Bijlage 3. Quickscan flora en fauna.pdf
Tekst van het document
Quickscan flora en fauna Eerste Tolstraat Dordrecht Concept
April 2021 P21-056/W1976 Auteur: V. van Os Natuur-Wetenschappelijk Centrum 078-6213921 info@nwcadvies.nl www.nwcadvies.nl
Quickscan flora en fauna Eerste Tolstraat Dordrecht Concept
Natuur-Wetenschappelijk Centrum, Noorderelsweg 4A, 3329 KH Dordrecht
Quickscan flora en fauna Eerste Tolstraat Dordrecht – concept –
Opdrachtgever:
Gemeente Dordrecht
Uitvoering:
Natuur-Wetenschappelijk Centrum
Veldwerk:
Annemijn de Groot, Jelle Lips, Naomi van Pelt
Samenstelling:
Victor van Os
Foto’s:
NWC
Quickscan Eerste Tolstraat Dordrecht [Samenst.: van Os, V.] [Foto’s: NWC] Met lit. opg., Dordrecht: Strix/NWC
Trefw.: Wet natuurbescherming, quickscan, Eerste Tolstraat, Dordrecht
W1976/P21-056
Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt of verveelvoudigd, door middel van; druk, fotokopie, microfilm of op enige andere wijze, zonder toestemming van de uitgever of de opdrachtgever.
Dordrecht, april 2021
Inhoud
Samenvatting
1
Inleiding
7
2
Gebiedsbeschrijving
9
3
Wettelijk kader
13
4
Methode
17
5
Resultaten
19
6
Effecten, verplichtingen en aanbevelingen
21
Referenties
Bijlagen: Bijlage 1: Beschermde soorten Wet natuurbescherming Bijlage 2: Vleermuizen en ruimtelijke ingrepen Bijlage 3: Vogels en ruimtelijke ingrepen
Samenvatting
Onderstaande tabel geeft de conclusies uit voorliggend rapport weer. Voor de volledigheid en om een verkeerde interpretatie te voorkomen, dient ook hoofdstuk 6 (effecten, verplichtingen en aanbevelingen) gelezen te worden. Soortgroep
Effecten op
Verplichtingen en aanbevelingen
beschermde soorten Vleermuizen
Geen.
-
Zorgplicht.
Vogels vaste
Geen.
-
Zorgplicht.
Geen.
-
Zorgplicht.
Geen.
-
Zorgplicht
Verblijfplaats Grondgebonden zoogdieren Vaatplanten
Quickscan Eerste Tolstraat Dordrecht
1.
Inleiding Er bestaan plannen voor de ontwikkeling van de ROGAM-locatie, gelegen aan de Eerste Tolstraat te Dordrecht. In het kader van de Wet natuurbescherming dient bij dergelijke ruimtelijke ingrepen en bij wijzigingen van bestemmingsplannen onderzoek gedaan te worden naar de aanwezige beschermde natuurwaarden en dient een beoordeling gemaakt te worden van eventuele negatieve effecten van de plannen op deze waarden. De Gemeente Dordrecht heeft het Natuur-Wetenschappelijk Centrum (NWC) gevraagd een quickscan flora en fauna op deze locatie uit te voeren en te adviseren omtrent de relevante natuurwetgeving.
7
Quickscan Eerste Tolstraat Dordrecht
8
Quickscan Eerste Tolstraat Dordrecht
2.
Gebiedsbeschrijving Het plangebied bevindt zich aan de Eerste Tolstraat te Dordrecht (provincie Zuid-Holland), en bestaat in de huidige situatie uit een braakliggend terrein. Het plangebied wordt aan de noord- en oostzijde begrensd door de Mijlweg, en aan de zuid- en de westzijde door de Eerste Tolstraat en naastgelegen bedrijfspanden (figuur 1-2). Direct aangrenzend aan en deels in het plangebied bevindt zich een bomenrij met onder meer Plataan, Italiaanse populier, Zomereik, Eenstijlige meidoorn, Boswilg en Sneeuwbes.
Figuur 1: Globale ligging van het plangebied te Dordrecht, Zuid-Holland (rood omcirkeld). Bron kaartmateriaal: PDOK Viewer
9
Quickscan Eerste Tolstraat Dordrecht
Figuur 2: Plangebied in detail (zwart gearceerd).
Beschermde gebieden Het dichtst bij het plangebied gelegen gebied dat onder de bescherming van de Wet natuurbescherming valt is Natura 2000-gebied de ‘Biesbosch’, dat zich hemelsbreed op ongeveer 5 kilometer afstand van het plangebied bevindt (figuur 3). Er worden geen significant nadelige effecten verwacht op de habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen van dit en andere gebieden als gevolg van verstoring door geluid, licht en dergelijke storingsfactoren. Mogelijk dienen stikstofemissies te worden onderzocht middels een AERIUS-berekening, deze maakt geen onderdeel uit van het onderhavige onderzoek. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van, en grenst niet aan, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (figuur 4). Omdat er, als gevolg van de voorgenomen plannen, geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren gaat, is een verdere toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN niet nodig.
