CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage raadsvoorstel - Extra toelichting op Wmo aanpassingen.pdf

Dordtse Dinsdag – Beeld- en oordeelsvormende commissies 10 februari 2026, gemeente DordrechtBij agendapunt: 4: Vaststellen verordening sociaal domein Dordrecht - Raadsvoorstel2.500 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage raadsvoorstel: Extra toelichting op Wmo aanpassingen Wijziging aanvraagprocedure Het toegangsproces voor Wmo-maatwerkvoorzieningen bestaat uit twee delen, namelijk (1) Melding en (2) Aanvraag. Het meldingsproces start met een digitaal meldingsformulier en dit deel van het proces duurt wettelijk maximaal zes weken. Het aanvraagproces start eventueel na de meldings- en onderzoeksfase van zes weken. Deze fase duurt twee weken. De start van het aanvraagproces kan op dit moment op twee manieren plaatsvinden, namelijk via een ondertekend onderzoeksverslag of via een aanvraagformulier. Onlangs waren we op werkbezoek in de gemeente Rotterdam en zij hadden een derde mogelijkheid, namelijk het mondeling indienen van de aanvraag tijdens het huisbezoek. Dit verlicht de administratieve druk (vooral bij inwoners) en maakt het mogelijk om snel te schakelen als de situatie tijdens het huisbezoek voldoende duidelijk is. Wij stellen voor om deze optie toe te voegen aan de werkwijze in de Drechtsteden. In artikel 4:1 Awb is het volgende opgenomen:

“Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, wordt de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen.” Dat betekent dat een bepaling in de Verordening (wettelijk voorschrift) nodig is om hiervan af te wijken, maar dat het wel mogelijk is. De voorgestelde wijziging is bedoeld om dit mogelijk te maken. Wijziging herindicatieproces Sinds het ontstaan van de regionale Sociale Dienst Drechtsteden (SDD) geven wij beschikkingen af voor huishoudelijke ondersteuning en later ook voor begeleiding en dagbesteding. Daarbij was altijd het uitgangspunt dat wij geen langdurige indicaties afgeven en de situatie steeds proactief onderzoeken om te beoordelen de ondersteuning nog nodig is na afloop van de indicatie. Dit zorgt voor twee knelpunten. Enerzijds is het een zware belasting voor inwoners met een levenslange en levensbrede ondersteuningsvraag. Zij zijn bij elk moment van herindicatie bang om hun ondersteuning kwijt te raken. Dit zorgt voor stress en alle gevolgen die dit voor deze doelgroep met zich meebrengt. Aan de andere kant zijn de beleidskaders vanuit gemeenten steeds meer gericht op het “normaliseren” en “inzetten op zelfredzaamheid en participatie” voor de inwoners die dit kunnen. Het huidige herindicatieproces biedt onvoldoende focus op de beleidsuitgangspunten.

Bovendien zijn er de landelijke ontwikkelingen die een rol spelen in het proces van herindiceren. Zo is in 2024 de landelijke Richtlijn voor Passend beschikken verschenen, waar we vanuit de Drechtsteden aan hebben meegewerkt. Daardoor is herindiceren in een ander daglicht komen te staan. Daarom stellen we voor om het proces van (her)indiceren te herzien. Daarbij verdelen we de cliënten in drie hoofdgroepen, met elk hun eigen benadering. 1. Inwoners met een acute, maar tijdelijke ondersteuningsvraag 2. Inwoners met een ondersteuningsvraag én ontwikkelperspectief, waarbij de verwachting is dat zij op termijn weer zelfstandig, zonder maatwerkondersteuning kunnen functioneren. 3. Inwoners met een beperking waardoor professionele ondersteuning levenslang en levensbreed nodig is.

Om deze nieuwe werkwijze rechtmatig uit te kunnen voeren is een wijziging van artikel 3.3.9 integrale verordening sociaal domein nodig. Belangrijk om op te merken is dat dit voorstel gaat over de maatwerkvoorzieningen Wmo en dan met name over individuele begeleiding en dagbesteding en in mindere mate over huishoudelijke ondersteuning. Beschermd Wonen en Opvang vallen buiten de reikwijdte van dit voorstel, omdat de beleidsvorming hiervoor niet bij de GR Sociaal ligt. Het voorgestelde nieuwe proces voor herindiceren Doelgroep Inwoners met een acute, maar tijdelijke ondersteuningsvraag. Dit is vaak het geval bij kortdurende problemen van inwoners die even geen andere oplossing kunnen organiseren. De indicatie is dan kortdurend omdat het probleem van tijdelijke aard is, of omdat de inwoner even tijd nodig heeft om een eigen oplossing te vinden.

