bijlage 8 - Referentieontwerp - Deelrapport rivierkunde-gecomprimeerd.pdf
Tekst van het document
Tabel 5.1 Effect Hel- en Zuilespolder op getijgemiddelde afvoerverdeling2 bij de Merwedekop Scenario
Afvoer Beneden Merwede referentiesituatie
Effect HZP op afvoer Beneden Merwede
Afvoer Nieuwe Merwede referentiesituatie
Effect HZP op afvoer Nieuwe Merwede
hza, Boven-Rijnafvoer 17.353 m3/s, open kering
3.913,9 m3/s
0,2 m3/s (0,00 %)
6.840,5 m3/s
-4 m3/s (-0,06 %)
hzc, Boven-Rijnafvoer 16.713 m3/s, matige storm, gesloten kering
3.776,9 m3/s
-0,1 m3/s (0,00 %)
6.599,6 m3/s
-4 m3/s (-0,06 %)
Benedenstrooms van de Merwedekop is er bij extreem hoogwater uitwisseling tussen de Nieuwe Merwede en de Beneden Merwede doordat een groot deel van de Sliedrechtse Biesbosch dan onder water staat. Daarom zijn de effecten op de afvoerverdeling door de Beneden Merwede en Nieuwe Merwede ook berekend benedenstrooms van de Sliedrechtse Biesbosch. De resultaten hiervan zijn opgenomen in tabel 5.2. Hieruit blijkt dat bij een extreme afvoer en een open kering (CIP hza) de afvoer in de Beneden en Nieuwe Merwede licht afneemt: respectievelijk -0,08 % en -0,06 %. Bij een extreme rivierafvoer in combinatie met gesloten stormvloedkeringen (CIP hzc) neemt de afvoer van de Beneden Merwede toe met 6,2 m3/s (overeenkomend met +0,18 %) en neemt de afvoer van de Nieuwe Merwede af met 4,1 m3/s (overeenkomend met -0,06 %).
1
Mondelinge toelichting van Theo van der Linden: bij Ruimte voor de Rivier werd gekeken naar de afvoerverdeling bij extreme rivierafvoeren en niet naar de afvoerverdeling bij stormen.
2
Opgemerkt wordt dat de effecten op de getijgemiddelde afvoerverdeling voor de Beneden Merwede en Nieuwe Merwede niet even groot zijn, doordat het een niet-stationaire situatie betreft.
39 | 58
Witteveen+Bos en BWZ Ingenieurs | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Definitief
Tabel 5.2 Effect Hel- en Zuilespolder op getijgemiddelde afvoerverdeling1 Beneden Merwede (inclusief Wantij) bij Dordrecht en Nieuwe Merwede bij Kop van het Land Scenario
Afvoer Beneden Merwede bij Dordrecht (rkm 976) referentiesituatie
Effect HZP op afvoer Beneden Merwede (rkm 976)
Afvoer Nieuwe Merwede bij Kop van het Land (rkm 971) referentiesituatie
Effect HZP op afvoer Nieuwe Merwede (rkm 971)
hza, Boven-Rijnafvoer 17.353 m3/s, open kering
3.655,0 m3/s
3,1 m3/s (0,08 %)
6.973,7 m3/s
-4,1 m3/s (-0,06 %)
hzc, Boven-Rijnafvoer 16.713 m3/s, matige storm, gesloten kering
3.341,9 m3/s
-6,2 m3/s (-0,18%)
6.855,8 m3/s
-4,1 m3/s (-0,06 %)
Conclusie: De toename van de afvoer van de Beneden Merwede benedenstrooms van de Sliedrechtse Biesbosch is zeer beperkt en kan als verwaarloosbaar worden beschouwd. Over de definitieve beoordeling hiervan dient afstemming plaats te vinden met de rivierbeheerder, omdat er aan de ene kant sprake is van een lichte toename van de afvoer op de Beneden Merwede, maar dit aan de andere kant niet leidt tot een waterstandstoename op het traject benedenstrooms van de ingreep.
5.3.4
Hinder en schade - Dwarsstroming
De ingrepen in het projectgebied kunnen mogelijk leiden tot een verandering van de dwarsstroming. Voor het aspect Schade en Hinder is de verandering van de dwarsstroming ten opzichte van de referentiesituatie in beeld gebracht. Dwarsstroming hoofdvaarweg Gors en Aanwas De dwarsstroming en het dwarsstroomdebiet is berekend voor de noordoever en de zuidoever bij een Boven-Rijnafvoer van 4.000, 6.000 en 8.000 m3/s. In deze paragraaf zijn afbeeldingen opgenomen van de dwarsstroming aan de zuidoever ter plaatse van Gors en Aanwas. Voor de afvoer van 4.000 m 3/s en voor de noordoever wordt verwezen naar bijlage IV. Uit de resultaten blijkt dat de dwarsstroming op een aantal plaatsen toeneemt aan de zuidoever, namelijk bij de instroomopening van de meestromende nevengeul (rkm 954,0), bij de krib direct benedenstrooms van de instroom van de nevengeul (rkm 954,3) en aan de benedenstroomse zijde van Gors en Aanwas (rkm 955,6) bij de haven van Sleeuwijk. Tabel 5.3 toont een overzicht van de locaties waar de dwarsstroming toeneemt, en op welke locaties niet (rood) en wel (groen) wordt voldaan aan de eisen uit het RBK. In onderstaande paragrafen worden de effecten op dwarsstroming op de drie hierboven benoemde plaatsen nader toegelicht.
Tabel 5.3 Overzicht van locaties waar de dwarsstroming toeneemt. Groene getallen geven aan dat aan de eisen uit het RBK wordt voldaan, rode getallen geven aan dat niet aan de eisen uit het RBK wordt voldaan. Afvoer (m3/s)
Referentie Dwarsstroming (m/s)
Referentie Dwarsdebiet (>/< 50 m3/s)
Nieuwe situatie Dwarsstroming (m/s)
Nieuwe situatie Dwarsdebiet (>/< 50 m3/s)
953,95
6.000
0,13
>50
0,16
<50
953,95
8.000
0,13
>50
0,16
<50
RKM
1
Opgemerkt wordt dat de effecten op de getijgemiddelde afvoerverdeling voor de Beneden Merwede en Nieuwe Merwede niet even groot zijn, doordat het een niet-stationaire situatie betreft en deze locaties ook op enige afstand van elkaar liggen (met tussenliggende bergingsgebieden).
