Deel I van het boek Jagerslatijn van Nettie Dekker.pdf
Tekst van het document
nettie dekker
jager s l at ijn m y thes en fabels
over de jacht
knnv uitgeverij
Verantwoording
In Jagerslatijn ligt de focus op mensen die niet-beroepsmatig jagen. Ik noem ze in dit boek hobbyjagers, maar plezierjagers zou ook accuraat zijn. Kunnen we helemaal zonder jacht? Op die vraag zal je in dit boek geen antwoord vinden. Tegelijkertijd blijkt er geen wetenschappelijk basis te zijn voor de jacht. Dit is dan ook geen wetenschappelijk boek. Wel heb ik voor dit boek honderden (media)bronnen en interviews bestudeerd. Daarbij heb ik dankbaar geput uit rapporten en onderzoeken geschreven door wetenschappers en deskundigen. Hun werk vormde mede de inspiratie voor dit boek. Dank jullie wel! Ik leer nog steeds van jullie. Jagerslatijn is een essay waarin ik kritisch kijk naar hoe de jacht in Nederland is ingericht. Het is opiniërend, maar desondanks volledig onderbouwd met bronnen. Voor zover mogelijk heb ik deze bronnen vermeld in de eindnoten. Zoals dat gaat, worden sites aangepast en kunnen online artikelen onvindbaar raken. Weet dat alle bronnen zijn gecheckt in december 2022.
Inhoud Inleiding 13 deel 1 basiskennis 17 Wet- en regelgeving in een notendop 19 Wie heeft het voor het zeggen in onze natuur? 21 Toezicht 34 deel 2 mythes en fabels over de jacht 41 Jacht verlaagt het aantal aanrijdingen 43 Jacht vermindert (of voorkomt) landbouwschade 49 Schade aan de natuur en populatiebeheer 59 Overige claims van jagers 64 deel 3 jachtpropaganda en -lobby 69 deel 4 wat bezielt de jager? 83 Epiloog 95 Eindnoten 97
Inleiding
Jagers, wat voor mensen zijn dat eigenlijk? Het is een vraag die mij al bezighoudt sinds ik me tien jaar geleden ging verdiepen in de jacht. Daarvoor schreef en blogde ik ook al veel over dieren(welzijn) en over hoe mensen met dieren omgaan, maar de focus lag toen vooral op gehouden dieren en huisdieren. Hoe meer ik te weten kwam over de jachtpraktijk, hoe meer ik besefte dat de stem en belangen van in het wild levende dieren nauwelijks doorklinken in de media, terwijl diezelfde media wel veel aandacht besteden aan jagersbelangen. Jarenlang heb ik rondgelopen met het idee om een boek te schrijven over de jacht. Ik wilde meer doen voor in het wild levende dieren dan alleen bloggen over de jacht en over de beeldvorming over in het wild levende dieren. Ik hoop dat Jagerslatijn de stem van die dieren bij meer mensen luider zal laten klinken. Jagers beweren vaak dat mensen alleen maar anti-jacht zijn omdat ze ‘onwetend’ zijn. Ik geloof dat het omgekeerde waar is. Zouden meer mensen meer kennis hebben over ecologie, biologie en over de jachtpraktijk, dan zouden ze juist kritischer worden. 13
Jagen, stropen, beheren, schade bestrijden, het zijn allemaal synoniemen voor precies hetzelfde: een in het wild levend dier doden, hem wegrukken uit zijn omgeving, van zijn soortgenoten, zijn familie, uit de natuur. Niets mis mee, vinden jagers, jachtgezinden en veel natuurorganisaties. Het is gewoon een stukje puur en eerlijk scharrelvlees. En we doen het allemaal heel diervriendelijk hoor. We verstoren de natuur niet, we helpen haar juist! Op hoe dat ‘helpen’ uitpakt, kom ik in Jagerslatijn uitgebreid terug. Feit is dat er nog nooit zo veel gejaagd is als nu. Jacht is allang geen seizoensverschijnsel meer. Jagers jagen het hele jaar door, soms zelfs ’s nachts (met gebruik van kunstlicht). Zij jagen in het broedseizoen en in de zoogtijd. Ook het schieten op zwangere, zogende en heel jonge dieren is onder ontheffing geoorloofd. Daarbij zijn steeds meer soorten vogelvrij. Zelfs jagen op bevers is weer ‘gewoon’. Een beschermde diersoort die nota bene eerder is uitgeroeid door jagers. Nu de jacht- (en boeren-)lobby zich warmloopt tegen de wolf, dreigt datzelfde lot voor deze soort. Feit is dat jagers wettelijk beschermde diersoorten mét toestemming van provincies mogen doden. Hoe dat kan wordt in deel 1 en 2 van dit boek duidelijk.
‘Plezierjacht bestaat niet!’ roept het jagersgilde, ‘Dat ligt in de haven.’ Een van de vele, uitgekauwde oneliners die jagers gebruiken om kritische mensen de mond te snoeren. Jagers gebruiken graag termen als ‘beheer’, ‘schadebestrijding’ en ‘benuttingsjacht’ als eufemismen voor het woord (plezier)jacht. Een bewuste en effectieve tactiek om de discussie te vertroebelen en mensen in verwarring te brengen, zo zal blijken uit deel 3 van dit boek. Welke naam je ook aan hun activiteiten geeft, al deze ‘soorten’ jacht worden uitgevoerd door dezelfde mensen: 14
hobbyjagers. Mensen die de kost verdienen als groenteboer, chef-kok of koning, en in hun vrije tijd graag het veld in trekken om dieren dood te schieten. Op die zeldzame momenten dat jagers toegeven dat ze wel degelijk plezier beleven aan the thrill of a kill, zeggen ze er steevast verontschuldigend achteraan: ‘Maar we doen nog veel méér hoor!’ Een van de problemen van tegenstanders van de jacht is dat (wetenschappelijke) argumenten het steevast afleggen tegen het verhaal dat ‘beheer moet’. In dit boek onderzoek ik de claims van jagers en toets deze aan argumenten van wetenschappers en deskundigen. Gebruiken de jagers gelegenheidsargumenten en drogredenen of zijn er claims die wel hout snijden? Jagers redeneren simplistisch. Last van een dier? Dan maak je hem dood. Probleem opgelost! Een idee waarmee het gemakkelijk scoren is. Maar zo simpel is het natuurlijk niet. De natuur kent nu eenmaal geen leegte. Elke ingreep heeft gevolgen, gevolgen die jagers niet kunnen (of willen) overzien. Zoals een boom meer is dan een stuk hout, is een in het wild levend dier meer dan een stuk vlees. Dat dier is altijd onderdeel van iets groters, een systeem waarin alles in elkaar grijpt. Een dier is er niet voor niets, hij bestaat niet louter voor ons mensen. Hij heeft een rol te spelen, al weten wij niet altijd welke.
