CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 240312 Rapportage Dordrecht transitiegereed Crabbehof en Nieuw Krispijn def.pdf

Gemeenteraad Dordrecht 3 februari 2026, gemeente DordrechtBij agendapunt: 26: Raadsinformatiebrief over Warmteprogramma en nieuwe bevoegdheden warmtetransitie - Raadsinformatiebrief9.168 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Investeringsopgave transitiegereed Gemeente Dordrecht

Definitieve rapportage

Inhoudsopgave 1.

Inleiding............................................................................................................... 5

1.1.

Introductie en aanleiding.......................................................................................................... 5

1.2.

Leeswijzer................................................................................................................................. 5

2. 2.2. 3.

Wijken in beeld...................................................................................................... 6 Referentiewoningen in relatie tot handelingsperspectieven.....................................................7 Isolatieopgave....................................................................................................... 9

3.1.

Isolatiestandaard...................................................................................................................... 9

3.2.

Woningen op de Standaard: twee methodieken.......................................................................9

3.3.

Transitiegereedheid woningvoorraad.....................................................................................10

4.

Handelingsperspectieven.....................................................................................11

4.1

Isolatie en ventilatie............................................................................................................... 11

4.2

Overige maatregelen.............................................................................................................. 14

5.

Gemiddelde investeringsopgave...........................................................................16

1.1

Investeringsopgave per categorie per referentiewoning.........................................................16

1.2

Totale investeringsopgave per referentiewoning....................................................................18

6.

Totale investeringsopgave...................................................................................20

6.1.

Totale investeringsopgave per referentiewoning....................................................................20

6.2.

Totale investeringsopgave per wijk........................................................................................20

6.3.

Totale investeringsopgave per referentiewoning....................................................................21

7. 7.1.

Energielasten...................................................................................................... 22 Methodiek bepalen energielasten........................................................................................... 22 Uitgangspunt warmtevraag referentiewoningen.....................................................................22

Om de maandelijkse energielasten van de verschillende warmteopties te bepalen worden de volgende situaties met elkaar vergeleken:........................................................................................ 22 1.

Huidige isolatie en HR ketel.................................................................................................... 22

2.

Isolatie Standaard en HR ketel................................................................................................ 22

3.

Isolatie Standaard en warmtenet............................................................................................22

4.

Isolatie Standaard en warmtepomp........................................................................................ 22

5.

Isolatie Standaard, warmtepomp en zonnepanelen................................................................22

Om het gemiddelde huidige gasverbruik (situatie 1) van de referentiewoningen te bepalen is gekeken naar de gasverbruiken van de jaren 2020 t/m 2022 op postcode 6-niveau. Deze zijn

2

vertaald naar een warmtevraag per m2 per jaar voor deze referentiewoning, op basis van correcties voor gasverbruik voor woningtype, kookgas en warm tapwater.......................................................22 Situaties 2 tm 5 gaan over woningen op de standaard. Het is lastig om hiervan het aardgasverbruik uit te rekenen, omdat deze afhankelijk is van bouwfysische kenmerken en gedrag. Als de warmteweerstand van de woning 2x zo hoog is, daalt de warmtevraag, maar vaak met minder dan 50%. Dit ligt aan het feit dat mensen hun gedrag aanpassen, bijvoorbeeld door ook op de verdieping te gaan verwarmen, de thermostaat omhoog te zetten of meer te gaan ventileren. Om het energieverbruik (gas en elektra) te bepalen van woningen op de standaard is daarom een inschatting van de verhouding van het gasverbruik gemaakt ten opzichte van de huidige situatie. Hiervoor is de website Verbruick.nl gebruikt. Voor eengezinswoningen volgt hieruit de aanname dat het gasverbruik van een woning die tot de standaard is geïsoleerd 71% van het huidige gasverbruik is, voor meergezinswoningen is dat 76%. Dit vormt het uitgangspunt voor de berekeningen van de energielasten.

Het resultaat staat in figuur 7.1.................................................................................22 ............................................................................................................................................... 22 Uitgangspunten energielasten................................................................................................ 22 De berekende maandlasten energielasten voor warmte zijn opgebouwd uit (1) de energielasten voor ruimteverwarming en warm tapwater (vastrecht en levering) en (2) de kosten voor onderhoud van de installaties. Er is voor gekozen om afschrijvingen van de investeringen niet mee te nemen in de maandelijkse energielasten. Dit komt omdat de vergelijking deels mank gaat vanwege verschil in afschrijvingstermijnen: een warmtepomp (15 jaar) en zonnepanelen (25 jaar) zijn goed te berekenen. Echter de afschrijving op de Bijdrage aansluitkosten, aanpassingen leidingen en aanpassen van de meterkast is onbekend of niet van toepassing. Voor een goede vergelijking van de verschillende situaties is het nodig om zowel de investeringen (hoofdstuk 6) als de maandlasten (zie hieronder) in ogenschouw te nemen................................................................22 Figuur 7.2. Uitgangspunten energielasten..............................................................................22 7.2.

Maandlasten energierekening................................................................................................ 23

Op basis van de in hoofdstuk 7.1. beschreven uitgangspunten zijn in figuur 7.3. de maandelijkse energielasten (excl. afschrijving) weergegeven per situatie gemiddeld voor alle referentiewoningen. Dit is de energie die nodig is voor ruimteverwarming, warm tapwater en koken. 23 ............................................................................................................................................... 23 Figuur 7.1. Maandelijkse gemiddelde energielasten (excl. afschrijving) en eenmalige investering, gemiddeld over alle referentiewoningen.......................................................................23 Hieruit blijkt dat van de duurzame warmte-oplossingen (situaties 3, 4 en 5) het warmtenet overall de meest voordelige optie is, als we energielasten en investeringen samen beschouwen. De energielasten zijn vergelijkbaar met situatie 2, de HR ketel en isolatie op de Standaard. De energielasten van situatie 4 is hoger, dit komt door het uitgangspunt dat de kosten van het vastrecht flink stijgen. Als dit niet zo is, zou situatie 4 circa 100 euro per maand lager uitkomen, en is zou deze lager zijn dan het warmtenet. In situatie 5 bij salderen (warmtepomp en PV-panelen) geldt dat de energielasten het laagst zijn. Echter zijn hier de investeringen een stuk hoger.

Ook hier geldt dat de kosten van de zwaardere aansluiting flink aantikken in de maandelijkse energielasten. 23 De conclusie is dat:................................................................................................................. 24 Van alle duurzame warmte-opties is het warmtenet (situatie 3) overall de meest voordelige optie, als we energielasten en investeringen samen beschouwen....................................................24

3

De energielasten van een warmtepomp (situaties 4 en 5) zouden echter een stuk lager zijn als 3x25A aansluiting mogelijk is. Voorzichtigheidshalve gaan we hier niet van uit. De investeringen in installaties bij deze situaties zijn veel hoger dan van situatie 3 (warmtenet)................................24 De energielasten van een warmtepomp + zonnepanelen (situatie 5) gaan stijgen zodra salderen wordt afgeschaft. Daarmee is dit een onzekere optie.........................................................24 8.

Vervolgacties...................................................................................................... 25

Bijlage A. Gemiddelde oppervlaktes en standaard voor isolatie per RVO standaard woning......................................................................................................................... 26

4

1. Inleiding 1.1. Introductie en aanleiding Gemeente Dordrecht werkt aan de warmtetransitie in de gebouwde omgeving. In haar Transitievisie Warmte (TVW) uit 2021 is een flinke warmtenet-ambitie opgenomen, waarin staat dat de gemeente het bestaande warmtenet van HVC wil uitbreiden. Zij is nu bezig om voor de wijken Nieuw-Kristpijn en Crabbehof wijkuitvoeringsplannen te maken om hier woningen aan te sluiten op het uit te breiden HVC-warmtenet. In de TVW staat de wijk Crabbehof geheel aangeduid als warmtenetwijk: Warmtenet: besparen, reeds gestart met een warmtenet of vanaf 2021 gefaseerd starten met een wijk- of doelgeroepgerichte aanpak. De wijk NieuwKrispijn heeft in de TVW een gemengd beeld: deels warmtenet op korte termijn, deels is een warmtenet voorzien op wat langere termijn vanaf 2031. Deze ambities zijn aanleiding voor de gemeente om samen met warmtebedrijf HVC en de woningcorporaties werk te maken met de uitbreiding van het warmtenet. Hiervoor gaat HVC een WIS-aanvraag indienen (Warmtenetten Investeringssubsidie). De plannen zijn relatief vergevorderd: er is al een businesscase van de uitbreiding van het warmtenet, en een inschatting van de bijdrage aansluitkosten (BAK) voor woningen. Deze is gelijk voor alle typen woningen en heeft de demarcatie in de meterkast.

