2020 wordt het eerste officiële coronageval in Nederland vastgesteld en maart van dat jaar kondigt de overheid een aantal vergaande maatregelen aan. Omdat er minder mensen tegelijk op de werkvloer mogen zijn, moet Casper weg bij het garagebedrijf waar hij stage loopt. Casper gaat op zoek naar een nieuwe stageplek. Hij benadert een aantal garagebedrijven, maar krijgt geen reactie of wordt afgewezen. Omdat een stageplek een voorwaarde voor inschrijving is, wordt Casper uitgeschreven van de BBL opleiding. Inmiddels zit Casper al 6 maanden thuis. Af en toe werkt hij voor het klusbedrijf van zijn vader. Verder doet hij weinig.
9
Jongere 4: de kappersopleiding Omdat Anouk (gefingeerde naam) een goed diploma wil halen, begint zij op haar achttiende met de BOL kappersopleiding (mbo). Anouk vindt de kappersopleiding heel leuk. "De leraren zijn goed en de opleiding is heel praktisch. Het voelde niet echt als school." Na een jaar moet Anouk stoppen met de opleiding; zij is zwanger. Na haar zwangerschap wil Anouk de kappersopleiding opnieuw oppakken. Echter, inmiddels is het eerste officiële coronageval in Nederland vastgesteld en heeft de overheid een aantal vergaande maatregelen aangekondigd. Hierdoor hebben de kappers het zwaar. Het lukt Anouk niet om een stageplek te vinden. Zij kaart dit aan bij de opleiding, maar deze helpen haar niet. Omdat Anouk zonder stageplek niet verder kan met de opleiding, schrijft zij zich begin 2021 uit. Anouk is niet de enige, ook andere leerlingen zijn gestopt met de kappersopleiding omdat zij geen stageplek kunnen vinden. Nu woont Anouk bij haar ouders. Zij zit veel binnen, heeft weinig sociale contacten en is eenzaam. Anouk heeft – naar eigen zeggen – geen vrienden, geen goed diploma, geen werk, geen inkomen en geen toekomstperspectief.
4. School gerelateerde oorzaken: kwaliteit van het onderwijs Uit rapportages van de Onderwijsinspectie blijkt dat scholen met hoge uitval minder goed scoren op kwaliteitszorg, leerstofaanbod, kwaliteit van het pedagogisch-didactisch handelen van leraren, het onderwijsleerklimaat en de begeleiding van leerlingen met specifieke behoeften. 5. School gerelateerde oorzaken: drempelloze doorstroom van vmbo naar mbo Leerlingen die het vmbo-niveau al niet aan kunnen, kunnen toch (zonder vmbo-diploma) instromen in (de lagere niveaus van) het mbo. Deze leerlingen hebben vervolgens een grotere kans op uitval in het mbo, omdat voor veel van hen het mbo-niveau te hoog gegrepen is. 6. Arbeidsmarkt gerelateerde oorzaken: groenpluk Nog tijdens hun opleiding krijgen leerlingen soms een baan aangeboden, bijvoorbeeld op hun stageplek. Leerlingen die het werken leuker vinden, worden zo verleid om met school te stoppen. Dit komt vooral voor in goede economische tijden. Overigens is deze reden niet zo vaak de belángrijkste reden als weleens wordt gedacht. Meestal speelt er tegelijkertijd ook een andere factor, zoals bijvoorbeeld financiële problemen/noodzaak om te gaan werken, onvrede over het schoolklimaat, gebrek aan binding met school/docenten et cetera. 7.
Leerling gerelateerde oorzaken: persoonlijke problemen Hierbij kan gedacht woorden aan: mantelzorg/zorg voor kinderen, zwangerschap, financiële problemen, gezondheidsklachten, verslaving, relatieproblemen et cetera. Het merendeel van de voortijdig schoolverlaters die wij spraken, worstelt met persoonlijke problemen. Onder andere depressie, een angststoornis, anorexia, verslaving aan verdovende middelen (drugs, medicijnen), ADD, PTSS en reuma. Zonder uitzondering hebben deze problemen bijgedragen aan hun voortijdig schoolverlaten. De meeste jongeren hebben, na verloop van tijd, hulp gezocht. Drie jongeren zijn voor een aantal weken opgenomen in een kliniek. Ook dit kan tot uitval leiden.