40 | 58
Witteveen+Bos en BWZ Ingenieurs | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Definitief
RKM
Afvoer (m3/s)
Referentie Dwarsstroming (m/s)
Referentie Dwarsdebiet (>/< 50 m3/s)
Nieuwe situatie Dwarsstroming (m/s)
Nieuwe situatie Dwarsdebiet (>/< 50 m3/s)
954,3
6.000
0,38
>50
0,40
>50
954,3
8.000
0,28
<50
0,32
>50
955,6
6.000
0,11
<50
0,18
>50
955,6
8.000
0,17
>50
0,22
>50
Instroomopening meestromende nevengeul Bij de instroomopening van de meestromende nevengeul neemt de dwarsstroming zowel bij een afvoer van 6.000 als 8.000 m3/s toe tot > 0,15 m/s (respectievelijk afbeelding 5.23 en afbeelding 5.26). Echter omdat het dwarsdebiet op deze locatie, bij beide afvoeren, afneemt naar < 50 m3/s (respectievelijk afbeelding 5.24 en afbeelding 5.27) voldoet de dwarsstroming zowel in de referentie situatie als de nieuwe situatie aan de eisen in het RBK. Krib benedenstrooms van instroom nevengeul Bij de krib direct benedenstrooms van de instroom van de nevengeul (rkm 954,3) neemt de dwarsstroming toe van 0,38 naar 0,40 m/s bij een afvoer van 6.000 m3/s en van 0,28 naar 0,32 m/s bij een afvoer van 8.000 m3/s (afbeelding 5.23). Het dwarsstroomdebiet is op deze locatie groter dan 50 m3/s (afbeelding 5.24 en afbeelding 5.27). Er trekt meer afvoer door deze kribvakken als gevolg van de aanwezigheid van de instroomopening. Bij een afvoer van 6.000 m3/s voldeed de situatie niet in de referentiesituatie en verslechtert door de ingrepen. Bij een afvoer van 8.000 m3/s voldeed de situatie in de referentiesituatie wel, door de ingrepen voldoet de situatie niet.
Benedenstroomse zijde Gors en Aanwas Aan de benedenstroomse zijde van Gors en Aanwas (rkm 955,6) neemt de dwarsstroming toe van 0,11 tot 0,18 m/s bij een afvoer van 6.000 m3/s (afbeelding 5.23), het dwarsstroomdebiet neemt toe tot 50 m3/s (afbeelding 5.24) en hiermee voldoet deze situatie niet. Bij een afvoer van 8.000 m3/s neemt de dwarsstroming toe van 0,16 tot 0,22 m/s (afbeelding 5.26). Bij deze afvoer is het dwarsstroomdebiet groter dan 50 m3/s in de huidige situatie en bij het referentieontwerp (afbeelding 5.27). Deze toename van de dwarsstroming is niet oplosbaar binnen het projectgebied. Aan de noordoever is een lichte verbetering van de dwarsstroming ten opzichte van de referentiesituatie bij rkm 954,8 bij een afvoer van 8.000 m3/s (zie bijlage IV). Vervolgonderzoek MARIN Op twee locaties wordt bij een afvoer van 6.000 en 8.000 m3/s en niet voldaan aan de eisen wat betreft dwarsstroming in het RBK. Conform het RBK wordt voor deze locaties de impact van de herinrichting van Gors en Aanwas op de manoeuvreerbaarheid van scheepvaart onderzocht door Marin (bijlage X). Uit deze studie komt naar voren dat het veranderde stroombeeld door de ingreep niet leidt tot onveilige situaties voor de scheepvaart.
41 | 58
Witteveen+Bos en BWZ Ingenieurs | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Definitief
Dwarsstroming zuidoever bij Boven-Rijnafvoer van 6.000 m3/s Afbeelding 5.22 Dwarsstroming op de bakenlijn van de zuidoever bij een Boven-Rijnafvoer van 6.000 m3/s
Afbeelding 5.23 Dwarsstroming op de bakenlijn van de zuidoever bij een Boven-Rijnafvoer van 6.000 m3/s. Een positieve waarde is in de richting van de rivieras
42 | 58
Witteveen+Bos en BWZ Ingenieurs | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Definitief
Afbeelding 5.24 Dwarsstroomdebiet op de bakenlijn van de zuidoever bij een Boven-Rijnafvoer van 6.000 m3/s, over een scheepslengte van 225 m. Een positieve waarde is in de richting van de rivieras
Dwarsstroming zuidoever bij Boven-Rijnafvoer van 8.000 m3/s Afbeelding 5.25 Dwarsstroming op de bakenlijn van de zuidoever bij een Boven-Rijnafvoer van 8.000 m3/s
Afbeelding 5.26 Dwarsstroming op de bakenlijn van de zuidoever bij een Boven-Rijnafvoer van 8.000 m3/s. Een positieve waarde is in de richting van de rivieras
43 | 58
Witteveen+Bos en BWZ Ingenieurs | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Definitief
Afbeelding 5.27 Dwarsstroomdebiet op de bakenlijn van de zuidoever bij een Boven-Rijnafvoer van 8.000 m3/s, over een scheepslengte van 225 m. Een positieve waarde is in de richting van de rivieras
Dwarsstroming hoofdvaarweg Hel- en Zuilespolder Langs de Beneden Merwede bij de Hel- en Zuilespolder zijn gestrekte oevers (zonder kribben). Langs gestrekte oevers is de waterdiepte (en de in de bakenlijn berekende dwarsstroomsnelheid) niet representatief voor de vaarweg. Daarom rekenen we langs de Beneden Merwede conform bijlage 7 van het RBK met een zogenaamde representatieve dwarsstroomsnelheid. Vanwege de getij-invloed is er geen stationaire stroming bij de verschillende afvoerniveaus. Daarom is bij de verschillende afvoerniveaus de dwarsstroming berekend voor het moment waarop de stroomsnelheid in het zomerbed bij rkm 968 maximaal is. De verandering in dwarsstroomsnelheden is minimaal bij de afvoeren van 2.000, 4.000 en 6.000 m 3/s. Bij de afvoeren 2.000, 4.000 en 6.000 m3/s neemt het dwarsstroomdebiet toe ter plaatse van de monding van de Helsloot. Echter, voor de situaties waar het maximum dwarsstroomdebiet in de referentiesituatie onder de grens van 50 m3/s was, blijft dit ook zo bij het referentieontwerp. In deze paragraaf zijn daarom afbeeldingen opgenomen van de dwarsstroming aan de zuidoever ter plaatse van Hel- en Zuilespolder voor een afvoer van 8.000 m3/s. Voor de afvoeren van 2.000, 4.000 en 6.000 m3/s wordt verwezen naar bijlage V.
Bij een afvoer van 8.000 m3/s neemt de maximale dwarsstroming toe van 0,33 m/s naar 0,34 m/s bij de monding van de Helsloot (rkm 968,2 -968,3, zie afbeelding 5.29). Waar de dwarsstroming toeneemt wordt ook het dwarsdebiet op deze locatie groter, echter komt deze niet boven de grens van 50 m3/s uit. Dwarsstroomssnelheid rkm 969,0-969,1 Opgemerkt wordt dat de dwarsstroomsnelheid berekend is ter plaatse van de gestrekte oevers. Ter plaatse van rkm 969,0-969,1 verspringt de oever en is de oever over een lengte van 55 m dwars op de rivieras. Hierdoor zijn de berekende negatieve en positieve pieken in dwarsstroming ter plaatse van rkm 969,0-969,1 (zie groene cirkel in afbeelding 5.29) niet representatief voor hinder scheepvaart.
