Concept brief DORDRECHT beoordeling plan van aanpak 8-4 moestuinen Chemours v1.pdf
Tekst van het document
Chemours Netherlands B.V. t.a.v. de heer F. van Dorsten/ mevrouw A.A.J. Lemaire Baanhoekweg 22 3313 LA DORDRECHT
Uw melding van
31 juli 2024
Verzenddatum
xxx
Uw kenmerk Reactie op
D-24-2449446
Zaaknummer
Z-24-448711
Onderwerp
Besluit over plan van aanpak
Ons kenmerk
D-xx
moestuinen, gemeente Dordrecht
Behandeld door
(Gelieve bij correspondentie dit nummer te vermelden)
Mevrouw J. Wiers
Geachte heer Van Dorsten/ mevrouw Lemaire, Op 27 november 2024 is het navolgende rapport door de gemeente Dordrecht en de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid ontvangen. Het betreft een aangepaste versie van het plan van aanpak voor moestuinen in de regio Zuid-Holland Zuid. Het plan van aanpak is ook gezonden naar de provincie Zuid-Holland, omdat de provincie bevoegd gezag Wet bodembescherming is voor de overige gemeenten in Zuid-Holland-Zuid. De provincie ZuidHolland zal separaat reageren. Titel rapport
:
Plan van aanpak Moestuinen nadere detaillering
Opsteller
:
Projectorganisatie Moestuinherstel
Kenmerk
:
Versie 8.4
Datum
:
26 november 2024
Bevoegd gezag De gemeente Dordrecht is van mening dat de PFOA-verontreinigingen in haar gemeente zo niet volledig, dan toch grotendeels na 1 januari 1987 zijn veroorzaakt. Op bodemverontreinigingen veroorzaakt na 1 januari 1987 en vóór 1 januari 2024, zijn de artikelen 13, 27, 88 en 95 van de Wet bodembescherming (Wbb) van toepassing. In artikel 3.2a van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet staat dat bovengenoemde artikelen van de Wbb van toepassing blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet. De gemeente Dordrecht is op basis van artikel 88 Wbb voor haar eigen grondgebied zelf bevoegd gezag Wet bodembescherming. De provincie Zuid-Holland is bevoegd gezag Wet bodembescherming voor de gemeenten Papendrecht, Sliedrecht en Molenlanden. Deze brief geldt dus niet voor het plan van aanpak, voor zover dat geen betrekking heeft op (het grondgebied van) de gemeente Dordrecht. De provincie Zuid-Holland zal separaat reageren.
Het plan van aanpak is ingediend in navolging van artikel 13 en artikel 27 van de Wet bodembescherming (Wbb). Deze brief is op basis van deze artikelen opgesteld. Besluit Met betrekking tot het plan van aanpak versie 8.4 geven wij de in deze brief beschreven aanwijzingen. Dit omdat wij de aanpak van de moestuinen/volkstuinen belangrijk vinden. Wij behouden ons het recht voor om in een later stadium aanvullende aanwijzingen te geven. Dit besluit wordt gepubliceerd. Bezwaar Ingevolge artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht kunnen belanghebbende(n) een gemotiveerd bezwaarschrift indienen tegen dit Besluit. Dit moet geschieden binnen zes weken vanaf de dag waarop het Besluit verzonden is aan de aanvrager, onder vermelding van “Bezwaar Wbb” in de linkerbovenhoek van zowel de envelop als het bezwaar. Het bezwaar dient te worden gericht aan het college van burgemeester en wethouders van gemeente Dordrecht, p/a Service Centrum Drechtsteden, ter attentie van afdeling JKC, Postbus 619, 3300 AP Dordrecht. Tevens kan er bij de Voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een voorlopige voorziening worden gevraagd ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht juncto hoofdstuk 20 Wet milieubeheer juncto artikel 2 van bijlage 2: bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak van de Algemene wet bestuursrecht.
