CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 3 paden Essenhof college.pdf

Gemeenteraad Dordrecht 19 september 2023, gemeente DordrechtBij agendapunt: 34: Raadsinformatiebrief over Benoemen drie paden op begraafplaats Essenhof - Raadsinformatiebrief8.844 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Het college van Burgemeester en Wethouders, de Commissie Benoeming Openbare Ruimte gehoord, heeft op 15 maart 2022 besloten drie paden op de Essenhof te vernoemen naar de verzetsstrijders Lenie Dicke en Leendert Keesmaat en Barend Josua Katan, de laatste Dordtse rabbijn. Hiermee had de Essenhof de primeur van eerste begraafplaats en crematorium in Nederland met officieel toegekende straatnamen. Initiatiefnemer Hans Berrevoets en de Essenhof hebben aangegeven behoefte te hebben aan nog een vijftal extra namen. De Commissie Benoeming Openbare Ruimte heeft in haar vergadering van 8 maart 2023 besloten hiervoor, aansluitende bij de eerste naamgeving, personen te zoeken die iets met de Tweede Wereldoorlog te maken hebben en hierbij uitdrukkelijk ook aan vrouwen te denken. Aan commissielid Jan Alleblas werd opdracht gegeven contact op te nemen met initiatiefnemer Hans Berrevoets en Igle Weidenaar, vakspecialist/adviseur begraven en cremeren van de Essenhof. In eendrachtig overleg hebben zij besloten de verschillende groepering van het Dordtse verzet te herdenken. Zij komen daarbij in eerste instantie tot de volgende namen voor bestaande paden op de Essenhof: Jan Kloos en Diet Kloos Barendregtpad Onderschrift: Dordts verzetsstrijdersechtpaar, 1919-1945 en 1924-2015 Voor het (dubbele) pad van de Biesboschaula naar het Indiëmonument (in groen aangegeven op de bijgaande plattegrond).

Emanuel Hamburgerpad Onderschrift: Dordtse leraar en verzetsstrijder, 1901-1945 Voor het pad van het Indiëmonument naar de Thuredrith aula langs het graf van Emanuel Hamburgerger (in geel aangegeven). Gijs van Bemmelenpad Onderschrift: Dordtse politieagent en verzetsstrijder, 1898-1944 Voor het pad van de Thuredrith aula naar de monumentale brug bij de oude ingang (in rood aangegeven). In bijgaande korte biografietjes van de betreffende personen wordt hun belang aangetoond. Voor de resterende twee paden hebben zij ook al namen in gedachten, maar de zorgvuldigheid eist dat we over deze personen eerst meer informatie verzamelen. Voor de naamgeving van de paden op de Dubbeldamse begraafplaats volgt in een later stadium een voorstel, waarbij hier indachtig de voorkeur van de Commissie bekende Dubbeldammers vernoemd zullen worden.

JAN KLOOS (1919 – 1945) Dordtenaar Jan Kloos (7 mei 1919 – 30 januari 1945) was tijdens de Duitse bezetting student biologie en moest van de Duitsers de zogenaamde loyaliteitsverklaring tekenen. Dit weigerde hij en zodoende moest hij zijn studie afbreken. Een betrekking als assistent-ornitholoog bij de plantenziektekundige dienst te Wageningen bood uitkomst. Medio 1943 ging hij voor het Wageningse verzet werken. Tijdens de geallieerde luchtlandingen rond Arnhem en Nijmegen medio september 1944 was Kloos in Dordrecht, waar hij opgenomen was in de plaatselijke Ordedienst (OD). Hij fietste direct naar Wageningen om zich te melden, maar keerde terug naar Dordrecht toen de Wageningse bevolking op 1 oktober werd geëvacueerd.

Hier zette hij zijn werk bij de ondergrondse, de Ordedienst voort. In oktober 1944 is Kloos samen met Bob Seyn gaan werken voor de inlichtingendienst van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) en de 1cie BS-SG, de Sectie Jacob. Tevens werd hij opgenomen in de illegale inlichtingendienst Groep Albrecht. Samen met zijn vriendin en latere echtgenote Dina (Diet) Barendregt verzamelt hij inlichtingen over troepenbewegingen, opstellingen van afweergeschut, treintransporten enz. Zijn werk als ornitholoog en hun wandelingen en boottochtjes door de natuur als verliefd stelletje boden een goede dekmantel om zich vrij in het terrein te bewegen. Ook verspreidde hij met zijn toekomstige echtgenote illegale lectuur. Begin december 1944 werd Jans Dordtse vriend en verzetsman Leendert Reidsma door verraad gearresteerd. Volgens sommige bronnen werden Jan en Diet in zijn zakboekje genoemd. Dat werd hen noodlottig. Diet en Jan werden in de nacht van 8 op 9 december 1944 door de politie van hun bed gelicht. Het echtpaar Kloos was op dat moment twee weken getrouwd. Na een nacht te hebben doorgebracht in het Dordtse huis van bewaring werd het echtpaar zonder te zijn verhoord overgebracht naar de Utrechtse gevangenis aan het Wolvenplein. Jan Kloos werd hier zeer ernstig met een zweep mishandeld en raakte daardoor meer dan vijfmaal bewusteloos. Hierna werd Diet met hem geconfronteerd.

Op 15 december 1944 werden Jan en Diet Kloos beiden ter dood veroordeeld wegens spionage. Jan Kloos werd op 15 januari 1945 naar de gevangenis aan de Weteringschans in Amsterdam gebracht. Op 30 januari werd hij samen met zijn vriend Leen Reidsma en andere verzetsstrijders gefusilleerd op een terrein van een voormalige rozenkwekerij, hij werd slechts 26 jaar. Diet werd vrijgelaten en zette haar verzetswerk voort. Jan Kloos en Leen Reidsma liggen beiden begraven op de erebegraafplaats Bloemendaal.

DINA KLOOS-BARENDREGT (1924 – 2015) Diet Barendregt is op 9 mei 1924 in Dordrecht geboren. Bij het uitbreken van de oorlog was zij 16 jaar en leerlinge van het gymnasium. Diet organiseerde al in 1941 huisconcerten voor ontslagen joodse musici. Daardoor raakte zij betrokken bij het verzet. Zij regelde onderduikadressen en voedselbonnen en verspreidde ondergrondse blaadjes en later ook wapens. Met name het organiseren van onderduikmogelijkheden voor joodse mensen lukte haar goed omdat dit niet in groot georganiseerd verband plaats vond. Diet regelde alles: bonkaarten, geld, voedsel, kleding en wat verder nodig was, en kreeg daarbij gelukkig voldoende hulp. De gezinnen die zij onderbracht en verzorgde hebben allen de oorlog overleefd. Diet Kloos in 1949 (foto Paul Sars).

Diet ook wel Doeschka genoemd, raakte via het verzet bevriend met Jan Kloos en als jong verliefd stelletje verzamelden zij inlichtingen over Duitse troepenbewegingen, opstellingen van afweergeschut, treintransporten en dergelijke. Op 22 november 1944 traden ze in het huwelijk en twee weken later, in de nacht van 8 op 9 december werden ze gearresteerd. Vanaf 14 december werden beiden langdurig door de Sicherheitsdienst verhoord. Diet was getuige van ernstige martelingen die Jan onderging. Maar hij liet niets los. Op 15 december 1944 werden beiden ter dood veroordeeld wegens spionage. Op 30 januari 1945 werden Jan Kloos en Leendert Reidsma in Amsterdam gefusilleerd. Diet werd vrijgelaten en pakte het verzetswerk weer op, onder meer als hoofdkoerierster van de sectie Jacob van de Binnenlandse Strijdkrachten in Dordrecht. Ze overleefde de oorlog. Na de oorlog studeerde zij bij Hendrik Andriessen af aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en werd een gevierd zangeres van oratoria. In 1953 trad ze als een van de eerste Nederlanders na de oorlog op in Duitsland. Later werkte zij als docent aan het conservatorium in Tilburg. In 1949 ontmoette zij in Parijs de Joods-Roemeense dichter Paul Celan. Zij hadden een korte liefdesrelatie en Diet Kloos ontving twaalf brieven en enkele gedichten van hem, waaronder een exemplaar van zijn Todesfuge.

