Bijlage 3. 2025-16-Terugverdientijd-in-de-ambulante-handel.pdf
Tekst van het document
TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL EEN UPDATE VAN HET SEO-RAPPORT UIT 2021 EINDRAPPORT
AUTEURS CHRISTIAAN BEHRENS, NARD KOEMAN EN ASTRID LENSINK IN OPDRACHT VAN MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN AMSTERDAM, FEBRUARI 2025
TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL
2
Samenvatting De terugverdientijd van investeringen in de ambulante handel is sinds 2021 niet statistisch significant veranderd. De invoering van zero-emissiezones zal naar verwachting van invloed zijn op de terugverdientijd van de investeringen. Een simulatie laat zien dat de aanschaf van emissieloze voertuigen de terugverdientijd met een tot twee jaar kan verlengen. Achtergrond SEO Economisch Onderzoek heeft in 2021 vastgesteld dat schaarse vergunningen voor ambulante handel volgens de Europese Dienstenrichtlijn (2006/123/EG) niet voor onbepaalde termijn mogen worden verleend. Bij vaststelling van de looptijd dient rekening te worden gehouden met de terugverdientijd. Deze terugverdientijd, afhankelijk van investeringen, exploitatiekosten en opbrengsten, werd destijds geschat op minimaal negen en maximaal twaalf jaar.
Vraagstelling In 2024 heeft het ministerie van Economische Zaken aan SEO Economisch Onderzoek gevraagd om te onderzoeken of een bijstelling van de terugverdientijd nodig is. Aanleiding voor deze vraag waren signalen vanuit de sector dat ontwikkelingen zoals COVID-19, inflatie en de invoering van zero-emissiezones mogelijk van invloed waren op de eerder vastgestelde terugverdientijd. Hierdoor ontstond het beeld dat een langere terugverdientijd nodig was.
Onderzoeksmethode De kern van dit onderzoek is het vaststellen van de terugverdientijd in de ambulante handel. De terugverdientijd geeft aan hoeveel maanden of jaren een gemiddeld efficiënte toetreder in de ambulante handel nodig heeft om de investeringen terug te verdienen. Om deze terugverdientijd vast te stellen is een vrije kasstroomanalyse uitgevoerd. De data zijn verzameld in een enquête uitgezet onder 6.000 ondernemers. Deze data zijn verrijkt met CBS Microdata over de bedrijfsvoering van de ambulante handelaren. Ten slotte is een simulatie uitgevoerd. Hiervoor is gekozen omdat er onzekerheid bestaat over de toekomstige aanschafprijzen van emissieloze bedrijfsvoertuigen.
De terugverdientijd In 2024 ligt de gemiddelde terugverdientijd voor gedane investeringen door ambulante handelaren op tussen de acht en elf jaar (zie de gele cellen in Tabel S.1). De bovengrens houdt rekening met een redelijke vergoeding op geïnvesteerd vermogen en een minimuminkomen voor ondernemers. De ondergrens houdt enkel rekening met een redelijke vergoeding op geïnvesteerd vermogen. In vergelijking met de vorige meting – minimaal negen en maximaal twaalf jaar – vertonen deze resultaten geen statistisch significante veranderingen. Hieruit concluderen we dat de update van de analyse geen aanleiding geeft om de eerder vastgestelde terugverdientijd aan te passen. Tabel S.1
De gemiddelde terugverdientijd in de huidige analyse is 8 (ondergrens) of 11 (bovengrens) jaar
Uitkomstmaat
Ondergrens / bovengrens
Terugverdientijd (data uit 2024)
Terugverdientijd (data uit 2019)
Gemiddelde
Ondergrens
8
9
Bovengrens
11
12
Bron:
SEO Economisch Onderzoek (2024)
TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL
3
Verwachte impact invoering zero-emissiezones op de terugverdientijd De invoering van zero-emissiezones zal naar verwachting van invloed zijn op de terugverdientijd. De simulaties in deze studie tonen aan dat hiervoor een bijstelling van tussen de 0,6 tot 2,3 jaar nodig is. Deze bijstelling is het gevolg van de verwachte hogere investeringskosten voor emissieloze voertuigen in vergelijking met conventionele voertuigen. Dit impliceert dat ambulante handelaren extra zullen moeten investeren. Niet alle kosten hoeven echter door de ondernemers gedragen te worden. Uit zowel de deskresearch als uit de enquêteresultaten blijkt de verwachting dat circa de helft van deze extra investeringskosten kan worden doorberekend aan de klanten.