Inwoners met een ondersteuningsvraag én ontwikkelperspectief, waarbij de verwachting is dat zij op termijn weer zelfstandig, zonder ondersteuning kunnen functioneren. Of inwoners waarbij de verwachting is dat zij op termijn met lichte ondersteuning vanuit het voorveld of het netwerk kunnen functioneren.

Inwoners met een beperking waardoor professionele ondersteuning levenslang en levensbreed nodig is, maar waarbij nog geen sprake is van 'behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht'2.

Voorbeeld

Indicatie

Evaluatie

Einde indicatie

Bijvoorbeeld huishoudelijke ondersteuning na botbreuken. Maar ook kindzorg als ouders even tijd nodig hebben om een oplossing in hun netwerk te vinden. Of kortdurende intensieve begeleiding bij een live event.

We verstrekken een tijdelijke indicatie in verband met de kortdurende ondersteuningsvraag, al dan niet ter overbrugging tot de inwoner een eigen oplossing heeft gevonden.

Geen evaluatie nodig. De indicatie zal voor 3-6 maanden worden afgegeven met een kortdurende doelstelling op de tijdelijke en acute problematiek.

Er zal geen contact op worden genomen bij de einddatum van de indicatie, omdat het een kortdurende ondersteuningsvraag betreft.

Voordat de indicatie afloopt (4 maanden van tevoren) ontvangt de inwoner een brief dat de einddatum van de indicatie nadert.1 We gaan ervan uit de ondersteuningsvraag in voldoende mate is opgelost en de doelen zijn behaald. Mocht dit niet het geval zijn kan de inwoner óf de aanbieder een melding doen met een nieuw ondersteuningsplan en onderbouwing welke doelstellingen nog niet behaald zijn en wat daar nog op nodig is. De consulent zal deze melding onderzoeken conform de wet en regelgeving.

Bijvoorbeeld inwoners die als gevolg van ggzproblematiek ondersteuning nodig hebben bij het op orde brengen van het huishouden, maar dit na aanleren van planvaardigheden weer zelfstandig kunnen.

De inwoner ontvangt een indicatie voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Hier ligt een ondersteuningsplan aan ten grondslag met concrete doelstellingen en de verwachte duur om deze behalen.

Gedurende de lopende indicatie worden evaluaties ingepland. De frequentie en inhoud van de evaluaties is onder andere afhankelijk van de onderliggende problematiek, het ontwikkelpotentieel en de duur van de indicatie. De evaluatie is gericht op de vraag of de aanbieder en inwoner op koers liggen om de doelstellingen binnen de gestelde tijd te behalen.

Bijvoorbeeld inwoners die vanuit zware problematiek op het gebied van autisme of dementie langdurig ondersteuning nodig hebben en waarbij geen verwachting bestaat op afschaling of ontwikkeling.

De inwoner krijgt een indicatie voor ondersteuning vanuit de maatwerkvoorzieningen Wmo. Er ligt een ondersteuningsplan aan ten grondslag waarin beschreven wordt dat er levenslange en levensbrede ondersteuning nodig is, waarbij eveneens de doelstellingen van de ondersteuning scherp worden benoemd.

Gedurende de lopende indicatie worden evaluaties ingepland. De evaluatie is gericht op de kwaliteit van de ondersteuning en de vraag of het wettelijk kader nog steeds het best passende kader is (onderzoek naar bijvoorbeeld overgang Wlz, of behandeling vanuit ZVW).

Deze indicaties worden in principe levenslang en levensbreed afgegeven. Deze zullen alleen worden gewijzigd op het moment dat uit de evaluaties blijkt dat de Wmo ondersteuning niet langer de best passende ondersteuning is.

Voor deze drie groepen stellen we voor om, op basis van normaliseren, het proces in te richten op een manier die past bij de ondersteuningsvraag en de beperkingen. 1

Er wordt onderzocht of het technisch mogelijk een parallel bericht aan de zorgaanbieder te sturen om te voorkomen dat de inwoner tussen wal en schip raakt. 2 Wlz-algemeen: Hoe werkt de Wet langdurige zorg? | Verzekerde zorg | Zorginstituut Nederland