Gemeente Dordrecht wil echter ook een scherp beeld krijgen welke maatregelen en investeringen in de woningen zelf gedaan moeten worden, dus achter de meterkast. In Nieuw-Krispijn en Crabbehof staan veel jaren ’60 en ’70 woningen, waar voor een midden temperatuur warmtenet aanvullende isolatie nodig is. Ook moeten er aanpassingen gedaan worden aan installaties, leidingen en afgiftesystemen. De gemeente wil graag een onderbouwde inschatting van de totale investeringen in de woning die nodig zijn om deze geschikt te maken voor het warmtenet, ofwel transitiegereed. Deze inschatting is nodig om 1) zicht te krijgen op de totale opgave en bijbehorende investering in betreffende wijken; 2) zicht te krijgen op het handelingsperspectief voor woningeigenaren, dat het startpunt kan zijn voor een participatie- en communicatietraject; 3) als grondslag voor subsidies om woningeigenaren te kunnen ondersteunen In deze rapportage worden deze investeringen en de bijbehorende handelingsperspectieven voor woningeigenaren beschreven en onderbouwd. Dit is gedaan met een datagedreven methodiek, op basis van (onder andere) data van de woningvoorraad uit de Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG), gebruikscijfers van het CBS, kengetallen voor de Standaard van RVO en kostenkengetallen vanuit Digipesis.

In afstemming met de gemeente is ervoor gekozen om nu geen gedetailleerde data van de woningcorporaties mee te nemen, zoals energieprestatie en investeringsplannen. Het doel van deze rapportage is om een overall en evenwichtig beeld te krijgen. In een volgende stap is verfijning naar de verschillende typen gebouweigenaren nuttig. 1.2. Leeswijzer       

5

Hoofdstuk 2 beschrijft de wijken in cijfers en kaarten; In hoofdstuk 3 staat de Isolatieopgave beschreven en de referentiewoningen; Hoofdstuk 4 gaat over de handelingsperspectieven per referentiewoning; De opbouw van de investeringsopgave staat in hoofdstuk 5; Hoofdstuk 6 gaat over de totale investeringsopgave voor de wijken Nieuw-Krispijn en Crabbehof Hoofdstuk 7 gaat over de energielasten In hoofdstuk 8 staan de vervolgacties

2. Wijken in beeld In dit hoofdstuk worden de belangrijkste kenmerken van Crabbehof en Nieuw-Krispijn weergegeven. Hiervoor is een wijkanalyse verricht op basis van beschikbare data. Aan de hand van de wijkanalyse is inzicht gegeven in de kenmerken van de huidige warmtevoorziening van de gebouwen, bouwperiodes, woningtypen, en vastgoedeigenaren. 2.1.

Kenmerken van Crabbehof en Nieuw-Krispijn

In de onderstaande figuren (figuur 2.1 & figuur 2.2) zijn de wijken Nieuw-Krispijn en Crabbehof weergegeven en het bestaande warmtenet in Dordrecht. Hier is zichtbaar dat beide wijken vallen in het leveringsgebied van het bestaande warmtenet. Figuur 2.1. en 2.2. Warmtenet ligging in Dordrecht en Aangesloten panden op het warmtenet van HVC

Crabbehof maakt deel uit van de CBS-wijk Crabbehof/ Zuidhoven en bestaat uit twee CBS-buurten: Crabbehof noord en Crabbehof zuid. Crabbehof noord grenst aan Nieuw-Krispijn. Crabbehof heeft een woningvoorraad van bijna 3.850 woningen. Ruim 80% hiervan zijn appartementen. Het overige deel van de gebouwen in de wijk zijn voornamelijk tussen of geschakelde woningen. Crabbehof is een naoorlogse wijk met een gebouwenvoorraad die relatief homogeen is: vrijwel alle gebouwen komen uit de bouwperiode 1950-1975. De woningen in het gebied zijn gemixt particulier eigendom en corporatiebezit met circa 50% woningcorporatiebezit. Ruim de helft van de woningen is in eigendom van een woningcorporatie. In Crabbehof zijn al circa 520 woningen aangesloten op het warmtenet van HVC. Nieuw-Krispijn ligt ten noorden van Crabbehof met ruim 2.700 woningen. Ruim 50% hiervan zijn appartementen, zie figuur 2.5. Vergelijkbaar met de woningvoorraad in Crabbehof zijn de woningen in NieuwKrispijn voor circa 47% woningcorporatiebezit. De woningen zijn gebouwd in de periode 1950-1980 en daarmee vergelijkbaar met de bouwperiode van de woningen in Crabbehof. In Crabbehof zijn al circa 240 woningen aangesloten op het warmtenet van HVC. 6

Figuur 2.3, 2.4 en 2.5. Bouwperiodes, woningcorporatiebezit en woningtypen van de gebouwen in Crabbehof en Nieuw-Krispijn

2.2. Referentiewoningen in relatie tot handelingsperspectieven Om te komen tot een handelingsperspectief voor woningeigenaren, moet worden onderzocht welke maatregelen er nodig zijn om woningen aardgasvrij te maken door middel van een warmtenet of een warmtepomp. Hiervoor is het eerst nodig om woningen transitiegereed te maken voor aardgasvrije warmteoplossingen. Een woning is transitiegereed als deze geschikt is voor aardgasvrije warmteoplossingen. Het uitgangspunt hierbij is dat deze oplossingen voorzien in middentemperatuur (max 70 graden) of laagtemperatuur (max 50 graden) systeemwarmte, terwijl gasgestookte ketel voorziet in hoogtemperatuur (max 90 graden) systeemwarmte. Deze lagere temperaturen stelt hogere eisen aan 1) de isolatie van de woning; 2) de afgiftesystemen van de woning (radiatoren). Vervolgens kan de woning pas aardgasvrij worden gemaakt. Het handelingsperspectief om te om tot transitiegereed is per woningtype verschillend. Hiervoor is het nodig om te onderzoeken van welke referentiewoningen we kunnen uitgaan, ofwel: welke veelvoorkomende woningtypen en bouwjaren komen veel voor zodat deze representatief zijn voor (een groot deel van) de woningen in de wijken. Hieronder staan de gekozen referentiewoningen per wijk. Figuur 2.6.

Criteria referentiewoningen Refwon# Referentiewoning 1 Referentiewoning 2 Referentiewoning 3 Referentiewoning 4 Referentiewoning 1 Referentiewoning 2 Referentiewoning 3 Referentiewoning 4 Referentiewoning 5 Referentiewoning 6 Referentiewoning 7 Referentiewoning 8 Referentiewoning 9 Geen referentiewoning

7

Naam 1. Eengezinswoning '10 2. Eengezinswoning '40-'50 3. Eengezinswoning '60 4. Eengezinswoning >2005 1. Eengezinswoning '10 2. Eengezinswoning '40-'50 3. Eengezinswoning '60 4. Eengezinswoning >2005 5. Appartement '50 6. Appartement '60 7. Appartement '70 8. Appartement '90 9. Appartement >2005 Geen referentiewoning

Pandtype Tussen of geschakelde woning Tussen of geschakelde woning Tussen of geschakelde woning Tussen of geschakelde woning Hoekwoning Hoekwoning Hoekwoning Hoekwoning Appartement Appartement Appartement Appartement Appartement Appartement

Bouwjaar minimum Bouwjaar maximum Wijk 0 1920 Nieuw-Krispijn 1940 1959 Nieuw-Krispijn 1960 1968 Crabbehof 2005 2024 Crabbehof 0 1920 Nieuw-Krispijn 1940 1959 Nieuw-Krispijn 1958 1968 Crabbehof 2005 2024 Crabbehof 1950 1959 Nieuw-Krispijn 1960 1969 Crabbehof 1970 1979 Crabbehof 1990 1999 Nieuw-Krispijn 2005 2024 Nieuw-Krispijn Nieuw-Krispijn

De referentiewoningen zoals beschreven in figuur 2.6 omvatten circa 90% van alle woningen in de wijken. Qua bouwjaar en type zijn ze onderscheidend, en elke referentiewoning heeft een separaat handelingsperspectief. De overige woningen die niet zijn omvat door een van de referentiewoningen zijn divers in woningtype en bouwperiode. Figuur 2.7. Dekkingsgraad referentiewoningen Referentiewoning

