Bijlage bij collegebrief Advies Chemours Beschikking 14 okt.2022.pdf
Tekst van het document
College van B&W gemeente Sliedrecht College van B&W gemeente Dordrecht College van B&W gemeente Papendrecht College van B&W van gemeente Molenlanden p/a Postbus 16 3360 AA Sliedrecht
Kenmerk van DCMR: DCMR zaaknummer: 999980227_9999450498 Onze referentie: Advies Chemours Beschikking 14 Okt 2022 Betreft: Beschikking m.b.t. aanvraag van Chemours Netherlands B.V. Omgevingsvergunning Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, locatie Baanhoekweg 22, Dordrecht, OLO-nummer 3549379 van 14 oktober 2022 Nijmegen, 5 december 2022 Geacht college, Conform uw verzoek van 31 oktober 2022 vindt u hierbij ons advies met betrekking tot bovengenoemde definitieve vergunning. Vooraf/PFAS zijn “for ever chemicals” De productie en het gebruik van in het milieu persistent gebleken fluorverbindingen (PFAS)1 zou in zijn geheel moeten worden verboden. Echter, dat kan alleen op grond van internationale afspraken2. Zie ook: Officiële start voor Europees PFAS verbod3 Zo lang dat niet is gebeurd dienen emissies in het milieu van deze stoffen te worden geminimaliseerd conform de wettelijke minimalisatieverplichting voor Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). Dit is dan ook terecht door DCMR als uitgangspunt genomen bij het tot stand komen van het bovengenoemde besluit. Overigens worden in Dordrecht geen PFAS geproduceerd maar gebruikt in het proces als dispergeermiddel. Ook komen PFAS terecht in tussen- en eindproducten van Chemours. Procedure De aanvraag van Chemours dateert nog van 30 maart 2018. Hierop is door de gemeenten uitvoerig gereageerd.
Dat geldt ook voor een fors aantal aanvullingen en wijzigingen. Ons laatste advies op de ontwerpbeschikking dateert van 24 mei 2022. Dit advies is in zijn geheel door de gemeenten als zienswijze overgenomen. Een substantieel aantal zienswijzen en suggesties van de gemeenten zijn door DCMR overgenomen en heeft geleid tot aanvullingen op de aanvraag van Chemours. Ook is een aantal voorschriften in de ontwerpbeschikking van april 2022 opgenomen als gevolg van inspraak en/of zienswijzen van de gemeenten. Het voorliggende advies bevat geen opsomming van deze door de gemeenten geïnitieerde wijzigingen. In het voorliggende advies wordt met name ingegaan op door de gemeenten aangedragen punten die niet, of niet geheel, zijn overgenomen of opvolging behoeven. 1
“For ever chemicals” https://www.binnenlandsbestuur.nl/ruimte-en-milieu/europees-parlement-wil-strengere-gifnormen?tid=TIDP2358375X39A67F53CC234631A7674AD49F80AF7DYI5&utm_campaign=BB_NB_Ruimte&Milieu&utm_medium=email&utm_source=binnenlandsbestuur 3 https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2021/07/15/officiele-start-voor-europees-pfas-verbod 2
MOB, Waldeck Pyrmontsingel 18, 6521 BC Nijmegen email: info@mobilisation.nl; website: www.mobilisation.nl
Begrenzing van het advies Geconstateerd wordt dat RIVM, IL&T, Rijkswaterstaat, het Waterschap Hollandse Delta (WSHD), Evides en Oasen bij de totstandkoming van de vergunning zijn betrokken. Onze focus is gericht op luchtemissies en externe veiligheid. Met betrekking tot de bodem wordt opgemerkt dat de forse bodemvervuiling op en onder het terrein van Chemours aan de Baanhoekweg een bron van zorg is voor met name de gemeente Dordrecht. Immers, indien Chemours mocht besluiten haar activiteiten op deze locatie te beëindigen dan zal de bodem (grond en grondwater) moeten worden gesaneerd. In het geval dat Chemours de saneringskosten niet op zou kunnen brengen zijn gemeente en/of provincie aansprakelijk voor de kosten. Geluid is niet betrokken in dit advies. Dit geldt ook voor afval. Aan directe en indirecte lozingen naar de riolering (indirecte lozingen) en het oppervlaktewater (directe lozingen) is op hoofdlijnen aandacht besteed. Hieruit blijkt dat met name de monitoring onvoldoende is. Een beroepsprocedure is noodzakelijk. Volgens de gemeente Dordrecht zullen de drinkwaterbedrijven beroep in gaan stellen zodat het niet zinvol is dat dit belangrijke punt in detail wordt uitgewerkt in dit advies. PFAS houdende vaste en vloeibare afvalstromen worden afgevoerd naar derden ter vernietiging. In de aanvraag wordt Indaver in België4. genoemd.