Aanpassen berekening pgb-hulpmiddelen Voor pgb-hulpmiddelen hebben we bij de herijking van de Verordening in 2023 een nieuwe systematiek ingeregeld. Daarvoor waren de pgb-tarieven erg hoog in vergelijking tot de markttarieven voor hulpmiddelen. Dit hebben we geprobeerd bij te stellen, maar dit proces blijkt qua uitvoering tijdsintensief en arbeidsintensief voor zowel consulenten als de hulpmiddelenleveranciers. Daarom stellen we voor om een wijziging in de berekening toe te passen die het proces vereenvoudigt, maar tegelijk zorgt voor redelijke en marktconforme pgb-tarieven. Technische wijziging naar aanleiding van wijziging van de Regeling dienstverlening aan huis De wijziging van de Regeling dienstverlening aan huis (hierna: Rdah) zorgt ervoor dat vanaf 1 januari 2026 zorgverleners die werken via een pgb recht krijgen op uitkeringen zoals de WW en de Ziektewet. Nu vallen zij nog onder de zogeheten Rdah, waardoor ze geen recht hebben op deze werknemersverzekeringen. De WW en enkele andere wetten worden met dit wetsvoorstel aangepast. De aanleiding is een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. De rechter oordeelde dat de uitzondering op de verzekeringsplicht leidt tot indirecte discriminatie op grond van geslacht, omdat veel pgb-zorgverleners vrouw zijn. Het wetsvoorstel maakt een einde aan de uitzonderingspositie van deze pgb-zorgverleners.

De wijziging van de wet Rdah heeft betrekking op cliënten met een zorgverlener die:  geen ZZP'er is  niet in dienst is bij een instelling  3 dagen of minder per week ondersteuning levert  uit het netwerk van cliënt komt, maar niet 1ste of 2de graad familie is  een arbeidscontract met cliënt heeft Het Pgb tarief moet vanaf 1 januari 26 worden opgehoogd met het percentage werkgeverlasten (gemiddeld 20%) om in overeenstemming met de wet en jurisprudentie te handelen.

Minimale financiële impact Op 1 januari 2026 zijn er in totaal 44 lopende indicaties in alle Drechtsteden gemeenten die onder de reikwijdte van de wetswijziging vallen. Uitgaande van een gemiddeld uurtarief en gemiddelde tijdsindicaties zijn de kosten n.a.v. de wetswijziging minimaal €18.500 per jaar. Hierbij is enkel rekening gehouden met lopende indicaties op 1 januari 26 en niet met indicaties die mogelijk verlengd worden of nieuwe indicaties die ingaan vanaf 1 januari 26. Uit de voorjaarsnota is gebleken dat gemeenten gecompenseerd worden naar aanleiding van de wijziging van de Regeling dienstverlening aan huis. Er zal hiervoor structureel elk jaar 1,8 miljoen in het gemeentefonds worden gestort. Wasservice als algemene voorziening In de huidige verordening staat de wasservice nog als algemene voorziening benoemd. Aangezien deze voorziening op dit moment alleen bestaat als maatwerkvoorziening, wordt aan gemeenten geadviseerd om deze bepaling te schrappen in het hoofdstuk “Algemene voorzieningen” van de verordening. Het onderdeel “wassen” binnen de Wmo-huishoudelijke ondersteuning (HO) wordt op dit moment geleidelijk ondergebracht bij een wasservice, grotendeels uitgevoerd door Drechtwerk. Het blijft

voorlopig wel een maatwerkvoorziening. In de huidige verordening tekst is abusievelijk vooruitgelopen op het streefdoel om de wasservice als algemene voorziening aan te bieden. Echter, die capaciteit kan de wasservice op dit moment niet bieden. Naar verwachting duurt het nog een jaar voor de wasservice de HO-cliënten in alle Drechtsteden-gemeenten kan bedienen. Wanneer de capaciteit op orde is zullen we de omzetting naar een algemene voorziening opnieuw bekijken. Wijkhopper voorliggend aan Drechthopper Pashouders hebben momenteel de vrije keuze of zij – ook op kortere afstanden – met de Drechthopper (groepsvervoer) of de Wijkhopper (individueel) willen reizen. Deze keuze is nog gebaseerd op de introductieperiode, bij de uitrol van de Wijkhopper in de Drechtsteden sinds 2021. Hoewel nog niet overal, zijn de Wijkhoppers op steeds meer plekken in de Drechtsteden beschikbaar. Ondanks die bredere beschikbaarheid blijft een deel van de reizigers voor korte ritten de voorkeur geven aan de Drechthopper. Soms omdat de Wijkhopper voor hen niet geschikt is, maar vaak ook om minder moverende redenen. Met gevolgen voor het capaciteitsbeslag van zowel de Wijkhopper als de Drechthopper. De tarieven zijn voor beide Hoppers gelijk, zowel qua opstaptarief als kilometertarief.

Zij verschillen daarentegen in reserveringstijd (4 uur vooraf bij de Drechthopper en 1 uur vooraf bij de Wijkhopper), wat de Wijkhopper voor korte spontane ritten een extra voordeel biedt. Blijkens het laatste Klanttevredenheidsonderzoek (2025) is de tevredenheid voor beide vervoersopties hoog, met een kleine plus voor de Wijkhopper, waarbij vooral ook de lengte/duur van de rit hoog werd gewaardeerd (want zonder omrijden of extra tussenstops voor medereizigers).

