Definitief Concept BRP af- en ombouw JH+Zuidwest 3e actualisatie.pdf
Tekst van het document
2. Plaatsing Drie pijlers De af- en ombouw van de gesloten jeugdzorg vraagt een inhoudelijke doorontwikkeling van het aanbod, waarbij het perspectief van het kind en de jongere op de dag en uitstroom naar zo thuis mogelijk centraal staan: dat betekent een integrale combinatie van onderwijs, dagbesteding, behandeling en waar mogelijk een gezinsgerichte aanpak. Residentieel verblijf kan daarbij ondersteunend zijn, maar altijd tijdelijk, zo kort mogelijk en als onderdeel van een traject30 . Er wordt vanuit mogelijkheden, wensen en ambities gewerkt aan het toekomstperspectief van een jeugdige. Tijdens het verblijf blijft er verbinding met de eigen regio (zowel op het gebied van wonen, als onderwijs en eventueel vrijetijdsbesteding) en het eigen netwerk en/of ouders. Met name voor de 12- kinderen en jongeren met mogelijk perspectief op terugkeer naar huis, is een gezingsgerichte aanpak essentieel. In dit hoofdstuk schetsen we de algemene visie voor de 12+ en 12- groep in residentiële zorg. Om de af- en ombouw van de gesloten jeugdzorg inhoudelijk vorm te geven, staan er vanuit het landsdeel drie punten centraal: 1. Onderwijs als cruciaal en integraal onderdeel van het aanbod: onderwijs is leidend en er is een doorlopende leerlijn voor de jongeren. 2. Een inhoudelijke verbreding van het zorg- en onderwijsaanbod met GGZ-, LVB-, forensische expertise en Verslavingszorg.
28 Concept hoofdstuk plaatsingsprotocol hybride groepen d.d. #
29 Door werkgroep bestaande uit: Coördinatoren gesloten jeugdhulp van JBRR, JBW, WSG, LdH en Nidos, plaatsingsfunctionarissen iHub en Schakenbosch en plaatsingscoördinatoren ZW (ook voorzitter)]. 30 Vanuit het normenkader betekent tijdelijk maximaal 6 maanden. We streven er echter naar om toe te werken naar maximaal 10 weken. Voor de 12- groep ligt dit genuanceerder. Naast de relatief korte en intensieve woontrajecten, is er in de praktijk ook een groep voor wie wij denken dat dit nooit genoeg gaat zijn. Zij hebben onvoorwaardelijk wonen nodig, waarbij er in fases behandeling ingezet moet worden. Voor deze kinderen zijn langverblijfvoorzieningen van grote toegevoegde waarde.
Actualisatie bovenregionaal plan september 2024
28
3.
Aandachts-, liefdevolle en trauma sensitieve zorg: aandacht voor talenten, mogelijkheden en een positieve blik naar jongeren.
Onderwijs als leidend principe Belangrijk speerpunt vanuit de regio’s is dat ieder kind leerrecht heeft. nderwijs is leidend in het leven van kinderen en jongeren en zorg moet gezien worden als een “tijdelijke interventie”. entraal hierbij staat het borgen van een doorlopende leerlijn. Onder meer door inzet van kleinschalige groepen van max. 6 kinderen of jongeren en een doorlopend integraal dagprogramma (DiD), maar ook door het inzetten van ambulante alternatieven om de jeugdige, de woonplek en de (reguliere) school te versterken. Instellingsscholen worden voor kinderen en jongeren uit residentieel verblijf tijdelijke bovenregionale voorzieningen. De stamschool (laatst bekende school van herkomst/inschrijving) behoudt zorgplicht en schrijft de leerling niet uit. Er is tijdens plaatsing behoud van contact met de stamschool. Om de doorlopende leerlijn te realiseren en onderwijs leidend te maken, werken we in ons landsdeel samen met een onderwijscoalitie van 15 samenwerkingsverbanden, iHub (namens de instellingsscholen) en gemeente Rotterdam (namens de jeugdhulpregio’s). Het plan van de onderwijscoalitie is als bijlage 2 toegevoegd aan de 2e actualisatie van het Bovenregionaal Plan (november 2023). Naast de doelstellingen van de onderwijscoalitie wordt er door de instellingscholen doorontwikkeld langs 2 sporen: 1.