10
Jongere 3: "Het was fijn om te merken, dat zij mij niet loslieten." Na de mavo begint Karin (gefingeerde naam) aan een mbo opleiding. De eerste twee jaren verlopen vlekkeloos, in het derde jaar begint Karin zich steeds vaker ziek te melden. Karin is vaak erg moe. Het valt de studieloopbaanbegeleider op dat Karin steeds dunner wordt, maar deze vindt het moeilijk om hier navraag naar te doen. Karin blijkt anorexia te hebben, maar verzwijgt dit. Zij doet alsof alles goed gaat. "Ik was bezig met een toekomst op te bouwen en vond een opleiding belangrijker." Uiteindelijk moet Karin van haar ouders in behandeling. Het behandeltraject is vijf dagen per week en duurt 8 maanden. Dit betekent dus dat Karin moet stoppen met haar opleiding. Zij vindt dit erg moeilijk en jammer. School reageert adequaat op het – voor hen – onverwachtse nieuws en denkt mee over hoe Karin, na de behandeling, haar opleiding weer kan oppakken. Karin schrijft zich uit van de opleiding, gaat in behandeling, maar blijft in contact met haar studieloopbaanbegeleider. "Het was fijn om te merken, dat zij mij niet loslieten." Nadat Karin klaar is met het behandeltraject, gaat zij voor twee dagen per week werken in een verzorgingshuis. Met haar studieloopbaanbegeleider heeft Karin afgesproken dat zij in september haar opleiding weer oppakt.
Karin is tevreden over de opleiding en het handelen van de studieloopbaanbegeleider.
8. Leerling gerelateerde oorzaken: ouderbetrokkenheid Als ouders niet of nauwelijks betrokkenheid en interesse tonen in de opleiding van hun kind, neemt de kans op voortijdig schoolverlaten toe. 9. Multi-problematiek De kans op voortijdig schoolverlaten neemt aanzienlijk toe wanneer jongeren te maken hebben met meerdere risicofactoren/problemen tegelijkertijd. Dit effect speelt met name op het mbo (wat minder op het voortgezet onderwijs). Zo blijkt uit CBS onderzoek uit 2020 dat het percentage uitvallers op het mbo oploopt van 5% onder degenen met hooguit één risicofactor /probleem tot wel 25% onder degenen met vijf of meer risicofactoren/problemen. Ook in andere onderzoeken wordt gewezen op dit effect van multi-problematiek (cumulatie van factoren). De uitval van de tien voortijdig schoolverlaters die wij spraken, kent grofweg vier oorzaken. Het merendeel van hen, worstelde met persoonlijke problemen. Daarbij heeft het ervaren gebrek aan maatwerk, betrokkenheid en begeleiding vanuit de school, ook tot uitval geleid (schoolklimaat). Twee voortijdig schoolverlaters konden geen stageplek vinden en twee voortijdig schoolverlaters kozen de verkeerde opleiding (tabel 2). Naast de voortijdig schoolverlater spraken wij ook met twee consulenten LVS. Zij spreken dagelijks met voortijdig schoolverlaters en hebben dus en goed beeld van de belangrijkste oorzaken van uitval.
Dit zijn achtereenvolgens:
een verkeerde opleidingskeuze; persoonlijke problemen; een beperkt leervermogen (behalen startkwalificatie ligt realistisch gezien niet binnen de mogelijkheden).