Omgekeerd kunnen we dus ook niet weten wat het effect is van de ontijdige, gewelddadige dood van een bepaald dier. Omdat beeldvorming over de jacht afhankelijk is van hoe media omgaan met berichten van jagers, is een belangrijk deel van dit boek ingeruimd voor een onderzoek naar propaganda en de jachtlobby. Hieruit blijkt dat het verhaal van de jagers het in de berichtgeving vrijwel altijd wint van feiten én nuance. Dat concludeert ook Hugh Jansman: ‘Als ecologen kunnen wij deze discussie niet 15
winnen want het gaat vaak niet meer om ecologische feiten.’1 Dit boek heb ik geschreven voor iedereen die houdt van de natuur en van de dieren die in die natuur leven. Het is in het bijzonder bedoeld voor iedereen die wil leren hoe je projachtargumenten kunt pareren en wat je kunt zeggen als een krant weer eens kopt: ‘We moeten (nog) méér schieten, want er zijn gewoon veel te veel ganzen, zwijnen, herten, reeën, enz. enz.’
16
deel 1 Basiskennis
Wet- en regelgeving in een notendop Je hebt dit boek vast niet gekocht om saaie juridische teksten te lezen. Toch is het belangrijk om eerst kort iets te zeggen over wet- en regelgeving voor de jacht en belangrijke begrippen toe te lichten, voor ik kan beginnen aan het ontrafelen van de mythes en fabels.
Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is sinds 1 januari 2017 van kracht. Het doel van de wetgever was het beschermen van de natuur, en de daarin levende planten en dieren. Of dat beschermen ook daadwerkelijk gebeurt, kom ik later op terug. De wet geeft, zo staat in de Memorie van Toelichting te lezen, ook invulling ‘aan artikel 21 van de Grondwet, dat bepaalt dat de zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.’ In de praktijk blijkt dat met deze wet geen sprake is van een strikte bescherming van dieren.
Wildlijst De Wet natuurbescherming noemt vijf soorten als jachtwild: haas, konijn, wilde eend, houtduif en fazant. De 19
wildlijst geldt landelijk en valt onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (lnv). Jagers mogen deze vijf soorten doden zonder dat ze daarvoor een noodzaak hoeven aan te tonen. Voorwaarde is wel dat een soort de ‘jachtdruk’ kan verdragen: de staat van instandhouding moet gunstig zijn.2 Het jachtseizoen is afhankelijk van de soort.3 Tijdens het seizoen mogen jagers in hun eigen jachtveld ongelimiteerd op deze dieren schieten. Dat jachtveld moet wel een aaneengesloten oppervlakte van minimaal 40 hectare hebben. Ook zijn ze verplicht te registreren hoeveel individuen van welke soort ze doden.
Landelijke vrijstellingslijst Het ministerie gaat ook over de landelijke vrijstellingslijst. Vrijstelling betekent dat jachthouders, personen of organisaties die beschikken over jachtrechten, de op de vrijstellingslijst aangewezen soorten het hele jaar door onder voorwaarden mogen (laten) doden in het kader van schadebestrijding. Ze hoeven hiervoor niet vooraf een ontheffing aan te vragen. De soorten die op de landelijke vrijstellingslijst staan zijn: houtduif, konijn, vos, kauw, zwarte kraai en Canadese gans.
Provinciale vrijstellingslijst Ook provincies mogen diersoorten op een provinciale vrijstellingslijst plaatsen, al hebben niet alle provincies zo’n lijst. Drenthe, Flevoland, Groningen en Limburg hebben er geen. Friesland heeft de langste vrijstellingslijst: aardmuis, veldmuis, woelrat, kokmeeuw, zilvermeeuw en roek, op de voet gevolgd door Noord-Holland: knobbelzwaan, meerkoet, spreeuw, gaai en ekster, en Utrecht: spreeuw, grauwe gans, kolgans, smient en ekster. Gelderland noemt drie soorten: roek, woelrat 20
en spreeuw. Zeeland en Noord-Brabant houden het bij twee, respectievelijk spreeuw en wilde eend, en woelrat en veldmuis. Overijssel en Zuid-Holland plaatsten elk één soort op de lijst, respectievelijk roek en smient.
Provinciale ontheffing Jagers kunnen dus al dieren doden op basis van een landelijke of provinciale vrijstelling en tijdens het jachtseizoen (wildlijst). Bovendien kunnen provincies ontheffingen afgeven, bijvoorbeeld voor afschot van diersoorten waarop de jacht niet is geopend, waarvoor geen vrijstelling geldt, voor het schieten buiten het jachtseizoen of voor het gebruik van verboden (dodings)middelen. Hoe dit werkt lees je hierna.
Wie heeft het voor het zeggen in onze natuur? Om het volgende hoofdstuk ‘Mythes en fabels’ goed te kunnen volgen, is het belangrijk om te weten wie welke rol speelt in het ‘jachtsysteem’.4 De landelijke overheid heeft met de invoering van de Wet natuurbescherming de verantwoordelijkheid voor de natuur gedecentraliseerd. Deze is grotendeels overgedragen aan de provincies.5 Zij spelen dus een centrale rol in het toestaan van de jacht met uitzondering van de plezierjacht (de seizoensjacht, ook wel benuttingsjacht genoemd).
Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten Provinciale Staten stellen regels op waaraan faunabeheereenheden en faunabeheerplannen moeten voldoen. Zij zijn ook verantwoordelijk voor de provinciale vrijstellingen. Ook kunnen Provinciale Staten Gedeputeerde Staten (het college van Gedeputeerde Staten) 21
de bevoegdheid geven om aanvullende regels te stellen. Gedeputeerde Staten stellen vervolgens beleidsregels op. Gedeputeerde Staten keuren faunabeheerplannen goed en stellen ontheffingen vast. Hierover verderop meer (zie blz. 29).
Faunabeheereenheid Elke provincie heeft een eigen faunabeheereenheid (fbe). Deze stelt elke zoveel (meestal vijf ) jaar één of meer faunabeheerplannen op, die moeten voldoen aan de beleidsregels die de betreffende provincie heeft vastgesteld. Deze faunabeheerplannen vormen de onderbouwing voor populatiebeheer, schadebestrijding, de uitvoering van de jacht en voor aanvragen voor ontheffingen door fbe’s. Faunabeheerplannen moeten wel eerst goedgekeurd zijn door Gedeputeerde Staten. Geeft de provincie een ontheffing af, dan stuurt de fbe deze op verzoek door naar lokale wildbeheereenheden (wbe’s). Ook andere partijen kunnen een ontheffing aanvragen, bijvoorbeeld een luchthaven of een terreinbeheerder.
Wildbeheereenheid Een wildbeheereenheid coördineert de jagers die binnen haar gebied actief zijn en zijn aangesloten bij die wbe. Een wbe faciliteert jagers bij het uitvoeren van afschot. Ook vraagt ze ontheffingen aan bij de fbe, organiseert ze tellingen en rapporteert ze tellingen en afschotcijfers aan de fbe.
Jagers Individuele jagers voeren het afschot uit. Zij moeten daarvoor wel een jachtakte hebben. Als een ontheffing dat toelaat mogen ze – op basis van een ontheffing – ook op andere manieren dieren ‘bestrijden’, bijvoorbeeld 22
door het schudden van eieren of het vernielen van nesten. In dit boek noem ik hen hobbyjagers, want zij zijn geen jager van beroep. Dit is – in het kort – hoe de verantwoordelijkheden verdeeld zijn over de provincies, fbe’s en hobbyjagers (verenigd in de wbe’s). Het volgende onderdeel gaat over de rol die de verschillende partijen spelen. Ook ga ik dieper in op wat jagers zeggen dat ze doen, wat ze in werkelijkheid doen en zeker ook op wat ze nalaten te doen.
Rol van de provincies Het zijn dus de provincies die gaan over het natuurbeleid, inclusief de jacht. Ik heb het dan over jacht op grond van ontheffing. De twaalf provincies verlenen tientallen ontheffingen voor het doden van dieren, buiten en boven de mogelijkheden die de wettelijke vastgestelde vrijstellingslijst en het reguliere jachtseizoen al bieden. De basis voor deze ontheffingen is het faunabeheerplan van de fbe. Het is de verantwoordelijkheid van de provincies dat deze ontheffingen in lijn zijn met de eisen die de wet stelt. De wet zegt namelijk dat afschot een ultimum remedium is. Een uiterst middel dat uitsluitend mag worden ingezet als alle preventieve maatregelen die genomen zijn niet effectief zijn gebleken. Preventieve maatregelen die provincies vaak nalaten, zoals te lezen is op de website van de provincie Utrecht: ‘Wilde zwijnen veroorzaken relatief veel schade aan de landbouw, onder andere doordat ze de grond open wroeten. Preventieve maatregelen, zoals het plaatsen van schrikdraad, zijn erg duur.’6 De provincie zegt hier min of meer dat ze geen structurele preventieve maatregelen wil nemen. Je zou met het ultimum remedium-vereiste in de wet verwachten dat provincies terughoudend zijn met het 23
afgeven van ontheffingen. Het tegendeel is waar. Zij leggen jagers in de praktijk geen strobreed in de weg en doen soms hun uiterste best om de jacht door niet-professionele jagers te faciliteren. Regelmatig sneuvelen ontheffingen bij de rechter, omdat ze niet voldoen aan de eisen die de wet stelt. Vaak gaat het dan over het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing van de noodzaak van het afschot. Afschot moet een middel zijn om een bepaald doel te bereiken en mag geen doel op zich zijn. Kijken we naar het geheel aan ontheffingen, dan zien we dat inbreuk op de wet de norm is en bescherming de uitzondering. Een ander probleem van de decentralisatie is dat natuur niet ophoudt bij de provinciegrens; in het wild levende dieren kennen geen grenzen. Het kan dus zo zijn dat een dier in de ene provincie wel mag leven, maar in een aangrenzende provincie de kogel krijgt omdat daar een nulstand geldt voor zijn soort. We zien dit bijvoorbeeld bij het wilde zwijn, dat uitsluitend in een aantal vastgestelde gebieden mag leven (al wordt het dier ook daar bejaagd), terwijl in aangrenzende gebieden de nulstand van kracht is. Daar mogen geen zwijnen leven. De decentralisatie zorgt er ook voor dat provincies naar elkaar kijken, bijvoorbeeld bij het bejaagbaar maken van ‘nieuwe’ soorten. Limburg was de eerste provincie die de bever liet bejagen.
