Bijlage B Toelichting per beoordelingscriterium.pdf
Tekst van het document
Bijlage B Toelichting per beoordelingscriterium Natuurgebieden en soorten -
N2000 De zoekgebieden liggen over het algemeen (ver) buiten Natura 2000-gebieden en kennen op dit beoordelingscriterium daardoor een neutraal effect. Gebieden die in Natura-2000 gebieden liggen krijgen een negatieve beoordeling.
-
NNN De zoekgebieden zijn beoordeeld op basis van hun ligging ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Zoekgebieden zijn als neutraal beoordeeld wanneer zij zich ver buiten NNN bevinden. Wanneer zoekgebieden aan het NNNgrenzen of zelfs hiermee overlappen is dit effect als negatief (-) of zeer negatief (-) beoordeeld. Ook speelt het plaatselijke natuurbeheertype hierbij een rol, waarbij gekeken is naar open (grasland) of gesloten (bos)beheertypen. Daarbij is verondersteld dat het negatieve effect groter is in open beheertypen dan in gesloten beheertypen.
-
Weidevogelgebieden In de provincie Zuid-Holland zijn grote open gebieden bestaande uit voornamelijk graslanden (veenweidegebieden) als Belangrijk weidevogelgebied aangewezen. De gebieden waar daadwerkelijk hoge dichtheden voorkomen zijn daarbij als kerngebied aangewezen. Door deze aanwijzing zijn deze gebieden ruimtelijk beschermd tegen ontwikkelingen die weidevogels kunnen verstoren en/of deze gebieden minder geschikt maken voor deze vogels. Windturbines (zoekgebieden) tasten de wezenlijke kenmerken en waarden (openheid) van belangrijk weidevogelgebieden aan en worden daarom als negatief beoordeeld wanneer zij overlappen of zich aangrenzend aan weidevogelgebieden bevinden. Wanneer zoekgebieden zich (ver) buiten belangrijk weidevogelgebied bevinden is het effect als neutraal beoordeeld. In de beoordeling is onderscheid gemaakt tussen kerngebieden voor weidevogels (beschermingscategorie 1) en kansrijke gebieden voor weidevogels (beschermingscategorie 2). Wezenlijke aantasting van de kerngebieden is sterk negatief beoordeeld omdat op deze plekken windturbines niet of zeer moeilijk vergunbaar zullen zijn.
-
Ganzenrustgebieden Enkele open gebieden zijn in de provincie Zuid-Holland aangewezen als Ganzenrustgebied. Dit zijn gebieden waarbinnen agrariërs in aanmerking komen voor een volledige tegemoetkoming in de schade die door ganzen wordt
aangericht met als doel de ganzenschade in deze gebieden te concentreren zodat de schadedruk buiten deze gebieden vermindert. Zoekgebieden die (ver) buiten deze gebieden liggen krijgen daardoor een neutrale beoordeling. Wanneer zoekgebieden met ganzenrustgebieden overlappen of hier dichtbij liggen kennen zij een negatieve beoordeling. -
Broedvogels en niet-broedvogels Het effect van de zoekgebieden op broedvogels en niet-broedvogels is gebaseerd op de gevoeligheidskaarten broedvogels en niet-broedvogels van SOVON. Deze kaarten tonen de kans dat windturbines een negatief effect hebben op broedvogels en niet-broedvogels. Naarmate deze kans toeneemt kennen de zoekgebieden een negatievere beoordeling.
-
Vogeltrek Zoekgebieden zijn beoordeeld op basis van de Vogeltrekkaart van SOVON. Deze kaart geeft de gebieden weer waar windturbines een negatief effect zullen hebben op overtrekkende vogels, of de kans daarop. Zoekgebieden kennen logischerwijs een negatievere beoordeling naarmate deze kans toeneemt.
-
Vleermuizen Voor vleermuizen zijn geen recente, gedetailleerde en overzichtelijke kaarten beschikbaar. Wel is bekend dat vleermuizen gebruikmaken van lijnvormige elementen als oriëntatie van en naar hun foerageergebieden. De beoordeling van de zoekgebieden is uitgevoerd aan de hand van expert judgement waarbij de ligging van lijnvormige elementen in combinatie met beschikbare verspreidingsgegevens van alle voorkomende vleermuissoorten in de National Databank Flora en Fauna (NDFF) een prominente rol spelen. Bij afwezigheid van kenmerkende lijnvormige oriëntatie-elementen en verspreidingsgegevens is het effect van het zoekgebied als neutraal beoordeeld.