44 | 58
Witteveen+Bos en BWZ Ingenieurs | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Definitief
Vervolgonderzoek MARIN Op twee locaties wordt bij een afvoer van 6.000 en 8.000 m3/s en niet voldaan aan de eisen wat betreft dwarsstroming in het RBK. Conform het RBK wordt voor deze locaties de impact van de herinrichting van Gors en Aanwas op de manoeuvreerbaarheid van scheepvaart onderzocht door Marin Error! Reference source not found.bijlage X). Uit deze studie komt naar voren dat het veranderde stroombeeld door de ingreep niet leidt tot onveilige situaties voor de scheepvaart. Dwarsstroming zuidoever bij Boven-Rijnafvoer van 8.000 m3/s
Afbeelding 5.28 Representatieve dwarsstroomsnelheid aan de zuidoever bij een Boven-Rijnafvoer van 8.000 m3/s
Afbeelding 5.29 Representatieve dwarsstroomsnelheid op de bakenlijn van de zuidoever bij een Boven-Rijnafvoer van 8.000 m3/s. Een positieve waarde is in de richting van de rivieras
45 | 58
Witteveen+Bos en BWZ Ingenieurs | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Definitief
Afbeelding 5.30 Dwarsstroomdebiet op de bakenlijn van de zuidoever bij een Boven-Rijnafvoer van 8.000 m3/s, over een scheepslengte van 225 m. Een positieve waarde is in de richting van de rivieras
Recreatieve vaarwegen Hel- en Zuilespolder De recreatievaarwegen rondom de Hel- en Zuilespolder behoren bij scheepvaartklasse 0 (overige motorvrachtschepen M0 en recreatievaart). Richtlijn Vaarwegen 2020 (RWS, verder: RVW 2020, [ref. 8]) is formeel niet van toepassing op deze vaarwegen rondom de Hel- en Zuilespolder, omdat deze vaarwegen geen verbindings- en ontsluitingswater zijn voor recreatievaart (dus geen ZM-A tot en met MD) en scheepvaartklasse kleiner is dan klasse I. Echter, ontwerp volgens deze richtlijn leidt tot technisch en nautisch verantwoorde oplossingen voor een betrouwbare, veilige en vlotte vaart. Daarom is het ontwerp gecontroleerd op deze richtlijn. In aanvulling op de dwarsstroming in de hoofdvaarwegen, is daarom ook de dwarsstroming van recreatieve vaarwegen beschouwd. Voor de recreatieve vaarwegen rond de Hel- en Zuilespolder is de dwarsstroming onderzocht voor het scenario waarbij de getijslag in de Hel- en Zuilespolder maximaal is, omdat de in- en uitstroomsnelheden dan maximaal zijn. Dit is het scenario met 2.000 m3/s Boven-Rijn afvoer in combinatie met getij. Hierbij is gefocust op de momenten van maximale vloedsnelheid en maximale ebsnelheid. Opgemerkt wordt dat dit een conservatief uitgangspunt is, omdat dit slechts korte moment zijn gedurende de dag. Het grootste deel van de tijd zijn de snelheden lager.
De beschouwde openingen en de nabijgelegen recreatieve vaarwegen zijn weergegeven in afbeelding 5.31. Onderstaande tabel toont voor verschillende openingen van de Hel- en Zuilespolder de maximale eb- en vloeddebieten en de maximale eb- en vloedsnelheden. Vervolgens is de maximale dwarssnelheid ingeschat aan de hand van de oriëntatie van de opening ten opzichte van de vaarweg.
46 | 58
Witteveen+Bos en BWZ Ingenieurs | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Definitief
Afbeelding 5.31 Overzicht recreatieve vaarwegen rond de Hel- en Zuilespolder. Blauwe pijl: locatie (en oriëntatie) eb- en vloedstroming door openingen Hel- en Zuilespolder onder dagelijkse omstandigheden. Rode pijlen: vaarrichting van recreatieve scheepvaart
Tabel 5.4 Maximum dwarsstroming recreatieve vaarwegen bij maximale getijslag in de Hel- en Zuilespolder Opening noord
Opening zuid
Opening west
25 m
15 m
15 m
drempelhoogte opening
-1,20 m+NAP
-1,20 m+NAP
-1,20 m+NAP
plafond opening
+1,50 m+NAP
+1,60 m+NAP
+1,40 m+NAP
breedte opening
max. vloeddebiet (vullen)
7,4 m /s
1,7 m /s (ledigen)
1,4 m3/s
max. ebdebiet (ledigen)
6,8 m3/s
2,8 m3/s (vullen)
0,9 m3/s
25 m x 1,8 m
15 m x 1,8 m
15 m x 1,8 m
max vloedsnelheid
0,15 m/s
0,06 m/s
0,05 m/s
max ebsnelheid
0,17 m/s
0,10 m/s
0,03 m/s
0,17 m/s (90 graden)
0,07 m/s (90 graden)
0,05 m/s (90 graden)
doorstroomoppervlak van opening1
max dwarssnelheid recreatievaart
1
3
Bij een gemiddelde waterstand van +0,6 m+NAP.
47 | 58
Witteveen+Bos en BWZ Ingenieurs | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Definitief
3
Hieruit blijkt dat onder dagelijkse omstandigheden recreatievaart beperkte dwarsstromingen kan ondervinden, uitgaande van de openingen uit tabel 5.4. De langsstroming in de vaarwegen ten zuiden van de Hel- en Zuilespolder neemt onder dagelijkse omstandigheden niet toe. Dit blijkt uit het verschil in maximale stroomsnelheid bij afvoeren van 2.000 en 4.000 m3/s (zie bijlage VII) en 6.000 m3/s (zie afbeelding 5.35). De toename van de langsstroming ten zuiden van de Hel- en Zuilespolder bij een hoge afvoer van 8.000 m3/s blijft beperkt tot 0,1 m/s.
5.3.5
Erosie en sedimentatie
Algemeen Een mogelijk effect van het verruimen van de uiterwaard is een verandering van de stroomsnelheden in het zomerbed waardoor de evenwichtsbodemligging kan veranderen. Voor het aspect Morfologie is op basis van stroombeelden, vuistregels en expert judgement een inschatting gemaakt van erosie en/of sedimentatie in het zomerbed. Deze paragraaf beschrijft per variant welke effecten er optreden op erosie en sedimentatie, daarnaast wordt aangegeven hoe de varianten beoordeeld wordt. Gors en Aanwas Zomerbed bij Gors en Aanwas De effecten van de ingrepen bij Gors en Aanwas op erosie en sedimentatie in het zomerbed zijn ingeschat aan de hand van de effecten op de stroomsnelheden, de drijvende kracht achter sedimenttransport. De effecten op stroomsnelheden zijn in beeld gebracht bij Boven-Rijnafvoeren van 2.000, 4.000 6.000 en 8.000 m3/s. Bij afvoeren van 2.000 en 4.000 m3/s wijzigen de stroomsnelheden in het zomerbed niet door de ingrepen (zie bijlage VI). Daarom wordt geen erosie en sedimentatie in het zomerbed verwacht. Bij een Boven-Rijnafvoer van 6.000 en 8.000 m3/s zijn er lokale verschillen in de maximum stroomsnelheid ten opzichte van de referentiesituatie (zie afbeelding 5.33 en afbeelding 5.34). Bij een Boven-Rijnafvoeren van 6.000 m3/s nemen de stroomsnelheden op twee locaties in het zomerbed af.
