Bijlage E Stikstofonderzoek voor planMER PDE Dordrecht.pdf
Tekst van het document
Stikstofonderzoek Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 725058 | V2.0 30-07-2025
Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 0
Pondera
Colofon
Hoofdvestiging Nederland
Soort document
Amsterdamseweg 13 6814 CM Arnhem 088 – pondera (088-7663372) info@ponderaconsult.com
Stikstofonderzoek
Postadres
Versienummer
Projectnaam Programma Duurzame Energieopwek (PDE)
Postbus 919 6800 AX Arnhem
V2.0
Datum
Vestiging Indonesië
30-07-2025
Jl. Mampang Prapatan XV no 18 Mampang Jakarta Selatan 12790 Indonesia
Project nummer 725058
Opdrachtgever
Vestiging Zuid-Korea
Gemeente Dordrecht
Suite 1718, Officia Building 92 Saemunan-ro, Jongno-gu Seoul Province Republic of Korea
Auteur Jolien ten Klooster
Nagekeken door
Vestiging Vietnam 7th Floor, Serepok Building 56 Nguyen Dinh Chieu Street Da Kao Ward, Discrict 1, Ho Chi Minh City Vietnam
Roy van Alst
Disclaimer In het onderzoek is gebruik gemaakt van algemeen geaccepteerde uitgangspunten, modellen en informatie die ten tijde van het opstellen van dit rapport ter beschikking stonden. Aanpassingen in de uitgangspunten, modellen of gebruikte gegevens kunnen leiden tot andere uitkomsten. De aard en de nauwkeurigheid van de gebruikte gegevens voor het onderzoek bepalen in belangrijke mate de nauwkeurigheid en de onzekerheden van de berekende uitkomsten. Pondera is niet aansprakelijk voor gederfde inkomsten of schade die wordt geleden door opdrachtgever(s) en/of derden uit conclusies die gebaseerd zijn op gegevens die niet van Pondera afkomstig zijn. Deze rapportage is opgesteld met de intentie dat deze alleen gebruikt wordt door de opdrachtgever en slechts voor het doel waarvoor de rapportage is opgesteld. Er mag geen beroep worden gedaan op de informatie uit deze rapportage voor andere doeleinden zonder schriftelijke toestemming van Pondera. Pondera is niet verantwoordelijk voor de consequenties die kunnen voortvloeien uit het oneigenlijk gebruik van de rapportage. De verantwoordelijkheid voor het gebruik van (de analyse, resultaten en bevindingen in) de rapportage blijft bij de opdrachtgever. De Rechtsverhouding opdrachtgevers – architect, ingenieur en adviseur conform DNR 2011 is te allen tijde van toepassing.
Pondera werkt met een kwaliteitsmanagementsysteem dat door EIK gecertificeerd is volgens de ISO 9001:2015 norm.
Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 1
Inhoudsopgave 1
Inleiding 1.1 1.2
2
3
Aanleiding _______________________________________________________________ 3 Leeswijzer _______________________________________________________________ 3
Juridisch kader 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5
3
4
Omgevingswet - gebiedsbescherming _________________________________________ 4 Onderzoek naar significante gevolgen _________________________________________ 4 Toetsing stikstofdepositie ___________________________________________________ 4 Intern salderen (naar aanleiding van uitspraak 202201311/1/R2 van ABRvS) ___________ 5 Rekenprogramma AERIUS-calculator__________________________________________ 5
Beschrijving project en locatie 3.1 3.2 3.3
4
Locatie en nabijheid van Natura2000-gebieden __________________________________ 6 Projectomschrijving ________________________________________________________ 7 Stappen en fasering van het project __________________________________________ 10
Uitgangspunten berekening 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10
5
6
24
Merwelanden ___________________________________________________________ 24 Polder de Zuidpunt _______________________________________________________ 25 Kildepot ________________________________________________________________ 26 Zeehaven ______________________________________________________________ 27
Conclusie en aanbevelingen 6.1 6.2
11
Rekenjaar ______________________________________________________________ 11 Locatie invoer ___________________________________________________________ 11 Uitgangspunten wegverkeer ________________________________________________ 11 Uitgangspunten mobiele werktuigen __________________________________________ 15 Uitgangspunten en berekening draaiuren voorbereidingsfase ______________________ 18 Uitgangspunten en berekening draaiuren constructiefase _________________________ 19 Uitgangspunten en berekening draaiuren afrondingsfase __________________________ 22 Uitgangspunten en berekening draaiuren exploitatiefase __________________________ 22 Stationair draaien ________________________________________________________ 23 AERIUS-versie __________________________________________________________ 23
Resultaten 5.1 5.2 5.3 5.4
6
28
Zoekgebieden Kildepot en Zeehaven _________________________________________ 28 Zoekgebieden Merwedelanden en Polder de Zuidpunt ____________________________ 28
7 Bijlagen Bijlage 3: Beslisboom
32 1
Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 2
1 Inleiding 1.1 Aanleiding De gemeente Dordrecht onderzoekt nieuwe gebieden voor windenergie, ter voorbereiding van het Programma Duurzame Energieopwek (PDE). De gemeente heeft vier gebieden vastgesteld als mogelijke zoekgebieden voor wind op basis van een haalbaarheidsonderzoek dat is uitgevoerd door Bosch & van Rijn. Daarnaast heeft Bosch & van Rijn een memo1 geschreven waarin ze de gemeente adviseren aanvullend onderzoek uit te voeren. Onderdeel hiervan is een stikstofonderzoek. Onderhavig document is een verslag van het stikstofonderzoek dat voor alle vier de zoekgebieden is uitgevoerd. In artikel 5.1 verplicht de Omgevingswet om vooraf te beoordelen of ingrepen / activiteiten (plan of project) in of in de nabijheid van Natura 2000-gebieden significant negatieve effecten kunnen hebben op de voor deze gebieden aangewezen instandhoudingsdoelen. Mocht sprake zijn van (significant) negatieve effecten dan kan het aanvragen van een vergunning noodzakelijk zijn. Bosch & van Rijn heeft de gemeente geadviseerd om een stikstofonderzoek uit te voeren ter aanvulling op het planMER dat wordt uitgevoerd. Dit onderzoek is nodig ter bepaling van de effecten door stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden in het kader van de milieueffectrapportage. De berekening volgt het detailniveau dat behoort bij een planMER.
De beschrijving van de zoekgebieden is opgenomen in het hoofddocument. Onderhavig document is de bijlage behorende bij de resultaten van het stikstofonderzoek.
1.2 Leeswijzer In dit eerste hoofdstuk is de aanleiding van het project gegeven. In hoofdstuk 2 volgt een omschrijving van het juridisch kader. In hoofdstuk 3 volgt een projectomschrijving, waarin de projectactiviteiten nader worden toegelicht. In hoofdstuk 4 zijn de uitgangspunten voor de AERIUS-berekening toegelicht, voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Tot slot is in hoofdstuk 5 beschreven wat de resultaten van de AERIUS-berekening zijn en wordt een conclusie gegeven over de implicaties voor het project.
1
Van Broekhuizen, L.; Booij, D. Haalbaarheidsonderzoek windenergie Gemeente Dordrecht, Bosch & Van Rijn, versie 2.0, 05-03-2024 Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 3
2 Juridisch kader Binnen de EU worden de belangrijkste leefgebieden van de meest bedreigde en waardevolle soorten en habitattypen aangeduid als Natura 2000-gebieden. Deze gebieden vormen gezamenlijk een Europees ecologisch netwerk om het verlies van biodiversiteit tegen te gaan. De juridische basis voor dit netwerk wordt gevormd door de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, die in Nederland zijn vertaald in de Omgevingswet (Ow). Voor elk Natura 2000-gebied worden specifieke instandhoudingsdoelstellingen vastgesteld voor de aanwezige soorten en habitattypen, gericht op behoud, uitbreiding of verbetering.
2.1 Omgevingswet - gebiedsbescherming Het onderdeel gebiedsbescherming binnen de Omgevingswet biedt de juridische grondslag voor de aanwijzing van Natura 2000-gebieden en de beoordeling van activiteiten die mogelijk negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden. Dit kan zowel betrekking hebben op activiteiten binnen als buiten het desbetreffende Natura 2000-gebied. Het regime voor Natura 2000 heeft een externe werking, wat betekent dat ook moet worden onderzocht of activiteiten buiten het Natura 2000gebied negatieve gevolgen kunnen hebben voor de vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen. Het is verplicht om projecten te beoordelen op hun impact op Natura 2000-gebieden. Projecten die een significante invloed kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn vergunningsplichtig (omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit) volgens art. 5.1 lid 1, onder e, Ow.