Leefomgeving -
Geluid De zoekgebieden in de uitwerkingsoptie Leefomgeving liggen allemaal op meer dan 1.000 meter van woonkernen. Veel van de zoekgebieden in uitwerkingsoptie Natuur en uitwerkingsoptie Landschap liggen (deels) binnen de 1.000 meter van woonkernen, maar in alle gevallen verder dan 600 meter. Daarmee is het kansrijk om windturbines te plaatsen in deze zoekgebieden waarbij voldaan kan worden aan de standaardwaarde van 45 dB.
-
Richtafstand tot solitaire bebouwing Als harde belemmering is een afstand van 1x tiphoogte (240 meter)
aangehouden tot solitaire (bedrijfs)woningen en 480 meter tot cluster van 5 of meer (bedrijfs)woningen. Daarmee is dit criterium beperkt onderscheidend tussen de verschillende zoekgebieden en uitwerkingsopties. Voor een aantal gebieden geldt dat deze (deels) op een afstand tussen de 1x en 2x tiphoogte van (solitaire) woningen liggen. Deze gebieden zijn als beperkt negatief beoordeeld (). -
Grootschalige ontwikkellocaties voor wonen en werken Alle zoekgebieden kennen voldoende afstand tot toekomstige grootschalige ontwikkellocaties voor woningen. Het gaat om gebieden die in het provinciale gebieden zijn vastgelegd als 3 ha locaties voor woningbouw. Deze locaties kunnen beschouwd worden als een autonome ontwikkeling.
-
Inpassing energie-infrastructuur (netcapaciteit) Volgens Netbeheer Nederland kunnen windmolens op land een belangrijke rol spelen in het verminderen van netcongestie. De zoekgebieden waar transportcapaciteit beschikbaar is zonder wachtrij zijn daarmee positief beoordeeld (++). Gebieden met een wachtrij in onderzoek zijn als beperkt negatief beoordeeld (-). Gebieden waar een tekort is aan capaciteit en een wachtrij zijn negatief beoordeeld (--). De beoordelingen en methodiek zijn afgestemd met de lokale netbeheerders in de RES-regio’s. De analyse vormt een indicatief beeld van de kansen en knelpunten bij het aansluiten van windturbines in de verschillende zoekgebieden. Aanvragen en andere ontwikkelingen kunnen de aansluitmogelijkheden beïnvloeden.
-
Recreatiegebieden De zoekgebieden in de uitwerkingsoptie Leefomgeving hebben de kleinste impact op recreatiegebieden. Er zijn een aantal zoekgebieden binnen de verschillende uitwerkingsopties die direct naast recreatiegebieden liggen. Deze zijn als beperkt negatief beoordeeld (-).
-
Stiltegebieden In dit criterium is gekeken naar overlap tussen de zoeklocaties en stiltegebieden. Geen van de Dordtse locaties bevindt zich in een stiltegebied. Deze zijn namelijk deels uitgesloten als harde belemmering in het onderzoek dat geleid heeft tot de zoeklocaties.
-
Erfgoed en cultuurhistorie De zoeklocaties zijn ook beoordeeld op het effect dat ze hebbe op erfgoed en
cultuurhistorie. Zoeklocaties die niet van invloed zijn hierop zijn neutraal beoordeeld.
Veiligheid -
Waterveiligheid Er is in dit criterium getoets op overlap met beschermingszones van waterkeringen. Zoekgebieden die deze overlap hebben zijn beoordeeld als beperkt negatief (-). In de praktijk zullen de zoekgebieden voldoende ruimte bieden om tot een inpassing te komen die geen impact heeft op de beschermingszone van waterkeringen. Bij het ‘intekenen’ van de begrenzing van de zoekgebieden in het besluit over wijziging van het omgevingsbeleid kan hiermee rekening worden gehouden. Ook staat de huidige bepaling voor windenergie in de omgevingsverordening afwijking toe om een goede inpassing te faciliteren.
-
Grondwaterbeschermingsgebieden In dit criterium is gekeken naar overlap met grondwaterbeschermingsgebieden. Er is sowieso geen sprake van overlappen met waterwingebieden (die zijn als harde belemmering uitgesloten). In een aantal zoekgebieden is wel sprake van overlap met een grondwaterbescherming zone, boring vrije zone, aanvullende strategische voorraden of overlap met een zoekgebied voor drinkwater. Deze gebieden zijn als beperkt negatief beoordeeld (-). De aanleg van turbines in deze gebieden is mogelijk onder voorwaarden (in overleg met de beheerder).