Sneuvelden er in de periode december 2018 tot en met april 2019 17 bevers in Limburg, in 2020 waren dat er 30 en in 2021 zeker 80.7 Eenmaal beginnen met afschot betekent in de praktijk: steeds vaker en steeds meer individuele dieren doden (deel 2 ‘Intermezzo – S-curve en draagkracht’, zie blz. 54). In het geval van de bevers lijkt afschot inmiddels geaccepteerd, terwijl de bever toch echt bescherming geniet onder de Europese Habitatrichtlijn.8 Andere provincies haasten 24
zich nu om het voorbeeld van Limburg te volgen. In het kielzog van Limburg gaf Zuid-Holland een ontheffing af voor het doden van bevers,9 al hebben natuur- en dierenbeschermingsorganisaties hier een stokje voor weten te steken. Inmiddels laat ook Gelderland bevers doden. Flevoland en Utrecht lijken afschot van bevers op termijn mogelijk te willen maken. Veel verontwaardiging of discussie is er niet meer over het doden van deze iconische dieren die in 1988 onder enorme media-aandacht werden uitgezet in de Biesbosch. Het doden van bevers lijkt in minder dan vijf jaar tijd doodgewoon te zijn geworden. Ontheffingen zijn vaak een reactie op ervaren (of vermeende) overlast of schade veroorzaakt door een diersoort. Soort, want het gaat hier meestal niet over individuele dieren. Om het melden gemakkelijk te maken hebben fbe’s (digitale) schadeloketten ingericht. Hoog tijd om dieper in te gaan op de rol van de fbe’s in onze natuur.
Rol van de faunabeheereenheden In de praktijk van het natuurbeheer in Nederland is de term faunabeheer een synoniem voor afschot, en dus voor jacht. En dat kan ook niet anders, want in de fbe’s zijn de meeste zetels bezet door jagers, boeren en andere partijen die zelf jagen of jachtrechten verhuren. Dit terwijl de wetgever uitdrukkelijk had aangeven dat ook maatschappelijke organisaties vertegenwoordigd moeten zijn.10 Kijk je op websites van verschillende fbe’s, dan lijkt het alsof zij een maatschappelijk belang dienen. Ga je vervolgens kijken naar de samenstelling van de twaalf fbe’s, dan zie je een heel ander beeld. Het gaat te ver om hier de samenstelling per provincie te ontleden, maar er is wel globaal iets te zeggen over de zetelverdeling binnen fbe’s. Deze gaan naar vertegenwoordigers van jagersclubs: de jagersvereniging (knjv) en de Nederland25
se Organisatie voor Jacht en Grondbeheer (nojg). Ook goed vertegenwoordigd zijn boerenorganisaties. Zij zijn jachthouders (ze beschikken over jachtrechten) en hebben dus financieel belang bij de jacht. Er zijn boeren die zelf jagen, maar zij kunnen hun jachtrechten ook verhuren aan hobbyjagers. Naast de jagersclubs en boeren bestaat de derde groep uit natuurbeherende organisaties, zoals de provinciale Landschappen, Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten, en private grondeigenaren (verenigd in de Federatie Particulier Grondbezit, de fpg). Sporadisch komen we een vertegenwoordiger van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (vng) of het Rijksvastgoedbedrijf tegen. Ook gemeentes en het Rijksvastgoedbedrijf zijn grondbezitters die vrij zijn om jachtrechten te verhuren. Hierbij is belangrijk te weten dat terreinbeherende organisaties vaak samen één zetel delen, terwijl de verschillende jachtgerelateerde en boerenorganisaties elk een eigen zetel bezetten. Alle fbe’s hebben, ten slotte, een ‘onafhankelijk’ voorzitter (zie ‘Intermezzo – Hoe een Tweede Kamerlid voorzitter van een fbe werd’), administratieve ondersteuning en/of adviseurs, vaak ambtenaren van de provincie.
intermezzo – hoe een tweede kamerlid voorzitter van een fbe werd Hoe ondemocratisch fbe’s zijn, blijkt uit het voorbeeld van PvdA’er Henk Leenders. Hij speelde een grote rol in de behandeling van de Wet natuurbescherming in de Tweede Kamer. Terwijl de PvdA in haar verkiezingsprogramma nog had opgenomen anti-jacht te zijn, ontpopte Leenders zich als voorvechter voor de jacht. Hij regelde dat jagers voortaan vooraf moesten aangeven 26
hoeveel dieren ze wilden afschieten. Met een faunabeheerplan in de hand konden (en kunnen) zij vervolgens ongehinderd hun gang gaan. Dankzij bewindslieden van de PvdA (Dijksma en Van Dam) en hun collega Leenders, werden vrijwel alle belemmeringen voor de hobbyjagers uit het wetsvoorstel geschrapt. Als dank voor zijn inspanningen verdiende Henk Leenders een positie als voorzitter van de fbe Noord-Brabant.11 ‘Het paard van Troje is binnengehaald’, merkte SP-Tweede Kamerlid Eric Smaling destijds op. ‘Wat ooit plezierjacht heette, wordt nu “duurzaam oogsten uit de natuur” genoemd.’12 Nederland zet een stap van tweehonderd jaar terug in de tijd in de bescherming van de natuur en in het wild levende dieren, concludeerden Marianne Thieme en Esther Ouwehand. Ze kregen gelijk, zoals zal blijken uit deel 2 ‘Mythes en fabels’. Is er dan in geen enkele fbe iemand te vinden die kritisch is op de jacht of die het belang van het in het wild levende dier vertegenwoordigt? Ja, dat is de Dierenbescherming, met een totaal van 7,5 zetel in de twaalf fbe’s.13 Het is een loffelijk streven dat de Dierenbescherming probeert van binnenuit invloed uit te oefenen ten gunste van de dieren. Maar eigenlijk kan zij niets meer dan aandacht vragen voor preventie, een voorwaarde die al in de wet is vastgelegd.