Vraaggerichter integraal individueel dagprogramma op maat bij huidige residentiele instellingsscholen. Dit spoor is afgelopen jaren verder doorontwikkeld, de samenwerking met de stamscholen kan hierin verankerd worden. 2. Verbinden van de zorg- en onderwijsexpertise die er binnen het DiD is aan de reguliere schoollocaties. Het gaat er hierbij om dat er meer expertiseuitwisseling plaatsvindt tussen scholen en specifiek tussen de instellingsschool en de ‘reguliere’ scholen van herkomst of uitstroom. Hierdoor is het niet afhankelijk van de locatie waar een kind naar school gaat of die plek de expertise ook standaard in huis heeft, omdat deze expertise vanuit buiten ingevlogen kan worden. Door samen te werken en open te staan voor elkaars kennis en kunde, kan de ondersteuning op school aangepast worden aan de behoefte van een kind of jongere. Hierdoor wordt de expertise verspreid en geborgd bij de medewerkers in plaats van dat het aan één gespecialiseerde school gekoppeld is. Om preventief in te zetten en daarmee plaatsing en uitval te voorkomen, is het daarnaast goed dat de expertise ook ingevlogen kan worden wanneer er vragen zijn over een leerling op andere reguliere scholen. De onderwijscoalitie kan hierin bijdragen.
Ieder kind heeft leerrecht. Hoe dat vormgegeven wordt, kan verschillen per situatie. Kijkend naar wat er nodig is om onderwijs en zorg integraal te combineren voor kinderen en jongeren in residentiële zorg en JeugdzorgPlus, kan er een onderscheid gemaakt worden tussen drie verschillende groepen: 1. Kinderen en jongeren die naar de instellingsschool gaan en daar een DiD volgen.
Actualisatie bovenregionaal plan september 2024
29
•
•
•
Voor deze groep wordt voldaan aan het speerpunt onderwijs is leidend en een doorlopende leerlijn, mits zij het onderwijs op niveau kunnen blijven volgen wat zij aankunnen en willen. Het is daarnaast nodig om de scholen van herkomst beter te betrekken om leerlingen na plaatsing in de zorg terug te laten keren naar hun stamschool of een andere uitstroomschool. Dit is nog een aandachtspunt, zeker gezien de wachtlijsten in het (V)SO.31 Tijdens plaatsing worden er afspraken gemaakt hoe het contact met de leerling onderhouden zal worden met de stamschool. Dit is zowel belangrijk voor de doorlopende leerlijn als dat de leerling zich gehoord en gezien voelt door de stamschool en er verbinding blijft met de stamschool. Indien er geen stamschool meer betrokken is, worden er afspraken gemaakt met het samenwerkingsverband en wordt zo snel als mogelijk de uitstoomschool met elkaar bepaald. Indien mogelijk kan er tijdens plaatsing al flexibel meegelopen worden op de stamschool/school van uitstroom.
2.
Kinderen en jongeren die naar school zouden kunnen gaan, maar voor wie dat nu nog niet lukt omdat het onderwijs zoals dit nu gegeven wordt eigenlijk niet passend is. Dit zijn thuiszitters32, kinderen en jongeren die nu ver buiten de verblijfsplaats naar school moeten of kinderen en jongeren voor wie constante 1 op 1 begeleiding nodig is om onderwijs te kunnen volgen. • Voor deze groep is er extra LVB en GGZ-expertise nodig in het onderwijs op didactisch en pedagogisch gebied. Dit kan door samen te werken met een cluster 3 school, door samen te werken met andere zorgaanbieders (GGZ en LVB) en/of door vanuit de instellingsschool bepaalde GGZ-expertise zelf in huis te halen. • Voor een aantal van deze kinderen en jongeren kan dit beteken dat er een onderwijssetting nodig is met zeer kleine, prikkelarme groepen van max. 6 leerlingen. • Om dit te bereiken, is een aantal randvoorwaarden belangrijk: de inzet en het commitment van samenwerkingsverbanden en cluster 3 scholen, voldoende financiering33, geschoold personeel, geschikte onderwijshuisvesting en de beschikbaarheid en inzet van zorgaanbieders op schoollocaties. Dit is niet allemaal in korte tijd gerealiseerd, maar is echt een beweging die tijd en investering zal vragen gedurende een langere periode.