# woningen

Percentage van de woningvoorraad

# adressen per pand

# panden

1. Eengezinswoning '10

309

5%

309

1

2. Eengezinswoning '40-'50

751

11%

751

1

3. Eengezinswoning '60

250

4%

250

1

4. Eengezinswoning >2005

331

5%

331

1

5. Appartement '50

1.640

25%

224

7

6. Appartement '60

1.742

26%

144

12

7. Appartement '70

280

4%

2

140

8. Appartement '90

388

6%

7

55

9. Appartement >2005

246

4%

8

31

Geen referentiewoning

638

10%

418

2

6.575

100%

2.444

3

Totaal

8

3. Isolatieopgave 3.1. Isolatiestandaard De Isolatiestandaard is een handreiking bij het Klimaatakkoord, die de maximale warmtevraag per m2 per woning per jaar berekent om toekomstklaar te zijn voor aardgasvrije warmteopties. De isolatiestandaard gaat uit van een doelmatige aanpak voor elke woning. Daarom is er onderscheid gemaakt tussen woningtype, bouwjaar en compactheid, zoals te zien in figuur 3.1.

Figuur 3.1. De Standaard voor isolatie Vooroorlogse woningen ‘mogen’ een hogere warmtevraag hebben, omdat het daar bouwkundig ‘lastiger’ is om te isoleren; vaak ontbreekt de spouw en kruipruimte. De compactheid van de woning wordt gemeten in verliesoppervlak/ gebruiksoppervlak. Als deze verhouding hoger is, is neemt de warmtevraag van de woning toe. hier is de Standaard hoger, waardoor je met doelmatige maatregelen er nog aan kunt voldoen. Belangrijk is om te onderstrepen dat de Standaard een handreiking is en geen norm. Ook is het geen concreet handvat voor het isoleren van individuele woningen. Het biedt geen houvast voor concrete isolatiemaatregelen. Om te weten welke maatregelen nodig zijn om de Standaard te halen, zou de gehele woning vooraf worden doorgemeten en doorgerekend. Daarom vertalen we de noodzakelijke maatregelen vanuit de Standaard naar concrete isolatiemaatregelen:    

Isoleren van de gevel door spouwmuurisolatie Verbeteren van de isolatie van glas door enkel glas te vervangen voor HR glas Verbeteren van de dakisolatie door binnendaks of buitendaks te isoleren Verbeteren van de vloerisolatie door de kruipruimte te isoleren of plafonds van de bergingen op de begane grond te isoleren (bij appartementen, indien van toepassing).

Als deze maatregelen zijn getroffen, dan is de woning transitiegereed qua isolatie. Dit vormt het uitgangspunt voor deze studie. 3.2. Woningen op de Standaard: twee methodieken Om te komen tot de totale isolatieopgave in Nieuw-Krispijn en Crabbehof is er een inschatting nodig hoeveel woningen er voldoen aan de Standaard, en hoeveel er nog isolatiemaatregelen nodig hebben. Dit is lastig, omdat deze woningen grotendeels in eigendom zijn van particuliere bewoners. De mate van isolatie per woning is niet in openbare bronnen terug te vinden. Om hier toch een inschatting van te kunnen maken hanteren we de energielabel-methodiek.

9

De energielabel-methodiek heeft als bron de afgemelde en voorlopige energielabels uit de BAG op woningniveau. Uitgangspunt is dat energielabels A en B voldoen aan de Standaard, labels C t/m G niet. Voordeel van deze methode is dat deze eenvoudig te begrijpen is en de data op woningniveau beschikbaar is. Deze methode is gebruikt bij het isolatieprogramma Dordrecht, om een inschatting te maken van de isolatieopgave. Nadeel van deze methode is dat de energielabels in veel gevallen niet zijn afgemeld en we dus moeten uitgaan van voorlopige energielabels of een inschatting moeten maken op basis van het bouwjaar. Daarnaast kan de energielabel-methodiek niet 1-op-1 vertaald worden naar een warmtevraag, en dus geeft dit niet altijd een correct beeld van de mate waarin de woning voldoet aan de Standaard. 3.3. Transitiegereedheid woningvoorraad De resultaten van de hierboven beschreven methodieken zijn weergegeven in figuur 3.

Figuur 3.2. Percentage woningen op de Standaard in Nieuw-Krispijn en Crabbehof (inschatting)

Uit de label-methode volgt dat geen enkele jaren ’10 woning voldoet aan de Standaard, omdat geen enkele woning beter is dan label C. Het percentage woningen van referentiewoning 2 (eengezinswoning ’40-’50), referentiewoning 3 (eengezinswoning ’60), referentiewoning 5 (appartement ’50), referentiewoning 6 (appartement ’60), referentiewoning 7 (appartement ’70) dat al transitiegereed is geïsoleerd nog erg laag. Een groot deel van de appartementen gebouwd in de jaren ’90 (referentiewoning 8), zijn al transitiegereed geïsoleerd. Op basis van het energie-label zijn alle woningen (eengezins en appartementen) gebouwd na 2005 (referentiewoning 4 en referentiewoning 9) al transitiegereed geïsoleerd. Bij een groot deel van deze woningen is echter geen definitief energielabel bekend. Wanneer er geen definitief energielabel bekend is, is het voorlopige energielabel gebruikt in deze analyse. Dit voorlopige energielabel is het energielabel van een woning op basis van het bouwbesluit. Het is echter aannemelijk dat een deel van deze woning tussentijds verder is geïsoleerd, en wellicht al wel transitiegereed is geïsoleerd.

10

4. Handelingsperspectieven Het handelingsperspectief is afhankelijk van het type, bouwjaar en bouwbesluit ten tijde van de bouw. Hieronder volgen specifieke handelingsperspectieven voor isolatie per referentiewoning. Het handelingsperspectief om te komen tot een woning die transitiegereed is, is onder te verdelen in drie categorieën: (1) isolatie en ventilatie, (2) afgiftesystemen, leidingen, verzwaren meterkast en elektrisch koken, (3) warmte opwek. We gaan uit van twee transitiepaden ‘transitiepad warmtenet’ met als opt-out route het transitiepad ‘all-electric’. Deze transitiepaden zijn gebruikt om het handelingsperspectief te beschrijven voor woningeigenaren. Bij het transitiepad warmtenet gaan we uit van een midden temperatuur warmtenet conform het warmtenet van HVC in Dordrecht. Woningen kunnen hierop aansluiten mits zij voldoende zijn geïsoleerd en afgiftesystemen geschikt zijn. Temperatuur verlaging naar een lage temperatuur, en bijbehorende isolerende maatregelen zijn hiervoor niet noodzakelijk om aan te kunnen sluiten op het warmtenet. Echter kunnen deze wel doelmatig zijn om de energierekening verder te verlagen, comfort te verhogen en de temperatuur in het warmtenet te kunnen verlagen.

Figuur 4.1. Uitgangspunten voor isolatie en ventilatie binnen het transitiepad Warmtenet In het transitiepad all-electric gaan we uit van een lage temperatuur verwarming middels een individuele elektrische warmtepomp. Hiervoor is het wel noodzakelijk dat een woning geschikt is voor lage temperatuur verwarming en voldoende is geïsoleerd en de afgiftesystemen geschikt zijn voor lage temperatuur verwarming.

