Bijlage bij collegevoorstel Refaja straatnamen.pdf
Tekst van het document
Aanleiding: Op 8 maart 2019 is het boekje Dochters van Dordrecht overhandigd aan vervangend wethouder Reynvaan met daarin vrouwen die het waard zijn om te vernoemd in een straatnaam. Aangezien het voor dit plan gaat om het terrein van het voormalige ziekenhuis Refaja zijn 5 vrouwen gekozen welke een link hebben gehad met de medische wereld.
Straatnamen terrein voormalig Refajaziekenhuis :
Frederika Meyboom: Frederika Meyboom was de oudste van drie zussen. Ze was de dochter van Willem Frederik Meyboom en Louise Henriette Friedrika Hamacher. Ze werd door haar ouders naar een kostschool in Bonn (Duitsland) gestuurd, omdat ze haar onhandelbaar vonden. Ze begon haar carrière bij de Haagse Polikliniek. Na daar twee jaar te hebben gewerkt heeft ze een zieke vriendin verzorgd. Dit was voor haar de basis om verpleegkunde te studeren. Dit heeft ze dan ook gedaan in het Amsterdamse Burgerziekenhuis. Ook hier heeft ze volgens de directeur herrie geschopt. Uiteindelijk heeft ze hier vertraging door gekregen, maar heeft ze de opleiding wel afgemaakt. In 1900 heeft ze met een aantal anderen de Nederlandse Vereniging ter Bevordering der belangen van Verpleegsters en Verplegers opgericht. Het belangrijkste doel van de vereniging was: verbetering van de rechten en sociale positie van verplegenden en het invoeren van wettelijk verplichte cursussen en examens. Frederike Meyboom werd voorzitster van de afdeling Den Haag. Toen de directeur van het Haags Gemeenteziekenhuis zuster Meyboom rond 1902 verzocht intern te verhuizen omdat een net aangenomen assistent-arts zijn oog had laten vallen op haar kamer, was dit voor haar aanleiding om ontslag te nemen. Ze werd directrice van een klein ziekenhuis in Zutphen. In 1904 vroeg de burgemeester van Dordrecht, A.R.
Zimmerman, haar om directrice te worden van het Gasthuis Beverwijckplein. Vier jaar later werd ze directrice in het Gemeente Ziekenhuis aan de Bergweg in Rotterdam, opnieuw op verzoek van Zimmerman, inmiddels burgemeester van Rotterdam. Hier bleef ze tot haar pensioen in 1926. Ze heeft er o.a. voor gezorgd dat kolenkachels niet meer mochten worden bijgevuld tijdens een operatie (!). In 1926 ging ze met pensioen. Tot 1927 bleef ze voorzitster van de Bond van Directrices en AdjunctDirectrices van Ziekeninrichtingen. Van 1929 tot 1939 gaf ze aan de Volksuniversiteit in Rotterdam cursussen over verpleging. Verder zat ze in het bestuur van diverse opvoedkundige verenigingen, werkte ze mee aan de totstandkoming van het ziekenhuis voor Been-en Gewrichtstuberculose in Laren en zette tal van publicaties op haar naam. Van 1947 tot 1959 was Meyboom bovendien voorlichtster voor de Algemene Psychiatrische Voorlichtingsdienst. Haar hele leven heeft ze de wens gehad iets te kunnen bijdragen tot het verbeteren van de arbeidsvoorwaarden van de verplegenden: kortere werkuren, betere materiële verzorging en salaris, een premievrij pensioen. Zij vond dat hier ook iets tegenover moest staan. Een goede verpleegster moest kunnen voldoen aan ‘de drie K’s’: kennis, karakter en kunde. En deze drie hingen samen met een goede opleiding. Zo was voor Meyboom de cirkel rond.