10
Quickscan Eerste Tolstraat Dordrecht
Figuur 3: Ligging van het plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Bron: Provincie Zuid-Holland
Figuur 4: Ligging van het plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bron: Provincie Zuid-Holland
11
Quickscan Eerste Tolstraat Dordrecht
12
Quickscan Eerste Tolstraat Dordrecht
3.
Wettelijk kader In Nederland is de bescherming van belangrijke natuurwaarden vanaf 2017 wettelijk vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Het gaat hierbij zowel om bescherming van soorten als bescherming van gebieden. Onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming De provincies zijn sinds 1 januari 2017 verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet natuurbescherming en dus ook voor ontheffingsaanvragen. Om een ontheffingsaanvraag in behandeling te nemen, dient het onderzoek aan goedgekeurde voorwaarden (o.a. ten aanzien van methode, intensiteit, periode, tijd tussen onderzoeksmomenten) te voldoen. Slechts als het onderzoek volgens deze voorwaarden uitgevoerd is, kan volgens de wetgever een goed onderbouwde uitspraak gedaan worden over; - de aanwezigheid van beschermde soorten; - de functie van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor deze beschermde soorten; - het belang van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor aanwezige beschermde soorten; - de effecten van plannen op deze soorten; - de keuze voor te nemen (mitigerende- en/of compenserende) maatregelen. De voorwaarden waaraan onderzoek moet voldoen, staan beschreven in de kennisdocumenten die in opdracht van de wetgever door BIJ12 opgesteld zijn en de inventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus.
Onderzoeken die niet volgens deze voorwaarden uitgevoerd zijn, kunnen volgens het bevoegd gezag geen basis en onderbouwing vormen van ontheffingsaanvragen en aanvragen zullen om die reden afgewezen worden. Het NWC is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens bovengenoemde kennisdocumenten en inventarisatieprotocollen. Soortbescherming Voor dier- en plantensoorten zijn in de Wnb een aantal verbodsbepalingen opgenomen, waarvan vooral de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 belangrijk zijn in het kader van flora- en faunaonderzoek bij onder andere ruimtelijke ontwikkelingen (tekstvak 1). De verbodsbepalingen uit de artikelen gelden overal in Nederland, ongeacht het type of de omvang van de werkzaamheden of activiteiten die uitgevoerd worden. De bepalingen uit de Wnb kunnen daarom van invloed zijn op ruimtelijke ingrepen, zoals het aanleggen van infrastructuur, het slopen en realiseren van bebouwing, het uitbreiden van industriegebieden en het kappen van bomen. Ook bij het opstellen of herzien van bestemmingsplannen zijn de bepalingen uit de Wnb van belang. In het kader van het 13
Quickscan Eerste Tolstraat Dordrecht
zorgvuldigheidsbeginsel en het voorzorgsbeginsel (Algemene Wet Bestuursrecht) dient bij het opstellen en herzien van bestemmingsplannen en bij (ruimtelijke) activiteiten een toetsing aan de Wnb plaats te vinden. Deze toetsing moet de volgende onderdelen bevatten: - Een inventarisatie van het voorkomen van wettelijk beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied en binnen de invloedssfeer van de activiteit; -
-
Een inventarisatie en beoordeling van (significant) nadelige effecten als gevolg van de activiteit, op beschermde soorten die binnen het plangebied en/of binnen de invloedssfeer van de activiteit aanwezig zijn; Indien nodig een opname van maatregelen die de negatieve effecten op de beschermde soorten en hun leefgebieden mitigeren en/of compenseren.
De Wnb kent drie categorieën van beschermde soorten die ook terug te vinden zijn in de artikelen met verbodsbepalingen: alle vogels uit de Europese Vogelrichtlijn (artikel 3.1), alle soorten die in de Europese Habitatrichtlijn vermeld worden (artikel 3.5) en “overige soorten” (artikel 3.10) die alleen op nationaal niveau beschermd worden. Provincies mogen afwijken van de lijst met “overige soorten” door vrijstelling te verlenen voor bepaalde soorten. Hierdoor kan deze lijst per provincie verschillen. Een overzicht van alle beschermde soorten is te vinden in bijlage 1. Soorten Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn Wanneer één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 3.1 en/of artikel 3.5 Wnb overtreden worden door de voorgenomen activiteit, dient een ontheffing aangevraagd te worden bij de provincie waarin de activiteit plaatsvindt.
Een ontheffing voor het overtreden van verbodsbepalingen wordt voor soorten uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn alleen verleend wanneer voldaan wordt aan elk van de volgende voorwaarden: - Er bestaat geen andere bevredigende oplossing; - Zij is nodig: a) In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; of b) In het belang van een dwingende reden van groot openbaar belang; of c) In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Voor vogels kan echter geen beroep gedaan worden op belang b “dwingende reden van groot openbaar belang”. Wanneer overtreding van de verbodsbepalingen voorkomen kan worden door het treffen van mitigerende maatregelen, is het aanvragen van een ontheffing niet nodig. Wel kan in dergelijke gevallen toch ontheffing aangevraagd worden om de te treffen maatregelen goed te laten keuren. Indien het bevoegd gezag de maatregelen goedkeurt, wordt door hen een “positieve afwijzing” afgegeven.