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) houdt hierop toezicht en heeft uitvoerig ingesproken op de ontwerpbeschikking. Eerdere adviezen Van 24 mei 2022 dateert ons laatste advies met betrekking tot de aanvraag én ontwerpbeschikking. Eerder adviseerden wij om de aanvraag af te wijzen vanwege o.a. het ontbreken van essentiële informatie, inadequate behandeling van potentiële Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS), en heel belangrijk: te weinig emissiereductie. Het gebrek aan essentiële informatie is in latere aanvullingen grotendeels gerepareerd. DCMR volgt in het besluit terecht de lijn dat potentiële ZZS ook als ZZS moeten worden beschouwd. Met name de hoge emissie van giftige stoffen (waarvan een substantieel ZZS) uit de monomerenafdeling, wanneer de Thermal Converter5 (TC) buiten werking is, baart zorgen. Al vanaf 2010 heeft de gemeente Sliedrecht Chemours verzocht om de installatie van een tweede TC. In eerste instantie leek Chemours daarin mee te gaan, maar later is dat toch niet doorgegaan. De ODZHZ heeft dat destijds niet als eis gesteld om te worden opgenomen in de aanvraag voor de vergunning van 2013. Dit geldt ook voor de aanvraag die ten grondslag ligt aan het voorliggende besluit. Het gevolg is dat het probleem van de grotendeels onbehandelde emissie van circa 25.000 kg/jaar giftige stoffen als gevolg van de bypass van de TC nog tot 1 januari 2024 blijft bestaan.
Daarna zal par. 8.4 (pagina 62/534 e.v.) van de beschikking van kracht gaan worden met een forse reductie van deze emissies. Chemours mikt daarbij met name op de techniek van adsorptie aan actieve kool. Echter, op dit moment is niet duidelijk of de in par. 8.4 geëiste emissies met alleen deze techniek zal kunnen worden gehaald. Vergunningshistorie sinds 1998 Van 1998 dateert een omgevingsvergunning waarin DuPont de Chemours (nu gesplitst in DuPont, Dow en Chemours) werd toegestaan om jaarlijks 1.000.000 kg VOS6/stof naar de lucht te emitteren. De werkelijk gerealiseerde emissie bedroeg volgens opgaven van het bedrijf zelf destijds circa 300.000 kg/jaar. In 2005 is door MOB op verzoek van gemeente Sliedrecht en de werkgroep Derde Merwede Haven bij de provincie een verzoek ingediend tot actualisatie en aanscherping van de veel te ruime vergunning van 1998. Dat is destijds herhaaldelijk door de provincie geweigerd. Pas nadat in 2009/2010 de Raad van State oordeelde dat de vergunning onvoldoende actueel was is een revisievergunning traject ingezet dat uiteindelijk in 2013 resulteerde in de nu nog steeds vigerende vergunning van 2013. Tot 2012 is nog gewerkt met het bijzonder giftige PFOA, dat overigens nooit als luchtemissie is gerapporteerd in de elektronische milieujaarverslagen (emjv’s) van het bedrijf noch in andere stukken.