Diet overleed op 3 april 2015 in Elden (gemeente Arnhem). In Israël is een boom geplant voor haar hulp aan joodse onderduikers. Diet Kloos, dan inmiddels 88 jaar, vertelde in 2012 aan Maarten-Jan Leentvaar haar verhaal: "Mijn echtgenoot Jan Kloos en ik waren agent voor de inlichtingendienst groep Albrecht. Samen gingen wij door heel Nederland Duitse stellingen in kaart brengen en verzamelden wij allerhande militaire gegevens die de geallieerden van ons vroegen. Jan was ornitholoog en gebruikte dit als dekmantel voor observaties van de vijand. Jan had een uitkijkpost en hij noteerde de gegevens in code alsof hij vogeltjes had bekeken. Als wij samen op weg waren, zogenaamd als een verliefd stelletje, of als wij werkten op een andere locatie, dan werden geen gegevens genoteerd, maar dan onthielden wij deze inlichtingen en noteerden ze bij thuiskomst, zodat ze snel naar Engeland konden worden verzonden”.

De arrestatie “Het was donker, wij lagen te slapen, er werd op de deur gebonkt, politie. Meteen borg Jan zijn revolver weg op een balk. Snel probeerden wij alle bezwarende stukken weg te werken. Jan probeerde uit het raam te klimmen, maar een politieagent schoot op hem. Omdat het zo donker was konden wij de gezichten van de agenten niet zien. Er werd nauwelijks gesproken en dit alles maakte op mij een zeer lugubere indruk. Wij zijn naar het Huis van Bewaring in Dordrecht gebracht en zonder verhoord te zijn, bracht de Duitse SD ons de volgende dag naar het Huis van Bewaring aan het Wolvenplein in Utrecht. Eenmaal op het Wolvenplein werden Jan en ik van elkaar gescheiden en ingesloten. Uiteindelijk kwam er een bewaker die mij dwong drie uur stil te staan tegen een muur. Een verhoorder zei: ‘Jaja, so eine grosse Liebe’. De telefoon ging en de SD-man nam op. ‘Der Kloos hat immer noch nichts gestanden, so hard wie Stein, vielleicht eine gute Idee. Das können wir mal versuchen’. De SD-man trok een la open en pakte een pistool, richtte op mijn rechternier en dwong mij naar een grote schuifdeur. In deze ruimte werd ik in een kast gestopt. Ik hoorde Jan roepen ‘nee, nee!’ Ik hoorde zweepslagen en soms was het ineens vijf minuten stil, Jan was dan bewusteloos. Hij is urenlang geslagen met een zweep. Toen werd ik met hem geconfronteerd, zijn gezicht was bont en blauw en opgezwollen.

Zijn hoofd was kaalgeschoren en hij kon niet meer staan, zijn uitdrukking was onbeschrijfelijk. De SD-man zei: ‘Machen Sie keine Szene bitte’. Jan werd afgevoerd en de SD’er zei: ‘Jan wird fussilliert und Sie wahrscheinlich auch’. Ik zei tegen de SD’er dat als hij mij ging slaan, dat ik dan veel zou zeggen maar niets waar hij iets mee kon. Hierna ben ik teruggebracht naar mijn cel. Daar heb ik tot 25 januari gevangen gezeten en ben toen vrijgelaten. Er is wekenlang een celspion bij mij geplaatst en ik durfde niet te slapen. Sinds die tijd droom ik niet meer en slaap 5 keer 15 minuten per nacht, tot op de dag van vandaag. Deze vrouw was een spion voor de Duitsers en dit was vrijwillig. Via de Vecht ben ik naar Amsterdam gelopen om daar te vernemen dat mijn echtgenoot was geëxecuteerd. Nadat ik in Dordrecht terugkeerde, ben ik weer opgenomen in de Sectie Jacob. Deze sectie viel officieel onder de Binnenlandse Strijdkrachten – Strijdend Gedeelte. Voor deze sectie heb ik voornamelijk koerierswerkzaamheden verricht. Deze groep hield zich bezig met KP-werk, intelligence en andere illegale werkzaamheden. Wat betreft de inlichtingen, deze werden dagelijks via een zender doorgegeven door dr. Heroma. Heroma is een keer gearresteerd en meteen weer vrijgelaten. Als onze sectie werd opgeroepen om in actie te komen, dan was het codewoord op de radio ‘Geef me nog een druppie’.

Dan volgde er een codebericht. Vaak ging het om het gereedmaken van een droppingterrein, bijvoorbeeld om een geheim agent te ontvangen of een wapenzending. Jaren geleden heb ik een medaillon (gemaakt door de kunstenaar Louis Akkerman) geschonken aan Museum 1940-1945. In dit medaillon staan de leden van de sectie Jacob”. © Maarten-Jan Leentvaar, 2012

Diet Barendregt en Jan Kloos

EMANUEL HAMBURGER (1901 – 1945) Emanuel Hamburger werd geboren op 8 augustus 1901 te Nijkerk als zoon van Bernard Hamburger en Jeannette Mendels. Hij was leraar Nederlands. Na het behalen van de akte Middelbaar Onderwijs werd hij geschiedenisleraar, eerst in Zierikzee, daarna aan de Dordtse HBS. Hij woonde toen in de Christiaan de Wetstraat. Daarnaast was hij meester in de rechten, voorzitter van de afdeling Dordrecht van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij en lid van de Provinciale Staten. Emanuel verloor zijn baan als leraar op 1 maart 1941. In hetzelfde jaar werd hij ook gedwongen op te stappen als Statenlid voor de SDAP. In de zomer van 1942 probeerde hij tevergeefs te worden beëdigd als advocaat en procureur, uitsluitend om op te treden voor Joodse cliënten. Emanuel dook onder in Rotterdam en ging in het verzet. Hij was actief bij de hulp aan onderduikers en de verspreiding van illegale kranten.

Kees Bitter (1919-1945), een oud-leerling die voor de Sicherheitsdienst werkte, verried hem. Na zijn arrestatie op 6 december 1944 werd hij via het Rotterdamse politiebureau aan het Haagsche Veer overgebracht naar het Oranjehotel in Scheveningen. Als represaille voor een aanslag op de NSB-burgemeester van Nieuw-Beijerland werd Emanuel Hamburger op 18 februari 1945 op de Blaaksedijk in Heinenoord tezamen met negen anderen gefusilleerd. Pas enkele maanden na de bevrijding werd deze moordpartij bekend voor zijn nabestaanden. Op 4 oktober 1945 werd hij op de Algemene Begraafplaats van Dordrecht herbegraven. Op de plek van de moord in sinds 1950 een gedenkteken te vinden. Zie verder onderstaand artikel, vermoedelijk van de hand van Gert van Engelen, op de website Stolpersteine Dordrecht.

https://stolpersteine-dordrecht.nl/het_voorbije_joodse_dordrecht_emanuel_hamburger.html

STOLPERSTEINE DORDRECHT HET VOORBIJE JOODSE DORDRECHT

Emanuel Hamburger is ijskoud gefusilleerd langs een autoweg Terwijl verreweg de meeste joodse Dordtenaren hun dood vonden in buitenlandse concentratiekampen, stierf mr. Emanuel Hamburger vlakbij zijn woonplaats, op een naargeestige plek: ter hoogte van Heinenoord, midden op de rijksweg die de wijde polders van de Hoeksche Waard doorklieft. Samen met negen lotgenoten werd hij daar, 43 jaar oud, in de vroege ochtend van 18 februari 1945, ijskoud gefusilleerd door een Duits vuurpeloton – als represaille voor een aanslag waaraan Hamburger en de anderen part noch deel hadden gehad. Emanuel Hamburger is niet de enige Dordtse jood die is geëxecuteerd. Fatale kogels troffen bijvoorbeeld ook Abraham Wijnberg, op 29 juli 1943, op de Leusderheide. Maar wat de dood van Hamburger, leraar aan de gemeentelijke hbs, dubbel zo wrang maakt, is dat deze werd ingeleid door een oud-leerling van hem. Die verried onverschillig zijn docent, terwijl Hamburger zich nu juist zo toegewijd en volledig in dienst had gesteld van “vooral de jeugd”, zoals hbs-directeur dr. J.J. Prins memoreerde bij Hamburgers herbegrafenis in Dordrecht.