14
Quickscan Eerste Tolstraat Dordrecht
Tekstvak 1: Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming
Artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 Wet natuurbescherming: Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van de dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.
Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn of bijdrage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen of af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.10 1. Het is verboden: a) In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten genoemd in de bijlage, onderdeel A bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b) De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen; c) Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Bij de aanvraag van een ontheffing in het kader van de Wnb zijn een activiteitenplan en, in sommige gevallen, een compensatieplan noodzakelijk. Hierin staan de bevindingen uit de flora- en faunatoets vermeld en worden maatregelen beschreven die uitgevoerd zullen worden om ervoor te zorgen dat de nadelige effecten op beschermde plant- en diersoorten in en binnen de invloedssfeer van de activiteit zoveel mogelijk voorkomen, dan wel beperkt worden. 15
Quickscan Eerste Tolstraat Dordrecht
Overige soorten Voor de soorten uit deze categorie geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 mits een door het ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit. Indien aantoonbaar gewerkt kan worden volgens een dergelijke gedragscode, hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden voor het overtreden van één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wnb. Indien er geen goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit of het niet mogelijk is om volgens een dergelijke gedragscode te werken, dient bij overtreding van verbodsbepalingen wel een ontheffing aangevraagd te worden. De ontheffing kan voor deze soorten echter op grond van meer belangen verleend worden dan het geval is voor de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht uit artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden.
16
Quickscan Eerste Tolstraat Dordrecht
4.
Methode In het kader van de Wet natuurbescherming is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze quickscan bestond uit een literatuuronderzoek en een veldbezoek. Voor het literatuuronderzoek is onder andere gebruik gemaakt van verspreidingsgegevens van soorten verzameld door de verschillende soortenorganisaties. Op basis van het literatuuronderzoek is o.a. bepaald voor welke soortgroepen de aanwezigheid en/of de geschiktheid van het plangebied onderzocht diende te worden. Tijdens de quickscan is rekening gehouden met de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen, vogels met een vaste verblijfplaats, grondgebonden zoogdieren en vaatplanten. Het voorkomen van beschermde soorten uit andere soortgroepen kon op voorhand worden uitgesloten op basis van habitatvereisten, verspreidingsgegevens en/of kenmerken van het plangebied. Het veldbezoek is op 8 april 2021 uitgevoerd door ecologen van het NWC. De temperatuur tijdens het veldbezoek bedroeg ongeveer 9 °C, het was zwaar bewolkt (8/8), droog, en de wind had een kracht van 3 Bft. Deze gegevens zijn in het veld gemeten of ingeschat. Vleermuizen Alle vleermuissoorten en alle onderdelen van hun leefgebied worden beschermd door de Wet natuurbescherming (bijlage 3). Het plangebied is daarom beoordeeld op de mogelijke waarde voor vleermuizen.
Hierbij is onder andere beoordeeld in hoeverre er in het plangebied geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn. Er is onder meer gelet op de aanwezigheid en de kenmerken van holtes in gebouwen en bomen, zoals open stootvoegen en holtes in daken en daklijsten. Daarnaast is er gelet op het voorkomen van sporen van vleermuizen, zoals uitwerpselen en de aanwezigheid van meststrepen bij eventuele invliegopeningen. Ook is beoordeeld of er in en in de directe omgeving van het plangebied potentieel belangrijke vliegroutes en foerageergebied voor vleermuizen aanwezig zijn, zoals bomenrijen, andere groene, lijnvormige landschapselementen en half open gebieden. Vogels met een vaste verblijfplaats Vogels met een vaste verblijfplaats worden jaarrond beschermd door de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook voor hun functionele leefomgeving (bijlage 3). Voorbeelden van deze soorten zijn de Huismus (Passer domesticus) en de Gierzwaluw (Apus apus). Tijdens de quickscan is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats en is bepaald welke gevolgen de voorgenomen plannen voor deze vogels met zich meebrengen (zoals verstoring door geluid). Er is onder meer gelet op sporen (braakballen, veren, uitwerpselen, etc), nesten en waarnemingen van de betreffende vogelsoorten (geluid/zicht/territorium-indicerend gedrag).
17
Quickscan Eerste Tolstraat Dordrecht
Tevens is bekeken of het plangebied een significant onderdeel zou kunnen zijn van de functionele leefomgeving van een vogelsoort met een vaste verblijfplaats. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek is er beoordeeld in hoeverre het plangebied geschikt leefgebied vormt voor strikt beschermde marterachtigen en andere beschermde grondgebonden zoogdieren. Hierbij is onder andere gelet op de aanwezigheid van sporen van deze soorten, holtes in de bomen, holen, burchten en de aanwezigheid van functionele leefomgeving voor deze soorten. Vaatplanten Tijdens het veldbezoek is het plangebied beoordeeld op de aanwezigheid van beschermde soorten vaatplanten. Het betreft vaatplanten die beschermd zijn binnen de Drechtsteden. Het voorkomen van soorten die onder de bescherming van de Wet natuurbescherming vallen kon op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens en standplaatsvereisten.