Tussen rkm 954-954.6 neemt de stroomsnelheid lokaal af met 0,02 m/s, deze afname van de stroomsnelheden is verwaarloosbaar. Langs zuidoever, ter hoogte van de ingang van de haven van Sleeuwijk, nemen de stroomsnelheden af met maximaal 0.1 m/s. Dit is een lokale reductie van de stroomsnelheid van circa 1 %. Op basis van een evenwichtsbeschouwing is een bovengrens afgeschat van de sedimentatie. Dit is lokaal 0,05 tot 0,1 meter1, uitgaande dat de Boven-Rijnafvoer van 6.000 m3/s zo lang duurt dat zich een nieuw evenwicht instelt. Bij een Boven-Rijnafvoeren van 8.000 m3/s in het traject rkm 954 - 956,1 in het zomerbed een afname van de stroomsnelheden van 0,01 tot een maximum van 0,1 m/s langs de zuidoever. Dit is een lokale reductie van de stroomsnelheid met 0,6 % tot 6 %. Op basis van een evenwichtsbeschouwing is een bovengrens afgeschat van de sedimentatie. Dit is lokaal 0,05 tot 0,5 meter 2, uitgaande dat de Boven-Rijnafvoer van 8.000 m3/s zo lang duurt dat zich een nieuw evenwicht instelt. Een hoogwaterperiode heeft echter een typische duur van enkele weken. Daarom wordt op basis van expert judgement tijdens een hoogwater hier een aanzanding verwacht van 0,02 m tot 0,2 meter. Gezien het grote gebied waarbij de stroomsnelheid afneemt met 0,01 m/s, is het totaal te verwachte sedimentatievolume ongeveer 11.300 m3 sediment3.
Vanwege het grote gebied waarbij de stroomsnelheid afneemt met 0,01 m/s, zal een groot gedeelte van deze aanzanding weer verdwijnen onder invloed van rivier- en getijstroming. Verder is er een toename van
1
Uitgaande van waterdiepte 7,5 m bij een waterstand van 2,5 m en een lokale bodemhoogte van -5,0 m+NAP.
2
Uitgaande van waterdiepte 8,4 m bij een waterstand van 3,36 m en een lokale bodemhoogte van -5,0 m+NAP.
3
Ruwe schatting van volume: lengte 1.000 m x breedte 50 m x gemiddelde aanzanding (van 0,02 tot 0,2 = 0,06 m) geeft ongeveer 6.000 m3.
48 | 58
Witteveen+Bos en BWZ Ingenieurs | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Definitief
de stroomsnelheden te zien in de kribvakken ter hoogte van rkm 954,1 - 954,5. Het verschil in stroomsnelheid is tot +0,05 m/s bij een afvoer van 8.000 m3/s. Op basis van expert judgement wordt verwacht dat deze kleine toename in stroomsnelheid de stabiliteit van de oever en kribben niet negatief beïnvloed. Uiterwaard Gors en Aanwas De uiterwaard Gors en Aanwas bevat in de nieuwe situatie meestromende nevengeul. De snelheden in de uiterwaard zijn tot 0,7 m/s (bij een afvoer van 8.000 m3/s. Bij lagere afvoeren zijn de stroomsnelheden in de nevengeul lager. De oevers van deze nevengeul dienen zo ontworpen te zijn dat deze bestand zijn tegen deze stroomsnelheden. Op basis van expert judgement mag verwacht worden dat de delen die niet permanent meestromen zullen aanzanden. Daarom wordt aanbevolen om eventuele aanzanding van de nevengeul te monitoren (door monitoren van de bodemligging), zodat zicht is op de instandhouding van deze KRW-geul.
Afbeelding 5.32 Maximale stroomsnelheid van het referentieontwerp bij een Boven-Rijnafvoer van 8.000 m3/s
De herinrichting van Gors en Aanwas leidt mogelijk tot sedimentatie in het zomerbed in de monding van de haven van Sleeuwijk. De extra baggerinspanning is relatief gering, omdat sedimentatie alleen verwacht wordt bij hogere afvoeren (6.000 en 8.000 m3/s) en niet bij de vaker voorkomende beschouwde afvoeren van 2.000, 4.000 m3/s. Of de mogelijke toename van baggerinspanning akkoord wordt bevonden is dient te worden afgestemd met de vaarwegbeheerder (Rijkswaterstaat).
Afbeelding 5.33 Effect op maximale stroomsnelheid van het referentieontwerp ten opzichte van referentiesituatie bij een BovenRijnafvoer van 6.000 m3/s
49 | 58
Witteveen+Bos en BWZ Ingenieurs | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Definitief
Afbeelding 5.34 Effect op maximale stroomsnelheid van het referentieontwerp ten opzichte van referentiesituatie bij een BovenRijnafvoer van 8.000 m3/s
Hel- en Zuilespolder In deze paragraaf worden de morfologische effecten in het zomerbed getoetst aan de eisen uit het RBK. Daarnaast wordt ook aandacht besteed aan de effecten op de bodemverontreiniging op het Wantij en de uiterwaarden en geulen in en nabij de Hel- en Zuilespolder. Zomerbed De effecten van de ingrepen bij Hel- en Zuilespolder op erosie en sedimentatie in het zomerbed zijn ingeschat aan de hand van de effecten op de stroomsnelheden, de drijvende kracht achter sedimenttransport. Bij Boven-Rijnafvoeren van 2.000 en 4.000 m3/s wijzigen de stroomsnelheden in het zomerbed niet door de ingrepen (zie bijlage VII). Daarom wordt geen erosie en sedimentatie in het zomerbed verwacht bij deze afvoeren. Bij de afvoeren van 6.000 en 8.000 m3/s is er een kleine afname van de stroomsnelheid bij rkm 968,1-968,3 aan de oever. Hier zou mogelijk sedimentatie kunnen optreden. De afname bij 6.000 m 3/s is lokaal ongeveer 0,05 m/s (zie afbeelding 5.35). De afname bij 8.000 m3/s is lokaal ongeveer 0,1 m/s (zie afbeelding 5.36). Deze afname is vrijwel geheel in het kribvak. De stroomsnelheid afname bij rkm 696,1 - 696,4 deze afname bevind buiten de vaargeul, waardoor de mogelijke sedimentatie beperkt blijft tot in het kribvak. De herinrichting van Hel- en Zuilespolder leidt naar verwachting niet tot extra sedimentatie of erosie van het zomerbed.
Hiermee wordt voldaan aan de eisen uit het RBK.
50 | 58
Witteveen+Bos en BWZ Ingenieurs | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Definitief
Afbeelding 5.35 Effect op maximale stroomsnelheid van het referentieontwerp 1 ten opzichte van referentiesituatie bij een BovenRijnafvoer van 6.000 m3/s
Afbeelding 5.36 Effect op maximale stroomsnelheid van het referentieontwerp ten opzichte van referentiesituatie bij een BovenRijnafvoer van 8.000 m3/s
1
Opgemerkt wordt dat de stroomsnelheid in de Hel- en Zuilespolder wel wijzigt als gevolg van de nieuwe inrichting, hoewel dit niet zichtbaar is in de afbeeldingen. Dit komt doordat in de referentiesituatie de Hel- en Zuilespolder niet meestroomt bij de afvoeren tot in ieder geval 8.000 m3/s. Bij het referentieontwerp stroomt de Hel- en Zuilespolder wel mee bij alle afvoeren. Dit is zichtbaar in de afbeeldingen met de maximale stroomsnelheid.