Of haar stem werkelijk een verschil maakt tussen al die jagers en belanghebbenden bij de jacht is de vraag. Vandaar misschien deze disclaimer op haar site: ‘Met onze deelname keuren wij niet het landelijk en provinciaal beleid en wetgeving omtrent jacht, schadebestrijding en beheer goed. Wij proberen de situatie te veranderen door het doden van dieren die “overlast” veroorzaken om te buigen naar alternatieven die zo min mo27
gelijk dierenleed veroorzaken.’14 Ondertussen wordt haar deelname wel door de jagersvereniging ge- en misbruikt om het publiek ervan te overtuigen dat fbe’s geen jagersbolwerken zijn. Hetzelfde geldt voor vertegenwoordigers van bijvoorbeeld provinciale milieufederaties, die we in enkele fbe’s tegenkomen. Het proces van het benoemen van leden in fbe’s is ondemocratisch en volstrekt ondoorzichtig. Dat geldt ook voor de besluitvorming. Buitenstaanders kunnen op geen enkele manier te weten komen hoe die tot stand komt. Het proces speelt zich volledig achter gesloten deuren af. Het enige wat wij mogen inzien is het eindresultaat van die besluitvorming: het faunabeheerplan. Wie daarin welke stem heeft gehad, weten we niet. Hoe serieus alternatieven voor afschot zijn meegewogen, zoals de Dierenbescherming wil, weten we ook niet. Heel af en toe zien we een glimp van kritiek uit de eigen gelederen van de fbe’s, zoals Natuurmonumenten.
Zij distantieerde zich van het Faunabeheerplan Predatie Fryslân 2022-2026, waarin de jacht op natuurlijke predatoren nog een paar tandjes wordt opgevoerd.15 In november 2021 wisten Natuurmonumenten, het Zuid-Hollands Landschap en de Natuur en Milieufederatie Zuid-Holland de ontheffing voor het doden van bevers in Zuid-Holland van tafel te krijgen.16 Welke conclusies kunnen we uit het voorgaande trekken? Een fbe is geen democratisch orgaan; de leden zijn niet democratisch gekozen. Ze dient geen algemeen of maatschappelijk belang, maar vooral de belangen van de partijen die de meerderheid vormen en dat zijn jagers, boeren en belanghebbenden bij de jacht. De fbe’s houden zich vooral bezig met ‘beheer met geweer’ en nauwelijks met preventieve maatregelen, zoals de wetgever wel heeft voorgeschreven. Hiermee doen ze de wet ge28
weld aan. Je kunt dus concluderen dat fbe’s handelen in strijd met de geest van de wet omdat de wet gericht is op de bescherming. Deze heet niet voor niets de Wet natuurbescherming. Of fbe’s de objectieve autoriteiten op het gebied van in het wild levende dieren zijn die ze pretenderen te zijn, komt in deel 2 ‘Mythes en fabels’ aan bod. In de praktijk werkt het zo dat jagers (en boeren) vragen en dat provinciebesturen draaien. ‘Duurzaam beheer’ is in Nederland synoniem met het op grote schaal doden van in het wild levende dieren. Hoe groot die schaal is, kunnen we nalezen in de verschillende faunabeheerplannen.
Faunabeheerplannen Een van de taken van fbe’s is het opstellen van faunabeheerplannen. De wet verbiedt het doden of verstoren van beschermde diersoorten zonder goedgekeurd faunabeheerplan dat de noodzaak daarvoor aantoont. Hoeveel dieren en welke soorten in deze ‘afschotplannen’ staan, wordt gebaseerd op tellingen die wbe’s aanleveren. Hoe dat tellen er in de praktijk uitziet, kan je lezen in het ‘Intermezzo – De kunst van het tellen,’ zie blz. 30. Het is duidelijk dat jagers belang hebben bij voor hen gunstige tellingen, hoge aantallen dieren van die soorten die ze als jachtbuit beschouwen. Zo kan het dus zomaar gebeuren dat de haas na onderzoek door Wageningse onderzoekers op de Rode Lijst is beland17, terwijl jagers claimen dat er bijna twee keer zoveel zijn.18 Behalve de tellingen van levende dieren om de omvang van een populatie te bepalen, leveren jagers ook cijfers aan over hoeveel dieren ze gedood hebben. Ook hier is er geen sprake van controle of toezicht. Niet op het afschot zelf, en ook niet op de registratie ervan. We moeten maar 29
aannemen dat jagers elk dier dat ze doodmaken netjes registreren.
intermezzo – de kunst van het tellen Exacte tellingen van wilde dieren zijn niet mogelijk; ik ga daar verderop in dit boek dieper op in. Er zijn wel redelijk betrouwbare telmethoden waarmee je een schatting kunt maken,19 maar die methodes passen jagers niet toe. Hoe ze dan wel te werk gaan legt een Veluwse jager uit: ‘Alle zeven wildbeheereenheden gaan eind mei/juni op twee avonden op pad om wilde zwijnen te tellen. (...) De tellingen zijn een sociale activiteit met een groot ons-kent-onsgehalte. De tweede persoon is vaak onbekend met het telgebied en ziet erop toe dat de eerste persoon correct telt en de juiste aantallen opschrijft op het telformulier.’20 Over de willekeur bij tellingen vertelt ook ex-jager Sjaak Kuijpers: ‘Ook wij telden vroeger de reeën aan de tap en bij elke pot bier werden het er meer. Geen haan die er naar kraaide.’21 De tellingen door jagers zijn dus zeer fraudegevoelig, want alleen zij hebben belang bij hoge aantallen dieren van de soorten die ze willen doden. Waar we wel beschikken over tellingen van partijen die geen eigenbelang hebben, zien we soms grote verschillen.
Zo concludeerde Alterra Wageningen dat jagers consequent meer dieren (in dit geval watervogels) tellen dan Sovon onder vergelijkbare omstandigheden.22 Alterra concludeert dat populatieschattingen op nationaal en internationaal niveau betrouwbaarder zijn dan tellingen per deelgebied; wbe’s tellen uitsluitend in deelgebieden. Toen het onderzoek naar de stand van de haas en het konijn in Nederland uitkwam, pleitten jagers opeens wel voor wetenschappelijk onderzoek! ‘De Jagersvereniging 30
wil graag meewerken aan de ontwikkeling van een betrouwbare telmethode voor hazen, reeën, konijnen en eventuele andere diersoorten.’23 Bedenk bij ‘eventuele andere diersoorten’ dat jagers uitsluitend soorten tellen die ze willen afschieten. Impliciet geeft de jagersvereniging hier toe dat de door haar gebruikte telmethodes onbetrouwbaar zijn. Het plotselinge geloof van jagers in de wetenschap moet dan ook gezien worden in het licht van het dreigende totaalverbod op de hazenjacht. Cherry picking, want de jagersvereniging noemde het rapport van de Wageningse onderzoekers over de hazenstand eerder nog ‘feitenvrij en slecht onderbouwd’. De jagers zijn de echte deskundigen; in Wageningen hebben ze geen verstand van jagen. Daar dacht de rechter toch anders over.24 Faunabeheerplannen liggen voor langere periodes vast, meestal voor een periode van vijf jaar. Dat betekent dat fbe’s wel een glazen bol moeten hebben; zij stellen immers doelstanden en afschotquota’s vast in toekomstige jaren. Dat feit alleen al maakt de cijfers waarop fbe’s hun afschotplannen baseren onbetrouwbaar. Ook natuurlijke sterfte wordt (en kan ook niet) worden meegenomen in de cijfers.
