Bijlage C Uitgangspunten van de verschillende uitwerkingsopties.pdf
Tekst van het document
Bijlage C Uitgangspunten van de verschillende uitwerkingsopties Uitwerkingsoptie Natuur Om tot goede gebieden te komen hanteren we enkele uitsluitingen: -
Niet in N2000 gebieden (dit zit al in de harde uitsluitingen voor alle alternatieven). Niet in NNN gebieden Niet in Ganzenrustgebieden Niet in of nabij weidevogelgebieden met hoge waarden. Hierin is een belangrijk onderscheid gemaakt: o Beleidscategorie weidevogels: dit zijn vele gebieden in veenweiden en droogmakerijen die bescherming krijgen vanwege aanwezige weidevogels. Feitelijk bestaan ze uit goede en minder goed functionerende weidevogelgebieden. De goede gebieden worden hoe dan ook beschermd. Dit is categorie Nieuw Waardevol Weidevogelgebied of Kerngebied). Nieuw Waardevol Weidevogelgebied zijn delen van de beleidscategorie Weidevogels die recent zijn geselecteerd omdat ze goed functioneren als weidevogelgebied. Het zijn als het ware de topgebieden. Ze hebben nog niet als zodanig een aparte planologische status maar we anticiperen hier wel op. We onderscheiden deze waarde als bepalend. Het voornemen is om deze gebieden in de herziening 2025 aan het werkingsgebied ‘beschermingscategorie 1’ toe te voegen. Dit maakt dat alleen inpassing mogelijk is. o De minder goede gebieden (Voormalig Waardevol Weidevogelgebied) kunnen als zoekgebied wind onderzocht worden wanneer er anders te weinig zoekgebieden voor het alternatief Natuur gevonden worden. Deze gebieden worden in het provinciaal omgevingsbeleid opgenomen als kansrijk weidevogelgebied (beschermingscategorie 2).
In grote delen van deze gebieden zijn er geen of bijna geen weidevogels aanwezig, soms zijn er lokaal meer broedparen maar het aantal is overal onder de norm van de kerngebieden. In beschermingscategorie 2 is aanpassing mogelijk.2 Hierbij is dan nog altijd compensatie nodig in areaal voor kansrijk weidevogelgebied.
Bufferzones -
Niet in bufferzones rond Natura 2000 gebieden en NNN gebieden en ganzenrustgebieden. Deze bufferzones hebben de volgende omvang:
-
o Buffer NNN: 200 meter (bij de effectbeoordelingen kan dit nader worden genuanceerd want feitelijk zijn er NNN-gebieden met natuurdoeltypen en doelsoorten die weinig last hebben van windturbines. Dit onderscheid naar natuurdoeltypen is aan de voorkant niet gemaakt. o NNN Verbindingszone: geen buffer o Buffer ganzenrustgebieden: 400 meter o Er zijn ook buffers onderscheiden bij N2000 met een vogelrichtlijn. Deze buffer is 400 meter, maar deze uitsluiting zit al in de harde uitsluitingen en geldt dus voor alle alternatieven. o We hanteren een bufferzone rond Nieuw Waardevol Weidevogelgebied (kerngebied) van 200 meter. Bij de keuze voor zoekgebieden is door de oogharen gekeken naar gebieden nabij kerngebieden voor weidevogels, die nog steeds de status weidevogelgebied hebben, en die wegens de ligging interessant zouden kunnen zijn voor de uitbreiding van succesvolle weidevogelgebieden (bijv. door middel van compensatie).
Gebieden zonder natuurstatus -
-
-
Zo mogelijk nemen we een ruime afstand tot Natura 2000 gebied. Bijvoorbeeld nabij de Nieuwkoopse Plassen en nabij de Biesbosch. Dit is niet strikt nodig maar vanwege kansrijkheid in de toetsingsfase wel aan te bevelen. We betrachten enige terughoudendheid in de polders met weinig natuurwaarden om daar niet tot maximale benutting te gaan. Immers elke polder heeft inwoners en eigenaren die overtuigd moeten raken van keuzes. Als daar alle ruimte wordt benut voor turbines ontstaat immers een onrealistische verwachting. We begrenzen gebieden voor maximaal 9 turbines, ook als het zoekgebied eigenlijk groter is. Niet op groot open water met betekenis voor natuur (en recreatie).