51 | 58
Witteveen+Bos en BWZ Ingenieurs | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Definitief
Bodemverontreiniging Wantij De bodem van het Wantij bevat bodemverontreinigingen. Die zouden potentieel in het watersysteem kunnen komen door erosie. Daarom is onderzocht of de maximale stroomsnelheid en daarmee de bodemschuifspanning in het Wantij toeneemt als gevolg van de ingrepen in de Hel- en Zuilespolder. Uit simulaties bij Boven-Rijn afvoeren van 2.000, 4.000, 6.000 en 8.000 m3/s blijkt dat de stroomsnelheid in het Wantij niet wijzigt als gevolg van de ingrepen in de Hel- en Zuilespolder. Er zal daarom in het Wantij geen extra erosie plaatsvinden ten opzichte van de referentiesituatie. Uiterwaarden en overige geulen Sliedrechtse Biesbosch In de Hel- en Zuilespolder zelf zal met name in de geulen stroming zijn als gevolg van eb en vloed onder dagelijkse omstandigheden. Bij vloed kan sedimentrijk water vanuit de Beneden Merwede de Hel- en Zuilespolder instromen. Verwachting is dat het grovere sediment in de geulen bezinkt. Gedurende vloed zullen ook de oevers overstromen. Hierbij wordt het fijnere suspensieve sediment meegevoerd. Mogelijk kan dit hier bezinken. Een deel van het sediment stroomt bij eb weer terug. Het gedrag van de Hel- en Zuilespolder zal niet anders zijn dan andere gebieden in de Sliedrechtse Biesbosch. Daarom zal het benodigde beheer van de Hel- en Zuilespolder naar verwachting vergelijkbaar zijn met andere gebieden in de Sliedrechtse Biesbosch.
Opgemerkt wordt dat het ontwerp van de Hel- en Zuilespolder bestand moet zijn tegen erosie rond de inen uitstroomopeningen. Bodembescherming is aan weerszijden1 van deze openingen benodigd om de stabiliteit van de constructies te borgen. Als gevolg van de ingrepen in en rond de Hel- en Zuilespolder wordt het dynamischer in dit gebied: - in de Helsloot is er een toename van de snelheden bij alle condities doordat de Hel- en Zuilespolder deels via deze watergang iedere getijcyclus vult en leegt (afbeelding 5.35, afbeelding 5.36 en bijlage VII); - in de uiterwaard langs de Beneden Merwede nemen de snelheden toe, door de nieuwe nevengeul die permanent meestroomt (afbeelding 5.35, afbeelding 5.36 en bijlage VII); - ten zuiden van de Hel- en Zuilespolder is er in het Moldiep en de Kikvorschkil een toename van de stroomsnelheden. De Hel- en Zuilespolder is met openingen namelijk niet alleen verbonden aan de noordzijde, maar ook aan de zuidzijde met deze watergangen. De toename is vooral bij afvoeren van 6.000 en 8.000 m3/s (afbeelding 5.35 en afbeelding 5.36); - in de watergang tussen de Hel- en Zuilespolder en het Wantij (nabij de Ottersluis) nemen de maximumstroomsnelheden in sommige situaties af (zoals bij een afvoer van 6.000 m 3/s, afbeelding 5.35) of is er geen verandering van de maximum stroomsnelheid (afvoeren van 2.000, 4.000 en 8.000 m 3/s).
Aanbevolen wordt om de geulen rond de Hel- en Zuilespolder te monitoren om te beoordelen of de toename in de stroomsnelheden tot erosie en sedimentatie leidt. Waarschijnlijk bestaat de bodem van de geulen rond de Hel- en Zuilespolder uit cohesief sediment. Dat maakt het inschatten van eventuele erosie zeer onzeker.
1
Vanwege wisselende stroomrichting bij eb- en vloedstroming.
52 | 58
Witteveen+Bos en BWZ Ingenieurs | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Definitief
Afbeelding 5.37 Maximale stroomsnelheid van het referentieontwerp Hel- en Zuilespolder bij een Boven-Rijnafvoer van 6.000 m3/s
Afbeelding 5.38 Maximale stroomsnelheid van het referentieontwerp Hel- en Zuilespolder bij een Boven-Rijnafvoer van 8.000 m3/s
Geulen in WAQUA Biesbosch model Opgemerkt wordt dat het rekengrid van het WAQUA Biesbosch model relatief grof is ten opzichte van de geulen in de Sliedrechtse Biesbosch. De getoonde stroomsnelheden en verschillen in stroomsnelheden in de geulen hebben daarom een beperkte betrouwbaarheid (zie ook paragraaf 4.1).
53 | 58
Witteveen+Bos en BWZ Ingenieurs | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Definitief
6 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 6.1
Conclusies
Voor de conclusies is onderscheid gemaakt tussen de ingrepen bij Gors en Aanwas (langs de Boven Merwede) en de Hel- en Zuilespolder (langs de Beneden Merwede).
6.1.1
Gors en Aanwas
Tabel 6.1 presenteert een samenvatting van de beoordeling van de rivierkundige effecten voor Gors en Aanwas.
Tabel 6.1 Samenvatting beoordeling rivierkundige effecten het referentieontwerp Gors en Aanwas Thema
Aspect
Beoordeling
Reden beoordeling
hoogwaterveiligheid
waterstandseffect op de as van de rivier
voldoet
netto waterstandsdaling
waterstandseffect nabij de primaire kering
ter review bij waterschap
waterstandstoename nabij de primaire waterkering van 3 cm
afvoerverdeling Merwedekop
voldoet
geen effect
hinder en schade
dwarsstroming op de bakenlijn
voldoet
op twee locaties overschrijding van norm uit RBK. Aanvullende analyse Marin heeft aangetoond dat er geen onveilige situaties voor de scheepvaart optreden
erosie en sedimentatie
erosie en sedimentatie in het zomerbed
ter bespreking Rijkswaterstaat
sedimentatie ter hoogte van haven ingang in het zomerbed
Over de rivierkundige effecten van het referentieontwerp van Gors en Aanwas wordt het volgende geconcludeerd: - hoogwaterveiligheid: · er is een ruime netto waterstandsdaling door de ingrepen. De lokale opstuwingspiek is 12 mm. Ontwerpoptimalisaties binnen de Gors en Aanwas hebben niet geleidt tot reductie van de lokale opstuwingspiek. Daarom wordt compensatie overwogen (zie aanbevelingen); · de opstuwing langs de primaire waterkering van Sleeuwijk is maximaal 3 cm. Dit is voorgelegd aan de waterkeringbeheerder waterschap Rivierenland; · de afvoerverdeling bij splitsingspunt de Merwedekop wordt niet beïnvloed door ingrepen bij Gors en Aanwas;
54 | 58
Witteveen+Bos en BWZ Ingenieurs | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Definitief
-
-
hinder en schade: · op 2 locaties op de bakenlijn voldoet de dwarsstroming niet aan de eisen uit het RBK (bij een afvoer van 6000 en 8.000 m3/s). Een aanvullende Padbreedte analyse heeft aangetoond dat de ingreep geen effect heeft op de scheepvaartveiligheid; erosie en sedimentatie: · de sedimentatie in het zomerbed zal toenemen langs de zuidoever over het traject rkm 955,1 - 956,1, onder andere ter plaatse van de toegang tot de haven van Sleeuwijk. De extra baggerinspanning is relatief gering (eens per 5 jaar orde 11.300 m3), omdat sedimentatie alleen verwacht wordt bij hogere afvoeren (6000 en 8.000 m3/s) en niet bij de vaker voorkomende beschouwde afvoeren van 2.000 en 4.000 m3/s.