Mens en milieu zijn zwaar besmet geraakt met onder andere PFOA. De maatschappelijke kosten zijn enorm. Er is aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie. Tevens is een civielrechtelijke procedure gestart. 4
https://www.ad.nl/binnenland/ook-pfas-van-chemours-komt-via-belgie-in-westerschelde~a3d45daf/ Verbrandingsinstallate voor vluchtige organische stoffen (VOS) waaronder veel fluorhoudende toxische stoffen 6 VOS: Vluchtige Organische Stoffen 2/7 5
Het bedrijf profileerde zichzelf als een bedrijf dat voldoet aan de hoogste eisen van milieuzorg en een hoog niveau van eigen verantwoordelijkheid. Slogan van het bedrijf: “miracles of science’. In werkelijkheid is het bedrijf onbetrouwbaar gebleken met betrekking tot zorg voor de omgeving i.c.m. onvoldoende beperking van toxische emissies in het milieu. In dit licht dient het besluit kritisch te worden beschouwd met name met betrekking tot emissies van giftige en/of natuurschadelijke stoffen naar lucht, water en bodem. Lessen uit het verleden/Dispergeermiddelen problematisch voor omgeving vanwege giftigheid en persistentie Dispergeermiddelen zijn achteraf gezien het grootste probleem met betrekking tot blootstelling van omwonenden en vervuiling van de bodem in een wijde kring rond het bedrijf. Met name gaat het dan om PFOA, dat in 2012/2013 is vervangen door FRD/GenX/HFPO-DA7. Ook het grondwater is ernstig vervuild, Om de verspreiding tegen te gaan c.q. te beperken is een zogenaamd geohydrologisch scherm aangebracht. Een ander dispergeermiddel kwamen we op het spoor via diverse rapporten over bodemverontreiniging: 6:2 FTS (ZZS). Deze stof (6:2 FTS) is in 2013 niet aangevraagd noch vergund. Ook in de ambtshalve aanscherping van 16 december 2019 wordt de stof niet genoemd Echter, deze stof wordt tot nog toe wel geëmitteerd zonder dat daar vergunning voor is.
In de nieuwe vergunning zijn hiervoor nu wel emissienormen opgenomen en is de emissie ervan gelegaliseerd. Directe lozingen op oppervlaktewater De voorliggende vergunning betreft de indirecte lozingen. Dit zijn de lozingen op het riool die daarna de afvalwaterzuiveringsinstallatie passeren. Van 11 oktober 2022 dateert de lozingsvergunning van Rijkswaterstaat m.b.t. directe lozingen. Dit zijn de lozingen die niet via de waterzuivering, maar rechtstreeks in de tweede Merwedehaven, de Baanhoekhaven en de Beneden Merwede worden geloosd. Door de drinkwaterbedrijven Oasen en Evides zijn zienswijzen uitgebracht op de ontwerpbeschikking, evenals door het Waterschap Hollandse Delta (WSHD). Dit heeft niet geleid tot belangrijke aanpassingen, onder andere geen lagere vergunde vracht van PFAS. Verder wordt door ons opgemerkt dat het monitoringregiem van de directe lozingen ernstig tekort schiet. Geadviseerd wordt om bij Oasen, Evides en WSHD te verifiëren of zij hiertegen beroep in gaan stellen bij de rechtbank. Indirecte lozingen naar de RWZI Dit gaat over lozingen op de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). Voor PFAS zijn in voorschrift 4.3 lozingsnormen opgenomen in termen van concentratie en vracht. In voorschrift 4.4.2 staat dat tenminste eenmaal per week een etmaalmonster moet worden genomen en geanalyseerd.