Eerste en tweede keus -
-
Allereerst is gekozen voor gebieden zonder natuurstatus. Hier is een flink deel van de opgave gelegd. Toch constateren we dat we hiermee de opgave niet halen. Om de opgave te halen zijn ook een aantal ‘tweede keuze’ gebieden benut. Dit zijn delen van de minder waardevolle weidevogelgebieden (kansrijk weidevogelgebied, beschermingscategorie 2).
Uitwerkingsoptie Leefomgeving Spelregels -
Gebieden alleen op grote afstand van woningen:
-
-
o Locaties >1000 m van woonkernen/clusters van woningen (een vuistregelafstand van 1000 meter vanuit woonkernen en clusters komt overeen met een 42 dB Lden contour). o Locaties >480 m van individuele woningen (2 keer de tiphoogte, overeenkomstig concept afstandsnorm wind op land) Niet in (intensief gebruikte) recreatiegebieden die als recreatiegebied zijn bestemd. Bovendien niet op recreatief gebruikt groot water. Beperkte concentratie van turbines (en van effecten). Dat betekent dat er relatief veel kleine opstellingen van 3 turbines worden voorgesteld. Er is alleen verdere concentratie in zeer grote gebieden waar plaats is voor meerdere opstellingen van drie. In zo’n geval worden die samengevoegd tot een rustigere grote opstelling. Alleen lijnen want die worden op zichzelf rustiger ervaren dan clusters.5 Daarbij is er geen rekening gehouden dat het landschap juist onrustiger kan ogen wanneer er veel lijnen van turbines in een landschap zijn die allemaal tot ver zichtbaar zijn.
Overweging: je zou in dit alternatief de infrastructuur of bedrijvigheid als drager kunnen kiezen, dit is niet gedaan omdat de afstanden aldaar van infrastructuur tot woningen niet ruim genoeg zijn. Het afstandscriterium is zwaarder geteld dan nabijheid tot infrastructuur of bedrijventerreinen.
Uitwerkingsoptie Landschap Spelregels -
-
Het uitgangspunt concentratie vertalen we in een ondergrens voor het formaat van opstellingen: o Lijnopstellingen bestaan uit minstens 5 turbines o Concentraties bestaan uit minstens 8 turbines (4x2) of 9 turbines (vierkant 3x3) Tussen verschillende windopstellingen wordt een afstand aangehouden van 5 km behalve als ze zodanig op elkaar aansluiten dat ze als een bij elkaar horend park kunnen worden geïnterpreteerd.
Cultuurhistorie -
-
Alle gebieden met cultuurhistorische waarden die te boek staan als kroonjuweel worden gevrijwaard van windturbines. Grote gebieden waar dit voor geldt zijn Aarlanderveen, kerngebied Krimpenerwaard en Dordtse polders. Rondom kroonjuwelen die bestaan uit een lijnstructuur (Meijelint, Weijpoort) wordt een bufferzone van 1000 meter gehanteerd. Er zijn kroonjuwelen die bestaan uit een gebied waar al eerder zo’n buffer binnen de gebiedsgrens is opgenomen. Daar is mogelijk een dubbele buffering ontstaan.
-
Er wordt rekening gehouden met historische windmolens. Tot windmolens wordt een afstand gehouden van minstens 100 meter. Bij molengangen geldt een afstand van extra 100 meter. Tot bijzondere windmolens wordt een afstand gehanteerd van 400 meter.
Vormgeving -
In alle gevallen wordt gestreefd naar rustige opstellingsvormen. Dit kan in een lijn of in een cluster. Er is een voorkeur voor clusters (boven lijnopstellingen) in droogmakerijen omdat clusters een kleiner invloedsgebied hebben dan lijnen. Er is een voorkeur voor lijnopstellingen in gebieden die een langgerekt, lineair karakter hebben. Dit geldt voor de Krimpenerwaard met grote ruimtes tussen lange linten, voor het dijkenlandschap van Dordrecht en voor gebieden langs infrastructuur zoals langs de N11 en langs de A16. Een lijn die een infrastructuurbundel volgt kan soms op ruime afstand van die infrastructuur staan. Bij de ruimtereservering voor een lijn moet gelet worden op de mogelijkheid om een rustig lijnverloop te creëren zonder grote hoeken.
Uitsluiting -
Kansrijk “nieuw waardevol weidevogelgebied” vermijden we. Ondanks de landschappelijke geschiktheid van enkele gebieden in de Krimpenerwaard waar veel weidevogels zitten gaan we ervan uit dat deze waarde te respecteren is. Ook weidevogels vormen landschapskwaliteit.