3.
Kinderen en jongeren voor wie school nu nog echt een brug te ver is en die eerst via een dagprogramma tijd nodig hebben om te herstellen, te werken aan de individuele problematiek, te ontwikkelen in een niet schoolse setting en te werken aan de vaardigheden om te kunnen functioneren in het onderwijs.
31 De onderwijscoalitie werkt aan een gentleman’ s agreement met schoolbesturen over het contact houden met –
en niet uitschrijven van kinderen in residentiële jeugdzorg. W definieert thuiszitters als ‘leerlingen die ingeschreven zijn op school, maar langer dan 4 weken thuiszitten’. Daarnaast is er ‘absoluut verzuim’. Daarbij gaat het over leerlingen die wel leerplichtig zijn, maar niet op een school staan ingeschreven en dus niet naar school gaan. Een derde groep zijn leerlingen die zijn vrijgesteld van de leerplicht. Deze vrijstelling vindt plaats op basis van een specifieke situatie, zoals een ernstige, meervoudige handicap. In de gesloten jeugdzorg is er vaker sprake van een tijdelijke vrijstelling. Dit zijn formeel geen thuiszitters, de jeugdigen volgen wel een DiD en hebben een ingroeiplan. 33 Hierover vindt o.a. afstemming plaats met de Onderwijscoalitie af- en ombouw gesloten jeugdzorg 32 Het ministerie van
Actualisatie bovenregionaal plan september 2024
30
•
Voor deze groep is het belangrijk dat er zinvolle dagbesteding is (inclusief behandeling) en ontwikkeling in een niet schoolse setting (denk ook aan leerkracht die langskomt of andere manieren van ontwikkelen op bijvoorbeeld creatief, muzikaal of praktisch vlak), waarbij er toegewerkt wordt naar wanneer en op welke wijze doorgroei naar onderwijs wel mogelijk is. Er wordt telkens gekeken naar dat wat wél kan, waar de wensen en talenten liggen van een kind of jongere en wat dit dan vraagt van het onderwijs. Er wordt actief gewerkt aan ontwikkeling en toegewerkt naar een perspectief op onderwijs, continu in afstemming met de jongere, ouders en het betrokken samenwerkingsverband.
Inhoudelijke verbreding GGZ-, LVB-, forensische expertise en verslavingszorg Voor de doelgroep van de JZ+ is het belangrijk dat er een integraal programma ontstaat waar het zorg- en onderwijsaanbod bestaat uit verschillende facetten: Jeugd & Opvoedondersteuning voor het aanbrengen van (dag)structuur, ritme en voor het bieden van de nodige begeleiding. GGZ-expertise, zodat er altijd direct na plaatsing gestart kan worden met de behandeling van onderliggende psychiatrische/psychische problemen. Het gaat hierbij o.a. om behandeling van psychiatrische stoornissen, traumabehandeling (meer dan 50% van alle jongeren in de Jeugdzorg Plus heeft traumatische gebeurtenissen meegemaakt34), systeemtherapie of diagnostiek. • Aandachtspunt is dat er in de residentiële jeugdzorg gewerkt wordt vanuit de Jeugdwet en feitelijk de mogelijkheid gemist wordt om te werken vanuit de Wet verplichte GGZ op het moment dat een jeugdige in een psychiatrische crisis verkeert. Om de afbouw van de gesloten bedden te realiseren, dient er een samengewerkt te worden met de GGZ waarbij de GGZ de verantwoordelijkheid neemt voor het bieden van een residentieel GGZ bed, waar mogelijk op hetzelfde terrein. LVB-expertise zodat de structuur, begeleiding en behandeling ook aansluit bij het cognitieve vermogen van jongeren met een LVB.