De stukken die betrekking hebben op de beschikking liggen gedurende deze termijn ter inzage in het gebouw van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, Johan de Wittstraat 140 te Dordrecht. U kunt hiervoor telefonisch een afspraak maken [078] 770 85 85. Onze openingstijden zijn van 9:00 tot 16:00 uur op werkdagen. U kunt de stukken ook opvragen op onze website (www.ozhz.nl). Via 'Snel regelen' kunt u onder het kopje 'Bodem' bodemrapporten opvragen. Eerder besproken versies plan van aanpak en onze brief over uitvoering pilots Op 31 juli 2024 hebben wij versie 7.9 van dit plan (d.d. 14 juni 2024) ontvangen. Op 10 september 2024 hebben wij in onze brief met kenmerk D-24-2458523 de ontvangst bevestigd en de beoordeling uitgesteld tot na uitvoer van de pilots. De indiener heeft over het plan van aanpak diverse malen overleg gevoerd met de provincie Zuid-Holland. Dit heeft geleid tot een nieuw plan van aanpak versie 8.4 dat wij op 27 november 2024 ter beoordeling hebben ontvangen. Daar waar in deze brief aan het plan van aanpak wordt gerefereerd, wordt op deze versie gedoeld. Beoordeling invulling zorgplicht (artikel 13 Wet bodembescherming) Wij zijn van mening dat met het plan van aanpak geen volledige invulling aan de zorgplicht wordt gegeven.
Het plan van aanpak voorziet alleen in beschermingsmaatregelen ten aanzien van gezondheid voor gebruikers van moestuinen/volkstuinen die verontreinigd zijn met PFOA en gelegen binnen het door Chemours gedefinieerde werkgebied (gemeenten Dordrecht, Papendrecht, Sliedrecht en Molenlanden).
2
Het plan beoogt onbeperkte consumptie uit moestuinen/volkstuinen weer mogelijk te maken. Daarmee voldoet het plan van aanpak, met betrekking tot de moestuinen/volkstuinen binnen het door u gedefinieerde werkgebied, alleen aan het zorgplichtaspect "het ongedaan maken van de directe - gezondheidskundige - gevolgen van de verontreiniging". De in het plan van aanpak voorgestelde werkzaamheden voldoen nadrukkelijk niet aan het zorgplichtaspect: "herstel van de bodemkwaliteit/het ongedaan maken van de bodemverontreiniging". Dit geldt voor zowel de grond als het grondwater. Dit geldt zowel voor de moestuinen/volkstuinen als voor het overige met PFOA verontreinigd gebied. Het plan van aanpak voorziet ook niet in de aanpak van de directe gevolgen van de PFOA verontreiniging buiten de moestuinen/volkstuinen. Onze instemming met het plan van aanpak betekent daarom nadrukkelijk niet dat wij van mening zijn dat hiermee in voldoende mate is voldaan aan de zorgplicht. Wij behouden ons het recht voor om in een later stadium aanvullende aanwijzingen te geven. Ter onderbouwing van bovenstaande en in reactie op het plan van aanpak merken wij het volgende op: 1)
Uit artikel 13 van de Wbb volgt dat Chemours verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar kunnen worden gevergd teneinde de verontreiniging of de aantasting (van zowel grond en grondwater) en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. In het plan van aanpak staat: "De invulling van artikel 13 Wbb houdt in dat met de voorgestelde maatregelen in het PvE alle maatregelen worden genomen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd om de meest schadelijke gevolgen van de aanwezige PFOAverontreiniging in de regio Dordrecht zo veel mogelijk ongedaan te maken." Ook staat in het plan: "De eventuele gezondheidsrisico’s als gevolg van de PFOAverontreiniging, uitgaande van de op dit moment bekende gegevens op basis van de blootstellingsscenario’s zoals berekend door het RIVM, beperken zich hoofdzakelijk, zo lijkt het, tot locaties waar producten uit moestuinen geconsumeerd worden." Verderop in het plan staat: "Met de voorgestelde aanpak binnen de verschillende zones worden alle mogelijke maatregelen genomen om de aanwezige PFOA-verontreiniging in het omschreven gebied zo veel mogelijk ongedaan te maken." De verontreinigde grond in de moestuinen/volkstuinen wordt niet volledig verwijderd, alleen de teeltlaag wordt vervangen. Het uitgangspunt van de zorgplicht is volledig herstel van de bodemkwaliteit.