11
Tabel 2
Oorzaken uitval voortijdig schoolverlaters
naam jongere (gefingeerd)
opleiding
oorzaak uitval
Teun (1)
mbo
Casper (2) Karin (3) Anouk (4)
mbo mbo mbo
Marieke (5)
mavo
-
Denise (6)
mbo
-
Daisy (7)
vmbo
-
Jeroen (8)
mbo
Marlies (9)
mbo
Alex (10)
mbo
-
4
persoonlijke problemen: agressie, depressie, angst schoolklimaat: gebrek aan betrokkenheid en maatwerk geen stageplek kunnen vinden persoonlijke problemen: anorexia geen stageplek en kinderopvang kunnen vinden schoolklimaat: te weinig maatwerk en begeleiding opleidingskeuze: Marieke weet niet welke opleiding zij wil doen persoonlijke problemen: depressie schoolklimaat: gebrek aan betrokkenheid/begeleiding bij haar persoonlijke problemen gebrek aan motivatie verkeerde opleidingskeuze: de opleiding bleek te theoretisch schoolklimaat: slechte begeleiding en communicatie/informatie persoonlijke problemen: depressie, slecht kunnen concentreren, niet gemotiveerd, ruzie en drugsgebruik. schoolklimaat: gebrek aan betrokkenheid en begeleiding persoonlijke problemen: Attention Deficit Disorder (ADD) drempelloze doorstroom van vmbo naar mbo schoolklimaat: gebrek aan betrokkenheid en begeleiding persoonlijke problemen: reuma en psychische klachten verkeerde opleidingskeuze: door haar reuma kon Marlies het stagelopen fysiek niet aan schoolklimaat: te weinig betrokkenheid en maatwerk persoonlijke problemen: paniekaanvallen, drugsgebruik depressie schoolklimaat: te weinig betrokkenheid, begeleiding en maatwerk
De gevolgen van voortijdig schoolverlaten
Alle inzet op het terugdringen van voortijdig schoolverlaten komt vanuit de gedachte dat uitval voor zowel de jongeren zelf (individueel niveau) als ook voor de maatschappij veel nadelige effecten heeft. Nadelige effecten op individueel niveau zijn onder andere een zwakke positie op de arbeidsmarkt, baanonzekerheid, een laag inkomen, een groot risico op sociale uitsluiting, een slechtere gezondheid en een grotere kans om in de criminaliteit terecht te komen. Nadelige effecten op maatschappelijk niveau zijn onder andere hogere kosten vanwege een groter beroep op sociale voorzieningen en meer criminaliteit. 4 Zolang de economie goed draait, spelen bovenstaande nadelige effecten minder sterk, maar in economisch slechtere tijden hebben voortijdig schoolverlaters een zeer kwetsbare positie op de arbeidsmarkt. Zij verliezen vaak als eerste hun baan en/of komen moeilijker aan een (nieuwe) baan.
Opleidingswisselaars en opleidingsstakers Niet alle voortijdig schoolverlaters gaan voor altijd zonder startkwalificatie door het leven. Een deel van hen kan worden aangeduid als 'opleidingswisselaars' (in tegenstelling tot 'opleidingsstakers'). Zij stoppen dan wel met hun opleiding, maar beginnen in hetzelfde of het volgende schooljaar weer aan een nieuwe opleiding en behalen alsnog die startkwalificatie. Belangrijk om te beseffen is dus dat de nadelige effecten van voortijdig schoolverlaters voornamelijk gelden voor groep opleidingsstakers.
4
Overigens is niet bekend wat het causale verband is tussen voortijdig schoolverlaten en criminaliteit. Leidt voortijdig schoolverlaten tot crimineel gedrag of leidt crimineel gedrag tot voortijdig schoolverlaten? Waarschijnlijk heeft de uitvalreden hier ook een invloed en speelt criminaliteit nauwelijks bij de opstappers (die vaak een betaalde baan vinden) en vooral bij degenen bij wie de schooluitval een onderdeel is van een breder patroon van (gedrags)problemen.
12
Wij vroegen de voortijdig schoolverlaters naar hun huidige situatie (tabel 3). Wat opvalt is dat het merendeel (erg) tevreden is over de huidige situatie. Weliswaar gaan zij niet meer naar school, maar de schoolverlaters zitten nu vaak beter in hun vel en hebben werk; twee voortijdig schoolverlaters doen schoonmaakwerk en drie voortijdig schoolverlaters hebben via of bij de gemeente (begeleid) werk gevonden. Het werk levert voor de meesten niet voldoende op om zelfstandig in hun levensonderhoud te voorzien; de meesten wonen dan ook bij hun ouder(s) thuis en/of krijgen een (aanvullende) bijstandsuitkering. De voortijdig schoolverlaters die niet tevreden zijn over hun huidige situatie missen toekomstperspectief, hebben het gevoel in de wachtstand te staan of zijn nog niet waar zij zouden willen zijn.