• Voor jongeren met een IQ tussen de 50 en 75 zijn er naast de benodigde zorg expertise nog twee aandachtspunten: de veiligheid op het terrein (mede in relatie tot de andere kinderen en eventuele negatieve beïnvloeding) en het onderwijs (zie bovenstaand). Forensische expertise, zodat jongeren die agressief, gewelddadig en/of delinquent gedrag vertonen (‘hoog forensisch profiel’) in ons landsdeel passend aanbod ontvangen en de veiligheid op en rond het terrein geborgd kan worden. Verslavingszorg, zodat kinderen en jongeren aan hun verslavingsproblematiek kunnen werken. De focus ligt hierbij op de 12+ groep, maar ook bij de 12- groep kan dit voorkomen. Zo zien we in toenemende mate bij jonge kinderen game en beeldschermverslaving en het gebruik van verslavende middelen zoals vapen en
34
AEF 2024 Quickscan forensische doelgroep gesloten jeugdzorg
Actualisatie bovenregionaal plan september 2024
31
snus35. Uit de resultaten van de monitor JeugdzorgPlus36 blijkt dat gemiddeld 45% van de jongeren bij aanvang in de JeugdzorgPlus instelling te maken heeft met verslavingsproblematiek. Jongeren gaan door het gesloten verblijf minderen of stoppen met gebruik, maar met de opbouw van hun verlof neemt bij de meeste jongeren het middelengebruik weer toe. Jongeren met een IQ tussen de 75 en 80 zijn hier extra kwetsbaar voor. Naast persoonsgebonden- en omgevingsfactoren, spelen er ook instellingsgebonden factoren, zoals de mate van aanwezige verslavingsdeskundigheid, de cultuur binnen een instelling en de manier waarop maatregelen worden ingezet bij middelengebruik. Verslavingszorg moet ingezet kunnen worden als integraal onderdeel van de behandeling. Dit kan door samen te werken met een externe partner of door het zelf behandeling te bieden bij problematisch middelengebruik (bijv. Brains4Use of DOK3). Dit sluit aan op het model van Anne Pelzer, waarbij de vier zorg expertises samen komen en toegevoegd worden op de basis van het onderwijs (zie p.9 Samenwerking in de specialistische jeugdzorg, A. Pelzer, 2022). Anne Pelzer is als kinder- en jeugdpsychiater werkzaam binnen de acute jeugd-ggz en heeft in opdracht van het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd een onderzoek gedaan naar de barrières, facilitators en kansen in de samenwerking binnen de specialistische jeugdzorg.
Een belangrijke bevinding uit het onderzoek is dat jeugdigen binnen de JeugdzorgPlus qua problematiek veel overeenkomsten vertonen met de jongeren die opgenomen zijn binnen de jeugd-ggz. In het kader hiervan is samenwerking van essentieel belang. Omdat er dikwijls sprake is van een combinatie van (forse) gedragsproblematiek en psychiatrische problematiek, eventueel in combinatie met een LVB en verslavingsproblematiek, is het zaak voor deze kwetsbare jongeren een sluitende keten te creëren, zodat zij niet tussen wal en schip belanden. Door deze inhoudelijke verbreding van het zorg- en onderwijsaanbod verwachten wij in het landsdeel bijna alle kinderen en jongeren te kunnen plaatsen die nu nog soms het landsdeel uit gaan. Hoewel wij liever niet in doelgroepen praten, zijn er toch een aantal doelgroepen die specifiek uitgelicht moeten worden. Adviesbureau AEF37 heeft eerder geconcludeerd dat er voor deze jongeren geen landelijke voorziening nodig is, maar dat er voor deze groepen wel nog extra aandacht nodig is. 1. Jongeren die agressief, gewelddadig en/of delinquent gedrag vertonen, en een zogenoemd hoog forensisch profiel hebben.
Deze doelgroep omvat zowel (1) de jongeren die civielrechtelijk geplaatst worden in of na een strafrechtelijk proces (na schorsing of bij vonnis) als (2) de jongeren die een vergelijkbaar gedragsprofiel hebben, maar geen (bewezen) delicten gepleegd hebben. 2. Jongeren die seksueel overschrijdend gedrag vertonen en wiens problematiek te complex is, omdat er vaak sprake is van co-morbiditeit van gedrag en psychiatrische problematiek
35 Snus is een soort theezakje dat onder de bovenlip wordt gestopt. Het is een methode waarbij je nicotine
binnenkrijgt zonder te roken en is van oorsprong afkomstig uit Zweden. 36 Om de effectiviteit van de zorgverlening in de gesloten jeugdzorg inzichtelijk te maken is, door het Ministerie van
VWS, Jeugdzorg Nederland en de JeugdzorgPlus instellingen de monitor JeugdzorgPlus ontwikkeld. https://ivo.nl/jeugdzorgplus-verslavingsproblematiek/ 37 Behoefteanalyse specialistisch alternatief gesloten jeugdhulp, AEF Januari 2023
Actualisatie bovenregionaal plan september 2024
32
3.