Besparingspotentieel Door het gebruik van de Wijkhopper voorliggend te stellen boven de Drechthopper voor het vervoer over korte afstanden kan het collectief vraagafhankelijk vervoer in de Drechtsteden efficiënter worden uitgevoerd. Het besparingspotentieel wordt Drechtstedenbreed - bij gelijkblijvend volume van het collectief vervoer in de Drechtsteden en onder de aanname van 15 % verbetering in benutting van de Wijkhopper - ingeschat op €67.000 op jaarbasis. Overigens moet worden opgemerkt dat “voorliggend” niet betekent dat er geen Drechthopper kan worden ingezet door Stroomlijn indien dat – omwille van feitelijke beschikbaarheid of efficiency in de routeplanning – op dat moment beter passend is. Aangezien de Wijkhopper tevens een leer/werkbedrijf is, ontstaat bij verdere groei van de Wijkhopper op termijn ook groei in het leer/werkaanbod.

Voorgestelde wijziging Met het bijgaande wijzigingsbesluit wordt de huidige keuzemogelijkheid voor Drechthopper en Wijkhopper voor korte afstanden voor pashouders uitgesloten, tenzij men niet is staat is om met de Wijkhopper te staat te reizen. De bewijslast hiervoor ligt bij de gebruiker, en dient bij structurele beperkingen ter beoordeling te worden voorgelegd aan de GR Sociaal, waarmee op de uitzondering gemotiveerd kan worden beschikt. Tariefwijziging collectief vraagafhankelijk vervoer (Hoppers) Bij behandeling van de perspectiefnota 2026 is door de raad akkoord gegeven op het gelijkstellen van de eigen bijdrage aan het openbaar vervoer (OV)-tarief. Echter maakt het OV geen onderscheid tussen het opstaptarief in dal en spits, waardoor het ontmoedigen van reizen in de spits (momenteel

1/3 van de ritten) onvoldoende gebeurt. Om het reizen in spitsuren te ontmoedigen, wordt het spitstarief, net zoals in de huidige tarieven, met 40% verhoogd. Tariefsoort

Oud tarief

Opstaptarief dal Opstaptarief spits Kilometertarief dal

€ 0,64 € 1,08 € 0,10

Scenario 1 (gelijk aan OV) € 1,12 € 1,12 € 0,19

Kilometertarief spits

€ 0,18

€ 0,27

Scenario 2 (40% hoger in spits) € 1,12 € 1,57 (+40% t.o.v. € 1,12) € 0,19 € 0,27 (+40% t.o.v. dal tarief € 0,19)

Tabel 1. Overzicht tarifering eigen bijdrage Tijdelijke maatregel 2026 (In afwachting van sociaal fonds per 2027) Per 1 januari 2026 wordt de eigen bijdrage van het collectief vraagafhankelijk vervoer verhoogd. Per 2027 volgen de overige geaccordeerde ombuigingen voor het sociaal domein. Met ingang van het jaar 2027 richt de gemeente Dordrecht een sociaal fonds in voor inwoners, voor wie deze maatregelen het hardst raakt. Ter overbrugging voor het jaar 2026, wordt een tijdelijke maatregel ingezet: het reiskortingsproduct minima. In het voorjaar van 2026 worden de kaders van het sociaal fonds aan u, de raad, voorgelegd. De reiskortingsmaatregel wordt toegekend aan inwoners met een inkomen tot 140% van het sociaal minimum. Dit sluit aan bij de huidige OV-korting van 40% voor daluren abonnement QBuzz (18-67 jaar). Inwoners met een inkomen tot 140% van de bijstandsnorm ontvangen een korting van 40% op zowel het opstaptarief als de kilometerprijs via de Dordtpas. Volgens de cijfers van Stroomlijn reizen inwoners gemiddeld een rit van 5km, waardoor 40% korting lonend is voor inwoners, maar ook om het beoogde besparingsdoel gedeeltelijk te realiseren.

Extra kosten reizigers (Starttarief spits is 40% hoger dan dal en korting 40% minima is op startarief én km-tarief)

Onderaan de streep betaalt een reiziger voor een gemiddelde rit één euro meer in dal en spits. De minima komen per saldo nagenoeg op dezelfde kosten uit (€ 0,11 meer in dal en € 0,23 minder in spits). Op jaarbasis kost het een gemiddelde reiziger (tot 25 ritten per jaar / meer dan de helft van de gebruikers) dan maximaal € 25 euro meer. Een kleine groep reist 100 keer of meer per jaar, voor hen kan het maximaal € 100 tot 150 per jaar meer gaan kosten (in geval van zeer hoog gebruik en geen recht op minimaregeling).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/1067/documents/46196