Herstelmaatregelen in het kader van de zorgplicht zijn niet primair gericht op het mogelijk maken van functies maar op het herstel van de situatie zoals deze was voordat de verontreiniging werd veroorzaakt. De invulling van de begrippen ‘redelijkerwijs’ en ‘zo veel mogelijk’ is lokaal maatwerk.
3
In het plan van aanpak wordt enkel ingegaan op het wegnemen van gezondheidsrisico's van moestuinen/volkstuinen in Dordrecht, Papendrecht, Sliedrecht en Molenlanden. Voor het niet verder aanpakken van de PFOA verontreiniging worden vier obstakels (complexiteit gebied, alleen ontgraven is geschikte techniek, schaarste grond, afwezigheid gezondheidsrisico’s) nader toegelicht. Wij merken hierbij op dat de vierde reden (afwezigheid gezondheidsrisico’s) op zichzelf geen obstakel voor herstel is. De overige argumenten zijn slechts beperkt uitgewerkt. Het redelijkheidsbeginsel uit de zorgplicht is derhalve onvoldoende afgewogen voor de gehele PFOA-verontreiniging en de directe gevolgen daarvan. Onze instemming met het plan van aanpak betekent daarom nadrukkelijk niet dat wij van mening zijn dat hiermee in voldoende mate is voldaan aan de zorgplicht. Wij behouden ons het recht voor om in een later stadium aanvullende aanwijzingen te geven.
Beoordeling voorgestelde maatregelen Hieronder volgt de inhoudelijke beoordeling van het plan van aanpak. Eerst is het plan samengevat en wordt een algemene opmerking bij de beoordeling gemaakt. Vervolgens worden aandachtspunten behandeld die bij onze beoordeling hebben geleid tot het geven van aanwijzingen. Bij elk aandachtspunt wordt eerst het plan met onze overweging hierbij behandeld en vervolgens de hieruit volgende aanwijzing gegeven. Samenvatting plan Het plan van aanpak voorziet in maatregelen voor moestuinen/volkstuinen die belast zijn met PFOA. Door de aanwezigheid van PFOA in de bodem wordt door het RIVM geadviseerd om consumptie uit eigen moestuin te beperken. Het doel van de maatregelen is om onbeperkte consumptie uit eigen moestuin weer mogelijk te maken. Als actiewaarde waarboven maatregelen nodig zijn, wordt een PFOA-gehalte in de grond van 2,3 μg/kg d.s. gehanteerd (advieswaarde voor hergebruik van grond in moestuinen, RIVM 2021). Als in het slootwater, dat wordt gebruikt voor irrigatie, de waarde van 0,35 μg/l PEQ wordt overschreden (advieswaarde voor irrigatiewater, RIVM 2024), wordt een alternatieve bron van watervoorziening (leidingwater/ grondwater) aangebracht. De maatregel voor de grond bestaat uit het aanbrengen van een teeltlaag van 0,5 meter geschikte grond.
Afhankelijk van de lokale situatie wordt, indien nodig, voor het aanbrengen eerst grond ontgraven. Indien een dikte van 0,5 meter praktisch niet uitvoerbaar blijkt, of leidt tot te grote zettingen of bodemdaling, wordt een minimale teeltlaagdikte is van 0,3 meter gehanteerd, waarbij een signaallaag wordt aangebracht in de vorm van geotextiel of gaas. Hieronder wordt nader ingegaan op onderdelen van het plan waarop wij een aanwijzing geven. Eerst wordt per aandachtpunt aangegeven wat in het plan staat, onze beoordeling hiervan en daarna de aanwijzing. Algemene beoordeling Het plan van aanpak bevat niet alleen een opsomming van de te nemen maatregelen, maar ook diverse hoofdstukken met betrekking tot communicatie, organisatie van de projectorganisatie etc.