18
Quickscan Eerste Tolstraat Dordrecht
5.
Resultaten Vleermuizen Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied geen vleermuizen of sporen van vleermuizen aangetroffen. Vleermuissoorten die op basis van verspreidingsgegevens kunnen worden verwacht in (de omgeving van) het plangebied zijn de Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), de Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) en de Laatvlieger (Eptesicus serotinus). Deze vleermuissoorten zijn voornamelijk gebouwbewonend, en maken als verblijfplaats onder andere gebruik van ruimtes in spouwmuren, achter betimmeringen en daklijsten en onder dakpannen. Verblijfplaatsen van de Ruige dwergvleermuis kunnen tevens in boomholtes worden aangetroffen. Binnen het plangebied bevinden zich geen gebouwen. Ook in de bomen die zich bij het plangebied bevinden, werden geen holtes, scheuren, losse bast en dergelijke aangetroffen waar (boombewonende) vleermuizen gebruik van kunnen maken. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen binnen het plangebied kan worden uitgesloten. Binnen het plangebied bevinden zich geen landschapselementen die een (belangrijk) onderdeel uit zouden kunnen maken van vliegroutes en/of foerageergebieden van vleermuizen. Vleermuizen gebruiken onder meer aaneengesloten, lijnvormige elementen die beschutting kunnen bieden, zoals bomenrijen en opgaande begroeiingen langs watergangen als vliegroutes.
De bestaande bomenrij is niet aangesloten op andere landschapselementen en zal daarom door vleermuizen niet als essentiële vliegroute gebruikt worden. Het is wel aannemelijk dat algemene vleermuissoorten zoals de Gewone dwergvleermuis de bomenrij gebruiken als onderdeel van het foerageergebied. De bomenrij bevindt zich echter voor het grootste deel buiten het plangebied, waardoor een significant negatief effect als gevolg van de voorgenomen plannen uitgesloten kan worden. Vogels met een vaste verblijfplaats Vogelsoorten met een vaste verblijfplaats die in (de omgeving van) het plangebied voor kunnen komen, zijn onder andere de Gierzwaluw (Apus apus), de Huismus (Passer domesticus), de Buizerd (Buteo buteo), de Torenvalk (Falco tinnunculus) en de Slechtvalk (Falco peregrinus). Het kan worden uitgesloten dat er zich vaste verblijfplaatsen van de Huismus en de Gierzwaluw bevinden binnen het plangebied. Deze soorten maken onder andere gebruik van openingen onder dakpannen en andere geschikte openingen in bebouwing. Dergelijke mogelijkheden ontbreken binnen het plangebied. In een Italiaanse populier buiten het plangebied werd een nest van de Ekster (Pica pica) aangetroffen. (Oude) eksternesten kunnen uitgebouwd en gebruikt worden door de Buizerd en zijn dan jaarrond beschermd. Het is onwaarschijnlijk dat de Buizerd gebruik maakt of gaat maken van het nest.
Het nest is niet uitgebouwd en ook zijn geen sporen van buizerds aangetroffen. Bovendien bevindt het nest zich buiten de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden. 19
Quickscan Eerste Tolstraat Dordrecht
Het plangebied is niet geschikt als (onderdeel van de) functionele leefomgeving voor de Huismus vanwege het grotendeels ontbreken van dekking en nestgelegenheid in de directe omgeving. Foerageergebieden van de Gierzwaluw bevinden zich uitsluitend in de lucht en zullen dus niet (significant) verstoord worden. Het plangebied kan een (klein) onderdeel uitmaken van het foerageergebied van roofvogelsoorten zoals de Buizerd en de Torenvalk. Gezien het relatief kleine oppervlak kan echter worden uitgesloten dat het een essentieel foerageergebied betreft. Overige vogelsoorten De bij het plangebied gelegen bomenrij biedt mogelijk geschikte broedgelegenheid en/of geschikt foerageergebied voor algemene vogelsoorten. Tijdens het veldbezoek werden onder andere Kauw en Houtduif waargenomen. Voor algemene broedvogelsoorten gelden bij activiteiten buiten het broedseizoen geen belemmeringen. Grondgebonden zoogdieren Strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten die op basis van verspreidingsgegevens verwacht kunnen worden in (de omgeving van) het plangebied, zijn onder meer de Steenmarter (Martes foina), de Bunzing (Mustela putorius), de Haas (Lepus europaeus) en het Konijn (Oryctolagus cuniculus). Alleen van het Konijn werden tijdens het veldbezoek sporen gevonden; het betrof graafsporen en uitwerpselen.