Tabel 3 huidige situatie voortijdig schoolverlaters naam soort huidige situatie jongere (gefingeerd) Teun (1)
mbo
Woont bij zijn ouders en werkt nu een aantal uur per week als pizzabezorger.
Casper (2)
mbo
Woont bij zijn ouders. Af en toe werkt Casper voor het klusbedrijf van zijn vader. Verder doet hij weinig.
Karin (3)
mbo
Woont bij haar ouders. Zit nog één dag per week in behandeling en werkt daarnaast in een verzorgingshuis.
Anouk (4)
mbo
Woont bij haar ouders. Anouk zit hele dagen thuis en heeft geen werk.
Marieke (5)
mavo
Woont nu bij haar moeder. Marieke werkt twee dagen per week in een winkel.
Denise (6)
mbo
Woont bij haar moeder thuis. Doet een aantal uur per week schoonmaakwerk.
Daisy (7)
vmbo
Woont samen met haar vriend en doet 40 uur per week schoonmaakwerk.
13
waardering voor huidige situatie
Teun is tevreden over de huidige situatie (hij geeft zijn leven nu een rapportcijfer 7). Volgend schooljaar wil hij met een nieuwe mboopleiding starten. Hij weet al welke. Casper is niet zo tevreden met zijn huidige situatie. Hij wil graag door met z'n opleiding, maar staat noodgedwongen in de wachtstand door gebrek aan een stageplaats. Karin is ontevreden over de huidige situatie (zij geeft haar leven nu een rapportcijfer 5). Karin heeft het gevoel heeft dat zij in de wachtstand staat. Ik ben een jonge vrouw van 20, maar doe eigenlijk niks." Anouk is ontevreden over de huidige situatie (zij geeft haar leven nu een rapportcijfer 6).Zij zit veel binnen, heeft weinig sociale contacten en is eenzaam. Ze wil heel graag verder met haar opleiding en hoopt snel een stageplek en kinderopvang te vinden. Marieke is tevreden over de huidige situatie (zij geeft haar leven nu een rapportcijfer 7 of een 8). Zij heeft het best naar haar zin in de winkel waar zij werkt. "Ik zit nu iets beter in mijn vel." Misschien dat ze ooit nog een opleiding gaat doen, maar voorlopig niet. Ze weet ook niet welke opleiding bij haar zou passen. Denise is enigszins tevreden over de huidige situatie (zij geeft haar leven nu een rapportcijfer 6). Denise wil nog wel iets bereiken.
"Een diploma halen en een baantje vinden waarin ik het fijn heb." Daisy is erg tevreden over de huidige situatie (zij geeft haar leven nu een rapportcijfer 8 of 9). Het werkende leven bevalt Daisy goed. "Ik kan mijn eigen ding doen." Maar een opleiding is wel een aanvulling, dus als Daisy een leuke opleiding kan vinden, wil zij die gaan doen.
Vervolg tabel 3 Jeroen (8)
huidige situatie voortijdig schoolverlaters mbo Werkt bij de gemeente op een beschutte werkplek
Marlies (9)
mbo
Woont bij haar ouder(s). Heeft een administratieve baan bij de bij de gemeente.
Alex (10)
mbo
Hij woont bij z'n moeder en doet begeleid werk
5
Jeroen is erg tevreden over de huidige situatie (hij geeft zijn leven nu een rapportcijfer 10). Hij heeft het goed naar zijn zin zo met z'n werk. Wel vindt hij dat hij op termijn weer een opleiding moet gaan doen, maar ziet daar erg tegenop, omdat het schoolklimaat hem niet past. "Ik kan toch niet m'n hele leven op een beschutte werkplek werken?!" Marlies is tevreden over de huidige situatie. Zij mag via de gemeente waar zij werkt een administratieve opleiding gaan doen. Alex is redelijk tevreden over de huidige situatie (hij geeft zijn leven nu een rapportcijfer 6). Hij voelt zich niet echt helemaal thuis op zijn werkplek. Hij wil in de toekomst een andere baan. Als hij zich sterk genoeg voelt gaat hij met de benodigde opleiding starten. "Ik ben nog niet waar ik zou willen zijn."