Figuur 4.2. Uitgangspunt voor isolatie en ventilatie voor opt-out pad all-electric We hanteren als uitgangspunt dat woningen aan het einde zijn geïsoleerd tot het niveau dat past bij de temperatuur van de warmtevoorziening en in de woning geen aardgas meer wordt gebruikt en dus elektrisch wordt gekookt. 4.1 Isolatie en ventilatie In combinatie met isolatie dient er aandacht te zijn voor kieren dichten, koudebruggen verwijderen indien mogelijk en ventilatie uitbreiden met WTW. Dit zorgt voor minder warmteverlies. Daarnaast is per referentiewoning beschreven wat het handelingsperspectief is voor isolatie en ventilatie. Referentiewoning 1: Eengezinswoning jaren 1910 Deze referentiewoning komt vooral voor in Nieuw-Krispijn. Voor het transitiegereed isoleren voor lage temperatuur geldt het volgende handelingsperspectief:  Gevel: uitgangspunt vanuit de oorspronkelijke staat is dat de gevel geen spouw of een zeer smalle lege spouw bevat. Daarom moeten er voorzetwanden worden toegepast aan de binnenzijde. Dit is een minder doelmatige ingreep, maar voor laagtemperatuur warmteoplossingen waarschijnlijk noodzakelijk. 11

Hier komen veel aanvullende werkzaamheden bij kijken, wat deze maatregel kostbaar maakt, zowel in geld als in overlast. Het gaat om het verplaatsen van radiatoren en wandcontactdozen, aanpassen van kozijnen aan de binnenzijde, aanpassen van vloer- en plafondaansluitingen, opnieuw behangen en/of stuccen. Daar komt bij dat het woonoppervlak kleiner wordt. Buitengevelisolatie wordt niet gezien als realistisch alternatief, omdat dit vergunningtechnisch, vanuit welstand en met betrekking tot het overschrijden van erfgrenzen vaak niet wenselijk is bij grondgebonden woningen. 

Glas: uitgangspunt vanuit de oorspronkelijke staat is enkel glas. Er dient HR glas te worden toegepast en nieuwe kozijnen. Dit laatste is nodig omdat HR-glas vaak niet past in de originele kozijnen.

Dak: uitgangspunt vanuit oorspronkelijke staat is dat het dak niet of nauwelijks geïsoleerd is, met een warmteweerstand van Rc 0,86 of minder. Het is nodig om het dak te isoleren aan de binnenzijde met ten minste 15 cm.

Vloer: uitgangspunt vanuit oorspronkelijke staat is dat de kruipruimte ontbreekt, en de vloer niet geïsoleerd is, met een warmteweerstand van RC 0,15 of minder. Het is nodig de vloer te verwijderen, uit te graven en een geïsoleerde vloer aan te leggen. Dit is een minder doelmatige ingreep, omdat dit kostbaar is en veel overlast geeft.

Ventilatie: uitgangspunt vanuit de oorspronkelijke staat is dat er alleen natuurlijke ventilatie is. Het is nodig mechanische ventilatie aan te brengen. Dit betekent het aanbrengen van ventilatieschacht/ -pijp vanuit de keuken, badkamer en toilet naar de zolder en een dakdoorvoer;

Voor het isoleren voor een middentemperatuur is het mogelijk om de isolatiemaatregelen voor gevel en vloer weg te laten. Echter, dit is afhankelijk van de situatie en dient nader te worden onderzocht. Referentiewoning 2: Eengezinswoning '40-'50 Deze referentiewoning komt vooral voor in Nieuw-Krispijn. Voor deze referentiewoning geldt vrijwel hetzelfde handelingsperspectief als voor referentiewoning 1, met de volgende uitzondering: 

Gevel: uitgangspunt is dat deze woningen in meer gevallen een spouw bevatten. In dat geval is het vullen van de spouw een optie om te onderzoeken.

Referentiewoning 3: Eengezinswoning '60 Deze referentiewoning komt vooral voor in Crabbehof. Voor het transitiegereed isoleren voor lage temperatuur geldt het volgende handelingsperspectief:

12

Gevel: uitgangspunt vanuit het bouwbesluit is dat de gevel een lege spouw bevat van 4-6 cm, ofwel een RC van 0,43. Deze kan worden gevuld met isolatieschuim.

Glas: uitgangspunt vanuit het bouwbesluit is enkel glas. Er dient HR glas te worden toegepast en nieuwe kozijnen. Dit laatste is nodig omdat HR-glas vaak niet past in de originele kozijnen.

Dak: uitgangspunt vanuit het bouwbesluit is dat het dak nauwelijks geïsoleerd is, met een warmteweerstand van Rc 0,86. Het is nodig om het dak te isoleren aan de binnenzijde met ten minste 15 cm.

Vloer: uitgangspunt vanuit het bouwbesluit is dat er een kruipruimte is, en de vloer een RC van 0,15 heeft. Het is nodig de kruipruimte na te isoleren met dekens, vlokken of korrels.

Ventilatie: uitgangspunt vanuit het bouwbesluit is dat er alleen natuurlijke ventilatie is. Het is nodig mechanische ventilatie aan te brengen. Dit betekent het aanbrengen van ventilatieschacht/ -pijp vanuit de keuken, badkamer en toilet naar de zolder en een dakdoorvoer;

Voor het isoleren voor een middentemperatuur is het mogelijk om één of twee isolatiemaatregelen weg te laten, bijvoorbeeld het isoleren van de vloer. Echter, vloerisolatie kan zorgen voor comfortgevoel en extra besparing. Het is raadzaam om ook bij middentemperatuur te onderzoeken of deze maatregelen mogelijk zijn.

Referentiewoning 4: Eengezinswoning >2005 Deze referentiewoning komt vooral voor in Crabbehof. Deze woningen zijn qua isolatie al helemaal transitiegereed vanuit het bouwbesluit. Referentiewoning 5: Appartement '50 Deze referentiewoning komt vooral voor in Nieuw-Krispijn. Dit zijn vaak portieketagewoningen zonder lift. Voor het transitiegereed isoleren voor lage temperatuur geldt het volgende handelingsperspectief: 

Gevel: uitgangspunt vanuit de oorspronkelijke staat is dat de gevel geen spouw of een zeer smalle lege spouw bevat. Om deze te isoleren, moeten er voorzetwanden worden toegepast aan de binnenzijde. Dit is een minder doelmatige ingreep, maar voor laagtemperatuur warmteoplossingen waarschijnlijk noodzakelijk. Hier komen veel aanvullende werkzaamheden bij kijken, wat deze maatregel kostbaar maakt, zowel in geld als in overlast. Het gaat om het verplaatsen van radiatoren en wandcontactdozen, aanpassen van kozijnen aan de binnenzijde, aanpassen van vloer- en plafondaansluitingen, opnieuw behangen en/of stuccen. Daar komt bij dat het woonoppervlak kleiner wordt. Bij grotere woongebouwen is wellicht buitengevelisolatie een alternatief, mits dit vergunningtechnisch, vanuit welstand mogelijk is.

Glas: uitgangspunt vanuit de oorspronkelijke situatie is enkel glas. Er dient HR glas te worden toegepast en nieuwe kozijnen. Dit laatste is nodig omdat HR-glas vaak niet past in de originele kozijnen.

Dak: uitgangspunt vanuit het bouwbesluit is dat het dak nauwelijks geïsoleerd is, met een warmteweerstand van Rc 0,86. Als hier sprake is van platte daken, dan is buitendaks naisoleren een optie. Bij een schuine kap is binnendaks isoleren een optie, mits de zolder toegankelijk is. Als de zolder niet gebruikt wordt maar wel toegankelijk, kan ook de zoldervloer nageisoleerd kunnen worden aan de bovenzijde.

Vloer: bij appartementen is vaak sprake van bergingen op de begane grond. Vloerisolatie kan dan door het plafond van de bergingen van isolatie te voorzien. Het is daarvoor nodig om de bergingen tijdelijk te ontruimen en afscheidingen te verwijderen.

Ventilatie: uitgangspunt vanuit het bouwbesluit is dat er alleen natuurlijke ventilatie is. Het is nodig collectieve mechanische ventilatie aan te brengen. Dit betekent het aanbrengen van een centrale ventilatieschacht/ -pijp en dakdoorvoer in het gebouw, met aftakkingen naar de individuele woningen.

Voor het isoleren voor een middentemperatuur is het mogelijk om één of twee isolatiemaatregelen weg te laten, bijvoorbeeld de vloer weg te laten. Echter, vloerisolatie kan zorgen voor comfortgevoel en extra besparing. Het is raadzaam om ook bij middentemperatuur te onderzoeken of deze maatregelen mogelijk zijn.

Referentiewoning 6: Appartement '60 Deze referentiewoning komt vooral voor in Crabbehof. Hier geldt grofweg hetzelfde het handelingsperspectief voor isoleren als bij referentiewoning 5, appartement jaren ’50. Nuances zijn: 

13

Gevel: uitgangspunt is dat deze woningen een spouw bevatten van 4-6 cm. De spouw kan worden gevuld, voorzetwanden of buitengevelisolatie is niet nodig.

Referentiewoning 7: Appartement '70 Deze referentiewoning komt vooral voor in Crabbehof. Hier geldt grofweg hetzelfde het handelingsperspectief voor isoleren als bij referentiewoning 6, appartement jaren ’60. Nuances zijn: 

Gevel: in sommige gevallen is de spouw al bij de bouw geïsoleerd.