6.1.2
Hel- en Zuilespolder
Tabel 6.2 presenteert een samenvatting van de beoordeling van de rivierkundige effecten voor Gors en Aanwas.
Tabel 6.2 Samenvatting beoordeling rivierkundige effecten het referentieontwerp Hel- en Zuilespolder Thema
Aspect
Beoordeling
Reden beoordeling
hoogwaterveiligheid
waterstandseffect op de as van de rivier
voldoet
zeer lokaal beperkt effect op waterstand.
waterstandseffect nabij de primaire kering
voldoet
lokale waterstandstoename nabij de primaire waterkering is kleiner dan geaccepteerde 1 cm. Afstemming met waterschap heeft plaatsgevonden
afvoerverdeling Merwedekop
ter beoordeling Rijkswaterstaat
het effect van de van de afvoerverdeling, verwaarloosbaar
hinder en schade
dwarsstroming op de bakenlijn
voldoet
op twee locaties overschrijding van norm uit RBK. Aanvullende analyse Marin heeft aangetoond dat er geen onveilige situaties voor de scheepvaart optreden
erosie en sedimentatie
erosie en sedimentatie in het zomerbed
voldoet
geen extra sedimentatie of erosie van het zomerbed verwacht ten opzichte van de huidige situatie
*
Definitieve beoordeling nader af te stemmen met rivierbeheerder.
Geconcludeerd wordt over de rivierkundige effecten van het referentieontwerp van Hel- en Zuilespolder: - hoogwaterveiligheid: · er is een kleine netto waterstandsdaling door de ingrepen. De lokale opstuwingspiek is enkele millimeters. Ontwerpoptimalisaties zijn uitgevoerd ter reductie van de lokale opstuwingspiek; · de opstuwing langs de primaire waterkering van Sliedrecht is maximaal 0,04 mm. Dit is lager dan 1 cm die waterschap Rivierenland hanteert als maximum vanuit toetskader ‘Kenniskaart watertoets’ [ref. 7]; · de effecten van de ingrepen bij Hel- Zuilespolder hebben een verwaarloosbaar effect op de afvoerverdeling ter plaatse van het splitsingspunt de Merwedekop. Benedenstrooms van de Sliedrechtse Biesbosch is een lichte toename van de afvoer op de Beneden Merwede. Over de definitieve beoordeling van de afvoerverdeling dient afstemming plaats te vinden met de rivierbeheerder, omdat er aan de ene kant sprake is van een lichte toename van de afvoer op de Beneden Merwede, maar dit aan de andere kant niet leidt tot een waterstandstoename op het traject benedenstrooms van de ingreep;
55 | 58
Witteveen+Bos en BWZ Ingenieurs | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Definitief
-
-
hinder en schade: · de dwarsstroming bij de beschouwde afvoerniveaus van 2.000, 4.000 en 6.000 m3/s blijft binnen de criteria; · de maximale dwarsstroming bij de monding van de Helsloot in de Beneden Merwede neemt toe van 0,33 naar 0,34 m/s bij een afvoer van 8.000 m3/s, en voldoet niet aan de eisen uit het RBK. Een aanvullende Padbreedte analyse heeft aangetoond dat de ingreep geen effect heeft op de scheepvaartveiligheid; · onder dagelijkse omstandigheden kan recreatievaart in de Helsloot en Moldiep beperkte dwarsstromingen ondervinden nabij de in- en uitstroomopeningen van de Hel- en Zuilespolder; erosie en sedimentatie: · in de Beneden Merwede wordt geen extra sedimentatie of erosie van het zomerbed verwacht als gevolg van de ingrepen in de Hel- en Zuilespolder ten opzichte van de referentiesituatie. Bij de afvoeren van 6.000 en 8.000 m3/s is een kleine afname van de stroomsnelheid bij rkm 968,1-968,3, Dit is grotendeels in het kribvak; · er wordt geen extra erosie verwacht in het Wantij als gevolg van de ingrepen in de Hel- en Zuilespolder. Er is dus ook geen effect te verwachten op de aanwezige bodemverontreiniging.
6.2
Aanbevelingen
Ontwerpoptimalisatie Bodembescherming aan weerszijden openingen Hel- en Zuilespolder Opgemerkt wordt dat het ontwerp van de Hel- en Zuilespolder bestand moet zijn tegen erosie rond de inen uitstroomopeningen. Bodembescherming is aan weerszijden van deze openingen benodigd om de stabiliteit van de constructies te borgen. Mitigatie Monitoring Gors en Aanwas en Hel- en Zuilespolder Voor erosie en sedimentatie rond Gors en Aanwas en rond de Hel- en Zuilespolder zijn aanbevelingen opgenomen. Aanbevolen wordt om eventuele aanzanding van de nevengeul bij Gors en Aanwas te monitoren (door monitoren van de bodemligging), zodat zicht is op de instandhouding van deze KRW-geul. Op basis van de monitoring kan beoordeeld worden of periodiek ingrijpen (door baggeren) noodzakelijk is. Aanbevolen wordt om de geulen rond de Hel- en Zuilespolder te monitoren om te beoordelen of de toename in de stroomsnelheden tot erosie en sedimentatie leidt. Waarschijnlijk bestaat de bodem van de geulen rond de Hel- en Zuilespolder uit cohesief sediment. Dat maakt het inschatten van eventuele erosie zeer onzeker. Beheer Hel- en Zuilespolder Het gedrag van de Hel- en Zuilespolder zal niet anders zijn dan andere gebieden in de Sliedrechtse Biesbosch. Daarom zal het benodigde beheer van de Hel- en Zuilespolder naar verwachting vergelijkbaar zijn met andere gebieden in de Sliedrechtse Biesbosch.
Recreatieve vaarwegen Hel- en Zuilespolder We adviseren de volgende aanvullende maatregelen ten behoeve van de nautische veiligheid: - bebording in de Helsloot, Moldiep en Kikvorschkil om recreatievaart te waarschuwen voor dwarsstroming, omdat het dwarsstroomveld relatief lang is; - bij eventueel varen met kano’s dient rekening gehouden te worden met de variërende waterstand als gevolg van het getij en doorvaarthoogte. Dit betekent dat de onderkant van de brug voldoende hoog moet zijn of dat er een voorziening is waarmee de kano uit het water gehaald kan worden. Dit dient in
56 | 58
Witteveen+Bos en BWZ Ingenieurs | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Definitief
het referentie ontwerp verder uitgewerkt te worden. Aanbevolen wordt om uit te gaan van hoogwaterspringtij (NAP+0,90 m) en een doorvaarthoogte van 0,9 m [ref. 9]. Compensatie Lokale opstuwing De lokale opstuwing langs het dijktraject bij Sleeuwijk is niet oplosbaar binnen beschikbare ruimte en binnen de projectdoelstellingen. Daarom worden compenserende maatregelen aangeraden: De lokale opstuwing langs het dijktraject bij Sleeuwijk kan gecompenseerd worden door het overlagen van de aanwezige verharding (met 3 cm bij Sleeuwijk) door Rijkswaterstaat. Voor de waterkeringbeheerder waterschap Rivierenland is dit een werkbare oplossing als de mogelijkheden voor mitigeren uitgeput zijn. Voorwaarde is dat de wegbeheerder gemeente Altena hieraan mee wil meewerken.