2.2 Onderzoek naar significante gevolgen Bij projecten in of in de nabijheid van een Natura 2000-gebied dient in een oriënterende fase (Voortoets) onderzocht te worden of de ontwikkeling een effect op een Natura 2000- gebied kan hebben. Indien na dit onderzoek op voorhand niet kan worden uitgesloten dat de activiteit een significant gevolg heeft, dient meer gedetailleerd dan in de oriënterende fase in kaart gebracht te worden wat de effecten van de activiteit kunnen zijn. Deze analyse heet een ‘passende beoordeling’. Wanneer uit de passende beoordeling (bijvoorbeeld na het nemen van maatregelen, extern salderen of ecologisch beoordelen) alsnog de zekerheid wordt verkregen dat de activiteit geen significant gevolg heeft, staat de Omgevingswet besluitvorming (voor wat betreft gebiedsbescherming) niet in de weg.
2.3 Toetsing stikstofdepositie Wanneer een ontwikkeling op zichzelf geen verhoging van stikstofdepositie veroorzaakt (> 0,00 mol/ha/jaar) bij een Natura 2000-gebied, kan op voorhand worden uitgesloten dat de ontwikkeling een effect heeft op een Natura 2000-gebied. In dat geval is er geen vergunningsplicht onder de Omgevingswet.
Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 4
2.4 Intern salderen (naar aanleiding van uitspraak 202201311/1/R2 van ABRvS) Als een bedrijf dat stikstof uitstoot wil uitbreiden of zijn bedrijfsvoering wil wijzigen, dan moet worden onderzocht of dat gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. Daarbij kunnen de stikstofgevolgen van het nieuwe project worden weggestreept tegen de stikstof die het oude, vergunde project op die locatie al veroorzaakte. Dat wordt intern salderen genoemd. Bij extern salderen wordt de stikstofneerslag van het nieuwe project juist weggestreept tegen de stikstofruimte van een bedrijf op een andere locatie. Voor zowel het intern als het extern salderen gelden voorwaarden. De rechtspraak over het intern salderen bij de beoordeling van de gevolgen van projecten voor de natuur is in december 2024 gewijzigd. In uitspraak 202201311/1/R2 en 202200383/1/R2 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) bepaald dat intern salderen niet meer mag worden betrokken in de voortoets, dus bij de vraag of een natuurvergunning voor een project nodig is. Intern salderen mag wel worden betrokken bij de vraag of een natuurvergunning voor een project kan worden verleend. Het nieuwe beoordelingskader is sinds 18 december 2024 direct van toepassing en heeft gevolgen voor alle lopende en toekomstige vergunningsprocedures.
Maar het heeft ook gevolgen voor activiteiten die tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2025 met toepassing van intern salderen zijn gerealiseerd en waarvoor op grond van het oude beoordelingskader geen natuurvergunning nodig was. Wel geeft de Afdeling bestuursrechtspraak voor deze gevallen een overgangsregeling tot 1 januari 2030. Intern salderen nog wel toegestaan bij de passende beoordeling Er mag nog wel intern worden gesaldeerd in de stap die daarna komt: de passende beoordeling. Om te beoordelen hoeveel stikstof mag worden weggestreept, is inzicht nodig in wat op basis van de oude natuurvergunning of milieutoestemming was toegestaan. Dat wordt de referentiesituatie genoemd. Daarvoor geldt het volgende. Wat er op grond van een natuurvergunning aanwezig is of had mogen zijn, is de referentiesituatie. Soms is er geen natuurvergunning, maar wel een toestemming op grond van milieuregels. Ook daaraan kan een referentiesituatie worden ontleend, maar daarvoor geldt dat dan alleen mag worden uitgegaan van de gevolgen van activiteiten die zijn vergund én feitelijk aanwezig zijn. Structureel onbenutte ruimte in een milieutoestemming maakt geen deel meer uit van de referentiesituatie. Dit betekent dat de mogelijkheden voor intern salderen met een milieutoestemming beperkter zijn dan voorheen.
Dit werkt ook door als er extern gesaldeerd wordt met een milieutoestemming van een gestopt bedrijf.
2.5 Rekenprogramma AERIUS-calculator De stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied kan worden berekend met het verplichte rekenprogramma AERIUS Calculator (versie 2024.2.1)2. Voor elke situatie die moet worden berekend, wordt een model opgesteld met invoergegevens, waarna de berekening wordt uitgevoerd. Op basis van deze invoer bepaalt de AERIUS Calculator zelf de juiste berekening van de bijdrage ten opzichte van de referentiesituatie, indien deze aanwezig is. Daarnaast selecteert het programma zelfstandig de rekenpunten binnen de Natura 2000-gebieden in Nederland. De stikstofdepositie wordt berekend op locaties met stikstofgevoelige habitats in de omliggende Natura 2000-gebieden.
2
De meest recente versie Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 5
3 Beschrijving project en locatie 3.1 Locatie en nabijheid van Natura2000-gebieden Tabel 3.1 geeft een overzicht van de Natura2000-gebieden binnen 25 km van minstens een van de zoekgebieden, met de afstanden tot de zoekgebieden. Figuur 3.1 toont de omliggende Natura2000gebieden op kaart ten opzichte van de zoekgebieden. Tabel 3.1 Afstand zoekgebieden tot Natura2000-gebieden Natura2000-gebied
Afstand tot zoekgebied Merwelanden [km]
Afstand tot zoekgebied Polder de Zuidpunt [km]
Afstand tot zoekgebied Zeehaven [km]
Afstand tot zoekgebied Kildepot [km]
Biesbosch
0,09
0,07
2,96
4,71
Boezems Kinderdijk
8,08
12,52
11,17
8,55
Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein
21,75
> 25
> 25
> 25
Donkse Laagten
6,81
14,51
11,71
13,98
Haringvliet
> 25
16,12
17,29
13,37
Hollands Diep
13,35
1,54
7,87
5,36
Krammer-Volkerak
> 25
1,689
19,49
18,08
Langstraat
18,88
22,04
> 25
24,52
Lingegebied & DiefdijkZuid
15,59
24,75
24,87
> 25
Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem
15,99
24,65
22,42
22,18
Oude Maas
13,28
13,95
6,04
7,81
Oudeland van Strijen
14,89
17,85
6,21
5,79
Uiterwaarden Lek
22,04
> 25
24,44
> 25
Ulvenhoutse Bos
> 25
22,67
> 25
> 25
Zouweboezem
20,32
> 25
> 25
> 25
Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 6
Figuur 3.1 Natura2000-gebieden in de omgeving van de zoekgebieden.
3.2 Projectomschrijving Windturbines Het plan bestaat uit de realisatie en exploitatie van (afhankelijk van het zoekgebied) één, twee of drie windturbines. De afmetingen van de beoogde windturbines staan in Tabel 3.2, en Figuur 3.2 geeft een illustratie. De windturbines hebben elk een opgesteld vermogen van 6 MW. Tabel 3.2 Turbineafmetingen
Eigenschap
Afmetingen (m)
Rotordiameter
170
Tiphoogte (boven maaiveld)
255
Tiplaagte
85
De hoofdonderdelen van de windturbine zijn:
drie rotorbladen (die met de klok mee draaien);
de gondel met generator die de hoofdonderdelen bevat waar de rotor aan bevestigd wordt;
de generator voor het omzetten van de draaiing van de rotorbladen in elektriciteit;
de hub is de naaf waar de rotorbladen aan bevestigd zijn;
de transformator brengt de opgewekte elektriciteit naar een gewenst spanningsniveau (deze wordt onder in de mast, op een betonnen plaat op maaiveldniveau geplaatst). De elektriciteitskabel leidt de opgewekte stroom naar een inkoopstation;
Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 7
bladadaptors, verbinden de rotorbladen met de hub (de ‘neus’ van de windturbine) waarmee de hoek van het rotorblad kan worden aangepast aan de heersende windomstandigheden;
het fundatieblok bestaat uit gewapend beton en wordt ondersteund door palen (hei- of schroefpalen); en
de mast waarop de gondel wordt geplaatst zal rond en conisch gevormd zijn.