Glas: volgens bouwbesluit hebben de ramen van de woonkamer dubbel glas, van de slaapkamer enkel glas. Alleen de laatste hoeven te worden nageisoleerd, dubbel glas biedt vaak voldoende isolatie voor aardgasvrije warmteopties.

Dak: soms is er al dakisolatie aanwezig. Onderzocht moet worden in hoeverre dit moet worden aangevuld voor aardgasvrije warmteopties.

Vloer: soms is er al vloerisolatie aanwezig. Onderzocht moet worden in hoeverre dit moet worden aangevuld voor aardgasvrije warmteopties.

Mechanische ventilatie is aanwezig vanuit het bouwbesluit.

Referentiewoning 8: Appartement '90 Deze referentiewoning komt vooral voor in Nieuw-Krispijn. Deze woningen zijn qua isolatie al helemaal transitiegereed vanuit het bouwbesluit.

Referentiewoning 9: Appartement >2005 Deze referentiewoning komt vooral voor in Nieuw-Krispijn. Deze woningen zijn qua isolatie al helemaal transitiegereed vanuit het bouwbesluit.

4.2 Overige maatregelen Zodra de isolatie en ventilatie op orde is, dienen de installaties te worden aangepast op aardgasvrije opties. Deze zijn meer generiek van aard, en gelden grofweg voor alle referentiewoningen die nog niet zijn aangesloten op een aardgasvrije warmtevoorziening. Afgiftesysteem, meterkast, koken en leidingen

14

Afgiftesysteem: bij laag temperatuur dienen radiatoren te worden vervangen door laagtemperatuurconvectoren. Per situatie dient te worden onderzocht welke capaciteit nodig is, totaal en per vertrek. Bij middentemperatuur zijn de bestaande radiatoren wellicht voldoende qua capaciteit, eventueel moeten radiatoren worden vervangen door exemplaren met meer capaciteit.

Bij het aansluiten van het warmtenet dienen de verwarmingsleidingen aangepast te worden voor plek van de afleverset.

De meterkast dient geschikt gemaakt te worden voor elektrisch koken en eventueel een individuele (hybride) warmtepomp.

Er dient een perilex aansluiting te worden gemaakt in de keuken om elektrisch koken mogelijk te maken.

Warmteopwek Voor de woningen die nog niet aardgasvrij worden verwarmd is de keuze van het handelingsperspectief, afhankelijk van de situatie: 

Aansluiten op het warmtenet op middentemperatuur. Dit is vanuit de TVW de voorkeursoptie voor de meeste woningen in Nieuw-Krispijn en Crabbehof. Dit kan alleen als het warmtenet ook door de straat gaat lopen. In dat geval dient deze te worden aangesloten op de woning via de afleverset;

Als aansluiting op het warmtenet niet mogelijk of gewenst is, zijn er de volgende opt-out mogelijkheden: o

Een laagtemperatuur warmtepomp. Dit is in principe bij alle referentiewoningen mogelijk, maar vergt hogere investeringen qua isolatie en afgiftesystemen bij de oudere woningen. Daardoor is de laagtemperatuur warmtepomp logischer toe te passen bij referentiewoningen 3, 4, 6, 7 en 8;

o

Een middentemperatuur warmtepomp: dit is een aardgasvrije, realistische optie voor de oudere woningen, omdat hiervoor minder bouwkundige aanpassingen nodig zijn. Echter, de energielasten zijn ook hoger, doordat de capaciteit van de installatie groter moet zijn om de woningen te verwarmen;

o

Een hybride warmtepomp. De warmtepomp verwarmt in principe de woning, maar op koude dagen springt de gasketel bij. Ook voor warm tapwater wordt de gasketel gebruikt. Dit is geen volledig aardgasvrije oplossing, maar biedt wel veel CO2-besparing en is goedkoper in aanschaf dan een all-electric warmtepomp. In wijken waar het elektriciteitsnet krap is, is dit vaak de enige optie om op korte termijn het gasverbruik te verminderen. Een hybride warmtepomp is echter nog niet een aardgasvrije warmtevoorziening.

Aandachtspunten bij de opt-out oplossingen zijn de volgende.

15

De buitenunit van een warmtepomp maakt geluid, dat kan leiden tot overlast.

Een warmtepomp vraagt meer ruimte dan een gasketel, zowel binnen (binnenunit, buffervat, boilervat voor warm tapwater) als buiten de woning (buitenunit).

Een warmtepomp vraagt meer capaciteit van het elektriciteitsnet, zeker als het gaat om meerdere woningen. Hiervoor is verzwaring van het net nodig, wat enige tijd kan duren, en ruimtelijk impact kan hebben in de openbare ruimte (trafo’s)

Warmtepompen vragen om ander stookgedrag, waar bewoners soms aan moeten wennen. Zo is het niet mogelijk om de woning snel te verwarmen. Het gesloten houden van deuren en ramen in de winter is van belang.

5. Gemiddelde investeringsopgave 1.1 Investeringsopgave per categorie per referentiewoning Per referentiewoning is gekeken naar een uitgangspunt van de oorspronkelijke staat. Op basis hiervan is per bouwdeel berekend wat 1) de maximale investeringsopgave is om deze referentiewoning naar een transitiegereed niveau te isoleren, 2) wat de investering is om afgiftesytemen en leidingen aan te passen, elektrisch te koken en de meterkast te verzwaren en 3) wat de benodigde investering is voor verduurzamen van de warmteopwek. Zie figuur 5.1.

Figuur 5.1. Aan te pakken onderdelen om woning transitiegereed te maken De investeringen bij 2) en 3) alleen van toepassing als de woning nog niet is aangesloten op het warmtenet. De investeringsopgave bij 1) voor isolatie en ventilatie is vertaald naar een realistischer bedrag per woning, door deze te verlagen op basis van het energielabel van deze woning. Dit is gedaan volgens onderstaande tabel. Hierbij is rekening gehouden met het energielabel dat representatief wordt geacht voor de referentiewoning bij de bouw. Tabel 5.1: % investeringskosten van maximaal bedrag per woning voor isolatie en ventilatie 1. 2. 3. 4. 9. Eengezins Eengezins Eengezins Eengezins 5. 6. 7. 8. Appartem Geen woning woning woning woning Appartem Appartem Appartem Appartem ent referenti '10 '40-'50 '60bedrag per >2005 ent '60 ent '70 ent '90 >2005 ewoning % investeringskosten van maximaal woning ent '50 A

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

B

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0% 0%

C

20%

20%

25%

100%

20%

25%

30%

100%

100%

20%

D

40%

40%

50%

100%

40%

50%

60%

100%

100%

40%

E

60%

60%

75%

100%

60%

75%

100%

100%

100%

60%

F

80%

80%

100%

100%

80%

100%

100%

100%

100%

80%

G

100%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Inschatting investering isolatie en ventilatie Om een inschatting te maken van de benodigde maximale investering is op bouwdeel-niveau gekeken naar de benodigde isolerende maatregelen zoals beschreven in hoofdstuk 4. Per referentiewoning is bekeken wat het oppervlakte is van het bouwdeel wat nog geïsoleerd dient te worden. Hiervoor is gebruik gemaakt van de door RVO gehanteerde standaard oppervlaktes van deze referentiewoning (zie bijlage A voor de door RVO gehanteerde oppervlaktes per woningtype en bouwperiode). Vervolgens is per bouwdeel gekeken naar de kosten per m2 of per woning zijn om deze te isoleren, hiervoor is gebruik gemaakt van de ‘kostenkerntallen energiebesparende maatregelen’ vanuit Digipesis 1. Ook is gekeken naar de ISDE- en SVVE-subsidie die ontvangen kan worden voor deze isolerende maatregelen per woning op basis van de te isoleren oppervlaktes per bouwdeel. In figuur 5.2. zijn de maximale bedragen voor isolatie en ventilatie bepaald uitgaande dat er geen verduurzaming bij deze woning heeft plaatsgevonden sinds de bouw. Digipesis is het platfom vanuit RVO waar de kostenkerntallen voor energiebesparende maatregelen is terug te vinden. De database van digipesis wordt door Arcadis beheert (link: https://digipesis.com)/ 1

16

Het maximale investeringsbedrag voor isolatie en ventilatie voor midden- en lage temperatuur verwarming (inclusief en exclusief subsidies) per referentiewoning en energielabel is terug te vinden in figuur 5.3.