4
Deze onderdelen vallen buiten het beoordelingskader en zijn daarom niet in deze beoordeling opgenomen. Onderstaand worden alleen de onderdelen van het plan van aanpak die wel binnen het beoordelingskader vallen besproken en worden de aanwijzingen benoemd die wij in dit verband geven. Wij benadrukken dat het ongedaan maken van de PFOA verontreiniging zoals in het plan van aanpak is beschreven uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de hierna volgende aanwijzingen. Aandachtspunt 1 - Plan In bijlage B, beslisschema 1 en 2 staat dat de keuze van een 0,5 meter of 0,3 meter teeltlaag ook afhankelijk is van de inrichting, instemming eigenaar en aansluiting op infrastructuur en objecten. Verder wordt in het beslisschema de kans op ontoelaatbare zetting en gemiddeld hoogste grondwaterstand aangehaald, maar wordt niet onderbouwd waarom dit een belemmering is voor de gewenste dikte van 0,5 meter van de teeltlaag. Ook staat in het plan aangegeven dat beslisschema 2 niet meer is dan een algemene leidraad en dat naar een dikte van 0,5 meter wordt gestreefd, tenzij dit om duidelijke redenen niet mogelijk is. Het begrip "duidelijk" wordt niet nader toegelicht.
Aandachtspunt 1 - Overweging Afwijken van een teeltlaagdikte van 0,5 meter is in eerste instantie alleen toegestaan vanwege geotechnische redenen (zoals draagkracht van de bodem) en niet op voorhand vanwege inrichting of aansluiting op infrastructuur of objecten. De eigenaar dient, als dit geotechnisch mogelijk is, een teeltlaag van 0,5 meter aangeboden te krijgen. Als deze hier om eigen redenen niet mee instemt, dan kan met inachtneming van deze brief overgegaan worden op de minder robuuste maatregel van 0,3 meter teeltlaag met signaallaag. De geotechnische onderbouwing voor het afwijken van een 0,5 meter dikke teeltlaag is nu onvoldoende uitgewerkt. Aandachtspunt 1 - Aanwijzingen Afwijken van 0,5 meter dikke teeltlaag mag alleen volgen uit geotechnische redenen of uit eigen redenen van de eigenaar van de locatie. Indien om geotechnische reden wordt afgeweken van een dikte van 0,5 meter dan dient 4 weken voor de uitvoering van de maatregel de reden van afwijking en (geotechnische) onderbouwing hiervan te worden ingediend. De onderbouwing dient minimaal te bestaan uit een generieke zettingsberekening per bodemtype. De keuze om vanwege geotechnische redenen af te wijken behoeft instemming van het bevoegd gezag.
Indien om eigen redenen van de eigenaar wordt afgeweken van een dikte van 0,5 meter dan dient bij de startmelding van de maatregel ook de schriftelijke instemming van de eigenaar met de minder robuuste 0,3 meter teeltlaag te worden bijgevoegd. Aandachtspunt 2 - Plan In het plan van aanpak staat dat het algemene advies is 0,5 meter grond aan te brengen met een hergebruikswaarde die geschikt is voor moestuinen (PFOA <2,3 μg/kg d.s. en voor andere stoffen klasse landbouw/natuur). Aandachtspunt 2 - Overweging
5
Er zijn situaties waarbij hetgeen in het plan voorgesteld is niet volledig voldoet aan vigerende weten regelgeving. Dit geldt met name voor grond die afkomstig is van buiten de regio. Het regionale hergebruiksbeleid geldt alleen voor grond uit de regio en hier wordt aan voldaan. Maar voor grond van buiten de regio gelden andere (landelijke) regels. Aandachtspunt 2 - Aanwijzing De kwaliteit van de grond moet tenminste voldoen aan de kwaliteitsklasse landbouw/natuur (andere stoffen) en voor PFOA geldt een maximale waarde van 2,3 μg/kg d.s. Grond van buiten de regio Zuid-Holland Zuid, die wordt toegepast, dient ook voor de stof PFOA te voldoen aan het landelijke beleid en landelijke norm (Besluit activiteiten leefomgeving en Besluit bodemkwaliteit). Aandachtspunt 3 - Plan en overweging In het plan van aanpak staat aangegeven dat tijdens de uitvoering bijgehouden wordt welke moestuinen aangepakt zijn en welke maatregelen in verschillende moestuinen zijn genomen. De projectorganisatie brengt dit zorgvuldig en overzichtelijk in kaart. De registratie van genomen maatregelen en eventuele restricties worden aangeleverd aan de bevoegde gezagen. In het plan staat niet aangegeven wanneer deze gegevens worden aangeleverd aan het bevoegd gezag.