Figuur 3.2 Indeling windturbine
Tabel 3.3 Coördinaten windturbine (WKT) in Rijksdriehoekstelsel (RD)
Zoekgebied
Merwelanden
Polder de Zuidpunt
Windturbine
X-coördinaat
Y-coördinaat
M-WT01
111.063,26
425.756,26
M-WT02
112.119,00
425.070,25
M-WT03
112.617,43
424.665,562
P-WT01
104.166,07
418.166,07
P-WT02
103.820,36
417.955,36
P-WT03
103.271,21
416.501,52
Z-WT01
103.336,80
423.201,64
Z-WT02
102.810,25
423.200,25
K-WT01
102.875,40
420.516,45
Zeehaven Kildepot
Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 8
Ondersteunende infrastructuur en bijbehorende voorzieningen Het plan omvat naast de te plaatsen windturbines ook de bij de windturbines behorende voorzieningen, te weten, per turbine:
Een kraanopstelplaats voor bouw en onderhoud. De kraan wordt gebruikt tijdens de bouw, maar kan ook worden ingezet voor regulier onderhoud, bij calamiteiten, of voor demontage. De kraanopstelplaats wordt bij de mast geplaatst en zodanig gepositioneerd dat deze het beste is in te passen in de omgeving. Voor de afmetingen van een kraanopstelplaats is uitgegaan van een conservatieve afmeting van 40 x 60 m (= 2.400 m2).
Een ontsluitingsweg / toegangsweg. De locatie van de windturbine dient voldoende bereikbaar te zijn voor de bouw en voor onderhoud. De windturbines worden daarom vaak verbonden met het openbare wegennet door een toegangsweg. De toegangsweg (ten behoeve van de bereikbaarheid voor grote transportvoertuigen) voldoende draagkrachtig en voldoende breed te zijn (doorgaans 5 meter, uitgezonderd bochten en kruisingen met andere wegen). Omdat nog niet bekend is waar eventuele toegangswegen zullen worden gerealiseerd, is voor onderhavig onderzoek uitgegaan van een lengte van 200 meter en een breedte van 5 meter.
Aansluiting elektriciteitsnetwerk. De windturbine wordt met een ondergrondse kabel verbonden met het aansluitpunt op het elektriciteitsnetwerk. In de turbines zijn faciliteiten geplaatst voor de eerste transformatie (naar 10/33 kV). Er moet een utiliteitsgebouw met inkoopstation (transformatorstation) en SCADA meetsysteem worden gerealiseerd (1 per zoekgebied). Elektrische parkinfrastructuur zoals bekabeling en het inkoopstation zijn (volledigheidshalve) meegenomen in onderhavig berekening.
Tabel 3.4 Verhardingsoppervlaktes voor fundering, kraanopstelplaats en toegangswegen
Onderdeel
Verhardingsoppervlaktes (m2)
Fundering windturbine
1.140,4
Permanente kraanopstelplaats
1.000 (worst case)
Toegangsweg
1.000 (200 x 5 m)
Totaal
1.856,5
Buiten de reikwijdte van dit onderzoek De volgende activiteiten of planonderdelen, die mogelijkerwijs onderdeel kunnen (gaan) vormen van het project, zijn vooralsnog niet meegenomen in de reikwijdte van onderhavig stikstofonderzoek:
permanent hekwerk en/of toegangspoorten;
grondverzet buiten de turbinefundering (zoals voor sloten / afwatering / etc.)
funderingsverhogingen/terpen;
water- en kunstwerken (zoals duikers);
camerasystemen / CCTV-systemen;
groeninpassing en/of landschappelijke inpassing;
systemen ten behoeve van vogel- en vleermuisdetectie
Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 9
3.3 Stappen en fasering van het project De aanleg- en gebruiksfase van het project bestaan grofweg uit de volgende stappen en activiteiten, zie Tabel 3.5. Deze indeling in stappen zal ook worden aangehouden in de verdere beschrijving van de uitgangspunten in paragrafen 4.5 tot 4.8, en in het invoermodel in Bijlage 1. Tabel 3.5 Fasen, stappen en activiteiten in het project
Fase
Stap / activiteit Verkenningsritten
Uitleggen rijplaten Voorbereidende Plaatsen verkeersomleiding fase Aanleg ketenpark Aanvoer materieel Aanvoer bouwpersoneel Dagelijks gebruik van ketenpark Aanleg kraanopstelplaats Constructiefase
Aanleg toegangswegen Aanleg turbinefunderingen Turbinebouw Aanleg parkbekabeling en inkoopstation
Afrondende fase
Opruimen van het terrein, verwijderen tijdelijke werken
Exploitatiefase
Onderhoud, reparatie, inspectie en schoonmaak
Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 10
4 Uitgangspunten berekening 4.1 Rekenjaar Omdat de plannen nog in vroege fase van ontwikkeling zijn, is het nog niet mogelijk om exact te weten in welk jaar te windturbines gebouwd kunnen worden. In veel gevallen neemt het vergunningen- en bouwtraject van windparken meer dan 5 jaar in beslag. Voor onderhavig stikstofonderzoek wordt 2030 aangehouden als rekenjaar.
4.2 Locatie invoer De in te voeren stikstofbronnen in AERIUS dienen te worden gekoppeld aan een locatie, op te geven in het model in een WKT-format3. Er is vanwege de onzekerheid wat betreft de opstelling eerst onderscheid gemaakt in bronnen op:
de aanvoerwegen (verkeersbronnen, zie paragraaf 4.3.1);
de toegangswegen;
de overige (bouw)activiteiten op de turbinelocatie (zoals aanleg fundering en bouw windturbine).
Voor de locatie-invoer wordt verwezen naar Bijlage 2 (insleepbaar in AERIUS).
4.3 Uitgangspunten wegverkeer 4.3.1 Aanrijdroute en heersend verkeersbeeld Met behulp van Google Maps is bepaald wat de meest logische aanrijdroute is voor de verschillende zoekgebieden en de individuele windturbinelocaties. Tabel 4.1 geeft een overzicht van de gehanteerde aanrijdroutes. In Figuur 4.1 zijn de aanrijdroutes gevisualiseerd.
3
WKT - well known text: https://en.wikipedia.org/wiki/Well-known_text_representation_of_geometry. Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 11
Tabel 4.1 Aanrijdroutes
Zoekgebied
Merwelanden
Polder de zuidpunt*
Windturbine
Aanrijdroute (naderingsbeweging)
Aanrijdroute (verlatingsbeweging)
M-WT01
A15 – N3 - Baanhoekweg – Vogelaarsweg – inrit projectgebied
Uitrit projectgebied – Vogelaarsweg – Baanhoekweg – N3 – A15
M-WT02
A15 – N3 - Baanhoekweg – afslag naar links - inrit projectgebied
Uitrit projectgebied – afslag naar rechts – Baanhoekweg – N3 – A15
M-WT03
A15 – N3 - Baanhoekweg – afslag naar rechts – inrit projectgebied
Uitrit projectgebied – afslag naar links – Baanhoekweg – N3 – A15
P-WT01
A16 – Rijksstraatweg – Wieldrechtse zeedijk – Vlaakweg – inricht projectgebied
Uitrit projectgebied – Vlaakweg – Wieldrechtse zeedijk – Rijksstraatweg – A16
P-WT02
A16 – Beerpolderweg – Polder Oudendijk – inrit projectgebied
Uitrit projectgebied – Polder Oudendijk – Beerpolderweg – A16
P-WT03
A16 – Beerpolderweg – inrit projectgebied
Uitrit projectgebied – Beerpolderweg – A16
Z-WT01
A16 – Laan der Verenigde Naties – Mijlweg – Van Leeuwenhoekweg – inrit projectgebied
Uitrit projectgebied – Van Leeuwenhoekweg – Mijlweg – A16
Z-WT02
A16 – Laan der Verenigde Naties – Mijlweg – Wieldrechtseweg – Donker Duyvisweg – Pieter Hoebeeweg – inrit projectgebied
Uitrit projectgebied – Pieter Hoebeeweg – Donker Duyvisweg – Wieldrechtseweg – Mijlweg – A16
K-WT01
A16 – Burgemeester Noorlandstraat – Oude Beerpoldersekade – Wieldrechtse Zeedijk – rechtsaf inrit projectgebied
Uitrit projectgebied – Wieldrechtse Zeedijk – Spinel – Toermalijnring – Aquamarijnweg – Kiltunnelweg – Rondweg – A16
Zeehaven
Kildepot
*De route voor de windturbines in zoekgebied Polder de Zuidpunt is afhankelijk van de draagkracht van de spoorwegovergang en van de breedte van de wegen. Uitgangspunt voor onderhavig onderzoek is dat beide aspecten geen belemmering zullen vormen. Wanneer dit wel het geval is zal de berekening hierop moeten worden aangepast.
Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 12
Figuur 4.1 Aanrijdroutes (bron: bewerkte schermafbeelding van de AERIUS Calculator). Rood = route over een snelweg, oranje = buitenweg of route door de bebouwde kom.
Merwelanden
Polder de Zuidpunt
Kildepot
Zeehaven
Volgens de Instructie Gegevensinvoer moet wegverkeer worden gemodelleerd tot het verkeer is opgegaan in “het heersende verkeersbeeld”. Wanneer hier sprake van is, is niet altijd duidelijk te zeggen. Een grote verkeerstoename tijdens het bouwproces, met een groot aandeel vrachtverkeer, kan (van de projectlocatie en het aansluitende deel van de N3) niet worden beschouwd als onderdeel van het heersend verkeersbeeld. Daarom is aanvoerend verkeer gemodelleerd tot 500 meter op de A15 en de A16, omdat uit de praktijk blijkt dat de snelheid na die oprijdafstand gelijk is aan het heersende verkeersbeeld, en er geen sprake meer is van frequent versnellen of vertragen. Dit is gebruikelijk in dergelijke stikstofonderzoeken in AERIUS.
4.3.2 Bronkenmerken De invoer bestaande uit de verkeersbewegingen is ingevoerd als 5 separate bronnen:
naderingsbewegingen (aanrijden) over de buitenwegen;
verlatingsbewegingen (wegrijden) over de buitenwegen;
verlatingsbewegingen (wegrijden) koude start, over de buitenwegen;
naderingsbewegingen (aanrijden) over de snelweg; en
verlatingsbewegingen (wegrijden) over de snelweg.
Bovenstaande bronnen zijn voor elke windturbine in elk zoekgebied ingevuld.
Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 13
Er is op deze wegen geen sprake van afschermende constructies of tunnels. De hoogteligging is “normaal” t.o.v. maaiveld en de ingevoerde rijrichting volgt de richting zoals beschreven in bovenstaande opsomming. Files op de N3, A15 en A16 komen regelmatig voor (bron: filedata van Rijkswaterstaat4), daarom is er een filepercentage van 10 % aangehouden. Verkeer over deze wegen kent een relatief grote mate van doorstroming, gezien de vrijwel afwezigheid van kruisend verkeer en aangrenzende bestemmingen. Verkeer over de wegen van de aanrijdroute, op de N3, A15 en A16, is ingevoerd als wegtype ‘Buitenweg’. Verkeer over de N3, A15 en A16 is ingevoerd als wegtype ‘Snelweg’ met een maximumsnelheid van 100 km/u (zonder strikte handhaving).
4.3.3 Koude start In AERIUS Calculator wordt per 1 oktober 2024 het verkeer opgesplitst in rijdend verkeer en opstartend verkeer. De emissie van voertuigen met een koude motor zijn bij het opstarten tijdelijk veel groter. Zowel opstarten als de rit dienen apart gemodelleerd te worden. In AERIUS Calculator zijn beide bronnen dan ook apart opgenomen en zijn aan beide bronnen standaardemissies toegekend op basis van gepubliceerde TNO-cijfers. Een ‘koude start’ is het fenomeen dat voertuigen met een koude motor meer emissie uitstoten dan voertuigen met een warme motor. De koude start heeft een overgang richting warme motor die van korte duur is. Vandaar dat bij het opstellen van emissiefactoren de keuze is gemaakt om koude emissie (in gram/koude start) en warme emissie (in gram/km) te scheiden. Uit de publicaties van TNO (de partij die de emissiefactoren na onderzoek publiceert) volgen deze uitgangspunten:
Er is duidelijk onderscheid te maken tussen voertuigen met koude start en rijdend verkeer. Aangezien de koude start beperkt is qua duur, respectievelijk 10 en 30 seconden voor benzine-, LPG- en dieselvoertuigen (zowel licht-, middel- als zwaar verkeer).
In (verkennend) onderzoek van TNO is naar voren gekomen dat binnen de periode van 10 tot 30 seconden de voertuigen nog niet of nauwelijks van hun startlocatie zijn vertrokken. De emissie van de koude start zal op basis van dit onderzoek hoofdzakelijk plaatsvinden rondom de startlocatie van het voertuig en niet op de wegen met doorgaand verkeer.
Na ongeveer 2 uur stilstand (zonder draaiende motor) is de motor weer koud. Dit is van belang voor het toekennen van emissie op locaties waar voertuigen tijdelijk stilstaan, o.a. parkeerplaatsen, laden/lossen.
Koude start hoeft niet te worden meegenomen bij mobiele werktuigen Tijdens het uitsplitsen van de koude start emissies bleek differentiatie van koude start en warme motor bij mobiele werktuigen en schepen geen meerwaarde te hebben. Ten eerste staan de motoren van mobiele werktuigen en schepen vaak lang aan waardoor de verhouding tussen warme en koude emissie anders is dan bij voertuigen. Ten tweede zijn de warme emissies van moderne voertuigen zeer laag, waardoor koude start emissies een substantieel aandeel is van het totaal. Voor de meeste mobiele werktuigen en schepen geldt dit niet/minder. Ten derde vindt de verhoogde koude emissie door de koude start bij mobiele werktuigen op dezelfde locatie plaats als de warme emissies en kunnen zij daarom eventueel in de totaalemissies verdisconteerd worden.
4
https://downloads.rijkswaterstaatdata.nl/filedata/ Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 14
Als laatste geldt dat schepen en mobiele werktuigen met SCR1 een hogere emissie hebben als de motorlast laag is (<20%). Dit is een substantieel deel van de totale emissie en onderdeel van de emissiefactoren. Echter, is de lage motorlast en hoge emissie niet gekoppeld aan de startlocatie, omdat tijdens het gebruik of het traject de motor op verscheidene periodes op lage motorlast draait. De concept Handreiking Koude Start van BIJ125 stelt het volgende: “Tijdens de gebruiksfase zullen middel- en zwaar verkeer voornamelijk af- en aanrijden met een warme motor, aangezien zij de woonwijk slechts kort bezoeken. Echter tijdens de aanlegfase kan er wel gebruik worden gemaakt van middel- en zwaar verkeer. Dit dient meegenomen te worden in de AERIUS berekening met correcte en volledige onderbouwing.” “Voor licht verkeer wordt bij vertrek van locatie aan het einde van de dag in principe één koude start ingevoerd. Een reguliere werkdag duurt immers langer dan twee uur. Indien er meerdere vertrekken in het tijdsbestek van een etmaal plaatsvinden na het stilstaan van het voertuig voor langer dan twee uur met de motor uit dienen deze hierbij opgeteld te worden. Middel verkeer zal voornamelijk af- een aanrijden. Hiervoor geldt als uitgangspunt wel een koude start op de startlocatie bij het starten van de motor indien het voertuig langer dan twee uur stil heeft gestaan met de motor uit.
Aanrijdend of bezoekend verkeer zal in principe niet meegenomen worden, tenzij de koude start op de startlocatie heeft plaatsgevonden en/of het voertuig langer dan twee uur stilstaat met de motor uit op de aankomstlocatie. Voor zwaar verkeer gelden dezelfde uitgangspunten.” In onderhavig stikstofonderzoek zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd met betrekking tot koude starts:
Voor middelzwaar en zwaar vrachtverkeer wordt in beginsel geen koude start toegekend. Hiervoor is gekozen omdat de verkeersbewegingen met vrachtverkeer primair zijn bestemd voor de aanvoer van materialen. De voertuigen worden geladen/gelost en blijven korte tijd (al dan niet met draaiende motor) in het projectgebied. Deze tijd overschrijdt (onder normale omstandigheden) niet de twee uur marge die volgt uit de Handreiking.