Ze heeft heel haar leven in ziekenhuizen gewerkt. In 1926 heeft ze een nog te bouwen huis voor zichzelf gekocht. Toen het eindelijk af was heeft ze er nooit in gewoond: ze vond het te groot. Tot haar dood op 24 april 1971 heeft ze met vriendinnen in een flat in Den Haag gewoond. Ze is 100 jaar oud geworden. NB: in overleg met een achternicht is besloten om haar geboortenaam Frederika Meyboom aan te houden, in latere stukken komt zij ook voor als Frederike Meijboom namelijk.
Mariken Jansdochter:
Mariken Jansdochter wordt in 1593 te Dordrecht vermeld als ‘meestersse’. Daarmee is zij de oudst bekende vrouwelijke chirurgijn van Nederland. Tot nu toe kwam deze titel toe aan Trijn Jacobs, die rond 1630 lid was van het Amsterdamse chirurgijnsgilde. Dat een vrouw het beroep van chirurgijn uitoefende, was uitermate ongebruikelijk. Een chirurgijn was weliswaar geen arts, maar vervulde wel een essentiële rol in de medische zorg. Voor botbreuken, wonden, zweren, kleine operaties en dergelijke werd geen arts ingeschakeld, maar een chirurgijn. Sterker nog: artsen vonden dat soort uitwendige zaken ver beneden hun waardigheid. Zij hielden zich bezig met inwendige ziekten en de theoretische oorzaken daarvan. Wonden en breuken waren geen ziekten en behoorden dus niet tot hun werkterrein. Een verwant beroep, waarin vrouwen wél al eeuwenlang geaccepteerd waren, was dat van vroedvrouw. In een wereld die beheerst werd door mannen, nam zij een bijzondere positie in, met een grote mate van zelfstandigheid. Om toch meer grip op hun handelen te krijgen, werden de vroedvrouwen in de loop van de zeventiende eeuw overigens wel opgenomen in de stedelijke chirurgijnsgilden. Vanaf dat moment moesten zij een examen afleggen om toegelaten te worden. Dit alles deed zich echter pas voor, lange tijd na de vermelding van de Dordtse vrouwelijke chirurgijn Mariken Jansdochter.
Dankzij een artikel in Oud-Dordrecht is Mariken Jansdochter niet alleen ‘onder het stof vandaan gehaald’, maar is ook haar bijzondere bekwaamheid in het vak aangetoond. De akte uit 1593 vertelt het verhaal: Op verzoek van Mariken Jansdochter meestersse verklaarde de knoopmaker Lieven Nering, dat hij drie achtereenvolgende jaren verscheyde gaeters beneden de knie in zyn rechter been gehad heeft. Hij heeft daar drie verschillende meesters of chirurgijns bijgehaald, om hem daarvan te cureren ende genesen. Zij zijn daar niet in geslaagd, hoewel zij daartoe soo’t scheen hun diligentie deden en verschillende sustantien gebruikten. Hij had zich daarna onder de handen van Mariken gesteld, die het quaet been (hoewel dit door de voorgaande meesters zeer verdorven was) met Godes hulpe gecureert & genesen heeft. Hij heeft aan het been nu geen letsel meer, zodat hij Mariken vanwege haar gedaene cure naest Godt ten hoechsten is bedanckende. Mariken Jansdochter was dus niet alleen een bekwame ‘meesteres’, maar wist ondanks de wanprestatie van haar collega-chirurgijns het been van de patient toch volledig te genezen.