Jongeren die qua problematiek in open voorzieningen passen, maar voor wie enige vrijheidsbeperkende maatregelen nodig zijn. Hierover staat meer onder het Hoofdstuk Instroom (hybride groepen)
Over de doelgroep met Hoog Forensisch Profiel is recent een Quick scan van AEF (Quick scan Hoog forensisch profiel) verschenen. Jongeren met een HFP zijn vaker dan gemiddeld jongens die zich in een deviante381 vriendengroep bevinden dan andere jongeren in de jeugdzorg. Ze hebben veelal de verbinding met school verloren en er is sprake van ernstig externaliserend (met name delinquent) gedrag. Er is in mindere mate sprake van internaliserend gedrag. Er is zeer beperkt passend aanbod beschikbaar. Jongeren kunnen op (bijna) geen plek een passend integraal en langdurig behandelaanbod ontvangen. Jongeren belanden nu vaak op alternatieve (overbruggings-)plekken, waarbij de focus voornamelijk ligt op onderdak en in mindere mate op behandeling en onderwijs. Deze oplossingen lijken onvoldoende op de zwaarte van de problematiek aan te sluiten. Daarnaast hebben deze oplossingen ongewenste gevolgen. Veelal hebben deze jongeren een combinatie van forensische-, orthopsychiatrische, verslavings-, LVB-, GGZ- en jeugdzorg nodig. Dit wordt momenteel vrijwel niet geboden (ambulant noch residentieel) en geldt als breder probleem in de sector (ook voor andere doelgroepen). Bij organisaties in één van deze domeinen kunnen jongeren vaak niet terecht door capaciteitsproblemen of contra-indicaties. Passende alternatieven zijn in de Quickscan van AEF vrijwel niet naar voren gekomen.
Dat duidt erop dat het veld nog geen passend alternatief gevonden heeft. Het ontwikkelen van plekken voor deze jongeren is meer dan het opplussen van capaciteit. Jongeren uit deze doelgroep hebben zorg nodig waarin zowel jeugdzorg-, forensische-, verslavings-, LVB, en GGZ-specialismen geborgd zijn. Met de verbreding van het zorg- en onderwijsaanbod bij de JeugdzorgPlus instelling in ZuidWest dient hier extra aandacht voor te zijn. Ook moet complexe casuïstiek zoals jongeren met een HFP op de overlegtafel van Regionale Expertteams (RETs)terecht komen, zodat er goed gekeken kan worden naar passend aanbod (zorg en onderwijs) en er niet naar tijdelijke alternatieve (maar onwenselijke)oplossingen gezocht wordt. Aandachts-, liefdevolle en trauma sensitieve zorg: aandacht voor talenten, mogelijkheden en een positieve blik naar jongeren Kijkend naar wetenschappelijke onderzoeken van de afgelopen 20 jaar, luidt de conclusie dat des te meer er sprake is van dwang, des te minder de effectiviteit. Jongeren in de jeugdzorg voelen zich vaak niet gezien en gehoord, wat leidt tot een negatief zelfbeeld, eenzaamheid en een verlies van vertrouwen in zichzelf en hulpverleners. Uithuisplaatsing is vaak sowieso een stressvolle en soms traumatische gebeurtenis. Veel kinderen en jongeren die zijn geëindigd in de gesloten jeugdzorg hebben al een heel traject met meerdere uithuisplaatsingen doorlopen.
Ervaringsdeskundigen benadrukken dat aandacht veel van hun trauma's had kunnen voorkomen. Dit vraagt een andere blik naar kinderen en jongeren. Geen negatieve en wantrouwige blik, maar een positieve blik van 'collaborative care', trauma sensitieve zorg en een aandachts- en liefdevolle benadering.