Mogelijke oplossingen
In diverse onderzoeken worden interventies opgesomd die het voortijdig schoolverlaten kunnen verminderen. Het wordt wel steeds duidelijker dat voortijdig schoolverlaten vele oorzaken kan hebben en dat een veelzijdige aanpak daarom de voorkeur heeft. Aangeraden wordt om risicoleerlingen via maatwerk ondersteuning te bieden die aansluit op de benodigde factoren op alle niveaus (persoonlijk, gezin/omgeving, school) in plaats van een geïsoleerde aanpak die zich op één van deze factoren richt. Interventies die in een vroegtijdig stadium kunnen gepleegd lonen het meest (zoals het aanpakken van onderwijsachterstanden op de basisschool of voor- en vroegschoolse educatie). Maar ook interventies op het voortgezet onderwijs en mbo kunnen goed werken, mits goed aangepakt. Zo omvat het recent verschenen U-can-Act onderzoek (2020) een uitgebreide inventarisatie naar praktisch bruikbare interventies om voortijdig schoolverlaten op individueel niveau te voorkomen. Ook hier blijkt maatwerk het sleutelwoord; géén 'one size-fits all'- aanpak dus. Belangrijk is dat jongeren die dreigen uit te vallen één-op-één begeleiding krijgen door één vaste persoon (maatje/begeleider/mentor) die de jongeren ondersteunt bij het aanbrengen van structuur in hun leven, fungeert als rolmodel, helpt bij het verder ontwikkelen van sociale vaardigheden en reflecteert met de jongeren op hun ontwikkeling en toekomst.
Dit alles in een adviserende/begeleidende in plaats van beslissende rol, zodat de jongere autonomie ervaart. De volgende interventies worden in de literatuur regelmatig genoemd: schoolklimaat Het creëren van een betrokken én veeleisend schoolklimaat; Hierin staat betrokkenheid bij leerlingen centraal, wordt structuur geboden, worden er regels gesteld en wordt streng opgetreden tegen spijbelen. Maar daarnaast wordt ook een goede (vertrouwens)band tussen leraar en leerling gecreëerd.
14
Jongere 7: "Kinderen die het moeilijk hebben, daar moet de school energie in blijven steken" Al vanaf de tweede klas vmbo gaat niet goed met Daisy (gefingeerde naam). Door een vervelende gebeurtenis op jonge leeftijd, heeft zij last van depressies. Op school maakt Daisy vaak ruzie en kan zij zich slecht concentreren. Bovendien spijbelt Daisy regelmatig. Gelukkig heeft Daisy een betrokken mentor die ook goed contact heeft met haar ouders. Deze mentor 'sleept' Daisy door het tweede en derde jaar heen. In het vierde jaar krijgt Daisy een andere mentor die haar niet de ondersteuning biedt die zij nodig heeft. Al snel gaat het mis. Daisy gaat meer spijbelen en raakt in een gevecht met een ander meisje. Een week voor haar eindexamen wordt Daisy van school gestuurd. Daisy heeft daarna nooit meer iets van school gehoord. Daisy vermoedt dat school blij was dat zij van haar af waren. Inmiddels werkt Daisy en dat bevalt goed (schoonmaakwerk). "Ik kan mijn eigen ding doen." In de optiek van Daisy, had de school meer kunnen en moeten doen. Meer helpen met de lesstof en meer energie steken in de leerling. "Kinderen die het moeilijk hebben, daar moet de school energie in blijven steken. Dat helpt toch een beetje."