Op deze vrij zeldzame foto staat mr. Hamburger als volwassen man. De foto komt uit de collectie foto's die het NIOD in Amsterdam bezit van personen die op de Erelijst van Gevallenen staan. Foto NIOD - Erelijst van Gevallenen

Socialist Emanuel Hamburger was meer dan een bezielde leraar. Bovenal was hij een volbloed socialist, links van voor tot achter, maatschappelijk betrokken van top tot teen. En hij was joods, en daar schaamde hij zich allerminst voor. Hij kwam daar unverfroren voor uit, gaf er zelfs lezingen over. Zoals op zondagochtend 13 december 1931, in het Asta-Theater van Gorinchem. Hij sprak daar, op een bijeenkomst van de lokale afdeling van het Instituut voor Arbeiders-Ontwikkeling, over ‘Het Joodsche vraagstuk en het anti-Semitisme’. Het Nieuwsblad voor Gorinchem en Omstreken plaatste op 18 december een verslag van Hamburgers lezing, dat digitaal is terug te lezen. En zo valt die ene uitspraak op, die achteraf, met de huidige kennis van de Tweede Wereldoorlog, zo ijselijk is. In Duitsland was de intense afkeer van joden al vanaf het einde van de Eerste Wereldoorlog aan het aanzwellen. Hamburger wees erop dat het “anti-semitisme” daar al zijn “hoogtepunt had bereikt, in de oprichting van de Nationaal Socialistische Arbeiders Partij”, de politieke beweging die er kwam tot heil van het nazisme. De joden kregen nu “in hoofdzaak de schuld van verschillende toestanden”, scheldliederen werden al over hen gezongen – waarvan Hamburger er “enkele voorlas”. Desondanks hield hij hoop.

Desondanks zei spreker, aldus de krant, “dat spoedig de tijd zal komen dat joden niet meer zullen worden verdrukt”. De geschiedenis nam een andere loop. Emanuel Hamburger zou zelf lijfelijk ervaren hoe een “Joodschen afkomst” zich tegen je kan keren.

Geëngageerd Geboren in Nijkerk op 8 augustus 1901 geraakte Emanuel Hamburger eind jaren twintig in Dordrecht. Hij zette zich neer in de Chr. de Wetstraat 18. Langzaam, maar volhardend liet hij Dordrecht kennismaken met zijn politieke en sociale engagement. Hij was links en verborg dat niet. Hij sloot zich aan Tal van maatschappelijke functies bekleedde mr. Hamburger in Dordrecht. bij de Arbeiders Jeugd Op deze foto is hij (staande derde van links) bestuurslid van de Dordtse afdeling Centrale, bij het van de SDAP. Instituut voor Foto RAD (nummer 552_305168) Arbeiders-Ontwikkeling, bij de SDAP. Maar ook niet-politieke instellingen, kringen van sociaal en geestelijk leven, verwelkomden hem: de Keuringsdienst voor Waren, de Dordtse Kunstkring, het gezelschap Diversa Sed Una, de Dordtse openbare leeszaal en bibliotheek, het Historisch Genootschap in Utrecht. In zijn dagelijks leven was Hamburger leraar economie, geschiedenis en staatsinrichting, aan de gemeentelijke hbs. Directeur Prins haalde bij Hamburger’s herbegrafenis op 4 oktober 1945 herinneringen op aan zijn sollicitatie. “Toen reeds”, zei Prins volgens een nieuwsartikel in Het Vrije Volk, “viel zijn buitengewone begaafdheid op, die hem zo hoog deed uitsteken boven de gemiddelde leraren. Hij was een zelfmade-man, die in korte tijd verschillende examens had afgelegd.”

Collega W. Meijers sprak ook bij die gelegenheid. Hij roemde de “schier ongelooflijke kennis” van Hamburger, “alsook zijn prikkelende, geestige conversatie, die een gesprek met hem boven het alledaagse peil verhief”. Zijn werkkracht was groot, vervolgde Meijers. “Bijna geheel alleen verzorgde hij het herinneringsboek voor de 75-jarige herdenking van de hbs”. Hij had ook zijn fouten. In debat was hij vaak te scherp geweest, had Hamburger wel eens tegen zijn vriend Meijers gezegd, en “daarvan had hij spijt.” Maar hij was verder “zeer verdraagzaam”, zij het niet jegens onverdraagzamen.

Statenlid In de jaren dertig betoonde Hamburger zich in toenemende mate een strijdbaar sociaal-democraat. Hij werd voorzitter van de Dordtse SDAP-afdeling. Hij gaf lezingen, ook buiten de stad. Zoals in maart 1931 in Gorkum, in het verenigingsgebouw ‘Palvu’. Hamburger nam er met de toehoorders het onderwerp ‘Wat leert ons het Russische Vijfjarenplan?’ door. Of in maart 1939, in Schelluinen. Daar benadrukte hij in café De Bruijn “de groote betekenis van de aanstaande Statenverkiezing”. In dit pand op het Vlak in Dordrecht hield de Hamburger had een persoonlijke jurist Emanuel Hamburger kantoor, totdat anti-joodse reden voor dit thema. Hij had zich maatregelen hem dat beletten. Foto Redactie Website namens de SDAP kandidaat gesteld voor de Provinciale Staten, zoals hij zich in april 1937 als kandidaat aanmeldde voor de Tweede Kamer. Tot Kamerlid is hij overigens niet gekozen, tot Statenlid wel. Intussen studeerde hij ook nog rechten. Hij wist “zeer vlug” (dr. Prins) zijn Staatsexamen te behalen. Op Vlak 2 in Dordrecht, in een nog altijd bestaand reusachtig gebouw, opende Hamburger een kantoor. In de omgang was Hamburger “timide”, zo schreef J.P. van Praag naderhand in Het Parool in een In Memoriam. “Hij was geneigd zijn eigen weg te gaan”. Maar beschroomd was hij allerminst in zijn overtuigingen en zijn vele functies.

Van Praag: “Zeker, hij was een harde werker: als leeraar, op organisatorisch gebied, en niet minder op wetenschappelijk terrein. Als hij een historisch onderzoek aanpakte, dan deed hij het grondig. Maar voor alles was hij een strijder. Als hij een zaak voorstond, dan lette hij niet op persoonlijke gevoeligheden, dan streed hij zonder aanziens des persoons.”

Vampyr De oorlog naderde, in de vorm van “een teutoonse vampyr” zoals een Dordtse krant nadien schreef, en het leven van mr. Emanuel Hamburger kantelde. De Duitse bezettingsmacht begon mensen van Joodschen bloede stelselmatig te dwarsbomen, als voorbode van de vernietiging die op handen was. Hamburger verloor zijn baan als leraar, op 1 maart 1941. Hij werd ook gedwongen op te stappen als Statenlid, in hetzelfde jaar. Joden, zo was nu eenmaal de regel, mochten geen Een uitsnede van de brief waarin Dordrechts burgemeester Bleeker de openbare en vertegenwoordigde autoriteiten meedeelt dat (de joodse) leraar E. Hamburger is ontslagen. Foto Redactie Website functies meer bekleden. “Een tragische en schandelijke geschiedenis”, noteerde mr. Jaap Burger, de Dordtse advocaat en latere minister in het oorlogskabinet-Gerbrandy, in zijn dagboek. Hij vermeldt het ontslag van Hamburger expliciet. Hamburger had net als Jaap Burger als advocaat en procureur willen werken, maar de anti-joodse maatregelen verhinderden dat. In het boek Smalle marges: de Nederlandse advocatuur in de Tweede Wereldoorlog, in 2010 gepubliceerd door NIOD-onderzoeker Joggli Meihuizen, wordt de vernedering die Hamburger onderging, kort geschetst. “In de zomer van 1942 wendde hij zich tot de president van de Dordtse rechtbank, mr. H.