Dit betekent dat Chemours de dag zelf mag kiezen én dat 6 van de 7 dagen niet hoeft te worden bemonsterd. Het is de vraag of dan nog wel sprake is van representatieve monitoring zoals de wet voorschrijft. Voorschrift 4.4.9 opent de poort naar een nog lagere monitoringfrekwentie. De vraag of de vergunde lozingen acceptabel zijn, én de hieraan gekoppelde monitoring voldoende representatief zal zijn, is niet een direct belang van de gemeenten, maar wel van de WSHD en, indirect weliswaar, ook van de waterleidingbedrijven. Voorschrift 4.14.1 “Tijdelijke lozing na of tijdens bijzondere bedrijfsomstandigheden” rept alleen over een noodzakelijke “positieve beoordeling” door Rijkswaterstaat. Kennelijk is hierop geen inspraak mogelijk door belanghebbenden. Voorschrift 4.14.2 kunnen wij niet goed plaatsen: “Indien de doelmatige werking van RWZI Dordrecht wordt belemmerd als gevolg van de tijdelijke lozing, als bedoeld in voorschrift 4.14.1 of een ongewoon voorval, moet in overleg met Waterschap Hollandse Delta, maatregelen worden genomen om dit op te lossen, dan wel, indien dat niet mogelijk is, de effecten te verminderen”. De meest voor de hand liggende actie: “stoppen met de tijdelijke lozing” wordt niet genoemd. 7
Opgemerkt wordt dat de term “GenX” niet meer wordt gebruikt. In de vergunning wordt “GenX” nu aangeduid als “HFPO-DA”. Zie voor een toelichting hierop pagina 487/534 van het besluit. 3/7
Emissies naar de lucht Uit onze zienswijze: “MTR8-waarden Uit de considerans: “Voor HF9 geldt geen wettelijke verplichting om te toetsen aan MTR-waarden”. Zie ook punt 39 op pagina 314. Zie ook pagina 333 onder ‘Ad 4’. Hier acht DCMR het ‘raadzaam’ om aan een MTR te toetsen. Dit is niet juist. Er moet wel degelijk aan MTR-waarden worden getoetst. Echter, er mag wel gemotiveerd naar boven van worden afgeweken. In tegenstelling tot hetgeen door DCMR in de considerans wordt gesteld dient dus wel degelijk aan MTR-waarden te worden getoetst, mits ze bestaan natuurlijk. Het bevoegd gezag kan overschrijding van MTR-waarden alleen toestaan mits voldoende gemotiveerd. Hierover is jurisprudentie van de Raad van State”. Op pagina 356/534 schrijft DCMR dat “voor HF geen MR beschikbaar is.” Dit is onjuist. De MTR bedraagt 50 nanogram/m310 of 0,05 microgram/m3:
Dit gaat om anorganisch fluoride, die ziet op de bescherming van flora en fauna. Voor de mens gelden aanzienlijk ruimere normen. De uitstoot van anorganisch fluoride is beperkt zodat dit niet tot problemen zal leiden en dus geen aanleiding is om beroep in te stellen. Uit onze zienswijze: Pagina 15/Par.18 Proefnemingen Zie de tekst in par. 1.8.1. Dit impliceert dat het bedrijf gedurende 9 maanden niet aan de maximaal vergunde emissies zou hoeven te voldoen en/of vrijgesteld zou zijn van de normen uit het Activiteitenbesluit. Duidelijk dient te worden gemaakt dat proeven toegestaan zijn mits maximaal toegestane emissies in acht worden genomen. Zie ook pagina 14 van de ontwerpbeschikking. Hier staat een onjuiste interpretatie van artikel 2 van de RIE11. Immers, indien een proefopstelling wordt geplaatst binnen een RIE-inrichting dan is deze proefopstelling een integraal onderdeel van de inrichting. Natuurlijk is het Activiteitenbesluit een vangnet. Echter, niet voor alle door Chemours naar lucht en water geloosde stoffen zijn emissienormen opgenomen in het Activiteitenbesluit. Onze conclusie is dat proefnemingen natuurlijk mogelijk moeten zijn, maar met in achtneming van de vergunde emissies naar lucht en water”. Zie voorschriften “1.8 Proefnemingen en nieuw of vervangende stoffen” in de definitieve vergunning. Zie ook pagina 356/534 e.v.
met antwoorden op zienswijzen van de gemeenten.