Hieruit blijkt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van de functionele leefomgeving van het Konijn. Voor Konijn, Haas en Bunzing geldt binnen de provincie Zuid-Holland een vrijstelling. De Steenmarter is niet vrijgesteld. Deze soort kan het plangebied en de aangrenzende bomenrij mogelijk gebruiken als onderdeel van de functionele leefomgeving. Takkenhopen in de bomenrij buiten het plangebied kunnen dienen als schuilplaats. In de directe omgeving van het plangebied zijn echter geen recente waarnemingen bekend van de soort. Het territorium van de Steenmarter heeft een oppervlakte variërend van 80 tot 700 hectare. Gezien de kleine omvang van het plangebied zou dit hooguit een zeer klein deel van het territorium omvatten. Vaatplanten Binnen het plangebied werden geen landelijk beschermde soorten vaatplanten, noch binnen de Drechtsteden beschermde soorten aangetroffen. Soorten die onder meer aangetroffen werden, zijn Klein vogelpootje (Ornithopus perpusillus) en Akkerviooltje (Viola arvensis).
20
Quickscan Eerste Tolstraat Dordrecht
6.
Effecten, verplichtingen en aanbevelingen Vleermuizen De aanwezigheid van vaste vleermuisverblijfplaatsen binnen het plangebied kan worden uitgesloten vanwege het ontbreken van bebouwing. Het is aannemelijk dat bomenrij een functie heeft als foerageergebied, maar aangezien deze grotendeels buiten het plangebied gelegen is, kan het worden uitgesloten dat de voorgenomen plannen hier een significant negatief effect op zullen hebben. Ruimtelijke ingrepen binnen het plangebied zullen niet leiden tot overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb ten aanzien van vleermuizen. Aanvullend onderzoek is niet nodig. Vanuit de Wnb bestaan er, op de zorgplicht na, geen verdere verplichtingen voor deze soortgroep. Vogels met een vaste verblijfplaats Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten en/of verblijfplaatsen van vogelsoorten met een vaste verblijfplaats aangetroffen in het plangebied. Het plangebied is hiervoor ook niet geschikt. Het plangebied kan een onderdeel zijn van het foerageergebied van roofvogelsoorten zoals de Buizerd, maar is niet van essentieel belang vanwege het kleine oppervlak. Het kan op basis van deze resultaten met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat de voorgenomen plannen leiden tot verstoring en/of vernietiging van individuele vogels of onderdelen van de functionele leefomgeving.
Vanuit de Wnb bestaan er, op de zorgplicht na, geen verdere verplichtingen ten aanzien van deze soortgroep. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied wordt gebruikt door het Konijn, en mogelijk ook door een aantal andere beschermde grondgebonden zoogdiersoorten. Behalve de Steenmarter zijn deze soorten echter in Zuid-Holland vrijgesteld. Het plangebied kan onderdeel uitmaken van de functionele leefomgeving van de Steenmarter. Echter kan uitgesloten worden dat het essentiële functionele leefomgeving betreft, gezien de beperkte omvang van het plangebied. Het kan daarom met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat de voorgenomen plannen leiden tot overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb ten aanzien van grondgebonden zoogdieren. Er is geen aanvullend onderzoek nodig, en er bestaan vanuit de Wnb, op de zorgplicht na, geen verdere verplichtingen. Vaatplanten Binnen het plangebied werden geen beschermde soorten vaatplanten aangetroffen. Er bestaan vanuit de Wnb, op de zorgplicht na, geen verdere verplichtingen ten aanzien van deze soortgroep.
21
Referenties
Websites geraadpleegd: Natura2000.nl NDFF.nl Pdok.nl Sovon.nl Verspreidingsatlas.nl Waarneming.nl Zoogdiervereniging.nl Zuid-holland.nl
Bijlage 1: Beschermde soorten Wet natuurbescherming In het kader van de Wet natuurbescherming worden alle in Europa voorkomende en in het wild levende vogels beschermd en onderstaande soorten uit overige soortgroepen:
Amfibieën Alpenwatersalamander Bastaard kikker1 Boomkikker Bruine kikker1 Geelbuikvuurpad Gewone pad1
Heikikker Kamsalamander Kleine watersalamander1 Knoflookpad Meerkikker1 Middelste groene kikker
Poelkikker Rugstreeppad Vinpootsalamander Vroedmeesterpad Vuursalamander