38
Een (vrienden)groep waarin meerdere leden van de groep gedrag vertonen dat als ongepast wordt beschouwd met betrekking tot de (morele) normen van de samenleving. In dit geval gaat dat bijvoorbeeld om het veroorzaken van overlast, of om delinquent of gewelddadig gedrag.
Actualisatie bovenregionaal plan september 2024
33
Een trauma sensitieve benadering gaat uit van het belang van bewustwording bij professionals over de impact van ingrijpende ervaringen op de ontwikkeling van kinderen en jongeren en hoe dit tot uiting komt in gevoelens en gedrag. Deze kennis en bewustwording helpt professionals om in te zetten op een rustige bejegening waarin zij woorden geven aan de stress en emoties achter het gedrag bij jeugdigen. Traumasensitief werken krijgt zowel binnen zorg als onderwijs steeds meer aandacht. Door het streven van hulpverleners naar het creëren van een veilige omgeving, het bouwen aan een stabiele relatie en hulp bieden bij emotieregulatie kunnen kinderen en jongeren niet alleen in de behandelsetting, maar juist ook binnen het dagelijks leven op school en op de leefgroep nieuwe positieve en steunende ervaringen opdoen. Om echt aandachtsvol te kunnen werken, is het essentieel dat we de focus verleggen en kijken naar de oorzaken van het gedrag dat een jongere laat zien en niet slechts naar het probleemgedrag zelf. We zien jongeren en ouders in hun totaliteit: Wat vinden ze leuk? Wat kunnen ze wel? En wie of wat is belangrijk is het leven van het kind? We sluiten aan bij de positieve factoren in het leven van de kinderen en hun ouders vanuit het principe “alles wat je aandacht geeft groeit”. Jongeren hebben door hun ervaringen vaak een zeer negatief beeld over zichzelf en hun omgeving.
Door te werken aan talentontwikkeling, perspectief en toekomstontwikkeling (onderwijs, vrije tijd) kunnen we hen helpen om dit beeld te veranderen. De nadruk ligt op de successen en de groei die de jongeren en ouders doormaken. Aandacht voor hulpverleners is daarbij net zo cruciaal als voor de jongeren zelf. Het is onvermijdelijk dat er in het werken met deze jongeren spanningen, conflicten en soms onveilige situaties ontstaan. In plaats van het toepassen van repressie39, is de uitdaging voor hulpverleners om jongeren te begrenzen vanuit aandacht en in te zetten op verbindend gezag en geweldloos verzet. Relationeel begrenzen gaat over nabij komen en constant zoeken, afstemmen op de ander en vragen stellen. Aandachtsvol werken kan alleen als hulpverleners kunnen en mogen kijken naar hun eigen handelen. Het is nodig dat dit gesprek plaatsvindt tussen hulpverleners, dat we ruimte maken om te leren en dat dit gebeurt in een omgeving waarin we niet oordelen en men zich veilig voelt. Het is belangrijk dat we juiste randvoorwaarden te creëren, zoals tijd en ruimte voor reflectie, intervisie en coaching en het bevorderen van een open en lerende cultuur. Hier spelen de besturen van zorgaanbieders en gemeenten ook een belangrijke rol in. Toch is dat niet altijd voldoende.
Vrijheidsbeperkende maatregelen40 kunnen tijdelijk en incidenteel noodzakelijk zijn als de veiligheid van de jeugdige, de groep of de medewerkers te erg in gevaar komt. Het gaat er dan om dat dit binnen de wettelijke kaders gebeurt, dat de maatregelen vanuit een liefdevolle, aandachtsvolle en trauma sensitieve intentie worden ingezet en dat er in de afweging sprake is van een ‘nee
39 Repressie is het doelbewust schade toebrengen aan een jongere, dan wel het onwettig of willekeurig inperken
van de autonomie van een jongere door een autoriteitsfiguur. 40 Vrijheidsbeperkende maatregelen zijn maatregelen die door een jeugdhulpaanbieder worden ingezet binnen de
jeugdhulpverlening en die daarmee een vorm van vrijheidsbeperking voor het betreffende kind of jongere oplevert, waaronder vastpakken en vasthouden, afzonderen, beperking van bewegingsvrijheid, beperking van communicatiemiddelen (zoals internet), toezicht of controle op communicatiemiddelen (zoals een telefoon), urinecontroles, inzet van deurverklikkers, kamercontrole en cameratoezicht.