Heuvelink, met het verzoek te mogen worden beëdigd als advocaat en procureur, uitsluitend om op te treden voor Joodse cliënten. Heuvelink speelde de bal door aan de secretarisgeneraal van Justitie. Die beperkte zich ertoe te verwijzen naar de door zijn voorganger ook aan de rechtbank in Dordrecht verzonden circulaire van 24 mei 1941, waarin de benoeming van nieuwe joodse advocaten werd verboden.” De anti-joodse directieven blokkeerden de instroom van joodse advocaten totaal. Hamburger ging in het verzet, hij gaf niet op. “Hij was er de man niet naar om zijn levensplan te laten bepalen door den willekeur der bezetters”, zou Van Praag later schrijven. Hamburger had zijn kantoor op het Vlak al opgeheven en woonde vanaf 30 april 1940 in bij zijn moeder, Jeanette Mendels, de weduwe van Bernard Hamburger, op de Singel 42 (nu: 58). Hij werd actief bij de onderduikerhulp, zoals de website Joods Monument meldt en hielp bij het samenstellen, drukken en verspreiden van illegale lectuur.

Geheim Tot nog toe is onbelicht gebleven dat Hamburger ook deel uitmaakte van het verborgen genootschap van vooraanstaande plaatselijke en landelijke SDAP’ers. Deze zogenoemde Dordtse Kring vergaderde in het geheim regelmatig, onder andere ook in het huis van zijn moeder. Rob Hamburger (1931), een neef van Emanuel Hamburger, verbleef van oktober 1941 tot 1942 bij zijn grootmoeder op de Singel, om bij te komen van de aanhoudende bombardementen op het ouderlijk huis in Rotterdam. “Ik schat dat ik zeker tien keer heb meegemaakt dat mannen op visite kwamen, en in de werkkamer van mijn oom gingen zitten”, aldus Rob Hamburger, een neerlandicus die in Dordrecht raadslid voor de PvdA is geweest. De Dordtse huisarts Jan F. Heroma en de latere wethouder Henk van Es waren er aanwezig, maar ook bijvoorbeeld zwaargewichten als Sicco Mansholt, Jaap Burger, Hein Vos en pater Stokman. “Waar die bijeenkomsten over gingen, weet ik niet. Ik werd daar Het monument langs de autoweg bij Heinenoord, vlakbij de plek waar Hamburger is geëxecuteerd. buiten gehouden, net als mijn Foto Redactie Website grootmoeder.” Vastgesteld is inmiddels dat deze ondergrondse gesprekken bedoeld waren om vooruit te blikken op het naoorlogs bestel van Nederland.

Brutaal Twee keer voert Jaap Burger zijn stadgenoot nog op in het Oorlogsdagboek, dat is bezorgd door Chris van Esterik en in 1995 verscheen. Op 17 mei 1940 schrijft hij dat de Duitsers het gemeentehuis “nogal met rust laten”, na “aanvankelijke belangstelling”. Dan gaat hij verder met: “Hamburger schijnt met een brutaal gezicht in en uit te lopen, met de wethouders te confereren et cetera. Die heeft zich als Jood wel afgeschreven, zoals velen van ons trouwens min of meer. We zullen leven zolang we kunnen en hopelijk niet laf zijn als het einde daar is.” Op vrijdag 7 juni 1940 volgt nog dit: “Volgens Hamburger die ik vandaag sprak, was het volkomen logisch dat de Koningin en de regering weggegaan waren, al zou het wellicht jaren duren voor de massa dit in zou zien.” Blijkbaar is Hamburger nog zelfverzekerd en weet hij zich redelijk te redden in vijandig Dordrecht. Maar dan slaat een oud-leerling van hem toe. Deze ex-hbs-scholier is werkzaam voor

de Sicherheitsdienst en verraadt zijn ondergedoken docent. Van Praag stelt in zijn In Memoriam dat mr. Hamburger in de jaren dat hij ondergedoken was, weliswaar “niet voorzichtig” is geweest, maar er was “nimmer sprake van een driestheid die het noodlot tartte”. Het verraad van de oud-leerling was de genadeslag. Hamburger werd in december 1944 gearresteerd en via het politiebureau aan het Haagsche Veer in Rotterdam overgebracht naar de strafgevangenis van Scheveningen. Van Praag: “Al spoedig moest voor hem het ergste gevreesd worden.”

Zonder proces Op 18 februari 1945 eindigde Hamburgers leven. Vier leden van de Knokploeg Zinkweg hadden de NSB-burgemeester M.A. Simonis van NieuwBeijerland en Piershil geliquideerd. De daders bleven onvindbaar, en als represaille sleepten de Duitsers tien willekeurige mensen uit hun Scheveningse cellen en vervoerden ze naar de Hoeksche Waard. En daar, op de rijksweg Op de zijkant staat de namen van de gefusilleerden. Blaaksedijk-Krooswijk bij Foto Redactie Website Heinenoord, werden ze die zondagochtend om 9 uur zonder enige vorm van proces stuk voor stuk neergeschoten – midden tussen de braakliggende polders, “op een plaats die zij tevoren wellicht nimmer gekend hadden”, zoals het Nieuwsblad voor de Hoeksche Waard en IJsselmonde en Putten berichtte, op 28 februari 1946, bij de onthulling van het monument voor deze gevallenen. Dit monument, een voetstuk met daarop een levensgrote man die zijn wanhoop lijkt uit te schreeuwen, staat nog op dezelfde plek, langs de weg. Op de voorzijde is de kreet “Moeder” te lezen, daaronder de tekst: ‘Voor hen die vielen voor en door het verzet 1940-1945’, plus deze regels: Hoe kon de mens de wens/ tot leven ooit teniet doen? / Hier klonk de kreet van één/ die voor tien makkers sprak. Beeldhouwer Huberth van Lith vervaardigde het monument, dat in 1946 zijn voorlopige vorm en in 1950 zijn definitieve aanzien kreeg.

Aan de zijkant worden die makkers genoemd, althans diegenen die tot dan waren geïdentificeerd: Wouter Wilhelmus Cornelis Verkerk, wachtmeester der marechaussee, Rockanje; Etienne de Bouter, kantoorbediende, Rotterdam; Albert Jappe Alberts, tandarts, Rotterdam; Machiel Wilhelm Prohn, bankbeambte, Rotterdam; Hendrik du Valoois, conciërge, Rotterdam; ir. Pieter van der Wallen, directeur Kalk- en Zandsteenfabriek, Brielle; Cornelis Pieter Nonner, elektromonteur, Rotterdam en Emanuel Hamburger, leraar, Dordrecht. Jaren later konden de laatste twee worden toegevoegd: Carel August Filipson en Teunis Kooij, beiden uit Amsterdam, beiden leerlingen van de Kweekschool voor de Zeevaart.

Verloofd Volgens Joods Monument.nl was Hamburger ongehuwd. Strikt genomen klopt dat. Maar Rob Hamburger vertelt dat zijn oom wel al verloofd was, met Nelly Haverkamp-Begeman, een kinderarts die met haar zus Pien op de Rozenhof woonde. In de overlijdensadvertentie – die pas op 29 september 1945 in de Dordtse editie van Het Parool werd geplaatst omdat er toen pas “droevige zekerheid” was over Hamburgers lot – staat zij onderaan. Bijna acht maanden nadat de kogels hem velden, worden Hamburgers stoffelijke resten “door toegewijde handen” opgegraven en krijgt hij, zoals Het Vrije Volk op 5 oktober 1945 doorgaf, op de Algemene Begraafplaats in Dordrecht alsnog “een menswaardig graf”. Honderden belangstellenden wonen de “aangrijpende plechtigheid” bij. Meerderen uit allerlei kringen die op hem bij leven konden bogen, spreken. Hbs-directeur Prins verklaart: “Zijn Mr. Hamburger werd in oktober 1945, in aanwezigheid van grote kennis stelde hij in dienst van de vele genodigden, herbegraven op de Algemene Begraafplaats gemeenschap; hij wilde zijn medeburgers, in Dordrecht. Dit is zijn graf.

maar vooral de jeugd dienen.” Jaap Foto Redactie Website Burger, zegt, als lid van het hoofdbestuur van de PvdA, dat Hamburger “een intellectueel was, die niet als anderen terzijde bleef staan, maar die van mening was dat juist de begaafden zich in plaats van een bespiegelend leven te leiden, moeten geven voor recht en vooruitgang”. En Henk van Es, lid van het afdelingsbestuur van de PvdA besluit met: “Geen werk voor de Partij was voor hem te groot of te klein.”