-
Buisleidingen Binnen een aantal zoekgebieden in de verschillende uitwerkingsopties liggen buisleidingtracés. In de zoekgebieden waarbinnen buisleidingtracés liggen zal hier bij toekomstige inpassing van windturbines rekening mee gehouden dienen te worden. Deze zoekgebieden zijn beoordeeld als beperkt negatief (-).
-
Bouwhoogtebeperkingen luchtvaart Alle zoekgebieden liggen binnen restrictievlakken of toetsingsvlakken met betrekking tot de vliegveiligheid en detectie van aankomend vliegverkeer. Geen van de Dordtse zoeklocaties ligt binnen restrictievlakken. Toetsingsvlakken staan toe als er geen bezwaar is verleend door de bevoegde autoriteit.
-
Risico-inrichtingen Het plaatsen van windturbines in de zoekgebieden zal nauwelijks effect hebben op inrichtingen met een vastgestelde risicocontour (bijvoorbeeld: LPG-stations, BRZO-bedrijven en overige bedrijven met opslag van gevaarlijke stoffen).
Landschap 1. Concentratie Is er concentratie van turbines en daardoor ook concentratie van effecten en kwaliteitsbehoud op regionale schaal?
Is aan de minimale voorwaarde concentratie voldaan, dus minstens 5 in een lijn en minstens 8 (in een dubbellijnig 4x2) of minstens 9 turbines (in een vierkant 3x3) in een clusteropstelling? In welke mate is er aan de voorwaarde voldaan? Is aan een hogere voorwaarde voldaan namelijk bijvoorbeeld meer dan 8 in een lijn? In welke mate biedt het zoekgebied ruimte voor verdere ontwikkeling van de opstelling en is er enige flexibiliteit in plaatskeuze? Dit is relevant omdat in de uitwerkingsopties nauwelijks grotere clusters dan 9 stuks zijn getekend. Het maakt echter wel uit of zo’n cluster staat in een gebied waarin er precies 9 passen of in een gebied waar er makkelijk 20 zouden kunnen. Dit laatste gebied zou vanwege zijn potentie hoger mogen scoren.
2. Landschap, de hoofdstructuur Voegt de opstelling zich in waarneembare en grootschalige structuren van een landschap?
Immers turbines van 240 meter hoogte en turbines opstellingen van vele kilometers gaan ruimtelijk gezien geen relatie meer aan met een klein groepje gebouwen of een wegstructuur. Wel met grotere gebieden met gemeenschappelijke kenmerken.
Is er sprake van grote open ruimtes waar de windopstelling onderdeel van wordt? Voegt de opstelling zich binnen ruimtes met landschappelijke grenzen? Is er sprake van een duidelijke hoofdrichting in het landschap, op een regionaal niveau en voegt de windopstelling zich daarin op een passende manier. Geeft het windpark een articulatie of markering van een structuurkenmerk van het landschap. (Bijv. waar alle linten in een grote polder een gelijke richting hebben, aansluitend bij een gelijke lineaire structuur van een windpark) Is er eenvoudig overzicht en een rustig beeld mogelijk vanaf relevante en veel gebruikte posities van waarnemers?
3. Landschap, passend in schaal en karakter In welke mate voegt de windopstelling zich in het bestaande landschap met zijn lokale karakteristiek en kwaliteit?
Immers een windturbines is een dominant bouwwerk met een technische uitstraling. In meer of mindere mate hebben landschappen nu reeds een moderne grootschalige en technische uitstraling met schuren, loodsen of energieopstellingen, soms ook met opvallende infrastructuur, terwijl het elders meer een historische, natuurlijke en op wonen gerichte uitstraling heeft. In het eerste geval is iets meer sprake van erbij passen. In het tweede geval is er meer kans op vervreemding. Bepalend hierin zijn in veel gevallen dorpsranden en linten.
4. Ontwikkeling/ inpassing met kwaliteit Biedt het gebied aanleiding voor een toekomstig landschap met kwaliteit? Biedt het zoekgebied/de mogelijke opstelling, kansen voor een kwaliteitsvolle inrichting van het landschap die de effecten van windturbines verzacht/mitigeert (Bijv. door wegbeplantingen, natuur, bos)? En is een dergelijke uitwerking ook enigszins realistisch?
5. Samenhang Is er voldoende afstand (bij voorkeur meer dan 5km) tussen windopstellingen. Of is er duidelijk sprake van afstemming en samenhang indien de opstellingen dicht bij elkaar staan? Dat wil zeggen: vormkeuzen voor opstellingstypen binnen een bepaald gebied? Is er een regionale en landschaps-specifieke concentratie van windturbines zichtbaar?