Grote vos Grote vuurvlinder Grote weerschijnvlinder Iepenpage Kleine heivlinder Kleine ijsvogelvlinder Kommavlinder Moerasparelmoervlinder Pimpernelblauwtje Sleedoornpage
Spiegeldikkopje Tijmblauwtje Veenbesblauwtje Veenbesparelmoervlinder Veenhooibeestje Veldparelmoervlinder Zilveren maan Zilverstreephooibeestje
Dagvlinders Aardbeivlinder Apollovlinder Bosparelmoervlinder Boszandoog Bruin dikkopje Bruine eikenpage Donker pimpernelblauwtje Duinparelmoervlinder Gentiaanblauwtje Grote parelmoervlinder
Haften Oeveraas
Kevers Brede geelrandwaterroofkever Gestreepte waterroofkever Juchtleerkever
Vermiljoenkever Vliegend hert
Kreeftachtigen Europese rivierkreeft
Landzoogdieren Aardmuis1 Bever Boommarter Bosmuis1 Bunzing3 Damhert Das Dwergmuis1 Dwergspitsmuis1 Edelhert Eekhoorn Egel1 Eikelmuis Gewone bosspitsmuis1
Gewone zeehond Grote bosmuis Haas7 Hamster Hazelmuis Hermelijn3 Huisspitsmuis1 Konijn7 Lynx Molmuis Noordse woelmuis Ondergrondse woelmuis4 Otter Ree1
Rosse woelmuis1 Steenmarter5 Tweekleurige bosspitsmuis4 Veldmuis1 Veldspitsmuis Vos1 Waterspitsmuis Wezel3 Wilde kat Wild zwijn6 Woelrat1 Wolf
Gevlekte Witsnuitlibel
Noordse winterjuffer
Libellen Beekrombout
Bosbeekjuffer Bronslibel Donkere waterjuffer Gaffellibel Gevlekte glanslibel
Gewone Bronlibel Groene glazenmaker Kempense heidelibel Mercuurwaterjuffer Hoogveenglanslibel
Oostelijke witsnuitlibel Rivierrombout Sierlijke witsnuitlibel Speerwaterjuffer
Kemp´s zeeschildpad Lederschildpad Levendbarende hagedis Muurhagedis
Ringslang Soepschildpad Zandhagedis
Nachtvlinders Teunisbloempijlstaart
Reptielen Adder Dikkopschildpad Gladde slang Hazelworm
Sporenplanten Varens Kleine vlotvaren Blaasvaren Groensteel Schubvaren
Bladmossen Geel schorpioenmos Tonghaarmuts
Vissen Beekdonderpad Beekprik Elrits
Gestippelde alver Grote modderkruiper Houting
Kwabaal Steur
Weekdieren Bataafse stroommossel
Platte schijfhoren
Vaatplanten Akkerboterbloem Akkerdoornzaad Akkerogentroost Beklierde ogentroost Berggamander Bergnachtorchis Blauw guichelheil Bokkenorchis Bosboterbloem Bosdravik Brave hendrik Brede wolfsmelk Breed wollegras Bruinrode wespenorchis Dennenorchis Dreps Drijvende waterweegbree Echte gamander Gevlekt zonneroosje Glad biggenkruid Gladde zegge Groen nachtorchis
Groenknolorchis Groot spiegelklokje Grote bosaardbei Grote leeuwenklauw Honingorchis Kalkboterbloem Kalketrip Karthuizeranjer Karwijselie Kleine ereprijs Kleine schorseneer Kleine wolfsmelk Kluwenklokje Knollathyrus Knolspirea Korensla Kranskarwij Kruipend moerasscherm Kruiptijm Lange zonnedauw Liggende raket Naaldenkervel
Pijlscheefkelk Roggelelie Rood peperboompje Rozenkransje Ruw parelzaad Scherpkruid Schubzegge Smalle raai Spits Havikskruid Steenbraam Stijve wolfsmelk Stofzaad Tengere distel Tengere veldmuur Trosgamander Veenbloembies Vliegenorchis Vroege ereprijs Wilde averuit Wilde ridderspoor Wilde weit Zomerschroeforchis
Vleermuizen Baardvleermuis Bechsteins vleermuis Bosvleermuis Brandts vleermuis Franjestaart Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Grijze grootoorvleermuis
Grote hoefijzerneus Grote rosse vleermuis Ingekorven vleermuis Kleine dwergvleermuis Kleine hoefijzerneus Laatvlieger Meervleermuis
Mopsvleermuis Noordse vleermuis Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Tweekleurige vleermuis Vale vleermuis Watervleermuis
Gewone vinvis Griend Grijze dolfijn Kleine zwaardwalvis Narwal Noordse vinvis Orca Potvis
Spitsdolfijn van gray Tuimelaar Walrus Witflankdolfijn Witsnuitdolfijn Witte dolfijn
Zeezoogdieren Bruinvis Bultrug Butskop Dwergpotvis Dwergvinvis Gestreepte dolfijn Gewone dolfijn Gewone spitsdolfijn
1 Voor deze soort geldt een vrijstelling in alle provincies. 2 Voor deze soort geldt een vrijstelling in alle provincies m.u.v. Flevoland. 3 Voor deze soort geldt een vrijstelling in alle provincies m.u.v. Gelderland, Noord-Holland, Zeeland,
Overijssel en Noord-Brabant. 4 Voor deze soort geldt een vrijstelling in alle provincies m.u.v. Zuid-Holland. 5 Voor deze soort geldt enkel in Friesland een vrijstelling. 6 Voor deze soort geldt enkel in Noord-Brabant een vrijstelling. 7 Voor deze soort geldt enkel in Zeeland geen vrijstelling.