Koude starts zijn alleen ingevoerd voor licht verkeer, omdat de lichte verkeersbewegingen primair zijn bestemd voor vervoer van werklieden die gedurende de werkdag (langer dan 2 uur) in het projectgebied verblijven. Koude starts zijn alleen relevant voor wegrijdend verkeer dat vertrekt vanaf de projectlocatie. Daarom is alleen de enkele hoeveelheid ritten ingevoerd (en niet het dubbele aantal, omdat in dit dubbele aantal ook de aanrijdende bewegingen verwerkt zijn).
4.4 Uitgangspunten mobiele werktuigen 4.4.1 Bouwjaar en stage class Voor het bouwjaar dient een “worst case-aanname” te worden gemaakt. Voor het bouwjaar is voor alle werktuigen uitgegaan van de periode 2014-2018 (Stage IV). In de praktijk zal het grootste gedeelte van de mobiele werktuigen die tegenwoordig op bouwprojecten worden ingezet, uit milieuoverwegingen zijn vervangen door zuinigere versies of voorzien van modernere motoren. Inzet van Stage IV mobiele werktuigen is tamelijk uitzonderlijk; de inzet van Stage V mobiele werktuigen komt vaker voor. Daarom kan deze aanname worden gezien als een conservatieve schatting.
5
https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2024/10/Handreiking_koude_start_concept_2_oktober_2024.pdf Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 15
Inzet van stage IV-materieel is conform jurisprudentie voldoende reëel en hoeft derhalve niet geborgd te worden in planregels6.
4.4.2 Motorvermogens Om een realistische inschatting van het vermogen te maken, is voor alle mobiele werktuigen in samenspraak met Pondera’s bouwexperts gezocht naar een veelvoorkomend modeltype van grote werktuigleveranciers. Vervolgens is in de specificaties het motorvermogen opgezocht. Zie het overzicht in Tabel 4.2.
4.4.3 AdBlue-verbruik Uitgangspunt is dat alle werktuigen met vermogens tussen de 56 en 550 kW zijn voorzien van een SCRcompatibele motor. Voor het AdBlue-verbruik is uitgegaan van de standaardwaarden uit de Instructie Gegevensinvoer AERIUS 2024.01 7: 6% van het dieselverbruik voor Stage IV en Stage V werktuigen.
4.4.4 Brandstofverbruik Voor het jaarlijkse brandstofverbruik is gebruik gemaakt van de formule uit de Instructie Gegevensinvoer: (1)
𝐿𝐵𝑃𝐽 = 𝐷 × 𝐵 Waarbij 𝐿𝐵𝑃𝐽 het jaarlijkse brandstofverbruik is (in liters), 𝐷 het jaarlijkse aantal draaiuren, en 𝐵 het brandstofverbruik per uur in liters.
Omdat het ingewikkeld is om in te schatten wat de gemiddelde belasting is, kan er blijkens de Instructie Gegevensinvoer worden uitgegaan van gemiddelden uit tabel 5 van het AUB-rapport van TNO. Omdat het in deze fase tevens nog lastig in te schatten is met welk type aandrijving wordt gewerkt, is gebruik gemaakt van de formule uit het AUB-rapport van TNO (Ligterink et al., 2021) dat dient als algemene inschatting voor een gemiddelde belasting over alle vermogensklassen: 𝐵 = 0,095 × 𝑃
6 7
(2)
+ 0,54
rechtsoverweging 17.1 van de uitspraak ABRS 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1960 (Zandzoom) https://www.aeriusproducten.nl/documenten/publicaties/2024/10/1/instructie-gegevensinvoer-2024
Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 16
Tabel 4.2 Modeltypes ten behoeve van het bepalen van het motorvermogen. Mobiel werktuig
Modeltype
Motorvermogen [kW]
Aggregaat
Honda EPS10000E
10
Autolaadkraan
Kinetic 13R-2X
43
Betonwagen
Volvo
3320
Bronpomp
Stihl WP 900
5,5
Dumper
Volvo A25
157
Graafmachine
CAT M319
128
Grote kraan
Liebherr ECB-125
500
Heistelling
Junttan PMx24
231
Hijskraan
LTM 1030-2.1
209
Kiepwagen
Volvo
200
Mobiele kraan
CAT M314
100
Rupskraan
CAT M314
100
Shovel
CAT 938 M
136
Tractor
John Deere 5095 M
73,7
Verreiker
Manitou MT-1033
75
Voormontagekraan
Liebherr LTM 1250
300
Wals
CAT CD8
75
4.4.5 MUT en ZUT Middelzware en Zware Utiliteitsvoertuigen (MUT en ZUT) zijn middelzware en zware wegvoertuigen die zich op bouwplaatsen begeven en daarbij gebruik maken van de hoofdmotor. Als de hoofdmotor ingezet wordt voor bijvoorbeeld hijsen of kiepen, cement mixen, maar ook voor langzaam rijden (< 15 km/u) en stationair draaien, dan zijn de emissiefactoren voor MUT en ZUT voertuigen van toepassing. De emissie wordt dus berekend op basis van de totale tijd dat het voertuig in stilstand gebruik maakt van de hoofdmotor of wanneer de snelheid lager is dan 15 km/u. Onder MUT (Middelzware Utiliteitsvoertuigen) vallen lichte kiepwagens en andere wegvoertuigen actief op de bouwplaats (tot 19,5 ton maximaal voertuiggewicht inclusief laadvermogen, twee assen). Onder ZUT (Zware Utiliteitsvoertuigen) vallen zware kiepwagens en wegvoertuigen actief op de bouwplaats (meer dan 19,5 ton maximaal voertuiggewicht inclusief laadvermogen, drie of meer assen). MUT en ZUT zijn in AERIUS te vinden onder mobiele werktuigen, helemaal onder in de lijst met stageklassen. Omdat het stationair draaien van MUT/ZUT reeds is meegenomen in de emissiefactoren van deze voertuigen, hoeft stationair draaien voor MUT/ZUT niet apart gemodelleerd te worden.
In onderhavig stikstofonderzoek zijn de volgende werktuigen als MUT gemodelleerd, omdat deze primair bestemd zijn voor wegverkeer en de werkzaamheden verrichten op hoofdmotorvermogen (met een maximumgewicht van 19,5 ton incl. laadvermogen en twee assen):
autolaadkraan
kiepwagen
In onderhavig stikstofonderzoek zijn de volgende werktuigen als ZUT gemodelleerd, omdat deze primair bestemd zijn voor wegverkeer en de werkzaamheden verrichten op hoofdmotorvermogen (meer dan 19,5 ton maximaal voertuiggewicht inclusief laadvermogen, drie of meer assen):
betonwagen
Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 17
4.5 Uitgangspunten en berekening draaiuren voorbereidingsfase N.B.: voor alle invoer geldt dat het is gebaseerd op uitgangspunten, extrapolatie uit historische data, of geschat door bouwexperts binnen de duurzame energiesector. In werkelijkheid kunnen de draaiuren door verschillende factoren, zoals weersomstandigheden en bodemgesteldheid, kleiner of juist groter uitvallen. Ook is het mogelijk dat er voertuigen met andere eigenschappen (SCR, vermogen, etc.) worden ingezet dan opgenomen in de invoer, bijvoorbeeld door problemen met levering of beschikbaarheid.
4.5.1 Verkenningsritten en metingen Voor dit project wordt uitgegaan van 10 verkenningsritten (per zoekgebied) voor landmetingen, plaatsen markers/jalons, visualisaties, inspecties, monsterafname en terreinbezoek. Dit komt neer op een totaal van 20 verkeersbewegingen met licht verkeer.
4.5.2 Uitleggen rijplaten op werkterrein Naar schatting is er ca. 2.000 m2 rijplaten (per turbine) nodig. Aangenomen is een rijplaat van 2,5 bij 1 m lang. In totaal zijn er dan ca. 800 rijplaten nodig. Uitgaande van 40 rijplaten per levering (5 stapels van 8 per oplegger), zijn er 800 / 40 x 2 = 40 ritten (of 20 leveringen) met een autolaadkraan nodig voor het leveren van de platen. De autolaadkraan wordt gemodelleerd als middelzwaar vrachtverkeer voor de aanvoer, en als MUT voor de plaatsingswerkzaamheden. Naar verwachting kan de plaatsing worden uitgevoerd binnen een half uur per levering, in totaal 20 x 0,5 = 10 uur (5 u per turbine).