Aandachtspunt 3 - Aanwijzing U dient binnen 3 maanden na uitvoering van de maatregelen voor elke tuin of tuinencomplex een (standaard) evaluatie conform BRL 6000, protocol 6001 in te dienen, met daarbij een kadastrale kaart waarop de tuin is aangegeven en de genomen maatregel (teeltlaag van 0,5 meter of teeltlaag van 0,3 meter met signaallaag en indien van toepassing locatie alternatieve bron van watervoorziening). Aandachtspunt 4 - Plan en overweging In het plan van aanpak is geen aandacht besteed aan de nazorg en gebruiksbeperkingen die voor de locaties gelden na het aanbrengen van de teeltlaag. Daardoor is er onvoldoende borging dat de teeltlaag in stand wordt gehouden en dat niet dieper dan de teeltlaag wordt gegraven/geploegd. Aandachtspunt 4 - Aanwijzing Bij de startmelding van de aanpak van een tuin, de tuinen of tuinencomplex dient ook een afschrift van een document te worden aangeleverd waaruit blijkt dat de eigenaar van de tuin/tuinencomplex zich bewust is van de nazorg en gebruiksbeperkingen die gelden na de maatregelen; dit zijn het in stand houden van de teeltlaag en niet dieper graven/ploegen dan de teeltlaag. Aandachtspunt 5 - Plan In zone 3 wordt in 13 clusters van circa 10 moestuinen bodemonderzoek naar PFAS-gehalten in moestuinen uitgevoerd.
Hiermee wordt getracht een zo goed als mogelijk representatief beeld te krijgen in de spreiding en verdeling van de bodemkwaliteit van de tuinen. De onderzoeksstrategie is gebaseerd op de NEN 5740. Indien oppervlaktewater als irrigatiewater wordt gebruikt, wordt ook een monster van dit water genomen. Aandachtspunt 5 - Overweging
6
Op basis van de resultaten van het onderzoek kan worden beoordeeld of hiermee een representatief beeld is verkregen. Ook zijn de conclusies op voorhand niet bekend. Het onderzoek en de conclusies behoeven derhalve instemming van bevoegd gezag. Aandachtspunt 5 - Aanwijzing Het onderzoek dient na uitvoering daarvan te worden ingediend bij bevoegd gezag. Daarbij dient ook aangegeven te worden welke conclusies door u worden getrokken ten aanzien van de tuinen/tuincomplexen die volgens u maatregelen behoeven en welke dus onder het plan van aanpak vallen. In overleg wordt besproken of het totaal aan onderzoek representatief is en of verder onderzoek nodig is bij niet onderzochte tuinen. Overige aanwijzingen In aanvulling op bovenstaande aanwijzingen worden wij graag op de hoogte gehouden van de voortgang van het project. Hiertoe zijn de volgende aanwijzingen opgenomen: 1)
Een week voor de start van de uitvoering van de maatregelen dient een startmelding per tuin/tuincomplex bij ons te worden gedaan;
2)
Afwijkingen op het plan dienen terstond gemeld te worden;
3)
U dient bovengenoemde gegevens in te dienen bij de OZHZ (via de website; ozhz.nl/snelregelen). OZHZ is voor de uitvoering van de bevoegd gezagstaken Wbb gemandateerd door het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht;
4)
Wij worden maandelijks actief geïnformeerd over de voortgang van de pilots voor zover deze betrekking hebben op (het grondgebied van) gemeente Dordrecht;
5)
Wij worden na de pilots elk kwartaal actief geïnformeerd over de voortgang van de aanpak.
Als laatste wijzen wij u erop dat nog andere regels van toepassing kunnen zijn voor de activiteiten die u uit gaat voeren. Zo dient het toepassen van grond afzonderlijk te worden gemeld via het DSO-loket. U dient zich ook aan de overige regelgeving, die mogelijk van toepassing is, te houden. Indien u met betrekking tot het voorgaande nog vragen heeft, kunt u contact opnemen met mevrouw J. Wiers T [078] 770 3128. Bij afwezigheid kan contact worden opgenomen met de heer R.T.A. Hakkeling T [078] 770 3119. Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht, namens dezen, R.J.G. van Lange manager unit Juridisch Advies en Ondergrond van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid
7
Bijlage: Kopie:
Provincie Zuid-Holland
8