Actualisatie bovenregionaal plan september 2024
34
tenzij principe’41. Juridisch gezien blijven vrijheidsbeperkende maatregelen onder strikte voorwaarden mogelijk, zowel vanuit de Wet Zorg en Dwang, de Wet Verplichte GGZ als de Jeugdwet. De inzet hiervan dient zo veel mogelijk ingeperkt te worden en niet meer worden toegepast voor de 12- groep. Het komt voor dat maatregelen die vrijheidsbeperkend zijn om pedagogische redenen ingezet worden. Wanneer dit zorgvuldig afgewogen is en past bij de leeftijdsfase en ontwikkeling van het kind of de jongere, kan dit passend zijn in het kader van de opvoeding (zoals regels en afspraken over bedtijden en telefoongebruik). Echter, generieke maatregelen zijn niet toegestaan. Deze zijn niet afgewogen per kind en dus is er sprake van een vrijheidsbeperking. Breder maatschappelijk debat: risico’s en maatschappelijk tolerantie In plaats van repressie gebruik maken van aandachts- en liefdevolle zorg is een essentiële stap om een verschil te gaan maken voor deze jongeren. Toch moeten we ook realistisch zijn en concluderen dat dit niet altijd voldoende gaat zijn. De af- en ombouw van de gesloten jeugdzorg kent een breder maatschappelijk vraagstuk: accepteren we als samenleving de risico’s die hierbij komen kijken en welke tolerantie hebben we dan met elkaar? Als de gedragsproblemen extremer worden (bijv.
automutilatie, suïcidaliteit en extreme agressie), dan is dat een breder probleem van de hele maatschappij en niet alleen in de JZ+. Welke tolerantie hebben we, en welke oplossingen vinden we in de maatschappij acceptabel? Hoe gaan we hiermee om, ook als het een keer misgaat? En wat betekent dit voor onze wens en visie dat jeugdigen niet meer gaan naar de JJI of de JZ+? De samenleving dient hier transparant, kwetsbaar en realistisch met elkaar over in gesprek te gaan. Een intensieve samenwerking tussen alle betrokken partijen (onderwijs, zorgaanbieder, verwijzer/GI, gemeente, veiligheidsketen) is een vereiste hierin. We lossen niet alles daarmee op, maar dat moeten we dan ook accepteren en niet bij die moeilijkste situaties focussen op de schuldvraag of naar elkaar verwijzen.
3. Uitstroom en nazorg De kinderen en jongeren keren na verblijf op een instelling terug in de context die eerder onderdeel is geweest van de complexe problematiek. Ambulante overstapbegeleiding is noodzakelijk om te zorgen dat de jeugdige dusdanig integraal begeleid wordt (door zowel zorg als onderwijs) dat hij/zij blijft werken aan herstel en zich kan ontwikkelen. Het is belangrijk dat deze ambulante overstapbegeleiding vanuit zowel onderwijs als zorg goed op elkaar aansluiten. We trekken hierbij samen op met de onderwijscoalitie, die als een van haar doelstellingen heeft om zorg te dragen voor een soepele overgang voor de leerling en een doorlopende leerlijn tijdens en na verblijf in een JeugdzorgPlus instelling. Tijdens plaatsing op een residentiele school wordt er al samen opgelopen met de stamschool (of samenwerkingsverband als er geen stamschool bekend is) ten aanzien van het onderwijs voor de desbetreffende leerling. De einde machtingsdatum, dan wel de verwachte uitstroomdatum wordt daarin met elkaar besproken, zodat er ook tijdens plaatsing al gewerkt kan worden met elkaar richting een passende uitstroom en
41 Dat betekent dat vrijheidsbeperking alleen mag worden toegepast als het echt noodzakelijk en passend is.
Bijvoorbeeld als er acute onveiligheid is van de jongere of de mensen eromheen. Of wanneer er geen andere minder strenge opties zijn. De maatregel moet wel redelijk zijn en moet ook helpend zijn in die situatie.