signalering en begeleiding Tijdig herkennen van en actie ondernemen op signalen zoals frequent spijbelen en gedragsproblemen. Maatwerkbegeleiding geven, liefst door één-op-één begeleiding door één vaste begeleider die de leerling goed kent en waarmee een warme band wordt opgebouwd. Frequent contact tussen begeleider en leerling werkt hierbij goed (denk hierbij ook aan iets kleins als het sturen van een appje). Jongeren moeten het gevoel krijgen dat hun begeleider er altijd voor hen is. Tijdig signaleren en hulp (van instanties zoals leerplicht, jeugdzorg en welzijn) aanbieden voor leerlingen met problemen buiten het onderwijs. Bijvoorbeeld met behulp van een zorg- en adviesteam (ZAT) waarin verschillende disciplines vertegenwoordigd zijn. Een ontschotte aanpak dus, waarbij de verschillende instanties met elkaar samenwerken en elkaar zo kunnen aanvullen i.p.v. tegenwerken (aparte financieringsstromen kunnen dit soms lastig maken). (Ook relevant voor LVS en gemeentebeleid.) Extra aandacht en begeleiding voor leerlingen met slechte leerprestaties. Dat begint al in het basisonderwijs, omdat voortijdig schoolverlaten mede het gevolg is van een achterstand in het onderwijs op de basisschool (gebrekkige basisvaardigheden taal en rekenen). (Ook relevant voor LVS en gemeentebeleid.) Inzet van peersupport; jongeren elkaar laten motiveren en helpen.
studiekeuze Voldoende studie-informatie én begeleiding geven aan leerlingen rondom de overgang vmbo – mbo én aan leerlingen die in het mbo (dreigen) uit te vallen vanwege een verkeerde studiekeuze. Dit verkleint de kans op (weer) een verkeerde studiekeuze, helemaal geen nieuwe studiekeuze en/of gebrek aan motivatie. overgangsmoment Binding houden met en begeleiding geven aan uitgevallen leerlingen die pas in het nieuwe schooljaar kunnen beginnen met een nieuwe opleiding in het volgende schooljaar. Hiermee verkleint de kans dat zij blijven hangen in het tijdelijke werk dat zij vaak gaan doen. (Ook relevant voor LVS.) Een uitgebreid intakegesprek houden met leerlingen die na uitval aan een nieuwe opleiding beginnen (opleidingswisselaars) om duidelijk te krijgen wat de problemen waren in/met de vorige opleiding, zodat hier rekening mee gehouden kan worden in de nieuwe opleiding. De drempelloze doorstroom vmbo – mbo verminderen en alleen nog maar toepassen in uitzonderlijke situaties. (Ook relevant voor landelijk beleid.)
15
omgeving Oog hebben voor het effect van (gebeurtenissen in) de omgeving op de leerling en diens schoolprestaties. Ouderbetrokkenheid proberen te vergroten; Hierbij wordt opgemerkt dat dit – zeker bij risicoleerlingen – geen eenvoudige opgave zal zijn, omdat die ouders vaak moeilijk te bereiken en te betrekken zijn. samenwerking school – bedrijfsleven Tegengaan van groenpluk door samenwerking tussen school en bedrijfsleven. Zowel voor leerlingen die nog op school zitten en stage lopen, als voor jongeren die voortijdig gestopt zijn om te gaan werken. Voor de laatste groep zou het bijvoorbeeld makkelijk gemaakt moeten worden om hun baan te behouden maar daarnaast alsnog op school deelcertificaten te halen. aandacht voor ('stressful') 'life-events' en de 'fit' leerling – school Eimers & Bekhuis (2006) benadrukken dat niet alleen naar risicofactoren moet worden gekeken, maar ook naar gebeurtenissen waarmee individuele leerlingen te maken krijgen (op en buiten school) tijdens hun schoolloopbaan ('stressful life-events'). Een categorale interventie gericht op groepen risicoleerlingen zou te weinig recht doen aan de verschillen tussen de leerlingen die binnen zo'n risicogroep vallen. Hierdoor profiteren vooral de 'sterkeren' binnen zo'n groep van de interventie i.p.v. de 'zwakkeren' waarvoor de interventie vooral bedoeld is.