57 | 58
Witteveen+Bos en BWZ Ingenieurs | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Definitief
7 REFERENTIES [ref. 1] [ref. 2] [ref. 3] [ref. 4] [ref. 5] [ref. 6] [ref. 7] [ref. 8] [ref. 9]
58 | 58
Witteveen+Bos (2023) SO3 Planuitwerking KRW Sliedrechtse Biesbosch Referentieontwerp. 121627TM-VV1/23-003.230. Rijkwaterstaat WVL & Deltares (2015). Modelschematisatie Rijnmaasmonding. Baseline en WAQUA schematisatie j15_5-v1 en beno15_5-v1. Rijkswaterstaat, CIP’s + RVW rivierkundige berekeningen maatregelen Sliedrechtse Biesbosch. Kenmerk RWS/WNZ/NOV/2021.08, 29 oktober 2021. Deltares, ‘WAQUA Productieberekeningen Rijn-Maasmonding, Wettelijk Beoordelingsinstrumentarium 2017’. Kenmerk 1220082-001-HYE-0015, versie 4, 22 november 2016. Rijksinstituut voor Kust en Zee, Gemiddelde getijkromme 1991.0. ISBN 90-369-0453-6, 1994. Rijkswaterstaat (2019) Rivierkundig Beoordelingskader voor ingrepen in de Grote Rivieren 5.0. Waterschap Rivierenland (onbekend) Kennis en Advieskaart - Watertoets waterkering belang ruimtelijke ingrepen buitendijks. Rijkswaterstaat (2020). Richtlijnen Vaarwegen 2020. ISBN 978-90-9033423-3. Watersport Verbond en Toeristische Kano Bond Nederland (2014). Rapport kanovaarwegen in Nederland; van planning tot praktijk, een handleiding.
Witteveen+Bos en BWZ Ingenieurs | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Definitief
Bijlagen
I BIJLAGE: TOELICHTING OP WIJZIGINGEN WAQUA-MODEL
Witteveen+Bos en BWZ Ingenieurs | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Bijlage I | Definitief
I.1
Randvoorwaarde
Voor de update van het Baseline model zijn er 8 maatregelen ‘ingemixt’ in het rmm-beno15_5-v2 model. Een van de aangeleverde maatregelen ligt precies op de rekenrand van het model (zie Afbeelding I.1). Om het model werkend te krijgen is de locatie voor de input van de randvoorwaarden aangepast. De aanpassing is gedaan in het bestand ‘randen-p.hand_20mbbosch’. In de aangepaste versie ligt punt p208 op locatie (m=830,n=2034) i.p.v. (m=864,n=2034) in het origineel. Rijkswaterstaat is op de hoogte gebracht van de vereiste wijziging en heeft hier akkoord op gegeven.
Afbeelding I.1 Aanpassing van waarden in randen-p.hand_20mbbosch
I.2
Ruwheden
Bij het gebruiken van de Simona2019 voor het rmm-beno15_5-v1 model is vastgesteld dat ruwheidscode 618 niet meer wordt geaccepteerd. Echter blijkt dat de ruwheidscodes 618 en 617 dezelfde eigenschappen hebben (zie Afbeelding I.2). In de area-u.001 bestanden zijn daarom alle ruwheidscodes 618 vervangen door 617. Deze waarde wordt door Simona2019 wel geaccepteerd. Tot slot hebben we het ruwheidstraject waarop ruwheidscode 617 geldt, tussen Sint Andries en Zaltbommel) opnieuw gedefinieerd en toegevoegd.
Afbeelding I.2 Ruwheden codes 617 en 618 en de daarbij behoren parameters
Witteveen+Bos | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Bijlage I | Definitief
I.3
Helsluis
In het van Rijkswaterstaat ontvangen WAQUA-model van de Biesbosch staat de Helssluis (ter hoogte van Beneden Merwede rkm 968) continue open. In werkelijkheid zijn de sluisdeuren van de Helsluis gesloten en wordt deze sluis gebruikt voor het schutten van recreatievaart (zie Afbeelding I.3). Dit is gemeld bij Helpdesk Water en in overleg met Rijkswaterstaat is voor de effecten van planuitwerking Sliedrechtse Biesbosch uitgaan van een gesloten Helsluis (in zowel de referentiesituatie als de te beschouwen variant). Dit omdat de effecten onderzocht worden van het creëren van intergetijdenatuur in de naastgelegen Hel- en Zuilespolder en het uitgangspunt voor een open of gesloten Helsluis invloed heeft op de stroming door dit gebied. Bij extreem hoogwater stroomt er water over de sluishoofden heen. Daarom is de Helsluis geschematiseerd in WAQUA als een overlaat met de kruin op 2,70 m+NAP.
Afbeelding I.3 Luchtfoto van de Helsluis
Witteveen+Bos | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Bijlage I | Definitief
I.4
Bodemligging nabij instroomopeningen Hel- en Zuilespolder
In het referentiemodel is op drie locaties in de Hel- en Zuilespolder de bodemligging lokaal aangepast om de werking van het model te verbeteren. De bodemligging tussen de overlaten in het WAQUA-model veroorzaakt op een aantal locaties een onrealistische stromingsbeperking. De bodemligging is daarom op een aantal plekken naar beneden zodat deze aansluit bij de locatie van de overlaten en de diepte van de geulen. Onderstaande paragrafen lichten eerst de wijzigingen en vervolgens heft effecten van de wijzigingen op de hoogwaterberekeningen toe. Locatie 1 - Opening Noord Tussen de Beneden Merwede en de meest noordelijk gelegen instroomopening is het referentiemodel gewijzigd. Onderstaande afbeelding toont de bodemligging vóór de aanpassing (links) en ná de aanpassing (rechts). Te zien is dat de bodemligging na de aanpassingen aansluit bij de locaties van de overlaten.
Afbeelding I.1 Bodemligging ter hoogte van de Noordelijke instroomopening van de Hel- en Zuilespolder voor en na de aanpassingen van het referentiemodel
Witteveen+Bos | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Bijlage I | Definitief
Locatie 2 - Opening Zuid Tussen de Helsloot en de zuidelijk gelegen instroomopening is het referentiemodel gewijzigd. Onderstaande afbeelding toont de bodemligging vóór de aanpassing (links) en ná de aanpassing (rechts). Te zien is dat de bodemligging na de aanpassingen aansluit bij de locaties van de overlaten.