€

35.063

€ -

€

36.308

€ 30.233

€

26.240

€ -

€

-

Max inv isolatie midden temp (excl. Subsidie)

€ 29.588

€

29.588

€

26.888

€ -

€

31.373

€ 25.298

€

21.305

€ -

€

-

Max inv isolatie laag temp (incl. Subsidie)

€ 38.854

€

38.854

€

31.542

€ -

€

33.574

€ 28.512

€

24.519

€ -

€

-

Max inv isolatie midden temp (incl. Subsidie)

€ 26.911

€

26.911

€

25.054

€ -

€

28.977

€ 23.914

€

19.921

€ -

€

-

9. Appartement >2005

43.838

8. Appartement '90

€

7. Appartement '70

€ 43.838

6. Appartement '60

Max inv isolatie laag temp (excl. Subsidie)

5. Appartement '50

3. Eengezinswoning '60

4. Eengezinswoning >2005

2. Eengezinswoning '40-'50

1. Eengezinswoning '10

Figuur 5.2. Maximale investering per referentiewoning en energielabel voor isolatie en ventilatie

Inschatting investering in aanpassen leidingen, afgiftesystemen, verzwaren meterkast en ombouw elektrisch koken Op woning-niveau is gekeken naar de benodigde investeringen in het aanpassen van leidingen, afgiftesytemen verzwaren meterkast en ombouw naar elektrisch koken voor verwarming op middentemperatuur met een warmtenet en lage temperatuur met een individuele warmtepomp, zoals ook beschreven in hoofdstuk 4.  Voor aansluiting op het middentemperatuur warmtenet is per woning gekeken naar de benodigde investering voor het aanpassen van de afgiftesystemen, aanpassingen aan leidingen van het cvsysteem om de woning aan te kunnen sluiten op een warmtenet, ombouw naar elektrisch koken en verzwaren van de meterkast voor elektrisch koken.  Voor verwarming met een individuele lage temperatuur warmtepomp is per woning gekeken naar de benodigde investering voor het aanpassen van de afgiftesystemen, ombouw naar elektrisch koken en verzwaren van de meterkast voor elektrisch koken en het kunnen installeren van een individuele warmtepomp. Op woningniveau is gekeken naar de woningen die al zijn aangesloten op het warmtenet van HVC. In het geval een woning al is aangesloten het warmtenet van HVC , is bij deze woning geen investering meer benodigd binnen deze categorie.

Investering aanpassen leidingen, afgiftesysteem en ombouw elektrisch koken bij LT warmtepomp Investering aanpassen leidingen, afgiftesysteem en ombouw elektrisch koken bij MT warmtenet

9. Appartement >2005

8. Appartement '90

7. Appartement '70

6. Appartement '60

5. Appartement '50

€

4.961

€

4.961

€

4.961

€

4.961

€

4.103

€

4.103

€

4.103

€

4.103

€

4.103

€

6.961

€

6.961

€

3.308

€

3.308

€

6.103

€

3.308

€

3.308

€

3.308

€

3.308

Inschatting investering in warmteopwek 17

4. Eengezinswoning >2005

3. Eengezinswoning '60

2. Eengezinswoning '40-'50

1. Eengezinswoning '10

Tabel 5.4. Investering aanpassen leidingen afgiftesysteem, ombouw elektrisch koken en verzwaren meterkast per warmtevoorziening en referentiewoning (in euro)

Om een inschatting te maken van de benodigde maximale investering is op woning-niveau gekeken naar de benodigde investering om aan te sluiten op het warmtenet van HVC (de BAK die betaald moet worden) en de investering in een individuele lage temperatuur warmtepomp.  Voor aansluiting op het midden temperatuur warmtenet is per woning gekeken naar de BAK zoals deze door HVC is gecommuniceerd richting de gemeente Dordrecht.  Voor verwarming met een individuele lage temperatuur warmtepomp is per woning gekeken naar de kosten van een individuele warmtepomp conform de kostenkerntallen energiebesparende maatregelen’ vanuit Digipesis. Daarnaast is gekeken naar de mogelijkheden voor ISDE-, SVVE- of SAH subsidie voor aansluiting op het warmtenet en de aanschaf van een individuele warmtepomp. Op woningniveau is gekeken naar de woningen die al zijn aangesloten op het warmtenet van HVC. Bij deze woningen zal geen investering meer benodigd zijn voor deze categorie.

1. Eengezinswoning '10

2. Eengezinswoning '40-'50

3. Eengezinswoning '60

4. Eengezinswoning >2005

5. Appartement '50

6. Appartement '60

7. Appartement '70

8. Appartement '90

9. Appartement >2005

Tabel 5.5. Investering voor aansluiting warmtenet en aanschaf individuele warmtepomp per warmtevoorziening en referentiewoning (in euro)

Investering Luchtwaterwarmtepomp LT (excl. Subsidie) Investering aansluiting warmtenet MT (excl. Subsidie)

€ 17.251

€ 17.251

€ 17.251

€ 17.251

€ 17.251

€ 17.251

€ 17.251

€ 17.251

€ 17.251

€ 7.000

€ 7.000

€ 7.000

€ 7.000

€ 7.000

€ 7.000

€ 7.000

€ 7.000

€ 7.000

Investering Luchtwaterwarmtepomp LT (incl. subsidie)

€ 14.551

€ 14.551

€ 14.551

€ 14.551

€ 14.551

€ 14.551

€ 14.551

€ 14.551

€ 14.551

Investering aansluiting warmtenet MT (incl. subsidie)

€ 3.675

€ 3.675

€ 3.675

€ 3.675

€ 4.075

€ 4.075

€ 4.075

€ 4.075

€ 4.075

1.2 Totale investeringsopgave per referentiewoning De investering die benodigd is om een referentiewoning aardgasvrij te verwarmen hangt dus af van de referentiewoning, het huidige isolatieniveau van deze woning en of deze woning al is aangesloten op het warmtenet van HVC. Per referentiewoning is een gemiddelde totale investeringsopgave berekend. Het gemiddelde investeringsbedrage per referentiewoning is afhankelijk van het gewogen gemiddelde isolatieniveau van deze referentiewoning en het aantal referentiewoningen dat al is aangesloten op het warmtenet van HVC. In figuur 5.4 is het gemiddelde investeringsbedrag per referentiewoning weergegeven. Hier is uiteengezet wat de gemiddelde investering per referentiewoning is om over te stappen op een middentemperatuur warmtenet of lage temperatuur individuele warmtepomp (inclusief en exclusief subsidie). Voor de woningen in de wijk die niet zijn gedekt door een van de referentiewoningen is als uitgangspunt genomen dat deze woningen gemiddeld gezien vergelijkbaar zijn in de benodigde investering als het gemiddelde van de rest van de woningen in de wijk die gedekt zijn door een van de referentiewoningen.

18

Figuur 5.6. Gemiddelde investeringsbedrag per referentiewoning Gemiddelde per woning 1. Eengezinswoning '10 2. Eengezinswoning '40-'50 3. Eengezinswoning '60 4. Eengezinswoning >2005 5. Appartement '50 6. Appartement '60 7. Appartement '70 8. Appartement '90 9. Appartement >2005 Geen referentiewoning Totaal

# woningenTot inv MT ex subs 309 € 36.329 751 € 29.344 250 € 27.140 331 € 7.038 1640 € 25.591 1742 € 19.661 280 € 28.821 388 € 10.308 246 € 2.849 638 € 22.781 6575 € 22.190

Tot inv LT ex subs € 55.353 € 44.971 € 44.161 € 15.166 € 35.806 € 30.343 € 44.155 € 21.354 € 5.903 € 34.952 € 33.904

Tot inv MT incl subs € 30.980 € 24.671 € 22.667 € 4.768 € 21.712 € 16.797 € 24.693 € 7.383 € 2.041 € 19.103 € 18.659

Tot inv LT incl subs € 48.885 € 39.687 € 39.257 € 13.322 € 32.018 € 27.491 € 39.959 € 18.654 € 5.156 € 31.238 € 30.290