8
Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau (MTR) HF is waterstoffluoride 10 https://rvszoeksysteem.rivm.nl/stof/detail/269 11 Richtlijn Industriele Emissies 9
4/7
Hieruit lijkt te kunnen worden opgemaakt dat DCMR zonder een formeel besluit toe kan staan dat tijdens proefnemingen gedurende 9 maanden niet aan in de vergunning vastgelegde emissienormen voor emissies naar de lucht hoeft te worden voldaan zonder dat belanghebbenden hierin worden gekend en/of betrokken. Dit kan natuurlijk niet zonder dat gelegenheid tot inspraak wordt geboden c.q. zienswijzen kunnen worden ingediend. Ook ingeval van een tijdelijke verruiming van de emissienormen moet een besluit worden genomen dat appellabel is, d.w.z. dat er voor belanghebbenden de mogelijkheid moet zijn om bezwaar te maken en eventueel beroep in te stellen. Hierbij wordt aangetekend dat wel sprake moet zijn van “goedkeuring” door DCMR. Of dit een formeel besluit is in de zin van de Awb, en dus appellabel is, wordt niet duidelijk gemaakt. DCMR vermeldt wel dat bij overschrijding van normen in het Activiteiten besluit om maatwerk moet worden verzocht. Dit laatste leidt dan ons inziens automatisch tot een appellabel besluit. Dit dient ook het geval te zijn bij een tijdelijke verruiming van de emissienormen. U wordt geadviseerd om DCMR hierover helderheid te laten verschaffen en hiertoe contact op te nemen met DCMR. Par. 1.9 “Nieuwe of vervangende stoffen” lijkt alleen van toepassing te zijn op emissies naar het water. Ook hier is weer sprake van “goedkeuring” door DCMR.
Ook hier is onduidelijk of het een appellabel besluit betreft. Voorschriften 8.0 Lucht (50/534 t/m 80/534) Dit hoofdstuk omvat een groot aantal pagina’s met veel tekst en is daardoor minder overzichtelijk en minder toegankelijk dan hoofdstuk D in de vergunning van 2013 dat de emissienormen in tabelvorm weergeeft. Van een aantal stoffen neemt de vergunde emissie tijdelijk toe in vergelijking met de nu nog vigerende vergunning van 2013. Vanaf 1 januari 2025 gelden dan aanzienlijk strengere normen op grond van de voorliggende vergunning.. DCMR erkent dit ook maar stelt dat uit metingen in het kader van de voorliggende vergunningprocedure is gebleken dat tot recent emissies van stoffen zijn onderschat. Deze emissies werden berekend aan de hand van kentallen. Deze kentallen blijken soms te laag te zijn ingeschat. Dit onderstreept nog eens onze stelling dat tot nu toe de monitoring van emissies onvoldoende op orde was, zowel van de zijde van Chemours als van de zijde van DCMR. Voorschrift 8.2.2 (TC/FL29)/pagina 52/34 en 53/534) De Thermal Converter bestaat uit een verbrandingsunit op 1100 gr. C met een nageschakelde 5trapswasser. Naar aanleiding van zienswijzen van de gemeenten is de dioxinenorm aangescherpt tot 0,05 ng/Nm3 TEQ12. Verder is een onderzoek voorgeschreven om de nu vergunde stofemissie van 50 mg/Nm3 (BBT13 is < 5 mg/Nm3) te reduceren.
Het onderzoeksrapport moet worden goedgekeurd en betreft dus een appellabel besluit. Uit recent internationaal onderzoek is gebleken dat 1100 gr. C. mogelijk toch niet voldoende zou zijn om alle PFAS volledig te verbranden zoals door Chemours wordt geclaimd. Voor specifieke PFAS is mogelijk een nog hogere temperatuur noodzakelijk. Op grond van BBT 8 van het “Europese Uitvoeringsbesluit 2019/2010 BBT-conclusies Afvalverbranding” dient Chemours onderzoek te doen naar de PFAS-concentratie van alle in- en uitgaande stromen van de Thermal Converter (slak, vliegas, waswater rookgasreiniging, slib waswater rookgasreiniging) Met zo'n massabalans kan worden aangetoond dat PFAS al dan niet volledig wordt vernietigd zoals door Chemours wordt geclaimd. Aanbevolen wordt om dit mee te nemen bij de eerstvolgende emissiemetingen aan de Thermal Converter. Ter onderbouwing zijn twee stukken bijgevoegd: 1. Literatuurstudie verbranding PFAS van Vito, september 2021; 2. Per- and polyfluorinated substances in waste incinerator flue gases, RIVM report 2021-0143.