Daarbij ontbreekt de wetenschappelijke basis voor de gebruikte telmethodes en de tellingen zelf, concludeert Edgar van der Grift, ecoloog bij onderzoeksinstituut Wageningen Environmental Research, in zijn pleidooi voor science-based faunabeheer25: ‘De wetenschap speelt in het huidige faunabeheer echter maar een marginale rol. Zowel bij het ontwikkelen, uitvoeren als evalueren van het faunabeheer.’ En: ‘De wetenschap kan ook helpen bij het verbeteren van de methoden die nu gebruikt worden om tot een faunabeheerplan te komen. En het 31
valideren ervan, wat tot op heden niet of nauwelijks is gebeurd.’ Faunabeheerplannen ontberen een deugdelijke onderbouwing. Ze zijn gebaseerd op onbetrouwbare cijfers. Bovendien vindt er geen evaluatie plaats van de effectiviteit van afschot. Zit het dan wel goed met de soortenkennis? Hobbyjagers claimen deskundigen te zijn die beschikken over veel kennis over in het wild levende dieren. Ook daar valt het nodige op af te dingen, schrijft zwanenonderzoeker Ton Eggenhuizen in zijn boek De Knobbelzwaan.26 Hij pluisde de informatie over zwanen in de faunabeheerplannen van meerdere provincies door, en vond een flink aantal onjuiste aannames en aantoonbaar foute claims. Zijn conclusie: ‘Faunabeheer zou, zeker als je de belangen in ogenschouw neemt, gefundeerd moeten zijn met wetenschap. De schadesommen die uit de overheidsruif worden betaald, het maatschappelijk debat, de grote risico’s voor het luchtverkeer, de landbouwschade, volksgezondheid en openbare veiligheid (de gronden in de wet waarop ontheffing kan worden verleend), het zijn grote belangen waar je toch een goede bewijsvoering of onderbouwing bij verwacht.’ Eggenhuizen controleerde alleen de informatie over knobbelzwanen, wat de vraag oproept of de informatie over de andere diersoorten wel correct is. Waarom is de kwaliteit van faunabeheerplannen zo belabberd? ‘Er kunnen commerciële belangen spelen.
Er kan onvoldoende budget zijn. Of betrokkenen hebben simpelweg de sterke overtuiging dat een maatregel werkt en vinden testen niet nodig,’27 schrijft Van der Grift. ‘Zij [jagers] zullen nooit objectief onderzoek toelaten,’ denkt milieufilosoof Jozef Keulartz.28 Een soortgelijke conclusie trekt ecoloog Geert Groot Bruinderink: ‘Het kan zijn dat zwijnen ook zonder jagers of afschot duurzaam kunnen bestaan, het is minstens de moeite van het onderzoek 32
waard (...). Binnen de fbe heb ik hiervoor nooit de handen op elkaar gekregen, maar misschien was het wat naïef om dat te verwachten.’ Wetenschap lijkt er voor provinciebestuurders weinig toe te doen, en dat zal waarschijnlijk ook wel zo blijven zolang zij jagersbelangen prioriteren. Of zoals Keulartz het formuleert: ‘Ik vind het krankzinnig dat wij natuurbeheer overlaten aan boeren en jagers die daar alleen maar een eigen belang, namelijk het afschot, bij denken te hebben.’ Concluderend: faunabeheerplannen zijn onwetenschappelijk, op onderdelen onjuist en betrouwbare effectmetingen ontbreken. Het is verbijsterend dat deze plannen toch de basis vormen voor het lot van veel in het wild levende, vaak wettelijk beschermde dieren. Ook allerlei aangenomen relaties tussen de grootte van verschillende populaties en eventuele (dreigende) schade zijn niet bewezen. De effectiviteit van veel genoemde preventieve methoden bij bijvoorbeeld aanrijdingen is nooit aangetoond. Hierover meer in deel 2 ‘Mythes en Fabels’ (zie blz. 41).
Rol van de wildbeheereenheden In een wbe zijn jagers regionaal verenigd. Nederland heeft er ruim driehonderd.29 In deze wbe’s zitten de mensen die het afschot uitvoeren op grond van de ontheffingen die op basis van faunabeheerplannen door de provincies zijn verleend. Ook voeren zij de wildtellingen uit die de basis voor de plannen vormen (zie ‘Intermezzo – De kunst van het tellen’, blz. 30). Het zijn de leden van wbe’s die we het vaakst tegenkomen in de media. Daar vertellen ze zelden over hun corebusiness – het doden van in het wild levende dieren – maar des te meer over wat ze allemaal nog meer doen ... Dat dit een weloverwogen strategie is, bespreek ik verder in deel 3 ‘Jachtpropaganda en -lobby’ (zie blz. 69). 33
Wie denkt dat er duidelijke begrenzingen zijn tussen de verschillende partijen en rollen komt bedrogen uit. Een jager uit een wbe kan ook in een fbe zitten, zo blijkt ook uit een onderzoek van Alterra Wageningen.30 De fbe-secretaris van Noord-Brabant vindt ‘in zijn functie als wbe-voorzitter’ dat je de emotie uit de communicatie moet halen. ‘Er moeten zo’n 1000 ganzen geschoten worden. Omdat dat vooral op zaterdagmorgen vroeg gebeurt en er ook wel eens misgeschoten wordt, is er geluidsoverlast in de woonwijk. Als wbe-bestuurder gaat hij dan niet in op een uitnodiging om daar op een publieksavond voor een zaal vol mensen te komen vertellen waarom dat schieten gebeurt. Dan is er teveel sprake van emotie en kun je niet rustig de feiten neerleggen.’ Deze man levert als wbe’er tel- en afschotcijfers aan de fbe waarin hij zelf zitting heeft. De fbe die zijn cijfers gebruikt bij de totstandkoming van afschotplannen. Plannen op basis waarvan hij als jager aan het schieten slaat. Aanklager, rechter en beul verenigd in één persoon met een jagerspet! We vinden jagers in alle lagen van de overheid, de rechterlijke macht, in het parlement, in de regering en in het koningshuis. Op het platteland zien we dat ze in functies als provincie- of gemeentebestuurder meebeslissen over afschot en jachtrechten. Ook daarover meer in deel 3 ‘Jachtpropaganda en -lobby’.