Bijlage 2: Vleermuizen en ruimtelijke ingrepen
Vleermuizen en hun leefgebied worden beschermd door de Wet natuurbescherming. In deze wet is bepaald dat in het geval van een ruimtelijke ingreep ruim van tevoren bekeken moet worden of de ingreep nadelige invloed kan hebben op vleermuizen en hoe hiermee omgegaan moet worden. Verblijfplaatsen Vleermuizen maken het hele jaar door gebruik van verschillende verblijfplaatsen (o.a. in bomen en gebouwen). Vleermuisverblijfplaatsen zijn op te delen in verschillende typen: winterverblijfplaats (waar overwinterd wordt), dagkwartieren (waar de mannetjes in de kraamkolonieperiode overdag zitten, alleen of in kleine groepjes), kraamkolonies (vrouwtjes en hun jongen, vaak in grote groepen), paar-verblijven (waar gepaard wordt, vaak in het najaar, soms gelijk aan de winterverblijfplaats) en tussenkwartieren (gebruikt in de periode tussen overwinteren en de zomerperiode in). Per type verblijfplaats gebruiken vleermuizen vaak meerdere verblijven waar tussen gewisseld wordt, bijvoorbeeld wanneer elders het klimaat geschikter is of om aan parasieten te ontkomen. Vleermuizen zijn wel zeer honkvast wat betreft de typen verblijven die ze gebruiken. Dit betekent dat hun verblijven belangrijk zijn voor instandhouding van de populatie en dat deze daarom beschermd worden door de wet. Sinds mei 2009 is het Vleermuisprotocol vastgesteld.
Dit is opgesteld door het Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging VZZ in overleg met de Dienst Landelijk Gebied (DLG) en de Gegevensautoriteit Natuur (GaN). Het protocol dient als leidraad voor het bepalen hoe en hoe vaak geïnventariseerd moet worden om te voldoen aan de wetgeving. Voor het bepalen of een gebouw of een potentieel geschikte boom van belang is als vleermuisverblijfplaats, is over het algemeen een langlopend onderzoek nodig (van april/mei t/m september/oktober) en zijn 4 tot 7 bezoeken nodig. Om onnodige vertraging te voorkomen, wordt daarom aangeraden om in de planning van de voorgenomen plannen rekening te houden met deze onderzoeksperiode. Maatregelen ten behoeve van vleermuizen zijn nodig: •
indien sprake is van een verblijfplaats die van significant belang is of zou kunnen zijn en/of;
•
indien vleermuizen aangetroffen zijn.
Er is sprake van een significant belangrijke verblijfplaats (ook wel vaste verblijfplaats genoemd, een verblijfplaats die van belang is voor een populatie) als: •
er sprake is van een kraamkolonie;
•
er sprake is van een belangrijke overwinteringsplaats of paarplaats;
•
er geen alternatieve verblijfplaatsen in de directe omgeving beschikbaar zijn;
•
de gunstige staat van instandhouding van de (populatie van) de soort in het geding is bij het verdwijnen van de verblijfplaats.
De te nemen maatregelen moeten er voor zorgen dat verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming niet overtreden worden. Dit betekent dat er geen dieren gedood, verwond of actief verstoord mogen worden en dat in geval van significant belangrijke verblijfplaatsen deze behouden moeten blijven of anders tijdig op een goede manier vervangen dienen te worden. De functie die het leefgebied voor de betreffende populatie vervult, moet onverminderd blijven bestaan.
Om te voorkomen dat dieren gedood, verwond of actief verstoord worden, kunnen de volgende mitigerende maatregelen nodig zijn: •
niet slopen in de winterslaapperiode (in deze periode kan zelden met zekerheid worden vastgesteld dat vleermuizen afwezig zijn in een potentieel geschikt en onoverzichtelijk object, omdat ze dan ook ’s nachts passief zijn. Dat maakt ze in deze periode overigens extra kwetsbaar);
•
vlak voor de sloop onderzoeken of er individuen aanwezig zijn in het te slopen object. Zijn deze wel aanwezig dan geldt dat gewacht moet worden tot het dier of de dieren weg zijn.
Om zeker te weten of de mitigerende maatregelen voldoende zijn kan een ontheffing aangevraagd worden bij de provincie waarin de ingreep plaatsvindt. Een afwijzingsbrief, die stelt dat geen ontheffing nodig is, ‘omdat als de voorgestelde maatregelen genomen worden er immers geen verboden overtreden worden’ geldt als goedkeuring van de voorgestelde maatregelen. Zijn de maatregelen niet voldoende, dan moeten deze aangepast worden. Als dat niet mogelijk is of wanneer compenserende maatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen), is een ontheffing nodig. Deze wordt alleen verstrekt in geval van projecten waarbij sprake is van een groot openbaar belang. Jachtgebied en vliegroutes Naast verblijfplaatsen bestaat het leefgebied van vleermuizen ook uit foerageergebied en vliegroutes (vaak bomenrijen of waterlopen). Deze zijn ook beschermd als zij van significant belang zijn. Zij gelden als significant belangrijk indien bij aantasting de functionaliteit van de verblijfplaats(en) in het geding komt. Is dat het geval, dan zijn maatregelen nodig die dit voorkomen, anders is een ontheffing nodig. Ook hier geldt dat deze alleen verstrekt wordt in geval van projecten waarbij sprake is van een groot openbaar belang.