Op pandniveau zijn de gemiddelden anders, omdat er meerdere appartementen geclusterd zitten in één pand, en verduurzaming vaak op pandniveau zal plaatsvinden. In onderstaande tabel staan de gemiddelde investeringen op pandniveau. Met name referentiewoningen 7 en 8 zitten met veel geclusterd in enkele panden. Figuur 5.6. Gemiddelde investeringsbedrag per referentiewoning op pandniveau Gemiddelde per PAND 1. Eengezinswoning '10 2. Eengezinswoning '40-'50 3. Eengezinswoning '60 4. Eengezinswoning >2005 5. Appartement '50 6. Appartement '60 7. Appartement '70 8. Appartement '90 9. Appartement >2005 Geen referentiewoning Totaal

19

# panden Tot inv MT ex subs 309 € 36.329 751 € 29.344 250 € 27.140 331 € 7.038 224 € 187.363 144 € 237.845 2 € 4.034.873 7 € 571.358 8 € 87.618 418 € 34.771 2444 € 59.698

Tot inv LT ex subs € 55.353 € 44.971 € 44.161 € 15.166 € 262.153 € 367.065 € 6.181.652 € 1.183.620 € 181.509 € 53.348 € 91.210

Tot inv MT incl subs € 30.980 € 24.671 € 22.667 € 4.768 € 158.964 € 203.192 € 3.457.040 € 409.229 € 62.756 € 29.157 € 50.197

Tot inv LT incl subs € 48.885 € 39.687 € 39.257 € 13.322 € 234.419 € 332.561 € 5.594.262 € 1.033.963 € 158.559 € 47.679 € 81.489

6. Totale investeringsopgave Om tot een totale investeringsopgave te komen voor Crabbehof en Nieuw-Krispijn is gekeken naar twee scenario’s:  

Het transitiepad warmtenet waarbij we uitgaan dat 100% van de woningen in Crabbehof en NieuwKrispijn aangesloten worden op het warmtenet, Een opt-out pad waarbij 100% woningen in Crabbehof en Nieuw-Krispijn worden aangesloten op een individuele warmtepomp

6.1. Totale investeringsopgave per referentiewoning In figuur 6.1 is de totale investeringsopgave weergegeven voor het transitiepad dat alle woningen in NieuwKrispijn en Crabbehof overgaan op een warmtenet betekent dat een totale investeringsopgave van ruim € 145 miljoen exclusief subsidies, circa 5 122 miljoen inclusief subsidies. Voor het opt-out transitiepad dat alle woningen in Nieuw-Krispijn en Crabbehof overgaan op een individuele warmtepomp betekend dat een totale investeringsopgave van bijna € 223 miljoen exclusief subsidies, en ruim € 199 miljoen inclusief subsidies. Hiermee is de totale investeringsopgave voor het transitiepad warmtenet aanzienlijk goedkoper. Figuur 6.1. Totale investeringsopgave per referentiewoning # Tot inv MT ex subs Tot inv LT ex subs Tot inv MT incl subs Tot inv LT incl subs Alle woningen 1. Eengezinswoning '10 309 € 11.225.706 € 17.104.056 € 9.572.817 € 15.105.552 2. Eengezinswoning '40-'50 751 € 22.037.359 € 33.773.322 € 18.527.839 € 29.805.289 3. Eengezinswoning '60 250 € 6.784.972 € 11.040.352 € 5.666.740 € 9.814.276 4. Eengezinswoning >2005 331 € 2.329.608 € 5.019.905 € 1.578.158 € 4.409.705 5. Appartement '50 1640 € 41.969.214 € 58.722.373 € 35.607.942 € 52.509.781 6. Appartement '60 1742 € 34.249.728 € 52.857.368 € 29.259.588 € 47.888.828 7. Appartement '70 280 € 8.069.747 € 12.363.304 € 6.914.080 € 11.188.523 8.

Appartement '90 388 € 3.999.504 € 8.285.340 € 2.864.604 € 7.237.740 9. Appartement >2005 246 € 700.944 € 1.452.070 € 502.044 € 1.268.470 Geen referentiewoning 638 € 14.534.097 € 22.299.296 € 12.187.627 € 19.929.789 Totaal 6575 € 145.900.878 € 222.917.386 € 122.681.440 € 199.157.955

6.2. Totale investeringsopgave per wijk De totale investeringsopgave voor Nieuw-Krispijn voor het transitiepad warmtenet is bijna 65 miljoen euro (excl subsidie, circa 54 miljoen inclusief subsidie). Het opt-out transitiepad voor Nieuw-Krispijn is bijna 98 miljoen euro (excl. Subsidie, en circa 86.5 miljoen euro inclusief subsidie). Hiermee is de totale investeringsopgave om woningen in Nieuw-Krispijn aan te sluiten op het warmtenet van HVC aanzienlijk lager dan de opt-out route van alle woningen op een individuele warmtepomp. De totale investeringsopgave voor Crabbehof voor het transitiepad warmtenet is bijna 81 miljoen euro (excl subsidie, en circa 68 miljoen euro inclusief subsidies). Het opt-out transitiepad voor Nieuw-Krispijn is bijna 125 miljoen euro (excl. Subsidie, en circa 112 miljoen euro inclusief subsidie). Hiermee is de totale investeringsopgave om woningen in Crabbehof aan te sluiten op het warmtenet van HVC aanzienlijk lager dan de opt-out route van alle woningen op een individuele warmtepomp.

20

Figuur 6.2. Totale investeringsopgave per wijk Alle woningen Nieuw-Krispijn Crabbehof-Noord Crabbehof-Zuid Totaal

# Tot inv MT ex subs Tot inv LT ex subs Tot inv MT incl subs Tot inv LT incl subs 2728 € 64.754.809 € 97.868.318 € 54.357.498 € 86.850.635 1255 € 31.400.230 € 46.017.918 € 26.971.539 € 41.496.732 2592 € 49.745.839 € 79.031.151 € 41.352.402 € 70.810.588 6575 € 145.900.878 € 222.917.386 € 122.681.440 € 199.157.955

6.3. Totale investeringsopgave per referentiewoning Daarnaast is er een onderverdeling per eigenaar te maken, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen corporaties, particuliere verhuurders en eigenaar-bewoners. In onderstaande tabel is te zien dat corporaties de grootste opgave hebben, vanuit het aantal woningen dat zij in bezit hebben. Figuur 6.3. Totale investeringsopgave per eigenaar Alle woningen Particuliere huur Eigenaar-bewoner Corporatiebezit Totaal

21

#

Tot inv MT ex subs 1741 € 38.743.298 1793 € 46.424.530 3041 € 60.733.050 6575 € 145.900.878

Tot inv LT ex subs € 58.016.608 € 71.149.019 € 93.751.760 € 222.917.386

Tot inv MT incl subs € 33.018.967 € 39.277.205 € 50.385.267 € 122.681.440

Tot inv LT incl subs € 52.006.081 € 63.659.331 € 83.492.543 € 199.157.955

7. Energielasten 7.1. Methodiek bepalen energielasten Uitgangspunt warmtevraag referentiewoningen Om de maandelijkse energielasten van de verschillende warmteopties te bepalen worden de volgende situaties met elkaar vergeleken: 1. 2. 3. 4. 5.

Huidige isolatie en HR ketel Isolatie Standaard en HR ketel Isolatie Standaard en warmtenet Isolatie Standaard en warmtepomp Isolatie Standaard, warmtepomp en zonnepanelen

Om het gemiddelde huidige gasverbruik (situatie 1) van de referentiewoningen te bepalen is gekeken naar de gasverbruiken van de jaren 2020 t/m 2022 op postcode 6-niveau. Deze zijn vertaald naar een warmtevraag per m2 per jaar voor deze referentiewoning, op basis van correcties voor gasverbruik voor woningtype, kookgas en warm tapwater. Situaties 2 tm 5 gaan over woningen op de standaard. Het is lastig om hiervan het aardgasverbruik uit te rekenen, omdat deze afhankelijk is van bouwfysische kenmerken en gedrag. Als de warmteweerstand van de woning 2x zo hoog is, daalt de warmtevraag, maar vaak met minder dan 50%. Dit ligt aan het feit dat mensen hun gedrag aanpassen, bijvoorbeeld door ook op de verdieping te gaan verwarmen, de thermostaat omhoog te zetten of meer te gaan ventileren. Om het energieverbruik (gas en elektra) te bepalen van woningen op de standaard is daarom een inschatting van de verhouding van het gasverbruik gemaakt ten opzichte van de huidige situatie. Hiervoor is de website Verbruick.nl gebruikt. Voor eengezinswoningen volgt hieruit de aanname dat het gasverbruik van een woning die tot de standaard is geïsoleerd 71% van het huidige gasverbruik is, voor meergezinswoningen is dat 76% 2. Dit vormt het uitgangspunt voor de berekeningen van de energielasten. Het resultaat staat in figuur 7.1 Figuur 7.1.