4.5.3 Plaatsen verkeersomleiding Er zijn 4 ritten (2 retourritten) (per turbine) opgenomen met licht verkeer voor plaatsen van verkeersomleidingsborden.
4.5.4 Aanleg ketenpark N.B. Het ketenpark bedient de aanleg van een heel windpark, onafhankelijk van het aantal turbines. Deze bron is dus voor alle zoekgebieden hetzelfde. Grondwerkzaamheden Er zijn geen grondwerkzaamheden nodig voor het ketenpark. De ketens kunnen direct op maaiveld worden geplaatst. Aanvoer en plaatsen ketenpark units Er is (volgens worst case aanname) uitgegaan van separate aanlevering van alle containers per autolaadkraan. Er worden naar verwachting 12 containers op het ketenpark geplaatst. Dit komt neer op 24 verkeersbewegingen met autolaadkraan (middelzwaar vrachtverkeer) om de units te leveren. Het plaatsen met de autolaadkraan duurt naar verwachting ca. een half uur per container, in totaal dus 6 uur.
Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 18
4.5.5 Aanvoer materieel Voor de aanvoer van het materieel is uitgegaan van 40 ritten met zwaar vrachtverkeer (per turbine). Ook gevallen waarin de mobiele werktuigen zelf naar de locatie rijden zijn gemodelleerd als zwaar vrachtverkeer.
4.6 Uitgangspunten en berekening draaiuren constructiefase 4.6.1 Aanvoer bouwpersoneel Uitgangspunt is dat de werkzaamheden circa 6 maanden duren (per zoekgebied). Aangenomen is een vijfdaagse werkweek, waarbij het dagelijkse personeel via eigen personenauto’s of kleine werkbusjes naar de locatie rijden. Een (conservatieve) schatting is 12 teams personeel per dag, in totaal 12 [teams/d] x 5 [d/wk] x 4 [wk/mnd] x 6 [mnd] x 2 [rit/retour] = 2.880 ritten met licht verkeer (per zoekgebied).
4.6.2 Dagelijks gebruik van ketenpark N.B. Het ketenpark bedient de aanleg van een heel windpark, onafhankelijk van het aantal turbines. Deze bron is dus voor alle zoekgebieden hetzelfde, ongeacht het aantal turbines in het zoekgebied. Ophalen, reinigen en legen werkcontainers De werkcontainers en sanitaire ruimtes worden periodiek opgehaald, gereinigd en geleegd. Uitgangspunt is 1 maal per week gedurende 6 maanden, totaal 24 ritten met een middelgrote vrachtwagen met aanhanger of oplegger. Stroomvoorziening ketenpark De stroomtoevoer van het ketenpark draait 10 uur per dag over de gehele bouwduur (6 maanden à 5 werkdagen per week), in totaal 10 [u/d] x 5 [d/wk] x 4 [wk/mnd] x 6 [mnd] = 1.200 uur. Uitgangspunt is dat er een elektrische aggregaat wordt ingezet (elektrisch oplaadbaar). De aggregaat wordt separaat aangeleverd door een middelgrote vrachtwagen (1 retourrit). Aanvoer overig werkmateriaal Het ketenpark wordt voorzien van overig werkmateriaal, zoals klein handgereedschap, PBM’en en zitmeubilair. Hiervoor zijn 2 vrachten ingerekend (4 ritten met middelzwaar vrachtverkeer).
4.6.3 Aanleg toegangswegen Aanvoer en storten grond en granulaat Voor aanleg van de toegangsweg en de onderhoudspaden zijn grond en menggranulaat. Uitgangspunt is een toegangsweg per turbine van 1.000 m2 oppervlakte (zie ook Tabel 3.3). De benodigde volumes zijn berekend met de volgende uitgangspunten voor de laagdiktes:
Grond: dikte 0,3 m
Menggranulaat: dikte 0,25 m
Onderstaande tabel geeft de benodigde volumes weer. Het aantal benodigde vrachten is bepaald op basis van het uitgangspunt dat een kiepwagen 8 m3 kan vervoeren, en 15 min. nodig heeft voor de stort.
Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 19
Tabel 4.3 Aanvoer en storten grond en granulaat voor toegangswegen
Materiaal
Dikte [m]
Oppervlakte [m2]
Volume [m3]
Aantal retourritten voor leveringen [= totaal aantal ritten per turbine]
Grond
0,3
1000
300
76
10
Menggranulaat
0,25
1000
250
64
8
Cumulatief 140
18
Draaiuren voor stort [u]
* Naar boven afgerond op gehele getallen Graafwerkzaamheden De inzet van mobiele werktuigen (mobiele kraan, shovel, wals) voor de grondwerkzaamheden wordt geschat op 8 uur per turbine (1 werkdag).
4.6.4 Aanleg turbinefunderingen Aanleg mantelbuizen, ankerkooi en bewapening Voor de aanleg van de mantelbuizen, ankerkooi en bewapening moet een gat in de grond worden gegraven van ca. 3 tot 5 m diep. Voor de graafwerkzaamheden worden grote graafmachines en trekkers met dumpers ingezet. Naar schatting kunnen de graafwerkzaamheden per turbine in 3 werkdagen (24 uur) per turbine worden afgerond. Per turbine is er een hijskraan ca. 12 uur in bedrijf om de onderdelen van de fundering te plaatsen. Voor aanlevering van de ankerkooi zijn (per turbine) 4 retourritten van een grote vrachtwagen nodig. De mantelbuizen en het bewapeningsstaal kunnen (per turbine) met respectievelijk 10 en 2 retourritten worden geleverd. Bronpompen Per turbinefundering worden er 3 bronpompen ingezet, die gedurende 3 weken draaien om grondwater af te voeren. Uitgangspunt is dat de bronpomp elektrisch aangedreven wordt. De bronpompen zijn dan ook niet meegenomen in de invoer in AERIUS. Heien Het heien voor een windturbinefundering duurt 60 uur per turbine (1 uur per heipaal, 60 heipalen). De heipalen kunnen per turbine met 20 vrachten worden geleverd. Aanleg bekisting De bekisting past in 2 vrachtwagens per turbine, totaal 4 vrachten voor aan- en afvoer. Een verreiker wordt ingezet voor plaatsen van de bekisting, naar schatting 25 uur.
Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 20
Betonstort De betonstort duurt ca. 4 werkdagen (32 uur) per turbine. Voor de betonstort is inzet van een betonmix/pompwagen vereist. Voor het benodigde beton is het volgende berekend:
De fundering wordt gemodelleerd als cilindervormig
Straal = 11 m
Diepte fundering = 3 m
Laadcapaciteit betontruck = 12 m3
Dit geeft 𝜋 x 112 x 3 / 12 x 2 = 192 ritten met zwaar vrachtverkeer per turbine (naar boven afgerond op even gehele getallen).
4.6.5 Aanleg kraanopstelplaats Voor het aanleggen van de kraanopstelplaatsen is er inzet geraamd van een wals, rupskraan, shovel en kiepwagen, elk naar verwachting 32 uur per kraanopstelplaats. Er zijn 16 retourritten berekend voor de aanvoer van grond en menggranulaat voor de kraanopstelplaatsen.
4.6.6 Sleuven graven voor parkbekabeling Sleuven graven en dichten Voor het graven en dichten van de sleuven van de parkbekabeling is inzet van een rupskraan en kiepwagen ingezet. De benodigde tijd is ingeschat op basis van ervaringen met vergelijkbare projecten, en komt neer op ca. 2 werkdagen (16 uur) uur per turbine. Haspeling van de kabels Het haspelen van de kabels gebeurt door een tractor die de haspel voorttrekt. Voor de tractor met haspel is dezelfde draaitijd aangenomen als het sleuven graven. Plaatsing inkoopstation Er is tot slot (per turbine) ook 4 uur inzet gerekend van een hijskraan, verreiker en autolaadkraan voor plaatsing van het inkoopstation.
Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 21
4.7 Uitgangspunten en berekening draaiuren afrondingsfase 4.7.1 Opruimen van het terrein Voor ophalen van het materieel is hetzelfde aantal verkeersbewegingen geteld als benodigd voor de aanvoer (zie onder 4.5.5). Er is per turbine 4 uur inzet gerekend van een dumper en mobiele kraan voor het verwijderen van excess grond, materiaal en afval.
4.7.2 Verwijderen ketenpark Voor ophalen van de containers op het ketenpark is dezelfde inzet gerekend als benodigd voor de aanleg (zie onder 4.5.4).