Bijlage 3: Vogels en ruimtelijke ingrepen
Als mitigerende maatregelen genomen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaats te garanderen, hoeft geen ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Om zeker te weten of de mitigerende maatregelen voldoende zijn en er inderdaad geen ontheffing nodig is, kan een ontheffing aangevraagd worden om de maatregelen (goed) te laten keuren. Indien goedgekeurd, wordt door de provincie een “positieve afwijzing” afgegeven. Als geen maatregelen genomen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of rusten verblijfplaats te garanderen of wanneer compenserende maatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen), dient een ontheffing aangevraagd te worden op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. De aanvraag wordt beoordeeld op de volgende punten: •
Is er een wettelijk belang?
•
Is er een andere bevredigende oplossing?
•
Komt de gunstige staat van instandhouding in gevaar?
“Ruimtelijke inrichting en ontwikkeling” of een “dwingende reden van groot openbaar belang” gelden echter niet als een wettelijk belang. Dit betekent dat de provincie in het kader van ruimtelijke ingrepen alleen een positieve afwijzing af kan geven. Bescherming van vogelnesten Artikel 3.1 lid 2 uit de Wet natuurbescherming luidt: “Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen”. Voorafgaand en tijdens de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met eventueel aanwezige vogelnesten. Er is sprake van een nest wanneer er nestindicatief gedrag is waargenomen en/of er een broedsel aanwezig is. Het vernielen of beschadigen van een nest is verboden. Dit geldt voor alle vogelsoorten. De meeste vogels maken echter elk broedseizoen een nieuw nest of zijn goed in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen onder de bescherming van de Wnb wanneer het in gebruik is (tijdens het broedseizoen). Wanneer een dergelijk nest niet in gebruik is, is geen ontheffing nodig voor het vernielen of beschadigen ervan. Verstoring van vogels is ook verboden, maar er bestaat een uitzondering voor verstoring die niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (artikel 3.1 lid 5 Wnb).
Dit betekent dat verstoring tijdens het broedseizoen toegestaan is, mits de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort gewaarborgd blijft. Een (beperkt) aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. Verblijfplaatsen van deze vogelsoorten zijn niet alleen beschermd wanneer ze in gebruik zijn, maar het hele jaar: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: Steenuil).
2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk zijn van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: Roek, Gierzwaluw en Huismus). 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: Ooievaar, Kerkuil en Slechtvalk). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: Boomvalk, Buizerd en Ransuil). Tot slot is er nog een categorie 5: Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Voor deze soorten is extra onderzoek nodig, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd; deze soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Hieronder de lijst met jaarrond beschermde vogelnesten:
Nesten van de volgende soorten zijn jaarrond beschermd indien ze nog in functie zijn: Boomvalk
Falco subbuteo
Buizerd Gierzwaluw
Buteo buteo Apus apus
Grote gele kwikstaart
Motacilla cinerea
Havik Huismus
Accipiter gentilis Passer domesticus
Kerkuil Oehoe
Tyto alba Bubo bubo
Ooievaar Ransuil
Ciconia ciconia Asio otus
Roek
Corvus frugilegus
Slechtvalk Sperwer
Falco peregrinus Accipiter nisus
Steenuil Wespendief
Athene noctua Pernis apivorus
Zwarte wouw
Milvus migrans
Nesten van de volgende soorten zijn niet jaarrond beschermd (categorie 5), maar hiervan is inventarisatie wel gewenst: Blauwe reiger
Ardea cinerea
Boerenzwaluw
Hirundo rustica
Bonte vliegenvanger Boomklever
Ficedula hypoleuca Sitta europaea
Boomkruiper Bosuil
Certhia brachydactyla Strix aluco
Brilduiker Draaihals
Bucephala clangula Jynx torquilla
Eider
Somateria mollissima
Ekster Gekraagde roodstaart
Pica pica Phoenicurus phoenicurus
Glanskop Grauwe vliegenvanger
Parus palustris Muscicapa striata
Groene specht Grote bonte specht
Picus viridis Dendrocopos major
Hop
Upupa epops
Huiszwaluw IJsvogel
Delichon urbica Alcedo atthis
Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger
Dendrocopos minor Ficedula parva
Koolmees Kortsnavelboomkruiper
Parus major Certhia familiaris macrodactyla
Oeverzwaluw
Riparia riparia
Pimpelmees Raaf
Parus caeruleus Corvus corax
Ruigpootuil Spreeuw
Aegolius funereus Sturnus vulgaris
Tapuit Torenvalk
Oenanthe oenanthe Falco tinnunculus
Zeearend
Haliaeëtus albicilla
Zwarte kraai Zwarte mees
Corvus corone Parus ater
Zwarte roodstaart Zwarte specht
Phoenicurus ochruros Dryocopus martius