Kernleider Twee jaar later, in 1947, neemt de president van het Tribunaal Gorinchem, mr. W.O. de Kat Angelino uit Dordrecht, het in onbewimpelde taal op voor Emanuel Hamburger. Voor hem zit, drie uur lang, ir. Harm Höltke, een NSB’er afkomstig uit Dordrecht, die van 15 oktober 1943 tot 15 oktober 1944 burgemeester van Gorinchem is geweest. Höltke, die in Dordrecht aan het Oranjepark 30 (nu: 22) woonde, moest zich verantwoorden voor verschillende tenlasteleggingen. In Dordrecht was hij kernleider van de Germaanse SS geweest, ook werd hij in 1935 lid van de NSB en schopte het er tot kring- en districtsleider. Hij was feitelijk “de hoogste functionaris” in Dordrecht. Maar begin 1942 had hij, toch “buitengewoon verrast” door de Duitse inval, uit de NSB willen treden. Dat had hij niet gedaan, maar hij was “zich niet bewust”, zei hij volgens een groot nieuwsverhaal in het Nieuwsblad van Gorinchem op 31 oktober, dat hij “verkeerde dingen had

gedaan”. Daarop haalde de president van het tribunaal diverse bezwarende brieven uit het dossier te voorschijn, brieven die Höltke had gericht aan het Hoofdkwartier van de NSB, afdeling Afweerdienst. In één van die brieven noemde hij mr. Hamburger “een zeer geraffineerde en gevaarlijke jood”, het zou “een weldaad zijn hem zo spoedig mogelijk op te sluiten, omdat hij de schooljeugd ophitst”. De president viel scherp uit. “U moest U schamen over een dergelijke edele man als mr. Hamburger zoiets te durven schrijven. Wat een “weldaad” nietwaar, maar kan het U voldoening schenken dat mr. Hamburger voor het executiepeloton de dood gevonden heeft? Hoe kunt u dergelijke walgelijke brieven schrijven?” Het Nieuwsblad beschreef Höltkes verweer: “Zwakjes merkte de beschuldigde op: ‘Het was niet juist.’” © Gert van Engelen

GIJSBERTUS GERARDUS VAN BEMMELEN (1898 – 1944) Gijs van Bemmelen, geboren op 21 augustus 1898 te Wateringen, was in de oorlog sergeant-majoor bij de Dordtse gemeentepolitie. Hij was in tegenstelling tot veel van zijn collega’s anti-Duits en sloot zich als vader van vijf kinderen aan bij het verzet en wel bij de groep Beinema, genoemd naar Sytze Roelof Beinema, een van de grondleggers van het Dordtse verzet. Als opperwachtmeester mocht hij zich ’s avonds na de avondklok nog op straat begeven. Samen met zijn oudste zoon verspreidde hij voedselbonnen. Daarnaast verleende hij hulp aan Joden bij het onderduiken. Op 25 oktober 1943 werd hij door zijn eigen collega’s gearresteerd en overgebracht naar het hoofdbureau van politie. Op 10 november 1943 volgde zijn transport naar Kamp Vught en vervolgens op 25 mei 1944 naar het Nacht- und Nebel-kamp Natzweiler in de Elzas waar hij als dwangarbeider in een tunnel te werk werd gesteld. Daar overleed hij op 20 juli 1944 op 45-jarige leeftijd. Dit vermoedelijk als gevolg van een ongeluk al doen er ook verhalen de ronde dat hij door sadistische bewakers zou zijn doodgeknuppeld. Op 16 januari 1996 werd Gijs van Bemmelen door Yad Vashem erkend als helper van joodse onderduikers en postuum is hem ook het Verzetsherdenkingskruis toegekend.

De heer Gijs van Bemmelen was gedurende de Tweede Wereldoorlog politieman in Dordrecht en lid van het landelijk verzet. Het gezin van Bemmelen bestond uit vader, moeder en vijf kinderen, waarvan er nog drie thuis woonden. De twee oudste zoons studeerde voor priester in Bergen op Zoom. Zonder dat de kinderen op de hoogte waren van zijn verzetsactiviteiten, zorgde de heer van Bemmelen ervoor dat er stamkaarten en voedselbonnen kwamen voor de tientallen ondergedoken joden, die voor een groot deel verborgen waren in de Biesbosch. Zij waren alleen per boot bereikbaar waarbij dan ook voedsel werd meegenomen. Soms moesten de kinderen Van Bemmelen naar de heer Van Eijsden van het distributiekantoor in Dordrecht met de “smoes” dat er bonnen nodig waren voor schoenen o.i.d. In werkelijkheid ging het om het afleveren van een tas die zij meekregen en die onderweg absoluut niet mocht worden geopend. Wat de gehoorzame kinderen Van Bemmelen natuurlijk niet deden. Deze tas heeft hoogstwaarschijnlijk vol gezeten met stamkaarten voor onderduikers. Van Bemmelen heeft ook diverse joden gewaarschuwd dat zij moesten vluchten Als er razzia’s dreigden, waarvan hij als politieman op de hoogte was. In de nacht van 24 op 25 oktober 1943 is Gijsbertus van Bemmelen gearresteerd na te zijn verraden. Hetzelfde lot trof de heer van Eijsden van het distributiekantoor. Ook hij heeft de oorlog niet overleefd.

Hij is in het concentratiekamp Dachau omgebracht evenals nog enkele mensen van zijn netwerk. Na zijn arrestatie heeft mevrouw van Bemmelen de honderden stamkaarten die in de asla van de haard waren verborgen, uit vrees voor huiszoekingen, moeten verbranden. De heer van Bemmelen is via Rotterdam en Scheveningen naar Vught gebracht en van daaruit naar Dachau en Natzweiler in de Elzas, waar hij is omgebracht. In Vught was er nog contact mogelijk en soms mocht hij daar een pakket van thuis ontvangen. Onderweg van Vught naar de kampen in Duitsland is er langs de spoorlijn een pakje gevonden met daarin 48 adressen, waaronder dat van de van de familie van Bemmelen. Met de mededeling dat zij met 768 gevangenen op, weg waren naar waarschijnlijk Buchenwald. Enige tijd later kwam er echter

een brief uit Dachau, gedateerd 11 juni 1944. Deze brief was een maand onderweg geweest. De tweede brief, gedateerd 25 juli 1944, kwam ook een maand nadien bij de familie aan. Toen zij deze brief ontvingen was hij hoogstwaarschijnlijk niet meer in leven. In een van deze brieven schreef hij “wij reizen veel maar niet voor ons plezier”. Het gezin van Bemmelen heeft de bezetting onder zeer moeilijke omstandigheden kunnen overleven. Zij bleven zonder inkomsten achter en waren afhankelijk van derden. © Vrienden Museum 1940-1945, 2023 Gijs van Bemmelen (21-08-1898 / 20-07-1944) Gijs van Bemmelen is tijdens de Duitse bezetting opperwachtmeester bij de Dordtse gemeentepolitie. In de hal van het hoofdbureau van politie te Dordrecht staat zijn naam op de gedenkplaat voor gevallenen. In tegenstelling tot de meeste van zijn collega's is Van Bemmelen anti-Duits en betrokken bij het verzet. De opperwachtmeester voorziet onderduikers onder andere van voedselbonnen. Dit zal hem uiteindelijk fataal worden. Op maandagmorgen 25 oktober 1943 vindt er een interregionale politieactie in Dordrecht plaats die zijn weerga niet kent. Het is een politieactie die meer dan 24 uur duurt. Van de zijde van de Dordtse gemeentepolitie heeft rechercheur Arie den Breejen de leiding. De recherche van de Leidse politie ontvangt daags voor de actie inlichtingen over onderduikers in Brabant.