Klazina Hommes: In 2012 bestond de stadsapotheek van Dordrecht 250 jaar. Die verjaardag is gevierd met een symposium dat samenviel met de ingebruikname van een nieuwe afdeling bereidingen van de apotheek van het Albert Schweitzerziekenhuis, destijds de stadsapotheek van Dordrecht. Mej. Dr. K. Hommes (1906-1982) werd er de eerste vrouwelijke stadsapotheker. Over de geschiedenis: In 1933 rapporteerde de geneesheer-directeur van het Gast- en Ziekenhuis aan het bestuur van het ziekenhuis dat de stadsapotheker J. Logger plotseling was overleden. Het bestuur deed weer onderzoek naar de mogelijkheid om de apotheek te leiden zonder apotheker. Wederom was het antwoord van het Staatstoezicht negatief. Het bestuur besloot over te gaan tot het aanstellen van een vrouwelijke apotheker. De voornaamste reden waren de lagere salariskosten. Aldus werd in 1934 Mej. K.J. Hommes aangesteld als stadsapotheker, met het beding dat ontslag zou volgen indien zij in het huwelijk trad. Zij kreeg de beschikking over 2 apothekersassistentes en 1 knecht. Een jaar later promoveerde Mej. Hommes bij Prof. van ltallie in Leiden op een analytisch-chemisch onderzoek op het terrein van de toxicologie. Onder haar leiding groeide de apotheek uit tot een volwaardige ziekenhuisapotheek die naar de eisen van de tijd werd ingericht.
Het is zinvol vanaf die tijd de term ziekenhuisapotheek te gebruiken want de functie van stadsapotheek had gaandeweg aan belang ingeboet. Met de komst van ziekenfondsen was de geneesmiddelenvoorziening voor de armen bij de officina-apotheken terecht gekomen.
De werkzaamheden in en voor het ziekenhuis namen daarentegen in omvang en betekenis toe. Mej. Hommes nam deel aan bijeenkomsten van de Groep van ziekenhuisapothekers die in 1929 was opgericht. Daar werden praktijkervaringen uitgewisseld, maar ook nieuwe aanzetten gegeven om goede en goedkope geneesmiddelen te maken, zoals bijvoorbeeld hormoonpreparaten (insuline) uit slachthuisafval, waarover haar Haagse collega rapporteerde. De betekenis van de stadsapotheek en Mej. Hommes voor de Dordtse farmacie bleef niettemin groot. Zij verzorgde in haar apotheek de opleiding tot apothekersassistente voor heel de regio. In 1945 bracht zij de opleiding onder in een stichting waarvan zij directrice werd. Tot haar pensionering als gemeenteapotheker in 1971 was zij werkzaam in het ziekenhuis en als opleidster. Willemina Waltman: Willemina Waltman-van Eijsbergen (1802-1874) werd al jong weduwe en bracht in haar eentje haar kinderen groot, terwijl ze de kost verdiende als vroedvrouw in de armste wijken van de stad. In de negentiende eeuw was ongeveer 70 procent van de bevolking straatarm. Dat het Willemina lukte om als alleenstaande moeder ongeveer twee keer zoveel te verdienen als een gemiddelde arbeider en niet tot de bedelstaf te vervallen, is een ongelooflijke prestatie.
Ewaldina Pijzel: Ewaldina Cornelia Pijzel (Dordrecht 1842 – 1927) is dochter van een predikant. Zij geldt als oprichtster Kinderbewaarplaats en Kinderziekenhuis. Ook haar zus en andere dames uit Dordt zetten zich in, zo heet dat. De Kinderbewaarplaats is wellicht de oudste of een van de oudste van het land geweest aan de Voorstraat. In de Dordrechtsche Courant van 19/20 maart 1876 werd de opening van een Kinderbewaarplaats aangekondigd. Daarmee werd het idee van enkele Dordtse dames, om een kleine kinderbewaarplaats te stichten, werkelijkheid. Deze bewaarplaats was bedoeld voor opvang voor kinderen die overdag niet bij hun ouders konden blijven. Onder hen waren veel kinderen van weduwen en weduwnaars die overdag aan het werk moesten. Doordat de dames Pijzel, Maas en Hoyer voortvarend te werk gingen en veel energie staken in fondswerving lukte het een professionele organisatie op te zetten. Professioneel wilde zeggen dat er een directrice werd aangesteld. Zij voldeed aan alle eisen die het bestuur had geformuleerd: ‘Eene weduwe uit den fatsoenlijken burgerstand, geen andere kinderen ten hare lasten hebbende dan ééne dochter, die dienst zou kunnen doen als loopmeisje of helpster.’ Daarmee had het bestuur twee vliegen in één klap: een directrice en een goedkope hulp.