Eimers & Bekhuis benadrukken het belang van de 'fit' tussen leerling en school. Wanneer leerling en school op elkaar afgestemd zijn, voelt de leerling zich thuis op school en is gemotiveerd. Door 'stressful life-events' kan de fit op verschillende momenten tijdens de schoolloopbaan verstoord worden. Daarom zou de school regelmatig moeten checken of de 'fit' nog goed is en die 'repareren' waar nodig. Ook het recent uitgevoerde U-can-Act onderzoek (2020) benadrukt het belang van de inzet op de binding met school/opleiding en van rekening houden met de grote én kleine gebeurtenissen in het leven van de leerling. onderscheid risicoleerlingen – opstappers Volgens Eimers & Bekhuis hebben de klassieke risicoleerlingen vooral baat bij extra begeleiding en ondersteuning binnen en buiten school (o.a. jeugdzorg). Om opstappers binnen boord te houden moet vooral geïnvesteerd worden in een aantrekkelijk en stimulerend schoolklimaat én in de samenwerking met het bedrijfsleven (o.a. i.v.m. groenpluk). Ook opstappers begeleiding blijven geven na hun schooluitval (liefst door dezelfde persoon die de leerling begeleidde tijdens school), om verder afglijden te voorkomen.
Hierbij onderkennen dat het voor een deel van de opstappers mogelijk wenselijker is om het doel te verschuiven van het behalen van een startkwalificatie naar het begeleiden naar werk of een andere vorm van maatschappelijke participatie, omdat een startkwalificatie buiten hun bereik ligt of niet wenselijk is. uitbreiding doelgroep Scholen en gemeenten willen (nog) meer mogelijkheden om vanuit de jongeren te denken: wat heeft deze specifieke jongere nodig en hoe kunnen we hem of haar daar bij helpen? Verder vinden zij het wenselijk om de doelgroep uit te breiden naar 16 t/m 27 jaar (in plaats van de huidige 16 t/m 23 jaar). Zo hoeft hulp niet op te houden zodra jongeren de leeftijd van 24 jaar bereiken maar nog geen passende plek in de maatschappij hebben bemachtigt. Aandachtspunt hierbij is wel de financiering en de werkdruk bij het RMC, scholen en overig betrokken instanties.
De bovenstaande interventies kunnen bijdragen aan het terugdringen van het voortijdig schoolverlaten. Wat opvalt is dat deze interventies vooral zijn gericht op de scholen (en minder op LVS). Wij vroegen tien voortijdig schoolverlaters naar hun ervaringen (tabel 4). De tips en verbeterpunten die deze schoolverlaters geven sluiten goed aan op deze interventies en zijn ook vooral gericht op de school. De schoolverlaters benadrukken het belang van het tonen van betrokkenheid, leerlingbegeleiding en maatwerk (rekening houden met het verschil tussen leerlingen).
16
Tabel 4 Verbeterpunten aangegeven door voortijdig schoolverlaters naam opleiding verbeterpunten jongere (gefingeerd) Teun (1) mbo tip voor school: Luister naar de leerlingen! En toon meer betrokkenheid. Casper (2) mbo geen tips Karin (3) mbo geen tips Anouk (4) mbo tip voor school: Help bij het zoeken van een stageplek en kinderopvang. Mogelijk kan school ervoor zorgen dat jonge moeders voorrang krijgen voor een plek bij de kinderopvang. Marieke (5) mavo geen tips Denise (6) mbo tip voor school: meer, betere, duidelijke en heldere communicatie Daisy (7) vmbo tip voor school: Steek meer energie in leerlingen die het moeilijk hebben. "Kinderen die het moeilijk hebben, daar moet de school energie in blijven steken. Dat helpt toch een beetje." Jeroen (8) mbo verbeterpunt voor school: betere leerlingbegeleiding Daarnaast zou de school beter rekening kunnen houden met het verschil tussen leerlingen. "De school ontwikkelt nu geen talenten, als leerling moet jij door het systeem heen." Marlies (9) mbo tip voor school: Geef meer individuele begeleiding. Lever meer maatwerk (pas lesstof/roosters/stages aan, aan de situatie van leerling). Of raad als school van te voren al een opleiding af als deze niet past bij de leerling.