Samen met hun Haagse collega's die onder andere ook in Dordrecht moeten zijn, gaan zij op pad en dan werken zij stuk voor stuk hun lijsten af. De beruchtste politieagent in het gezelschap is de na de oorlog ter dood veroordeelde C.J. Kaptein, een rechercheur van de Haagse politie die bekend staat om zijn sadisme en fanatisme. Eenmaal in Dordrecht aangekomen doen de agenten een inval op het Vlak nummer 7 en zij vinden daar inderdaad een jonge Joodse onderduiker: Jaap Bachrach. Politieman Kaptein verhoort de hoofdbewoonster Cornelia de Jong en wil weten waar de ouders van de jongen ondergedoken zitten. Cornelia is niet van plan om te praten en dan dreigt Kaptein haar met een stofzuigerbuis. Uiteindelijk kan de vrouw niet meer op tegen de verhoormethoden en zij wordt gedwongen de naam te noemen van de leverancier van de bonkaarten, de arbeider Hendrik den Engelsen. Den Engelsen wordt gearresteerd en ook hij wordt gedwongen om te vertellen wie zijn leverancier van de bonkaarten is. Nu wordt de naam van de politieman Van Bemmelen genoemd als leverancier van bonkaarten. Rechercheur Kaptein kan de operatie niet meer zonder assistentie van zijn Dordtse collega's af omdat er onverwacht meer arrestaties moeten worden verricht. Kaptein belt rechercheur Den Breejen van de Dordtse gemeentepolitie.

Den Breejen geeft twee Dordtse rechercheurs meteen opdracht om hun collega van Bemmelen aan te houden op het politiebureau waar hij wachtdienst heeft, een politiepostje in de wijk Krispijn. Van Bemmelen wordt door zijn collega's overgebracht naar het hoofdbureau van politie aan de Groenmarkt. Eenmaal aangekomen op het hoofdbureau speelt zich een gruwelijk tafereel af. Verschillende politiemannen gaan aan het werk met deze zaak die omvangrijker blijkt dan waar zij op rekenden. De arrestanten worden op het hoofdbureau gemarteld en zodoende gedwongen om steeds meer informatie prijs te geven. Een proces verbaal vermeldt: ‘gezwollen gezichten, bloed in de mond’. Er worden als gevolg van deze mishandelingen aan de lopende band arrestaties verricht. De ene onderduiker na de andere wordt aangehouden. Die dag worden er in Dordrecht nog vele Joodse onderduikers opgepakt waaronder enkele kleine kinderen. Ook worden er nog meer verzetsmensen gearresteerd, onder wie Gommair van Eijsden, leider van de distributiedienst, waarvan verzetsman Tims het hoofd is. Van Eijsden sterft, net als van Bemmelen, aan wie hij bonkaarten voor de groep Beinema leverde, kort voor de bevrijding in een concentratiekamp. Van Bemmelen, Van Eijsden en Tims behoorden tot de groep Beinema

(LO) en de Zeemanspot. Van Loon schrijft in Het grote gebod, gedenkboek LO-LKP, dat hun arrestatie is te wijten aan het "doorslaan van gearresteerde joden". Enkele slachtoffers en hun helpers worden die dag ook beroofd van hun bezittingen door een aantal agenten. Bij Hendrik den Engelsen nemen politieagenten een geldtrommel met fl. 1600 mee. Bij de Joodse Jacob van Dam vinden de agenten sieraden en zilver. Uit een kluis van een van de slachtoffers halen de politiemannen ruim fl. 8700 baar geld en voor ruim fl. 4000 aan waardepapieren. Bij de familie Van As aan de Vlietweg vinden de agenten ruim twintigduizend gulden in contanten. Een familielid ziet een van de rechercheurs een stapel bankbiljetten in zijn zak steken, toebehorend aan de ondergedoken Joodse familie Gobits. Van Bemmelen moet als straf voor zijn verzetswerk naar het concentratiekamp Natzweiler in de Elzas. Hij sterft te Natzweiler op 20 juli 1944. Op 16 januari 1996 wordt Gijs van Bemmelen door Yad Vashem erkend als helper van joodse onderduikers. Ter herinnering wordt er een boom voor hem geplant. Postuum krijgt hij het verzetsherdenkingskruis. © Copyright Maarten-Jan Leentvaar 2012 Gijsbertus Gerardus van Bemmelen geboren 21-08-1898 te Wateringen Mogelijk waren politiefunctionarissen vanwege het premiestelsel geneigd om actief buiten hun eigen werkgebied op te treden en op Joden te gaan jagen.

Op maandag 25 oktober 1943 kreeg Dordrecht te maken met een arrestatiegolf die zijn weerga niet kende. Rond het middaguur ging bij Cornelia de Jong, wonende op een bovenwoning aan het Vlak 7, de bel. Aangezien ze ziek was, dacht ze dat de huisarts haar kwam bezoeken en liet daarom de bij haar ondergedoken achttienjarige Jacob (Jaap) Bachrach de deur openen. Direct stormden vier haar onbekende mannen de trap op die zeiden voor de ondergedoken Joden te komen. Aan Cornelia vroegen ze waar die Joden zaten. Twee van de vier binnendringers, Adrianus Biesheuvel en Willem de Groot, behoorden tot de Documentatiedienst van de politieke politie uit Leiden. Zij hadden ’s ochtends opdracht gekregen zich te melden op het station Hollands Spoor in Den Haag. Daar zouden zij twee rechercheurs van de Haagse SD ontmoeten, van wie ze de benodigde instructies ontvingen. De SD’ers Bernardus Johannes Huls en Cornelis Johannes (Kees) Kaptein, stonden hen op het afgesproken tijdstip op het station op te wachten. Kaptein had de leiding en droeg beide Leidse politiemannen op mee te gaan naar Dordrecht om een Joodse jongen te arresteren en vervolgens naar Roosendaal en Utrecht voor soortgelijke opdrachten. In Dordrecht aangekomen ging het viertal rechtstreeks naar het Vlak en trof daar de gezochte Jaap Bachrach aan.

Cornelia ontkende meer Joodse onderduikers in huis te hebben, toen daarnaar gevraagd werd. De mannen bleken goed geïnformeerd, want Cornelia had wel degelijk meer onderduikers in huis gehad. Die waren echter vertrokken vanwege moeilijkheden met de buren en door onvoorzichtigheid van een van de onderduikers. Die onderduiker was in Den Haag opgepakt met een persoonsbewijs van iemand anders, waardoor de zaak waarschijnlijk aan het rollen was gebracht. Een van de politiemannen bleef bij Jaap, terwijl de anderen de woning doorzochten. Al snel vonden zij een brief die bestemd was voor de elders ondergedoken ouders van Jaap, maar daarop ontbrak de adressering. Na deze vondst nam Kaptein Cornelia mee naar de zolder en begon daar een scherp verhoor. Hij wilde onder meer weten waar de ouders van Jaap verbleven, wie de brief daar zou bezorgen en hoe ze aan bonkaarten kwam. Cornelia hield in eerste instantie vol van niets te weten, maar toen Kaptein dreigde haar met de buis van een stofzuiger te slaan, bezweek ze onder de druk. Ze noemde de naam van Adriana van Herwaarden als degene die voor haar de brieven verzorgde en de naam van Hendrik den Engelsen die de bonkaarten voor de onderduikers bij haar bracht. Omdat Cornelia zei dat ze

de adressen van beide personen niet kende, werd ze door Kaptein gedwongen de betreffende woningen aan te wijzen. Onder begeleiding van Kaptein, Biesheuvel en De Groot ging Cornelia mee. Huls bleef bij Jaap Bachrach achter. Cornelia leidde de drie politiemannen eerst naar de woning van Hendrik den Engelsen aan de Toloysenstraat 9. Twee begeleiders, onder wie Kaptein, bleven op dit adres achter. Cornelia moest met de derde politieman mee naar de woning van Adriana van Herwaarden aan het Steegoversloot 33. Daar aangekomen hoorden ze dat Adriana bij kennissen in de Sint Jorishof op bezoek was, waar ze niet veel later kon worden aangehouden. Samen met Cornelia werd ze door de politieman naar de woning aan het Vlak gebracht. Adriana moest direct een verklaring afleggen en onder bedreiging van een revolver heeft ze het onderduikadres van de ouders van Jaap Bachrach in Zuilen genoemd. Dit deed ze om haar voormalige werkgever, de ondergedoken huisarts Emil Cohen, bij wie ze als huishoudster gewerkt had, te sparen. Adriana was al eerder in verband met haar voormalige werkgever met de Dordtse politieke politie in aanraking geweest. Ook toen gaf ze zijn onderduikadres niet prijs. De door Adriana verstrekte informatie over het onderduikadres van Jaaps familie, bestaande uit vader Felix Bachrach, moeder Helena Bachrach-Cohen en dochter Isabella, had fatale gevolgen.