De relatie tussen de terugverdientijd en transitieproblemen Om de terugverdientijd vast te stellen is een vrije kasstroomanalyse uitgevoerd. Het uitgangspunt in deze analyse is de gemiddelde efficiënte toetreder in de ambulante handel. Het is aannemelijk dat deze toetreder bij toetreding van de markt direct een zero-emissievoertuig zal aanschaffen. Deze toetreder zal dan gemiddeld genomen 0,6 tot 2,3 jaar extra nodig hebben om zijn of haar investeringen terug te verdienen. Voor partijen die al actief zijn in en op de markt kan hier een probleem ontstaan. Zo kan in individuele gevallen de resterende looptijd op de huidige vergunning te kort zijn om eventueel verplichte investeringen in een zero-emissievoertuig terug te verdienen. Dit betreft een transitieprobleem. Het herijken van de terugverdientijd, zoals in deze studie, biedt hier geen oplossing voor.
Overige bevindingen ● ● ● ● ●
Uit cijfers van het CBS blijkt dat het aantal ambulante handelaren daalde van 11.500 ondernemingen in 2016 naar 9.500 ondernemingen in 2024. Ook de Kamer van Koophandel rapporteert een daling. Ongeveer 40 procent van de huidige vergunningen heeft een looptijd van meer dan twaalf jaar. Ambulante handelaren hadden in 2023 een vergelijkbare financieringsbehoefte als het doorsnee mkb-bedrijf. Er zijn geen significante verschillen gevonden in de mate waarin zij deze financiering wisten te verkrijgen. Driekwart van de ondernemers in gemeenten met (aankomend) emissiebeleid bezit geen zero-emissievoertuig. Eén op de vijf ondernemers heeft er wel één, het restant (4 procent) weet het niet. Begin 2020 daalde de omzet van ambulante handelaren door coronamaatregelen. Ruim de helft bleef (deels) open, een kwart was volledig gesloten en een kwart wisselend.
Stappenplan beoordeling looptijd vergunningen ambulante handel In 2021 is een stappenplan opgesteld dat gemeenten kan helpen bij het bepalen van de looptijd van vergunningen in de ambulante handel. We verwijzen de lezer naar dit stappenplan. Het stappenplan is online beschikbaar via de website van SEO Economisch Onderzoek. 1
Aanbeveling Momenteel bestaat er onzekerheid over de toekomstige prijzen van emissieloze voertuigen. Daarom is ervoor gekozen om in deze rapportage via een simulatie te rekenen met een bandbreedte. Als aanbeveling geven we mee om als na verloop van tijd de onzekerheid over de prijzen van emissieloze voertuigen kleiner is, de terugverdientijd nogmaals vast te stellen. Een termijn van vijf jaar lijkt hierbij gelet op de verwachte ontwikkeling van de markt voor emissieloze voertuigen redelijk.
1
Zie https://www.seo.nl/wp-content/uploads/2021/06/Stappenplan-ambulante-handel.pdf
Inhoudsopgave Samenvatting
2
1
5
2
3
4
Inleiding 1.2
Aanleiding en onderzoeksvraag
5
1.3
Aanpak onderzoek en leeswijzer
5
Economische context en terugverdientijd
7
2.1
Investeringsanalyse
7
2.2
Ontwikkelingen vraag en aanbod van ambulante handel
8
2.3
Ontwikkelingen in de kosten van ambulante handel
12
Vaststelling van de terugverdientijd
17
3.1
Beschikbare en verzamelde data
17
3.2
Indeling, vaste activa, afschrijvingen en nettowinst
18
3.3
Berekening terugverdientijd
25
3.4
Doorrekening emissieloos transport en terugverdientijd
26
Conclusie
28
4.1
Conclusies economische context en terugverdientijd
28
4.2
Conclusies vaststelling van de terugverdientijd
28
Referenties
29
Bijlage A Dataverzameling vragenlijst
30
Bijlage A.1
Veldwerk
30
Bijlage A.2
Analyse bestand
31
Bijlage B Vragenlijst
32
Bijlage C Koppeling CBS Microdata
40
Bijlage D Gesprekspartners
41
TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL
1
5
Inleiding
Economische ontwikkelingen kunnen een impact hebben op de terugverdientijd. In eerder onderzoek is de terugverdientijd van investeringen in de ambulante handel vastgesteld op negen tot twaalf jaar op basis van data uit 2019. Dit rapport analyseert of de terugverdientijd sindsdien is veranderd.