Actualisatie bovenregionaal plan september 2024
35
begeleiding. Indien mogelijk kan er tijdens plaatsing al flexibel meegelopen worden op de stamschool/school van uitstroom. Als er voor de uitstroom naar een passende school in het gespecialiseerd voor leerlingen een geldige toelaatbarheidsverklaring (TLV) ontbreekt, dient deze zo snel mogelijk door de school waar het kind of de jongere ingeschreven staat, aangevraagd te worden bij het desbetreffende samenwerkingsverband.42 Zodra het uitstroommoment in zicht komt, wordt er een maatwerkbegeleiding plan gemaakt voor zowel de zorg als de onderwijsbegeleiding. Deze onderwijsbegeleiding is er niet alleen voor de leerling, maar ook voor de docenten van de stamschool. De totstandkoming van zo’n maatwerkplan gebeurt in samenspraak met alle betrokken: 1. De jeugdige en diens ouders/verzorgers; 2. Voogd (indien aanwezig) 3. De verwijzer 4. De zorg vanuit de instelling 5. De instellingsschool 6. De stamschool 7. Jeugdhulp vanuit de gemeente 8. Eventueel het samenwerkingsverband (indien er geen stamschool meer is of als er extra inzet op onderwijsondersteuning nodig is) 9. Eventueel het informele netwerk (zoals JIM-aanpak) en/of ervaringsdeskundigen Hoe de rolverdeling in het proces er precies uit komt te zien, wordt momenteel samen met de onderwijscoalitie onderzocht.
Voor een goede uitstroom en nazorg, is het belangrijk dat er naar de verschillende leefgebieden van een kind of jongere gekeken wordt. Een goede aansluiting op de vervolgplek, zowel qua wonen, school/werk/dagbesteding als qua vrije tijdsbesteding, is cruciaal voor het laten doorlopen van leer- en ontwikkellijnen. De instelling en school hebben een gezamenlijke visie op hoe de samenwerking met ketenpartners moet worden vormgegeven om een goede aansluiting op de vervolgplek van de jongere of het kind te realiseren. In deze visie wordt meegenomen hoe instelling, school en ketenpartners gezamenlijk inhoud geven aan de zorg en ondersteuning, zodat het de jeugdige in staat is om zijn of haar toekomstperspectief te realiseren. De jongere heeft regie over zijn perspectief en ouders zijn betrokken. Hierbij gelden een aantal uitgangspunten: 1. Support: de jeugdige heeft tenminste één volwassene die er altijd voor hem/haar is en heeft een ondersteunend netwerk van familie, vrienden en/of kennissen 2. Wonen: er is een passende, betaalbare woonplek alleen of met anderen, waar de jeugdige voor langere tijd kan blijven. Als de jeugdige tijdelijk intensieve hoog specialistische zorg ontvangt met verblijf, blijft er verbinding met de woonplek in eigen regio 3.
School & werk: er is een school van herkomst of uitstroom waar de jeugdige naartoe kan of de jongere studeert of werkt, zodat er toekomstperspectief is en blijft.
42
Bij welk samenwerkingsverband vraagt de school een TLV aan? (overheid.nl)
Actualisatie bovenregionaal plan september 2024
36
4.
5.
6.
Vrije tijdsbesteding: de jongere heeft een zinvolle vrijetijdsbesteding zoals een sport, cultuur en/of een bijbaan en een stabiele vriendenkring en ondersteunend netwerk Inkomen: jongeren zijn goed voorbereid op financiële zelfstandigheid en het voorkomen of oplossen van schulden. En als zij het (nog) niet zelf kunnen, is er iemand die dit samen met hen kan doen. Voor 18-/18+ geldt dat er een stabiel inkomen dat voldoende is voor nu en de nabije toekomst. Welzijn: Het gaat mentaal en lichamelijk goed genoeg en de jeugdige heeft het gevoel dat hij/zij de toekomst aan kan. Kinderen en jongeren kunnen bij zichzelf herkennen wanneer het niet of minder goed gaat en dat zij weten waar en bij wie zij dan kunnen aankloppen voor hulp.
Actualisatie bovenregionaal plan september 2024
37
b2 DOS definitie hybride groepen Vastgesteld door bovenregionale stuurgroep d.d. 17 mei 2024 Separate bijlage
Actualisatie bovenregionaal plan september 2024
38
b3 Inventarisatie alternatief aanbod Separate bijlage
Actualisatie bovenregionaal plan september 2024
39