Ingeschatte gemiddelde gasverbruiken per referentiewoning huidig en bij de Standaard Gem huidig gasverbruik m3/jr Gem gasverbruik bij Standaard m3/jr

1. EGW '10

2. EGW '40-'50

3. EGW '60

4. EGW >2005

5. APP '50

6. APP '60

7. APP '70

8. APP '90

9. APP >2005

1450

1248

1195

861

934

934

978

666

761

1023

880

843

861

708

708

741

666

761

Uitgangspunten energielasten De berekende maandlasten energielasten voor warmte zijn opgebouwd uit (1) de energielasten voor ruimteverwarming en warm tapwater (vastrecht en levering) en (2) de kosten voor onderhoud van de installaties. Er is voor gekozen om afschrijvingen van de investeringen niet mee te nemen in de maandelijkse energielasten. Dit komt omdat de vergelijking deels mank gaat vanwege verschil in afschrijvingstermijnen: een warmtepomp (15 jaar) en zonnepanelen (25 jaar) zijn goed te berekenen. Echter de afschrijving op de Bijdrage aansluitkosten, aanpassingen leidingen en aanpassen van de meterkast is onbekend of niet van toepassing. Voor een goede vergelijking van de verschillende situaties is het nodig om zowel de investeringen (hoofdstuk 6) als de maandlasten (zie hieronder) in ogenschouw te nemen. Figuur 7.2. Uitgangspunten energielasten

2

In de afweging van de verschillende warmteopties is overal dezelfde warmtevraag voor een woning die tot de standaard is geïsoleerd als uitgangspunt

genomen. Volgens de uitgangspunten die zijn gebruikt in hoofdstuk 5 kan een woning die is aangesloten op een midden temperatuur warmtenet echter volstaan met minder isolerende maatregelen. Mochten deze referentiewoningen minder isolerende stappen nemen dan hier aangenomen, zal de maandelijkse energierekening iets hoger uitvallen.

22

Situatie

Uitgangspunten vastrecht

Uitgangspunten levering

1. Huidige isolatie en HR ketel

Huidig vastrecht gas kleinverbruik (Stedin) + vastrecht leverancier (ACM). 226,30 + 93,50 = € 320

Het gemiddelde tarief van een nieuw variabel energiecontract van de 19 grootste energieleveranciers gasprijs gebruikt op 11 maart 2024, dit is €1,43. Idem als bij 1

2. Isolatie Standaard Idem als bij 1 en HR ketel 3. Isolatie Standaard Huidig vastrecht warmtenet volgens HVC (€ 595) + en warmtenet jaarhuur afleverset (€ 106) + meetkosten (€ 32), minus de forfaitaire afschrijving van een HR-ketel (€ 120) = € 612. Totaal € 718. De correctie voor forfaitaire afschrijving is omdat bij het bepalen van vastrecht voor warmte rekening is gehouden met een jaarlijkse afschrijving van een HR-ketel. Omdat we bij andere situaties afschrijving ook niet meenemen, doen we dat hier ook niet. Dit is enkel voor de vergelijking. 4. Isolatie Standaard Het verschil tussen het vastrecht van een 3x25A en warmtepomp aansluiting (€ 424) en een 3x35A aansluiting (€ 1721) Uitgangspunt is dat bij een all electric warmtepomp (vaak) een 3x35A aansluiting nodig is. 5. Isolatie Idem als bij 4 Standaard, warmtepomp en zonnepanelen

Het door HVC gehanteerde tarief: € 44,36 per GJ

Het gemiddelde tarief van een nieuw energiecontract voor 1 jaar vast van de 19 grootste energieleveranciers, peildatum 11 maart 2024: € 0,35 per kWh. Idem als bij 4

7.2. Maandlasten energierekening Op basis van de in hoofdstuk 7.1. beschreven uitgangspunten zijn in figuur 7.3. de maandelijkse energielasten (excl. afschrijving) weergegeven per situatie gemiddeld voor alle referentiewoningen. Dit is de energie die nodig is voor ruimteverwarming, warm tapwater en koken.

Figuur 7.1. Maandelijkse gemiddelde energielasten (excl. afschrijving) en eenmalige investering, gemiddeld over alle referentiewoningen Hieruit blijkt dat van de duurzame warmte-oplossingen (situaties 3, 4 en 5) het warmtenet overall de meest voordelige optie is, als we energielasten en investeringen samen beschouwen. De energielasten zijn vergelijkbaar met situatie 2, de HR ketel en isolatie op de Standaard. De energielasten van situatie 4 is hoger, dit komt door het uitgangspunt dat de kosten van het vastrecht flink stijgen. Als dit niet zo is, zou situatie 4 circa 100 euro per maand lager uitkomen, en is zou deze lager zijn dan het warmtenet. In situatie 5 bij salderen (warmtepomp en PV-panelen) geldt dat de energielasten het laagst zijn. Echter zijn hier de investeringen een 23

stuk hoger. Ook hier geldt dat de kosten van de zwaardere aansluiting flink aantikken in de maandelijkse energielasten. De conclusie is dat:

24

Van alle duurzame warmte-opties is het warmtenet (situatie 3) overall de meest voordelige optie, als we energielasten en investeringen samen beschouwen.

De energielasten van een warmtepomp (situaties 4 en 5) zouden echter een stuk lager zijn als 3x25A aansluiting mogelijk is. Voorzichtigheidshalve gaan we hier niet van uit. De investeringen in installaties bij deze situaties zijn veel hoger dan van situatie 3 (warmtenet).

De energielasten van een warmtepomp + zonnepanelen (situatie 5) gaan stijgen zodra salderen wordt afgeschaft. Daarmee is dit een onzekere optie.

8. Vervolgacties Met deze rapportage heeft gemeente Dordrecht zicht op de handelingsperspectieven voor woningeigenaren in de wijken Nieuw-Krispijn en Crabbehof voor het aardgasvrij maken van hun woning. Daarnaast de inschatting van de totale investeringsopgave die nodig is om de woningen daadwerkelijk aardgasvrij te maken vanaf de meterkast. Logische vervolgacties zijn de volgende.

25

Bespreken van de resultaten met de stakeholders in de wijken: HVC en de woningcorporaties. Voor HVC is het nuttig om kennis te nemen van de investeringsopgave, om hun planning eventueel op te kunnen afstemmen. Woningcorporaties hebben zelf een gedetailleerder beeld van de energieprestatie van hun woningen en hebben hier vaak al investeringen op gepland. Het kan bruikbare inzichten opleveren om deze investeringen te plaatsen in het grotere geheel van deze analyse, en deze op elkaar te finetunen.

Verwerken van de inzichten in participatie en communicatie. Het rapport biedt enkele concrete handelingsperspectieven voor eigenaar-bewoners voor het transitiegereed maken van hun woning. Dit vormt een goede basis voor een nieuw op te starten specifiek participatie- en communicatietraject gericht op deze twee wijken. Ook is er een doorlink mogelijk naar de handelingsperspectieven van de referentiewoningen vanuit de website van het energieloket van de gemeente Dordrecht.

De inzichten van dit rapport gebruiken voor de uitvoering van het energiebesparingsprogramma. De resultaten van dit rapport kunnen gebruikt worden om de maatregelen vanuit het energiebesparingsprogramma van Drechtsteden gerichter uit te voeren voor de betreffende twee wijken. Het energiebesparingsprogramma geeft generieke maatregelen voor energiebesparing alle Drechtsteden. Voor de betreffende wijken zouden deze specifiek kunnen worden gemaakt op basis van de handelingsperspectieven. Zo kan de maatregel ‘communicatiecampagne’ specifieker geladen worden, en de NIP-vouchers gelinkt worden aan specifieke maatregelen per referentiewoning.

Bijlage A. Gemiddelde oppervlaktes en standaard voor isolatie per RVO standaard woning Meergezingswoning: vloeroppervlakte, oppervlakte bouwdelen en warmtevraag behorend bij de Standaard Type woning Type Meergezinswoning Woninggrootte (Ag) Meergezinswoning Begane grondvloer Meergezinswoning Kozijnen/ glas Meergezinswoning Gevel Meergezinswoning Dak schuin Meergezinswoning Dak plat

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/1066/documents/45627