1.2 Aanleiding en onderzoeksvraag Aanleiding De ambulante handel in Nederland, met name op warenmarkten, wordt gereguleerd via een systeem van schaarse vergunningen met een vergunningenplafond, dat het maximale aantal vergunningen per gemeente bepaalt. In het SEO-onderzoek uit 2021 werd door middel van een juridische analyse vastgesteld dat schaarse vergunningen niet voor onbepaalde tijd mogen worden verleend. Bij het bepalen van de looptijd moet rekening worden gehouden met de terugverdientijd en een redelijke vergoeding voor geïnvesteerd kapitaal. Deze terugverdientijd, afhankelijk van investeringen, exploitatiekosten en opbrengsten, werd destijds geschat op negen tot twaalf jaar.
Onderzoeksvraag Het ministerie van Economische Zaken heeft SEO gevraagd het eerdere onderzoek naar de terugverdientijd van ambulante handelaren te actualiseren. Aanleiding hiervoor zijn zorgen over de impact van maatschappelijke ontwikkelingen, zoals COVID-19 en het invoeren van zero-emissiezones, waardoor de vastgestelde terugverdientijd van negen tot twaalf jaar mogelijk niet meer toereikend is. Het doel van dit onderzoek is een geactualiseerde, empirisch onderbouwde terugverdientijd te bepalen, rekening houdend met recente ontwikkelingen. Daarnaast is dit onderzoek een handreiking voor gemeenten bij het bepalen van de vergunningsduur.
1.3 Aanpak onderzoek en leeswijzer Onderzoeksmethode Dit onderzoek richt zich op het empirisch vaststellen van de terugverdientijd van investeringen binnen de ambulante handel. Hiervoor is een enquête uitgezet onder 6.000 ondernemers in de ambulante handel. In totaal zijn er op deze wijze 265 (4,4 procent) complete vragenlijsten verzameld. De achtergrondgegevens van de respondenten laten zien dat het met name grotere ondernemingen die voedingsmiddelen verkopen zijn die de enquête hebben ingevuld. De consequenties hiervan zijn beperkt omdat de terugverdientijd op ondernemingsniveau is vastgesteld. De vragenlijst is gebaseerd op die van 2019, maar op basis van interviews met ondernemers uitgebreid met onderwerpen die nu relevant zijn. Deze gesprekken met ondernemers hebben waardevolle inzichten opgeleverd die een toelichting bieden op de uitkomsten van de enquête. Naast de gesprekken met de ondernemers zijn er ook gesprekken geweest met de Centrale Vereniging Ambulante Handel (CVAH) en het ministerie van Economische Zaken. Tot slot gebruiken we de Microdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) om aanvullende gegevens over de bedrijfsvoering van ondernemingen in de ambulante handel te kunnen analyseren.
TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL
6
De drie methoden om data te verzamelen zijn complementair. De gesprekken met ondernemers bieden diepgang, maar zijn niet representatief. De CBS Microdata kunnen over meerdere jaren worden gebruikt, maar bieden minder ruimte voor detail. De enquête slaat een brug tussen beide: hiermee kunnen we de terugverdientijd differentiëren over verschillende dimensies en investeringscategorieën onderscheiden. Deze aanpak maakt het mogelijk om met behulp van drie methoden een coherent en zo representatief mogelijk beeld te schetsen van de terugverdientijd van investeringen binnen de ambulante handel.
Leeswijzer Het rapport is als volgt ingedeeld. Hoofdstuk 2 bespreekt de economische context en relateert dit aan de antwoorden van de ambulante handelaren in de enquête. We kijken hierbij vooral naar veranderingen ten opzichte van de vorige meting in 2021 en naar relevante ontwikkelingen in de ambulante handel. Hoofdstuk 3 gaat in op de gebruikte databronnen, de enquête en presenteert beschrijvende statistieken waarmee de belangrijkste verschillen tussen de resultaten van dit onderzoek en die van het onderzoek uit 2021 worden weergegeven. Ook wordt in dit hoofdstuk, door de inzichten te combineren, de bandbreedte van de terugverdientijd vastgesteld. Hierbij kijken we ook naar in hoeverre de terugverdientijd anders zou zijn als de gemiddelde efficiënte toetredende ambulante handelaar enkel gebruikmaakt van zero-emissievoertuigen. Hoofdstuk 4 concludeert.
TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL
2
7
Economische context en terugverdientijd
Ontwikkelingen in de ambulante handel kunnen via een verandering in kosten en baten leiden tot een andere terugverdientijd. De invoering van zero-emissiezones zal naar verwachting van invloed zijn op de terugverdientijd van de investeringen. Bij het bepalen van de impact op de terugverdientijd is het belangrijk om rekening te houden met de mate waarin kosten kunnen worden doorberekend aan de klant.
2.1 Investeringsanalyse Investeringsanalyse en terugverdientijd Om tot een handreiking te komen voor de looptijd van een schaarse vergunning, bepalen we net als in SEO (2021) de terugverdientijd van de investeringen met inbegrip van een redelijk rendement op het geïnvesteerde vermogen. De investeringsanalyse hanteert een businesscase voor een gemiddelde efficiënte toetreder als vertrekpunt. Deze toetreder is een hypothetische partij en kan zowel een nieuwkomer als een gevestigde ondernemer zijn. Dit uitgangspunt sluit aan bij de marktgerichte waarderingsmethoden van schaarse vergunningen uit de literatuur. De terugverdientijd geeft aan hoeveel maanden of jaren een onderneming nodig heeft om de investeringen terug te verdienen, met inbegrip van het eerdergenoemde redelijke rendement. De terugverdientijd en de looptijd van de schaarse vergunning dienen in balans te zijn. Is de looptijd veel langer dan de terugverdientijd dan wordt de toegang tot de markt onnodig beperkt, is de looptijd veel korter dan is een continue (duurzame) bedrijfsvoering niet mogelijk en zal dit leiden tot verliezen of lagere investeringen. De terugverdientijd wordt vastgesteld door de vaste activa en de vrije kasstroom (per jaar) door elkaar te delen. 2 Dit levert de volgende gangbare formule op:
𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇𝑇 (𝑖𝑖𝑖𝑖 𝑗𝑗𝑗𝑗𝑗𝑗𝑗𝑗𝑗𝑗) =
𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉 𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎𝑎 . 𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉𝑉 𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘𝑘 (𝑝𝑝𝑝𝑝𝑝𝑝 𝑗𝑗𝑗𝑗𝑗𝑗𝑗𝑗)
(1)
De vrije kasstroom is het bedrag wat beschikbaar is om de vaste activa te dekken. In de standaardanalyse is deze vrije kasstroom te benaderen als de som van de nettowinst plus de afschrijvingen. 3
2
3
De vaste activa zijn de waarde van alle bezittingen van een onderneming waarvan het benodigde kapitaal voor langer dan een jaar is vastgelegd. De vrije kasstroom bestaat uit de opbrengsten uit de exploitatie van de ondernemingen. De nettowinst is gelijk aan het verschil tussen de inkomsten en de kosten uit de exploitatie. Bij de kosten wordt rekening gehouden met belastingen en de kosten van vreemd vermogen (rente). Afschrijven is het boekhoudkundig verdelen van de kosten van bedrijfsmiddelen (vaste activa) over de jaren waarin de bedrijfsmiddelen worden gebruikt. Afschrijvingen verlagen de bruto- en nettowinst maar vormen geen uitgaven voor de onderneming. Bij het bepalen van de vrije kasstroom moeten de afschrijvingen dus weer bij de nettowinst worden opgeteld.
TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL
8
In lijn met de analyse in SEO (2021) maken we hierop twee correcties: ● Het verminderen van de vrije kasstroom (dan wel de nettowinst) met een minimale vergoeding van arbeid verricht door de ondernemer zelf. Dit doen we voor ondernemers met een eenmanszaak, vennootschap onder firma (vof), commanditaire vennootschap (cv) of een maatschap. Deze vergoeding is gebaseerd op het wettelijk minimuminkomen en houdt rekening met het aantal dagen dat de ondernemer actief is op de markt; ● Het verminderen van de vrije kasstroom met een redelijk rendement op het geïnvesteerde eigen vermogen. We benaderen deze redelijke vergoeding via de gemiddelde kapitaalkosten voor de retailsector in Nederland. Dit rendement ligt gemiddeld op 7,5 procent, net als in SEO (2021).