12 13
Toxische equivalent (‘WHO-TEQ’) BBT: Best Beschikbare Technieken 5/7
Jaarlijkse rapportage Voorschrift 8.5.16 komt tegemoet aan een lang gekoesterde wens van de gemeenten om inzicht te krijgen in type en hoeveelheden van ZZS die jaarlijks naar de lucht worden uitgestoten. Tot nog toe bestaat een dergelijke rapportageverplichting niet. Chemours heeft heeft ook nooit het initiatief genomen om dit vrijwillig te doen. Voorschrift 8.5.16 luidt: “In de rapportage in het milieujaarverslag met betrekking tot emissies naar de lucht (of als bijlage bij het milieujaarverslag), worden de hoeveelheden HFPO-DA, E1, polyfluoro-olefinen en andere ZZS gerapporteerd. De hoeveelheden worden uitgedrukt in kg/jaar, en de rapportage vindt plaats per stof en per fabriek of installatieonderdeel”. Voorschrift 2.1.1 dient om om inzicht te krijgen in type en hoeveelheden van in de inrichting verwerkte ZZS. Dit voorschrift luidt: “Uiterlijk op 1 april van elk jaar moet schriftelijk aan het bevoegd gezag worden gerapporteerd welke grond- of hulpstoffen die zeer zorgwekkende stoffen zijn, in het afgelopen kalenderjaar binnen de inrichting zijn toegepast. Tevens moet uiterlijk op 1 april van elk jaar een indicatie van de gebruikte hoeveelheden in het afgelopen kalenderjaar schriftelijk aan het bevoegd gezag worden gerapporteerd".
Een belangrijke bepaling is ook voorschrift 8.7.4: “Jaarlijks vóór 1 april, in, of als bijlage bij het milieujaarverslag, moeten de emissie van diffuse emissies over het voorgaande jaar worden gerapporteerd aan het bevoegd gezag. De emissie inventarisatie moet in ieder geval de in voorschrift 8.7.1 genoemde bronnen bevatten” Handhaving Uit het gegeven dat omwonenden en de bodem zwaar besmet zijn geraakt met PFAS (met name PFOA) blijkt dat: 1. Chemours in het verleden onvoldoende maatregelen heeft genomen om besmetting van de omgeving met PFAS te voorkomen. Dit gebeurde ondanks het gegeven dat bij Chemours al eind vorige eeuw bekend was dat (1) PFAS bijzonder giftig is, (2) leidt tot specifieke kankersoorten, en (3) nauwelijks of niet afbreekt in het milieu. 2. Het bevoegd gezag onvoldoende alert is geweest bij de vergunningverlening en handhaving. Dit betrof in eerste instantie de provincie, daarna de Omgevingsdienst (ODZHZ) en nu de DCMR. Tijdens de procedure om te komen tot de nu voorliggende vergunning is gebleken dat Chemours meer toxische stoffen uitstoot dan vergund zoals PFIB14, 6:2 FTS, beide ZZS-stoffen. DCMR heeft ervoor gekozen om hierop niet te gaan handhaven. In de nieuwe vergunning zijn voor deze stoffen tot 1 januari 2025 ruimere normen opgenomen. Dan wordt par. 8.4 van kracht met een strengere norm.
Op grond van bovengenoemde overwegingen wordt geadviseerd om op bestuurlijk niveau aan te dringen op een strenge handhaving van de nieuwe vergunning. DCMR dient niet alleen te vertrouwen op metingen en opgaven op basis van kentallen van het bedrijf zelf, maar zelf ook regelmatig emissiemetingen uit te (laten) voeren. Zienswijzen van Chemours/Chemours waarschijnlijk in beroep De zienswijzen van Chemours en/of namens Chemours uitgebrachte zienswijzen, en de antwoorden van DCMR hierop, betreffen pagina 370/534 t/m pagina 477/534. Dus 107 pagina’s. Alleen aan een beperkt aantal zienswijzen is door DCMR tegemoet gekomen. Niet uitgesloten wordt dat Chemours op een substantieel aantal punten beroep zal gaan instellen. De gemeenten dienen dan een besluit te nemen of ze al dan niet als belanghebbende willen worden aangemerkt. Aanmelding heeft als groot voordeel dat gemeenten op de hoogte blijven van de voortgang en ingebrachte stukken tijdens de beroepsprocedure.