Afbeelding I.1 Bodemligging ter hoogte van de zuidelijke instroomopening van de Hel- en Zuilespolder voor en na de aanpassingen van het referentiemodel
Locatie 3 - Opening West Tussen het Moldiep en de westelijk gelegen instroomopening is het referentiemodel gewijzigd. Onderstaande afbeelding toont de bodemligging vóór de aanpassing (links) en ná de aanpassing (rechts). Te zien is dat de bodemligging na de aanpassingen aansluit bij de locaties van de overlaten.
Afbeelding I.1 Bodemligging ter hoogte van de westelijke instroomopening van de Hel- en Zuilespolder voor en na de aanpassingen van het referentiemodel
Witteveen+Bos | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Bijlage I | Definitief
II BIJLAGE: OPTIMALISATIES GORS EN AANWAS
Witteveen+Bos | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Bijlage II | Definitief
Optimalisatie 1 • Verflauwen nevengeul • Minder haakse aansluiting op zomerbed • Aansluiting van bestaande geul op nieuwe nevengeul
Optimalisatie 1
Optimalisatie 1- waterstandsverschil • Case 1 - ref
• Case 1 - var
Optimalisatie 2 • Verflauwen nevengeul • Minder haakse aansluiting op zomerbed • Aansluiting van bestaande geul op zomerbed
Optimalisatie 2
Optimalisatie 2- waterstandsverschil • Case 2 - ref
• Case 2 - var
Optimalisatie 3 • Uitloper nevengeul aansluiten op ingang haven met overlaat • Volgen van natuurlijke stroombanen
Optimalisatie 3
Optimalisatie 3- waterstandsverschil • Case 3 - ref
• Case 3 - var
Optimalisatie 4 • Instroomlocatie nevengeul dichtzetten • Eenzijdig aangetakte nevengeul
Optimalisatie 4
Optimalisatie 4- waterstandsverschil • Case-ref
• Case-var
Optimalisatie 5 • Krib ten westen van uitstroomlocatie verlagen
Optimalisatie 5
Optimalisatie 5- waterstandsverschil • Case-ref
• Case-var
Optimalisatie 6 • Begroeiing toevoegen op oevers van mee stromende nevengeul
Optimalisatie 6- waterstandsverschil • Case-ref
• Case-var
Optimalisatie 7 • Verwijderen westelijke aftakking nevengeul • Plas vergroten
Optimalisatie 7
Optimalisatie 7- waterstandsverschil • Case-ref
• Case-var
Optimalisatie 9 • Ingreep in Gors en Aanwas in combinatie met benedenstroomse nevengeul in de Sleeuwijkerwaard.
Optimalisatie 9
Optimalisatie 9- waterstandsverschil • Case 9 -ref
• Case 9 -var
Optimalisatie 10 • Verwijderen van westelijke deel van meestromende nevengeul (halvering van ingreep)
Optimalisatie 10
Optimalisatie 10- waterstandsverschil • Case 10 -ref
• Case 10 -var
Optimalisatie 11 • Verwijderen van westelijke aansluiting op het zomerbed (wordt een eenzijdig aangetakte geul).
Optimalisatie 11
Gevoeligheid 11 - WL • Case 11 -ref
• Case 11 -var
Samenvatting waterstandseffecten op de as
III BIJLAGE: OPTIMALISATIES HEL- EN ZUILESPOLDER
Witteveen+Bos | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Bijlage III | Definitief
III.1
Beschrijving optimalisaties
Optimalisatie B2 Het opstuwingseffect nabij de uitlopers van de nevengeul in de buitendijkse uiterwaard waren significant. De opstuwing werd veroorzaakt door de overlaten langs de steile geulen zoals aangegeven in afbeelding X. Door het verflauwen van de oever van de uitlopers van de geul hoeven er geen overlaten toegepast te worden. Optimalisatie B3 Het opstuwingseffect bij de uitstoomlocatie van de nevengeul is significant. De verwachting was dat dit effect wordt veroorzaakt door de overlaat die de grootte van de uitstroomopening beperkt. De overlaat is ingekort (afbeelding) om te toetsen wat het waterstandseffect hiervan is.
Afbeelding III.1 Bodemligging in waqview waarin de overlaten worden getoond
B2
B3
Optimalisatie referentiemodel Voor de effectbepaling van de ingreep in de polder is het van belang dat er stroming plaats kan vinden door de geulen rondom de polder (Moldiep en Helsloot). Vanwege de smalle geulen stonden de geulen in het referentiemodel in enkele gevallen dicht. Om de effecten van de maatregelen in beeld te brengen zijn op de locaties waar de geulen in de referentie dicht stond kleine aanpassingen gedaan. De aanpassingen worden getoond in onderstaande afbeelding.
Witteveen+Bos | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Bijlage III | Definitief
Afbeelding III.2 Optimalisaties referentiemodel Hel- en Zuilespolder
III.2
Netto waterstandseffecten
Tabel III.1 Netto waterstandseffecten bouwstenen Hel- en Zuilespolder op de Beneden Merwede en Nieuwe Merwede Scenario
(A) HZP binnendijks
(B1) HZP buitendijks
(B2) HZP optimalisatie buitendijkse maatregelen
(B3) HZP 2e optimalisatie buitendijkse maatregelen
HZA Boven-Rijnafvoer 17.353 m3/s, open kering
+0,3 mm
-0,7 mm
-0,5 mm
-0,6 mm
HZB, Boven-Rijnafvoer 11.253 m3/s, zware storm, gesloten kering
-0,1 mm
+0,1 mm
+0,0 mm
+0,0 mm
HZC Boven-Rijnafvoer 16.713 m3/s, matige storm, gesloten kering
+0,4 mm
-0,1 mm
-0,6 mm
-0,2 mm
Gewogen netto waterstandseffect
+0,4 mm
+ 0,1 mm
0,0 mm
0,0 mm
Tabel III.2 Netto waterstandseffecten combinaties Hel- en Zuilespolder op de Beneden Merwede en Nieuwe Merwede Scenario
(A) HZP binnendijks
(A+B1) Ontwerp fase 3 HZP
(A+B2) Ontwerp fase 3 HZP met optimalisatie buitendijkse maatregelen
(A+B2) Ontwerp fase 3 HZP met 2e optimalisatie buitendijkse maatregelen
HZA Boven-Rijnafvoer 17.353 m3/s, open kering
+0,3 mm
-0,3 mm
-0,2 mm
-0,3 mm
HZB, Boven-Rijnafvoer 11.253 m3/s, zware storm, gesloten kering
-0,1 mm
-0,1 mm
-0,1 mm
-0,1 mm
HZC Boven-Rijnafvoer 16.713 m3/s, matige storm, gesloten kering
+0,4 mm
0,3 mm
-0,1 mm
+0,3 mm
Gewogen netto waterstandseffect
+0,4 mm
+0,3 mm
-0,1 mm
+0,3 mm
Witteveen+Bos | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Bijlage III | Definitief
IV BIJLAGE: DWARSSTROMING GORS EN AANWAS
Witteveen+Bos | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Bijlage IV | Definitief
IV.1
Bakenlijn zuidoever
4.000 m3/s
Witteveen+Bos | 121627-EFO-VV2/23-007.416 | Bijlage IV | Definitief