Investeringsanalyse en economische context De terugverdientijd van de gemiddelde efficiënte toetreder in de ambulante handel is zowel via de omvang (en marktprijs) van de noodzakelijke vaste activa als via de hoogte van de te behalen nettowinst en de minimale vergoeding voor eigen arbeid en eigen vermogen afhankelijk van de stand van de economie. Bij gelijkblijvende vaste activa, maar aantrekkende vraag (klandizie) zal de terugverdientijd korter zijn dan bij een over de tijd afnemende vraag. In dit geval geldt ook dat als opportuniteitskosten van arbeid en/of kapitaal veranderen dit direct invloed heeft op de terugverdientijd. Bij bijvoorbeeld hogere opportuniteitskosten als gevolg van een sterk groeiende economie zal de vrije kasstroom ceteris paribus lager uitvallen en daarmee resulteren in een langere terugverdientijd. Een grotere omvang (of hogere prijzen) van vaste activa zullen ceteris paribus ook resulteren in een langere terugverdientijd. Hierbij is het wel van belang om rekening te houden met de mate waarin bedrijven kostenstijgingen kunnen doorberekenen. Het doorberekende deel komt immers in de investeringsanalyse weer terug in de vrije kasstroom. In sectie 2.2 hieronder bespreken we kort dit soort verschillende ontwikkelingen die potentieel relevant zijn voor de investeringsanalyse in de ambulante handel.
2.2 Ontwikkelingen vraag en aanbod van ambulante handel Ontwikkeling van aantal aanbieders Figuur 2.1 laat de ontwikkeling in het aantal ondernemingen in de ambulante handel zien op basis van de bedrijvendemografie zoals gerapporteerd door het CBS over de periode van 2007 tot nu. Vanaf 2016 is er een duidelijke afname te zien in het aantal aanbieders van circa 11.500 in 2016 tot circa 9.500 in 2024. Het gaat hierbij om ondernemingen in de volgende SBI-categorieën: Markthandel in voedingsmiddelen (4781), Markthandel in textiel en kleding (4782) en Markthandel in overige non-food (4789). In SEO (2021) rapporteerden we dat volgens de Kamer van Koophandel afgerond 11.000 ondernemingen in de ambulante handel (SBI-categorie 478) actief waren in het jaar 2019. In 2024 zijn dat er nog 9.900. Dit is consistent met de getoonde gegevens van het CBS in Figuur 2.1. De daling in het aantal aanbieders op de markt komt regelmatig terug in verschillende onderzoeken. Zo rapporteerde de Kamer van Koophandel begin 2022 een geleidelijke afname van het aantal ondernemingen in de periode 2017-2022. 4
4
Zie https://regiodata.kvk.nl/news/De-markt-nog-steeds-van-alle-markten-thuis---/78. Het verschil in de gerapporteerde absolute aantallen bedrijven in deze studie en zoals getoond in Figuur 2.1 is te verklaren door een andere selectie van SBI-deelcodes. In onze analyse beperken we ons vanwege de focus op markthandel tot SBI-code 478. Dit terwijl, onder andere, straathandel en colportage ook tot ambulante handel behoren (SBI-code 479) en daarom worden meegenomen in de genoemde KvK-rapportages.
TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL
Figuur 2.1
9
Het aantal ondernemingen in de markthandel daalt sinds 2016
Aantal bedrijven (in 1.000)
Aantal ondernemingen in de ambulante handel 14 12 10 8 6 4 2
Bron:
2024
2023
2022
2021
2020
2019
2018
2017
2016
2015
2014
2013
2012
2011
2010
2009
2008
2007
0
Centraal Bureau voor de Statistiek (2024); Ambulante handel betreft SBI-codes 4781, 4782 en 4789
Veranderingen door COVID-19 Begin 2020 werd de wereld geconfronteerd met de effecten van COVID-19. Veel ondernemingen moesten hierdoor (gedeeltelijk) tijdelijk sluiten. Ook sommige ondernemers in de ambulante handel werden getroffen en zagen hun omzet teruglopen. Uit de resultaten van de enquête blijkt dat ruim de helft van de handelaren aangeeft dat hun onderneming tijdens de coronamaatregelen (onder voorwaarden) open was (zie Figuur 2.2). Daarnaast geeft 27 procent aan dat de onderneming volledig gesloten was, terwijl voor 24 procent geldt dat de onderneming soms gesloten en soms open was. Figuur 2.2 laat zien dat ondernemingen die tijdens de lockdown (onder voorwaarden) open waren, gemiddeld genomen het snelst herstelden. Voor deze groep duurde het herstel gemiddeld 16 maanden, met een mediaan van 2 maanden. Ondernemingen die soms gesloten en soms open waren, hadden een gemiddelde herstelperiode van 23 maanden en een mediaan van 12 maanden. Ondernemingen die gedurende de lockdown volledig gesloten bleven, kenden de langste herstelperiode: gemiddeld 27 maanden, met een mediaan van 12 maanden. Deze cijfers tonen aan dat de mate van openstelling tijdens de lockdown een belangrijke rol speelde in de snelheid van het herstel na de crisis. Hierbij merken we op dat enkele ondernemers aangeven op dit moment nog niet hersteld te zijn.