14
Uit de aanvraag bleek een gerealiseerde uitstoot van PFIB van 72 kg/jaar bij een vergunde uitstoot van 13 kg/jaar. Zie pagina 313/534 van de vergunning. Tot 1 januari 2025 mag nu 72 kg/jaar worden uitgestoten. Daarna nog maximaal 0,3 kg/jaar. 6/7
Conclusies en aanbevelingen 1. Aan een groot aantal eerder ingebrachte adviezen van de gemeenten is tegemoet gekomen. Dit geldt voor zowel de herziene laatste aanvraag als de ontwerpbeschikking en het nu voorliggende besluit zelf. Op een substantieel aantal punten is de input van de gemeenten herkenbaar. 2. De aanvraag scoort nog steeds een onvoldoende voor monitoring van emissies naar lucht en water. DCMR heeft daarin m.b.t. luchtemissies voorzien door aanvullend monitoringvoorschriften op te nemen. 3. Van groot belang is dat de ambtshalve wijziging van 16 december 2019 is opgenomen in paragraaf 8.4 van de vergunning. Per 1 januari 2025 moet op basis van deze paragraaf de emissie van een groot aantal stoffen, waaronder veel ZZS, aanzienlijk zijn teruggebracht. 4. Uit de voorschriften lijkt op te maken dat tijdens proefnemingen gedurende maximaal 9 maanden de emissienormen naar de lucht mogen worden overschreden zonder dat belanghebbenden hiertegen bezwaar en beroep in kunnen stellen. Dit is ons inziens in strijd met de wet. DCMR dient op dit punt duidelijkheid te verschaffen. 5. Monitoring van zowel directe als indirecte lozingen is onvoldoende om te borgen dat er geen pieklozingen van met name PFAS plaats vinden naar de rioolwaterzuivering noch rechtstreeks in de tweede Merwedehaven, de Baanhoekhaven en de Beneden Merwede.
Geadviseerd wordt om bij Oasen, Evides en Waterschap Hollandse Delta te verifiëren of zij hiertegen beroep in gaan stellen15. 6. DCMR dient niet alleen te vertrouwen op metingen en opgaven op basis van kentallen van het bedrijf zelf, maar zelf ook regelmatig emissiemetingen uit te (laten) voeren. DCMR dient actief te gaan handhaven op de nieuwe vergunning en zo nodig navolging van de vergunningvoorschriften af te dwingen. 7. Op grond van BBT 8 van het “Europese Uitvoeringsbesluit 2019/2010 BBT-conclusies Afvalverbranding” dient Chemours onderzoek te doen naar de PFAS-concentratie van alle inen uitgaande stromen van de TC. Aanbevolen wordt om dit mee te nemen bij de eerstvolgende emissiemetingen aan de TC. 8. Niet uitgesloten wordt dat Chemours op een substantieel aantal punten beroep zal gaan instellen. De gemeenten dienen dan een besluit te nemen of ze al dan niet als belanghebbende willen worden aangemerkt. Aanmelding heeft als groot voordeel dat gemeenten op de hoogte blijven van de voortgang en ingebrachte stukken tijdens de beroepsprocedure. Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er geen belangrijke redenen zijn voor de gemeenten om beroep in te stellen. Wel is van belang dat DCMR duidelijkheid verschaft over (1) toegestane emissies tijdens proefnemingen, en (2) adequaat gaat handhaven op de nieuwe nu voorliggende vergunning. Hoogachtend,
Drs. Johan G. Vollenbroek Bijlagen: 1. Literatuurstudie verbranding PFAS van Vito, september 2021 2. Per- and polyfluorinated substances in waste incinerator flue gases, RIVM report 2021-0143
15
Inmiddels is van de gemeente Dordrecht de terugkoppeling gekomen dat de drinkwaterbedrijven beroep gaan instellen 7/7