Voordat we aan deel 2 ‘Mythes en fabels’ beginnen, wil ik eerst nog iets zeggen over het toezicht op de jacht.
Toezicht Wie controleert de jager? Wie houdt in de gaten of die duizenden jagers in de buitengebieden zich aan de regels houden? Het antwoord is: vrijwel niemand. Sterker nog, jagers vinden dat zij toezichthouders zijn.31 De jagersvereniging noemt ‘het houden van toezicht in het veld’ 34
zelfs als een van de taken van een wbe.32 Zij zijn de zelfbenoemde ‘oren en ogen in de buitengebieden’, terwijl hobbyjagers in het dagelijks leven gewoon ondernemer, dokter of onderwijzer zijn. Mensen die in hun vrijetijd graag dieren doodschieten. Wat ze zeker niet zijn, zijn gediplomeerde en gecertificeerde handhavers. Nederland heeft zo’n 2500 groene boa’s, waarvan er 500 werken voor particuliere werkgevers.33 Het toezicht in alle buitengebieden in ons land ligt dus in handen van zo’n 2000 handhavers. Zij moeten er ook op toezien dat 28.000 hobbyjagers zich in ‘ruim twee miljoen hectare jachtgebied’34 aan de regels houden. Er zijn ook wbe’s die zelf een groene boa/jager in dienst hebben.35 Dat een groene boa in dienst van een wbe zijn collega-jagers controleert op overtredingen, lijkt me onwaarschijnlijk. Als je dan ook nog rekening houdt met vaste werktijden en roosters, verbaast het mij niet dat jagers zich gedragen als heer en meester in onze buitengebieden. Verontrustend is dat grondbezitters jagers in één adem noemen met toezicht in buitengebieden en groene boa’s.
Op de site van LandschappenNL staat te lezen ‘dat bescherming van kwetsbare natuur niet kan zonder de inzet van toezichthouders.’36 Dat is waar, maar in de belangenbehartiging trekken ze samen op met onder andere: de jagersvereniging! Jagers vinden dat het toezicht bij hen in goede handen is, maar zij hebben geen handhavende bevoegdheden. En mogen die ook nooit krijgen. De jagersvereniging is geen maatschappelijke organisatie die een maatschappelijk doel – veiligheid in de buitengebieden – nastreeft. Ze vertegenwoordigt maar één belang, en dat is eigenbelang. Zeer zorgelijk is dat de vereniging bij het ministerie van Veiligheid en Justitie lobbyt om jagers via een functie als vrijwillige boa toegang te geven tot het kentekenregis35
tratiesysteem en rijbewijzenregister van de Dienst Wegverkeer.37 Politietaken mogen nooit in handen komen van hobbyjagers die ‘misstanden’ kunnen signaleren ‘op plaatsen waar de politie niet meer komt,’ zoals de jagersvereniging bepleit. Je moet er toch niet aan denken dat jagers zich politietaken gaan toe-eigenen. Ik hoop van harte voor die andere 17.722.131 Nederlanders, dat deze droom van jagend Nederland nooit werkelijkheid zal worden. Wie wil klagen over in het wild levende dieren kan aankloppen bij het digitale loket van de fbe’s. Maar waar klop je aan als je last hebt van jagers? Officieel moet je daarvoor bij een van de omgevingsdiensten zijn. Maar deze zijn alleen tijdens kantooruren open, terwijl jagers meestal in het weekend uit jagen gaan. Kan je ze wel bereiken, dan moet je maar hopen dat ze jouw klacht serieus nemen. Hetzelfde geldt voor de politie. Deze diensten hebben korte lijntjes met de jagers in kwestie (zie ‘Intermezzo – Bij wie moet je zijn als je een klacht hebt over jagers?’).