Alex (10)
tip voor matchmakers (LVS): Neem eens per jaar contact op met jongeren die zijn uitgevallen om te vragen hoe het gaat (niet alleen een briefje in de bus). Kortom, houd de vinger aan de pols. tip voor school: Niet iedereen over één kam scheren. Scholen moeten meer kijken naar wat de persoon nodig heeft en beter doorvragen. Niet alleen korte termijn oplossingen zoeken, maar ook uitzoeken wat de achterliggende oorzaken van de problemen zijn. Alex mist samenwerking tussen LVS, de school en vooral zijn psycholoog.
mbo
In het kader van dit onderzoek spraken wij ook met een zorgcoördinator van het Da Vinci College. Een niet passend schoolklimaat en de inrichting van het onderwijs zijn de belangrijkste oorzaken van uitval; "Ondanks alle inspanningen van docenten en studieloopbaanbegeleiders is er voor een deel van de studenten onvoldoende ruimte. Zodra een student minder goed in het schoolsysteem past, gaat het schuren." De opleiding is niet flexibel (genoeg) en wordt niet aangepast aan de leerling. De zorgcoördinator pleit dan ook voor meer flexibiliteit in de opleiding en meer maatwerk. "Er zou op school meer mogelijk moeten zijn om de opleiding af te stemmen op de individuele kwaliteiten van de jongeren."
drs. D.V.J Massie & drs. I.A.C. Soffers mei 2021 Postbus 619 3300 AP Dordrecht (078) 770 39 05 ocd@drechtsteden.nl www.onderzoekcentrumdrechtsteden.nl
17
Bijlage ONDERZOEKSVERANTWOORDING
Onderzoeksverantwoording Literatuurlijst Baat, M. de, C. Messing, C., & D. Prins. (september 2014). Wat werkt bij schoolverzuim en voortijdig schoolverlaten? Nederlands Jeugd Instituut (NJI). Coenen, J.B., C.M. Meng, C. Büchner & G.W.M. Ramaekers (2009). Zonder diploma; aanleiding, kansen en toekomstintenties. Maastricht: Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA). Eimers, T. & H. Bekhuis (2006). Vroeg is nog niet voortijdig. Naar een nieuwe beleidstheorie voortijdig schoolverlaten. Nijmegen: Kenniscentrum Beroepsonderwijs Arbeidsmarkt (KBA). Herweijer, L. (2008). Gestruikeld voor de start. De school verlaten zonder startkwalificatie. Den Haag: Sociaal Cultureel Planbureau (SCP). Gaag, M. van der, N. Snell, G. Bron & E. Kunnen (2020). Voortijdig schoolverlaten voorkomen; perspectieven van wetenschap, praktijk en beleid. Den Haag: Acco Nederland. (U-can-Act). Ridder, J. de, E. Josten, J. Boelhouwer & C. van Campen (2020). De sociale staat van Nederland 2020. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Holter, N. & W. Bruinsma (augustus 2010). Wat werkt bij het voorkomen van voortijdig schoolverlaten? Nederlands Jeugd Instituut (NJI). Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA). (2018). Uitval zonder diploma: Aanleiding, Kansen en Toekomstintenties. Maastricht: ROA. Steeg, M. van der & D. Webbink (2006).
Voortijdig schoolverlaten in Nederland; omvang, beleid en resultaten. Den Haag: Centraal Planbureau. Weert, C. van, J. Cook, R. Molenaar, K. Neden, L. Oostrom & B. Struijkenkamp (2020). Multiproblematiek en VSV. Is er een relatie tussen multiproblematiek en voortijdig schoolverlaten? Den Haag. Nederland: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Vinckx, K. (februari 2020). Voor het diploma de school uit.
Overzicht geïnterviewde personen teamleider LVS, 27 januari 2021 twee consulenten LVS, 3 februari 2021 zorgcoördinator Da Vinci College, 8 maart 2021 tien voortijdig schoolverlaters, maart-april 2021
Belangrijke afkortingen LVS= Leerplicht en Voortijdig Schoolverlaten BOL= Beroepsopleidende Leerweg mbo BBL= Beroepsbegeleidende Leerweg mbo