4.8 Uitgangspunten en berekening draaiuren exploitatiefase Verkeersbewegingen t.b.v. onderhoud, inspectie, reparatie en schoonmaak zijn bepaald o.b.v. de volgende uitgangspunten;
Onderhoud vindt eens per 3 maanden plaats
Daarbij rijden er maximaal 6 teams personeel voor
Dit geeft een jaarlijkse inzet van 1 [keer/mnd] x 4 [3mnd/jr] x 6 [teams/keer] x 2 [retour] = 48 ritten met licht verkeer (personenauto’s en/of busjes met aanhangers).
Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 22
4.9 Stationair draaien In de Instructie Gegevensinvoer is de “Rekeninstructie stationaire emissies wegverkeer” opgenomen. Bij sommige projecten/initiatieven kan het nodig zijn om het stationair draaien van wegverkeer te berekenen. Dit is van belang als er situaties zijn waarin deze voertuigen regelmatig stationair draaien die geen onderdeel zijn van gewone verkeersbewegingen. Stilstaan voor stoplichten en in files vallen hier dus nadrukkelijk niet onder. Wat hier wel onder valt is stilstaan met draaiende motor op eigen terrein. Bijvoorbeeld als tijdens het laden/lossen de motor draait, of tijdens het wachten op het vrijkomen van een losplaats. De rekeninstructie hanteert een tabel met emissiecijfers die is samengesteld op advies van experts van TNO. De hoogte van de stationaire emissie is gekoppeld aan een emissiefactor afhankelijk van de verkeersklasse (bussen, licht-, middelzwaar- en zwaar verkeer) en jaartal op basis van het snelheidstype ‘stad stagnerend’ en de tijdsduur. Tijdens het laden en lossen draaien de motoren van de vrachtwagens gedurende een lange tijd. De emissievrachten als gevolg van stationair draaien zijn bepaald met de emissiefactoren (in g NOx en g NH3 per uur) voor stationair draaien uit de Instructie Gegevensinvoer AERIUS 2024 voor rekenjaar 2030.
Uitgangspunt is een stationair draaitijd van 5 minuten voor lichtverkeer en 10 minuten voor middelzwaar en zwaar vrachtverkeer. Tabel 4.4 toont de emissie van het stationair draaien voor de verschillende zoekgebieden samengevat. Tabel 4.4 Invoer stationair draaien voor de zoekgebieden Zoekgebied
Emissie NOx
Emissie NH3
Kilogram per jaar
Kilogram per jaar
Merwelanden
14,72
0,16
Polder de Zuidpunt
14,72
0,16
Zeehaven
10,15
0,12
Kildepot
5,57
0,07
Voor de bronkenmerken in AERIUS is uitgegaan van het volgende:
ongeforceerd
geen gebouwinvloed;
uittreedhoogte = 1,2 m;
warmte-inhoud = 0,000 MW;
spreiding = 1 m;
temporele variatie: Standaard Profiel Industrie; en
de locatie is de laad-loslocatie.
4.10 AERIUS-versie Deze berekening is uitgevoerd in AERIUS versie 2024.2.1, op het moment van schrijven (20-05-2025) de meest recente versie.
Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 23
5 Resultaten 5.1 Merwelanden De berekeningsresultaten van het beoogde project zijn vermeld in de Aerius-rapportage met kenmerk RdBpjZJyNT1J dd. 06-05-2025. Uit de berekening volgt dat voor Natura2000-gebied de Biesbosch er sprake is van een grootste toename van 0,36 mol N/ha/jr. Tabel 5.1 Rekenresultaten zoekgebied Merwedelanden Code
Habitattype
Berekend (ha gekarteerd)
KDW (mol N/ha/jr)
ADW (mol N/ha/jr)
Grootste toename (mol N/ha/jr)
(Naderende) overschrijding KDW?
Lg11
Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied
12,54
1.357
2.178,80
0,35
Ja
Lg08
Nat, matig voedselrijk grasland
0,87
1.571
1.714,33
0,07
Ja
Figuur 5.1 Resultaten in AERIUS voor zoekgebied Merwelanden
Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 24
5.2 Polder de Zuidpunt De berekeningsresultaten van het beoogde project zijn vermeld in de Aerius-rapportage met kenmerk Rx8tFCKKz8rU dd. 06-05-2025. Uit de berekening volgt dat voor Natura2000-gebied de Biesbosch er sprake is van een grootste toename van 0,36 mol N/ha/jr. Tabel 5.2 Rekenresultaten zoekgebied Polder de Zuidpunt Code
Habitattype
Berekend (ha gekarteerd)
KDW (mol N/ha/jr)
ADW (mol N/ha/jr)
Grootste toename (mol N/ha/jr)
(Naderende) overschrijding KDW?
Lg11
Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied
12,54
1.357
1.876,22
0,02
Ja
Lg08
Nat, matig voedselrijk grasland
0,87
1.571
1.729,98
0,36
Ja
Figuur 5.2 Resultaten in AERIUS voor zoekgebied Polder de Zuidpunt
Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 25
5.3 Kildepot De berekeningsresultaten van het beoogde project zijn vermeld in de Aerius-rapportage met kenmerk Roo8gp2v6FdA dd. 06-05-2025. Uit de berekening volgt dat er geen Natura2000-gebieden zijn met een berekende grootste toename van ≥0,005 mol N/ha/jr. Figuur 5.3 Resultaten in AERIUS voor zoekgebied Kildepot
Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 26
5.4 Zeehaven De berekeningsresultaten van het beoogde project zijn vermeld in de Aerius-rapportage met kenmerk RdDeEd6z1sSn dd. 06-05-2025. Uit de berekening volgt dat er geen Natura2000-gebieden zijn met een berekende grootste toename van ≥0,005 mol N/ha/jr. Figuur 5.4 Resultaten in AERIUS voor zoekgebied Zeehaven
Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 27
6 Conclusie en aanbevelingen 6.1 Zoekgebieden Kildepot en Zeehaven Uit de resultaten van de AERIUS-berekening volgt dat er voor zoekgebieden Kildepot en Zeehaven geen Natura 2000-gebieden zijn met stikstofgevoelige habitats en/of leefgebieden met een (verwachte) stikstofdepositie van ≥ 0.005 mol N/ha/jr. Daarmee zijn er voor het aanleg en gebruik van een windpark in deze zoekgebieden op voorhand geen effecten te verwachten door stikstofdepositie. Om deze reden is er ook geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit benodigd. Wel wordt geadviseerd om in de verdere planvorming onderhavig stikstofonderzoek te actualiseren. Dit dient in elk geval te gebeuren als er een nieuwe versie van het AERIUS-model uitkomt. Dit gebeurt jaarlijks in oktober. In de geactualiseerde versie dienen in elk geval de locatie en rekenjaar te worden geconcretiseerd. Ook dient de invoer ten aanzien van mobiele werktuigen en verkeersbewegingen geactualiseerd te worden, als er meer bekend is over de bouwfase.
6.2 Zoekgebieden Merwedelanden en Polder de Zuidpunt Voor zoekgebieden Merwedelanden en Polder de Zuidpunt is een grootste toename van respectievelijk 0,35 en 0,37 mol N/ha/jr berekend op Natura2000-gebied Biesbosch. Om deze reden kunnen significant negatieve effecten door stikstofdepositie als gevolg van aanleg (en beperkte uitstoot tijdens de gebruiksfase, o.a. door onderhoudsverkeer) van een windpark in deze zoekgebieden (nog) niet op voorhand worden uitgesloten. In het vervolg van deze paragraaf worden vervolgstappen geschetst voor deze zoekgebieden in relatie tot het aspect stikstof. Geadviseerd wordt om achtereenvolgens de volgende stappen te doorlopen: 1) Mitigatie van uitstoot tijdens de bouwfase 2) Actualiseren van de AERIUS-berekening 3) Procedurele vervolgstappen (salderen, passende beoordeling en aanvraag omgevingsvergunning Natura2000-activiteit)
6.2.1 Mitigatie Geadviseerd wordt om als eerste stap de emissie van stikstof in de bouwfase te mitigeren. Het is aan te raden om al in vroege fase van planvorming mitigerende maatregelen te onderzoeken op kosteneffecten en haalbaarheid. Voor het reduceren van stikstofemissies in de bouwfase bestaan verschillende mogelijkheden:
Emissieloos of emissie-arm bouwen. Emissieloos of emissie-arm bouwen kan door het inzetten van elektrisch of waterstof-gedreven materieel. Elektrische en waterstof-gedreven werktuigen verbruiken geen fossiele brandstoffen. Hierdoor kan er ook geen stikstofoxiden en ammoniak vrijkomen. Wel dient te worden benadrukt dat het aanbod van verhuurders of verkopers van elektrische en waterstof-gedreven mobiele werktuigen nog beperkt is. Ook leiden elektrische en waterstof-gedreven werktuigen in veel gevallen tot hogere kosten voor huur en/of aanschaf (ten opzichte van conventionele fossiele brandstof-gedreven werktuigen), en zijn er logistieke en operationele uitdagingen (zoals het beschikbaar stellen van voldoende laadstroom en de aanvoer van waterstoftanks).
Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 28
Inzet van SCR-capabele mobiele werktuigen. Mobiele werktuigen die zijn uitgerust met een Selective Catalytic Reduction (SCR)-systeem en gebruikmaken van AdBlue (ureumoplossing), kunnen de uitstoot van stikstofoxiden (NOx) aanzienlijk verminderen. In het SCR-systeem wordt AdBlue geïnjecteerd in de uitlaatgassen, waarbij een chemische reactie plaatsvindt die NOx omzet in onschadelijke stikstof en waterdamp. Hoewel SCR niet volledig emissieloos is, kan het in vergelijking met conventioneel materieel de NOx-emissies met meer dan 70% reduceren. Ook worden de emissies van ammoniak (NH₃) beperkt, mits het systeem goed is afgesteld en onderhouden.
Inzet van Stage V mobiele werktuigen en EURO6 vrachtverkeer. Stage V is de meest recente Europese emissienorm voor mobiele werktuigen en stelt strenge eisen aan de uitstoot van schadelijke stoffen zoals NOx en fijnstof. Werktuigen die aan deze norm voldoen, zijn voorzien van geavanceerde uitlaatgasnabehandelingstechnieken zoals roetfilters (DPF) en vaak ook SCRsystemen. Voor het wegverkeer geldt dat vrachtwagens met een EURO 6-motor aanzienlijk schoner zijn dan oudere generaties, met name wat betreft NOx-uitstoot. Het inzetten van Stage V- en EURO 6-materieel tijdens de aanlegfase draagt bij aan een substantiële reductie van stikstofemissies ten opzichte van oudere voertuigen en machines.
Inzet van elektrische of waterstof-gedreven personenauto’s, werkbusjes en vrachtwagens. Elektrische en waterstof-gedreven voertuigen stoten tijdens het gebruik geen stikstofoxiden (NOx) of ammoniak (NH₃) uit, omdat er geen verbranding van fossiele brandstoffen plaatsvindt. Door dit type vervoer in te zetten voor onder meer personenvervoer, materiaaltransport en aanen afvoer van materieel, kunnen de stikstofemissies in de bouwfase aanzienlijk worden beperkt. Net als bij emissieloos materieel geldt dat de beschikbaarheid en inzetbaarheid van deze voertuigen afhankelijk is van de lokale laadinfrastructuur of waterstofvoorziening, en dat de inzet kan leiden tot hogere kosten ten opzichte van conventionele voertuigen.
Logistieke optimalisatie en beperking van transportbewegingen. Het verminderen van het aantal transportbewegingen en het optimaliseren van transportroutes draagt bij aan een lagere uitstoot van stikstofoxiden (NOx). Dit kan onder andere worden bereikt door materialen zoveel mogelijk gebundeld aan te voeren, het gebruik van lokale opslaglocaties (hubs), en het inzetten van efficiënte transportplanning. Minder transportkilometers en efficiëntere inzet van voertuigen zorgen direct voor minder brandstofverbruik en dus minder emissies. Hoewel deze maatregel niet emissieloos is, kan het in combinatie met schoon materieel een belangrijke aanvullende reductie opleveren.
6.2.2 Actualiseren AERIUS-berekening Te allen tijde adviseren wij om onderhavige stikstofstudie te actualiseren, wanneer er meer bekend is over het project en de bouwfase. Ook als er meer bekend is over de eventueel te nemen mitigerende maatregelen uit paragraaf 6.2.1 kan dit mee worden genomen in de geactualiseerde berekening. In de huidige AERIUS-berekening is bovendien gerekend met conservatieve en worst-case schattingen en kengetallen voor de inzet van mobiele werktuigen. Wanneer een gedetailleerder bouwplan beschikbaar is, kan de invoer worden geactualiseerd. Wij adviseren om daarin ook de aannemende partij mee te laten kijken op de details over de technische uitvoering en inschatting van het in te zetten materieel en de hoeveelheid draaiuren.
Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 29
N.B. Herberekening dient in elk geval plaats te vinden wanneer er een nieuwe versie van het AERIUSmodel is uitgekomen. Dit gebeurt jaarlijks in oktober.
6.2.3 Salderen, passende beoordeling en vergunning Als de mitigerende maatregelen zijn bepaald en de AERIUS-berekening is geactualiseerd, kunnen de volgende procedurele stappen worden genomen. De verwachting is dat – zelfs na nemen van mitigerende maatregelen en actualiseren van de berekening – er een restantdepositie overblijft8. Het is aan te raden om met een ecologisch deskundige te bekijken of de restantdepositie op voortoetsniveau onderzocht kan worden. Een Ecologische Beoordeling Stikstof (hierna: EBS) staat op voortoetsniveau en is de tweede stap uit de Beslisboom (zie Bijlage 9 voor meer toelichting). Een EBS is bedoeld om te beoordelen of de restantdepositie leidt tot significant negatieve effecten op de instandhouding van de Natura2000-gebieden waarop depositie is berekend (voor onderhavig project: Biesbosch). Een belangrijk voordeel aan het beoordelen van een significante depositie op voortoetsniveau is dat er geen vergunningsplicht geldt voor de omgevingsvergunning Natura2000-activiteit. Hoewel een EBS een beperkte reikwijdte heeft en met name een effectief middel kan zijn bij relatief lage deposities, zijn er in het verleden grote projecten geweest waar op voortoetsniveau een relatief grote depositie is beoordeeld.
Een voorbeeld hiervan is het Porthosproject9, waarin een significante depositie van 0,57 molN/ha/jr op voortoets niveau is onderzocht en door de ABRvS10 akkoord bevonden. Als – in samenspraak met een ecologisch deskundige – wordt geoordeeld dat een beoordeling op voortoetsniveau (EBS) niet mogelijk blijkt, dan dient er te worden overgegaan tot het passend beoordelen van het project in het kader van stikstofdepositie. Wij adviseren u om de volgende stappen te doorlopen in het kader van de passende beoordeling:
De eerste stap in de passende beoordeling (Stap 3 in de beslisboom, zie Bijlage 9 voor meer toelichting) is om te onderzoeken of er mogelijk intern gesaldeerd kan worden met huidig vergunde stikstofruimte. Dit kan bijvoorbeeld zijn doordat er sprake is van de realisatie van een windturbine of toegangsweg op een agrarisch perceel waar mest uitgereden wordt. Als het uitrijden van mest tijdelijk of permanent stopt, voorkomt dit stikstofemissies die kunnen worden ‘weggestreept’ tegen de emissie als gevolg van de bouwfase.
Mocht intern salderen niet mogelijk zijn of onvoldoende effect hebben, dient onderzocht te worden of er mogelijk extern kan worden gesaldeerd (Stap 4 in de beslisboom, zie Bijlage 9 voor meer toelichting). Dit kan bijvoorbeeld door het elders beschikbaar stellen of opkopen van vergunde stikstofruimte in de gemeente. Mocht er een restantdepositie overblijven, dient ecologisch beoordeeld te worden of aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Biesbosch uitgesloten kan worden.
8
Volledig emissieloos bouwen is in de huidige markt nog vrijwel niet mogelijk, omdat groot materiaal zoals turbinekranen nog niet elektrisch beschikbaar is. 9 https://omgevingsweb.nl/nieuws/voortoets-passende-beoordeling-en-omvang-van-het-project/ 10 Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State Stikstofonderzoek~ Programma Duurzame Energieopwek (PDE) Gemeente Dordrecht 28-7-2025 | V2.0 Pagina 30