intermezzo – bij wie moet je zijn als je een klacht hebt over jagers? Bibi Dumon Tak beschrijft in haar boek In een groen knollenland – Een schotschrift tegen de jacht, uitvoerig over haar zoektocht naar iemand die haar klachten over de jagers achter haar huis serieus wil nemen. Schokkend is haar constatering dat de politie zelfs geen idee heeft wat de jagers daar wel en niet mogen doen. Ambtenaren van de Omgevingsdienst blijken koffie te drinken met de lokale jagers en de politie geeft en passant privégegevens van haar door aan diezelfde jagers over wie zij klaagt. Haar conclusie: ‘Niemand controleert wat jagers uitspoken. Bel je de politie, dan zeggen ze: wij hebben niets illegaals gezien. De Omgevingsdienst kan ook niks. Ze hebben ge36
loof ik twee mensen die het hele gebied van Den Helder tot Amsterdam moeten controleren! In het begin dacht ik bij de Omgevingsdienst: nu word ik eindelijk gehoord! Ik had in ieder geval de indruk dat ze best wilden luisteren. Maar uiteindelijk komen ze met het advies: ga ’s met die jagers praten. De provincie doet echt helemaal niets. Kijk je naar de politiek, dan zie je veel cda en andere jachtgezinde partijen. Een paar mensen hebben het voor het zeggen in zo’n landelijke omgeving. Het is lastig om iets tegen de jacht te beginnen, omdat deze zo verweven is met de politiek, boeren, overheden … Het is een gesloten bolwerk. Ik werd gewoon genegeerd. Dat gekke wijf …’38 Nederland kent geen grote, actieve anti-jachtbeweging. Alleen Animal Rights trekt regelmatig het veld in om jachtpartijen te filmen. Dit tot grote ergernis van jagers, want van pottenkijkers houden ze niet. Dat ervoer ook schrijver Jeroen Siebelink, die eens meedeed aan de verstoring van een hazenjacht: ‘Normaal nemen jagers de benen, maar deze groep zocht ons op. Ze probeerden ons te intimideren, kwamen heel dichtbij, ze schreeuwden en ze filmden ons. Daarna belden ze een meute jonge boeren. Met een cordon trekkers wachtten ze ons op bij onze auto’s en fietsen. Leiders met haat in de ogen, passief-agressief, volgers die er aandoenlijk bij stonden. Ze achtervolgden ons, reden ons klem, later nog eens.
Tot op de snelweg bleven ze naast ons rijden. Boodschap: “Jullie komen hier nooit, nooit meer terug.”’39 Jagers hebben doorgaans korte lijntjes met de politie, weten ook de hunt saboteurs van Animal Rights: ‘Terwijl de hunt saboteurs vanaf de openbare weg vastleggen hoe de mannen hazen en fazanten doodschieten, komt de politie aanrijden: ze zijn gebeld door de jagers.’40 Dat belangen 37
van jagers zwaarder wegen dan grondrechten van niet-jagende burgers, werd duidelijk in de Hoeksche Waard. Daar verbood toenmalig cda-burgemeester Govert Veldhuijzen in 2019 tweemaal een demonstratie van Animal Rights tegen de ganzenjacht.41 De politie vertelde de demonstranten dat hij (de burgemeester) ‘demonstraties tegen de jacht niet langer accepteert.’ Ze maande de actievoerders om de gemeente te verlaten. Maar iedereen heeft het recht om vanaf de openbare weg naar jagers te kijken en jachtpartijen te filmen. Animal Rights diende daarom bezwaar in bij een interne bezwaarcommissie van de gemeente. Die gaf Animal Rights gelijk. Of de politie in dit soort gevallen bewust de kant van de jager kiest of dat dat voortkomt uit een gebrek aan kennis over de jacht durf ik niet te zeggen. Agressie en machtsvertoon van jagers die zich gestoord voelen bij hun bezigheden komt vaker voor. Zo weet Jessica Smit van Animal Rights: ‘Eén jager gooide een stok in onze richting toen hij het zat begon te worden.42 In 2020 oordeelde de Raad van State dat de jachtakte van een jager terecht was ingetrokken.43 De man rende twee jaar eerder met zijn geweer in de hand op twee boa’s af.
‘Pas toen ze riepen dat ze van de politie waren nam de dreigende houding af.’ Woede en frustratie waren deze jager blijkbaar niet vreemd, getuige het feit dat hij eerder een vogelaar had bedreigd: ‘Ineens zag ik dat deze man voor mijn auto en voor mijn camera langs kwam rennen en richting het portier van mijn auto kwam. Hij rukte met geweld het portier open en daagde mij uit om te vechten. Het was een heel bedreigende situatie.’ Houd deze jager in gedachten als je straks ‘Intermezzo – De zaak van de e-screener’ (zie blz. 40) leest. Jagers zijn nooit agressief – vinden ze zelf; zij zijn slachtoffer van agressie van omstanders! Zo ook in Zuid-Holland, waar ze hun klachten ‘zowel mondeling [weer die korte lijntjes!], als via de zogenoemde social 38
media’ neerlegden bij de provincie. ‘Ons hebben berichten bereikt van bedreigingen. Daarnaast worden uitvoerders van ons beleid stelselmatig hinderlijk gevolgd, gefilmd en gefotografeerd. Tenslotte vindt er regelmatig verbale en non-verbale agressie plaats in de vorm van provocaties en beledigingen.’ Het bracht de provincie ertoe om 5200 euro uit te geven aan een agressietraining aan jagers.44 Toen de Partij voor de Dieren wilde weten hoe vaak en welke vormen van agressie de afgelopen twee jaar hadden plaatsgevonden tegen jagers, hoe dit was vastgelegd en geregistreerd en door wie die informatie werd beoordeeld, moest de provincie toegeven dat er helemaal geen registratie plaatsvindt van agressie tegen jagers.
Maar, meldt ze: ‘Sommige wildbeheereenheden werken wel aan de opbouw van dossiers.’ Ik ben benieuwd wat de Autoriteit Persoonsgegevens daarvan vindt … Terecht vroeg fractievoorzitter van de Partij van de Dieren Carla van Viegen zich af wie de burger tegen de agressie van jagers beschermt: ‘Veel mensen in Zuid-Holland hebben echter te maken met agressie dóór jagers … Bent u met ons van mening dat geweld en agressie door jagers extra gevaarlijk kan zijn, omdat zij gewapend zijn en dit tot ernstige gevolgen zou kunnen leiden?’45 Terwijl de provincie zich wel verantwoordelijk acht voor jagers ‘omdat zij … ons provinciale beleid uitvoeren’, is ze van mening dat agressie van jagers naar anderen toe niet haar verantwoordelijkheid is, maar een zaak voor de politie. ‘Worden mensen die te maken hebben met geweld door jagers op enigerlei wijze ondersteund door de provincie?’ De provincie maakt onderscheid tussen agressie gepleegd door jagers en mogelijke agressie tegen jagers, was haar conclusie. En dit is willekeur. Alle burgers zijn gelijk, maar hobbyjagers zijn iets gelijker dan jij en ik. (Zie ‘Intermezzo – De zaak van de e-screener’.) 39