Er is dus sprake van een sterke spreiding en een rechtsscheve verdeling. De mediaan is daarom een meer robuuste maatstaf dan het gemiddelde. Een deel van het nog niet volledig hersteld zijn kan een aanwijzing zijn van structurele veranderingen in de markthandel als gevolg van COVID-19. Een analyse van de structurele verandering in de vraag naar en klandizie op de markt valt buiten de reikwijdte van dit onderzoek. Zonder het expliciet te identificeren, neemt de berekening van de terugverdientijd (de investeringsanalyse) zo’n eventuele verandering wel mee via een verandering in de omzet.
TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL
Figuur 2.2
Bron:
10
Ondernemingen die gesloten waren tijdens COVID-19 hebben de meeste maanden herstelperiode
SEO Economisch Onderzoek (2024) o.b.v. de enquêtedata (n = 180). Het aantal observaties is lager omdat niet alle ondernemers deze vraag hebben ingevuld
Inzichten looptijd schaarse vergunningen ambulante handel Om te toetsen of er verschillen bestaan wat betreft de looptijd van huidige vergunningen is deze vraag opgenomen in de enquête. Via deze vraag brengen we in beeld op welke locaties (gemeenten) de ambulante handelaren actief zijn en wat de nog resterende looptijd is voor elke locatie. Tabel 2.1 laat op het niveau van vergunningen zien dat bij circa veertig procent van de vergunningen de looptijd nog 12 jaar of langer (inclusief onbeperkt) is. 37 procent van de respondenten geeft aan niet te weten hoe lang de looptijd van de vergunning nog is. Slechts bij 22 procent is de huidige looptijd korter dan 12 jaar. Tabel 2.1
Ruim 40 procent heeft een vergunning met een duur meer dan 12 jaar
Looptijd
Aantal vergunningen
Aandeel
Tot 3 jaar
76
8,2%
3 tot 6 jaar
19
2,0%
6 tot 9 jaar
27
2,9%
9 tot 12 jaar
87
9,3%
Meer dan 12 jaar
378
40,6%
Weet ik niet
345
37,0%
932
100%
Bron:
SEO Economisch Onderzoek (2024) o.b.v. de verzamelde enquêtedata. Het aantal vergunningen is hoger dan het aantal respondenten (n = 262) omdat respondenten meerdere vergunningen kunnen hebben
TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL
11
Financieringsmogelijkheden In de interviews geven de ondernemers aan zich zorgen te maken over de mogelijkheden om externe financiering aan te trekken. We hebben naar aanleiding van deze interviews enkele vragen hierover opgenomen in de enquête. Deze vragen zijn gebaseerd op de vragen uit de Financieringsmonitor van het CBS. 5 Dit heeft als voordeel dat de ervaringen van de ondernemers in de bredere context van financiering binnen het mkb te plaatsen zijn. Figuur 2.3 geeft inzicht in de reacties van ondernemers op twee stellingen over hun ervaring met financiering. Ruim de helft van de ondernemers is het eens met de stelling dat de looptijd van hun vergunning(en) een impact heeft op de toegang tot externe financiering. Zij geven aan dat er een positieve samenhang is tussen de looptijd van de vergunning en de toegang tot nieuwe externe financiële middelen. Daarnaast geeft één derde van de respondenten aan dat externe financiers specifiek naar (de looptijd van) de vergunning(en) vragen. Figuur 2.3
Bron:
Volgens ondernemers beperkt de looptijd van vergunningen de toegang tot externe financiering
SEO Economisch Onderzoek (2024) o.b.v. de verzamelde enquêtedata (n = 262)
Figuur 2.4 presenteert een stroomdiagram dat het traject weergeeft van ondernemers die externe financiering nodig hebben tot diegenen die uiteindelijk externe financiering ontvangen. Hierbij vergelijken we de antwoorden van de ambulante handelaren met die van de eerdergenoemde Financieringsmonitor van het CBS. Het linkerpaneel toont de resultaten van ambulante handelaren op basis van onze enquête, terwijl het rechterpaneel de uitkomsten weergeeft van mkb-bedrijven op basis van de Financieringsmonitor.