Op 29 oktober 1943 arriveerden ze in Westerbork. Het hele gezin, inclusief Jaap, werd later in Auschwitz vermoord. Adriana kende het gezin Bachrach, omdat moeder Helena de zus van huisarts Emil Cohen was. Kaptein en zijn collega waren na het vertrek van Cornelia en haar begeleider aan de voor- en achterzijde gelijktijdig de woning van Den Engelsen binnengegaan en stelden zich voor als agenten van de SD. Ze troffen Grietje Homan, de echtgenote van Den Engelsen en nog een vrouw aan. Zij bleek de Joodse weduwe Dina Mesritz-van Beugen te zijn, die daar was ondergedoken. Hendrik den Engelsen was op dat moment niet aanwezig. Tijdens de huiszoeking vonden de SD’ers bij Dina een brief die geadresseerd was aan bankbediende Klaas Wegman, wonende aan de Hugo de Grootlaan 7, en vermoedelijk afkomstig van Rozetta Cohen. Terwijl Grietje onder bewaking beneden moest blijven, nam Kaptein Dina mee naar de bovenverdieping voor verhoor. Toen beiden weer beneden kwamen, leek Dina mishandeld te zijn. Grietje zag dat haar gezicht was opgezet en haar mond vol bloed zat. Ondertussen was de vriendin van Grietje, Wilhelmina van Baarle-Jansen, binnengekomen en enige tijd later kwam ook Hendrik den Engelsen thuis. Hij werd direct onder bedreiging van een vuurwapen door Kaptein gearresteerd.

Hierna kreeg Wilhelmina van Kaptein opdracht om in een winkel aan de overzijde van de straat naar het Dordtse politiebureau te bellen met het verzoek twee rechercheurs te sturen voor het overbrengen van de arrestanten. Vink en Wolsink, die op het punt stonden naar huis te gaan omdat hun dienst erop zat, kregen opdracht om de arrestanten op te halen. Later die avond moest ook Den Breejen in dienst komen voor het verlenen van assistentie aan de groep van Kaptein. Evers was wegens verlof afwezig en zat in Brabant. De in de woning van Den Engelsen gevonden brief leidde Kaptein, Wolsink en een van de Leidse politieagenten naar Klaas Wegman. Omstreeks 20.00 uur werd Wegman gearresteerd en moest onder bewaking van een politieagent in zijn woning wachten, terwijl Kaptein en Wolsink naar het volgende adres gingen. Dat werd de Henriette Ronnerstraat 10, waar Christiaan Dijkstra met zijn echtgenote Wilhelmina Both woonde. Wilhelmina was in de tuin bezig met het binnenhalen van wasgoed toen de voor haar bekende Wolsink daar verscheen. Van hem moest ze de voordeur openen om Kaptein binnen te laten. Die liep direct door naar boven, terwijl Wolsink beneden een onderzoek instelde. In de huiskamer trof hij de drie ondergedoken Joden Jacob van Dam, diens huishoudster Lena Velleman-Eijl en haar zoontje Eliazer aan. Kaptein begon direct met een verhoor.

In de tussentijd kwam Christiaan Dijkstra thuis. Hij werd net als de drie onderduikers gearresteerd

en met een touw aan hen vastgebonden. Onder begeleiding van Kaptein en Wolsink werd Wegman opgehaald en met de andere arrestanten bij het Dordtse hoofdbureau afgeleverd. Hiermee was het nog niet gedaan, want de hele avond en nacht raasde de ‘arrestatietrein’ met volle vaart en veel succes door Dordrecht. Ook bij Cees van der Wagt en zijn echtgenote Johanna Schuurman, wonende aan de Voorstraat 400 (nu 454), werd in de nachtelijke uren aangebeld. Toen Johanna de deur opende, drongen twee onbekende personen de woning binnen. Zij gaven aan van de SD te zijn en vroegen waar de Joden verborgen waren. Johanna ontkende Joden in huis te hebben. Deze ontkenning had weinig zin, want tijdens de huiszoeking werd op het balkonnetje achter de keuken al snel de 24-jarige Andries Lezer aangetroffen. Verder was er nog een baby in huis die de indringers ook mee wilden nemen, omdat het volgens hen een uitgesproken Joods type was. Johanna bleef volhouden dat het geen Joods kind was, maar een baby van een vriendin uit Amsterdam. De baby mocht blijven met de opmerking dat die de volgende dag alsnog opgehaald zou worden. Dit gebeurde echter niet. Van der Wagt werd de volgende ochtend vrijgelaten, nadat hij beloofd had zich binnen enkele dagen met de baby te melden bij de Dordtse politieke politie. Deze belofte kwam hij niet na.

Na thuiskomst dook hij met het hele gezin en de baby onder en redde daarmee het leven van het Joodse kindje. De werkgroep Stolpersteine Dordrecht lukte het vele jaren na de bevrijding te achterhalen dat de betreffende baby Ineke Koekoek heette. Tijdens het verhoor van Cees van der Wagt en Andries Lezer in het Dordtse hoofdbureau, waarschijnlijk afgenomen door Kaptein, werd aan Cees gevraagd hoe hij de bonkaarten regelde voor zijn onderduikers. Nadat hij verklaard had daar niets van af te weten, werd Hendrik den Engelsen binnengeroepen. Tegen hem zei Kaptein dat hij maar eens moest vertellen hoeveel kaarten hij bij Van der Wagt had gebracht. Den Engelsen antwoordde hierop: ‘Vier stuks: één voor zijn zoon, één voor een vriend van die zoon, die samen ondergedoken zijn, plus één voor de Jood Lezer en één voor een Jodenkind dat bij hen is ondergebracht.’ Den Engelsen voegde hier fluisterend in de richting van Cees aan toe: ‘Beken maar, want alles is toch verraden.’ Hierna zat er voor Cees niets anders op dan toegeven dat het zo was. Omdat dergelijke verhoren met zware dreigementen aan arrestanten die avond en nacht vaker voorkwamen, is duidelijk geworden hoe Kaptein en zijn handlangers aan hun informatie kwamen om hun zaakjes rond te krijgen. Den Engelsen bleek hierbij een niet onbelangrijke rol te hebben vervuld.

Hij was al vroeg in de bezettingstijd begonnen met het laten onderduiken van studenten en later vooral van Joden. Hij zorgde ook voor (vervalste) persoonsbewijzen en bonkaarten. De bonkaarten kreeg hij tegen betaling van 5 gulden per stuk via een zekere W. Kooiman uit de Voorstraat. Na verloop van tijd steeg de prijs naar 40 gulden per bonkaart. Omdat Den Engelsen dit vreemd vond en het fors hogere bedrag niet kon of wilde betalen, ging hij op onderzoek uit. Hij kwam er spoedig achter dat Kooiman de bonkaarten kreeg van Gijs van Bemmelen, opperwachtmeester van het Dordtse politiekorps. Den Engelsen nam contact met hem op. Van Bemmelen was lid van de verzetsgroep van Roel Beinema en bleek bereid voortaan de benodigde bonkaarten te leveren. Van Bemmelen stond weer in contact met de eveneens bij het verzet aangesloten Gommair van Eijsden. Als chef uitgever van de distributiedienst aan de Wijnstraat kon Van Eijsden eenvoudig aan de voor de onderduikers benodigde papieren komen. De groep van Kaptein bleek goed op de hoogte te zijn van hoe de organisatie rond de verzorging van onderduikers in Dordrecht was geregeld en welke personen hier verantwoordelijk voor waren. Toen Van Bemmelen op de avond van 25 oktober omstreeks 22.00 uur de politiepost aan de Diepenbrockweg binnenkwam om met zijn dienst te beginnen,

werd hij direct gearresteerd door twee collega’s uit Den Haag en Leiden. Zij waren op de hoogte van het dienstrooster. Klaas Wegman wist hoe ze aan bepaalde informatie kwamen. Hij was samen met Christiaan Dijkstra aanwezig bij het verhoor van Den Engelsen en hoorde hem toen duidelijk de naam van Van Bemmelen noemen. De echtgenote van Van Bemmelen, Maria Engelbrecht, had echter een ander verhaal. Zij mocht de ochtend na de aanhouding nog even op het hoofdbureau met haar man spreken. Hij zou toen tegen haar gezegd hebben dat alles verraden was en dat vermoedelijk de eerdergenoemde Kooiman dat had gedaan. Van Eijsden werd in de nacht van 25 op 26 oktober van zijn bed gelicht en eveneens gearresteerd. In een aantal gevallen was er volgens slachtoffers en getuigen sprake van mishandeling of deden zich andere schrijnende situaties voor. Bij tenminste één zo’n geval was Wolsink betrokken. In diezelfde oktobermaand van 1943 arriveerde hij omstreeks 1.30 uur met een collega uit Den Haag of Leiden bij de woning van Jacobus van As en zijn echtgenote Elsje Molendijk, wonende aan de Vlietweg 27 (nu 11). Terwijl de SD’er aanbelde, wachtte Wolsink totdat hij aan de achterzijde van de woning werd binnengelaten. In de woning vroegen de mannen aan Elsje of zij kamers verhuurde, waarop zij bevestigend antwoordde en de naam van de familie Warmenhoven noemde.

Tijdens de huiszoeking werd deze familie op hun slaapkamer aangetroffen. Omdat dit niet de personen waren voor wie Wolsink en zijn kompaan gekomen waren, vervolgden zij hun zoektocht door de woning. Op zolder achter een schot troffen ze Samuel Gobits, zijn echtgenote Rebecca Gobits-Leeuwin en dochter Greta aan, die al ruim veertien maanden bij het echtpaar Van As zaten ondergedoken. Met deze ‘buit’ waren ze nog niet tevreden, want volgens Elsje kreeg Wolsink van zijn collega opdracht om de twee op zolder slapende kinderen te onderzoeken. Kraamverpleegster Cornelia Lozie, die ook in de woning verbleef, was getuige van het vervolg. Wolsink vroeg de kinderen naar hun naam, waarop een jongetje antwoordde Bennie de Koning te zijn. Het noemen van deze naam was regelmatig geoefend, want in werkelijkheid ging het om de vijfjarige Bernard (Bennie) Cohen. Wolsink vroeg toen hoe zijn moeder heette. Omdat het antwoord op deze vraag niet was ingestudeerd, viel Bennie door de mand. Hij antwoorde dat de naam van zijn moeder Saartje was, waarop Wolsink zei: ‘Haha, een Joodje toch.’ Daarop deed Wolsink volgens Cornelia het pyjamabroekje van de jongen naar beneden en zei: ‘Het is een Jood.’ Samen met het gezin Gobits en Elsje werd Bennie overgebracht naar het Dordtse hoofdbureau.

Wolsink ontkende later Bennie gevonden te hebben en schoof de schuld in de richting van zijn collega, die in de woning ook nog een geldtrommel met daarin 20.000 gulden van de familie Gobits had gevonden. Zowel Wolsink als Elsje zag de collega van Wolsink iets uit de trommel halen en in zijn zak stoppen. Om welk bedrag het ging, wist niemand. Na een drukke avond en nacht kon de balans worden opgemaakt. Op een door een rechercheur van de Dordtse Politieke Opsporingsdienst na de bevrijding opgemaakte lijst staan de namen van 30 arrestanten. Bij het doornemen van alle verklaringen blijkt dat er in totaal 35 personen, onder wie 19 Joden, door Kaptein en zijn handlangers gearresteerd zijn. In de ochtend van 26 oktober werden 13 arrestanten, bij wie ondergedoken Joden waren aangetroffen, vrijgelaten. De overige 22 gingen onder begeleiding van politieagenten op transport naar de gevangenis in Scheveningen. Daarvandaan werden 16 Joden overgebracht naar kamp Westerbork en één naar Vught. Op 19 november 1943 waren al 11 van hen in Auschwitz vermoord. De rest trof enige tijd later hetzelfde lot. Van de 17 in Dordrecht opgepakte Joden keerde niemand levend terug. De drie niet-Joodse mannen, Van Bemmelen, Van Eijsden en Den Engelsen, werden niet vrijgelaten.

Zij hadden de Joodse onderduikers ondergebracht en verzorgd, en daardoor een prominentere verzetsrol vervuld dan de onderduikverleners. De op 21 augustus 1898 in Wateringen geboren opperwachtmeester Gijs van Bemmelen kwam op 10 november 1943 vanuit Scheveningen in kamp Vught terecht. Op

24 mei 1944 volgde transport naar Dachau. De echtgenote van Van Bemmelen kreeg op 25 april 1945 bericht van een Duitse instantie dat haar man op 20 juli 1944 in kamp NatzweilerStruthof aan de gevolgen van een schedelverwonding was overleden. Dit was niet geheel juist, want Van Bemmelen overleed in Markirch, een buitenkamp van Natzweiler. Gommair van Eijsden, geboren op 21 september 1890 in Dordrecht, volgde dezelfde route als Van Bemmelen. Ook hij kwam via Vught en Dachau in Natzweiler-Struthof terecht. Bij het naderen van de geallieerde troepen moesten de nog aanwezige gevangenen terug naar Dachau. Daar overleed Gommair op 6 februari 1945 aan een hersenvliesontsteking. Hendrik den Engelsen was op dezelfde datum als Van Bemmelen en Van Eijsden naar Vught gebracht. Daar werd hij op 16 augustus 1944 vrijgelaten. Waarom hij wel vrijkwam en zijn twee lotgenoten niet, is onduidelijk. Zijn aandeel in het helpen van Joden leek eerder groter dan kleiner. Op 5 november 1996 werd aan Van Bemmelen postuum de Yad Vashem onderscheiding uitgereikt, waardoor hij erkend werd als helper van joodse onderduikers. Postuum werd hem ook het verzetsherdenkingskruis toegekend.

De stenen muur in Jeruzalem met daarop de naam van Van Bemmelen © Copyright Frank van Riet, 2023 Bronnen: https://stolpersteinedordrecht.nl/het_voorbije_joodse_dordrecht_dordtse_verzetsstrijdster.html https://www.stolpersteinedordrecht.nl/het_voorbije_joodse_dordrecht_emanuel_hamburger.html http://nos.nl/video/237987-diet-en-jan-maakten-de-bevrijding-niet-samen-mee.html http://nos.nl/artikel/237766-nooit-meer-dromen-na-de-oorlog.html https://celan.nl/diet-kloos/ http://www.eerebegraafplaatsbloemendaal.eu/Dbase/Biografie_K/Jan_KLOOS.html https://www.oorlogsmusea.nl/artikel/14406/Monument-Politie-Gevallen-in-het-Verzet.htm https://vrienden.museum19401945.nl/m/verhalen_portretten_bemmelen.php - Verzet in en om Dordt / K. van Loon, 1947 - De balans van ‘Verzet in en om Dordt’ / G.J., de Vries, 1982 - Vogelvrij, de jacht op de joodse onderduiker / Sytze van der Zee, 2010 - Centraal archief bijzondere rechtspleging, Nationaal Archief Den Haag

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/581/documents/25707