5
De Financieringsmonitor is een periodieke enquête onder duizenden ondernemingen in opdracht van het ministerie van Economische Zaken met als doel inzicht te geven in de mate waarin het mkb behoefte heeft aan financiering en hoe succesvol die zoektocht naar externe financiering is, zie https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/aanvullende-statistischediensten/2024/financieringsmonitor-2023.
TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL
Figuur 2.4
Bron:
12
Financieringen bij ambulante handelaren komen overeen met Nederlands mkb
SEO Economisch Onderzoek (2024) o.b.v. de enquêtedata (n = 262) en data van de Financieringsmonitor (2023)
Uit Figuur 2.4 blijkt dat de behoefte aan externe financiering voor ambulante handelaren nagenoeg gelijk is aan de behoefte van alle mkb-bedrijven. Van de ambulante handelaren geeft 18 procent aan behoefte te hebben aan financiering, voor de mkb-bedrijven ligt dit op 15 procent. Van de ambulante handelaren heeft een iets groter aandeel zich georiënteerd op financiering (82 procent) dan bij mkb-bedrijven (74 procent). Ook heeft een iets groter aandeel van de ambulante handelaren na oriëntatie een financieringsaanvraag ingediend: 70 procent versus 60 procent bij mkb-bedrijven. Uiteindelijk heeft ongeveer 68 procent van de ambulante handelaren die een aanvraag indienden externe financiering ontvangen. Dit oogt lager dan het succespercentage bij mkb-bedrijven, waar 86 procent van de aanvragen succesvol was. Het is echter belangrijk op te merken dat deze laatste stappen betrekking hebben op een beperkt aantal ambulante handelaren en dat het verschil in succes niet statistisch significant is (p = 0,06). Ook het iets lagere aanvraagpercentage kan hierin een rol spelen als dit lagere percentage al een selectie is op minder kansrijke aanvragen.
2.3 Ontwikkelingen in de kosten van ambulante handel Zero-emissiezones Tussen 2025 en 2030 voeren 30 gemeenten zero-emissiezones in (Rijksoverheid, 2025). In de enquête is onderzocht of ondernemers actief zijn in een gemeente waar dergelijke zones al van kracht zijn of binnen enkele jaren worden ingevoerd, en of zij (al dan niet) beschikken over een zero-emissievoertuig. Van de 256 ondervraagde ondernemers geeft iets meer dan de helft (54 procent) aan actief te zijn in een gemeente waar zero-emissiezones al van kracht zijn of binnenkort zullen worden ingevoerd. Voor ongeveer één derde (29 procent) van de ondernemers is dit niet het geval, terwijl 16 procent aangeeft niet te weten of ze in een dergelijke gemeente actief zijn.
TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL
13
Figuur 2.5 toont dat driekwart (76 procent) van de ambulante handelaren die actief zijn in een gemeente met een (aankomend) emissiebeleid nog geen zero-emissievoertuig heeft. Slechts 21 procent geeft aan wel over een zeroemissievoertuig te beschikken. Het restant weet het niet. Opvallend is dat deze verhoudingen vrijwel identiek zijn onder handelaren die niet actief zijn in een gemeente met een (aankomend) emissiebeleid. In deze groep geeft 73 procent aan geen zero-emissievoertuig te hebben, tegenover 21 procent die dit wel heeft. Deze vergelijkbare percentages suggereren dat het (aankomende) emissiebeleid tot nu toe beperkt invloed heeft op het aanschaffen van zero-emissievoertuigen door ondernemers. Figuur 2.5
Bron:
Driekwart van de ondernemers is niet klaar voor zero-emissiezones
SEO Economisch Onderzoek (2024) o.b.v. de verzamelde enquêtedata (n = 262)
Het beleid tot invoering van de zero-emissiezones is een belangrijk onderwerp voor ambulante handelaren met mogelijk rechtstreekse gevolgen voor de bedrijfsvoering. Onder andere de Centrale Vereniging Ambulante Handel (CVAH) stelt zich op het standpunt dat een harde invoering per 2025 niet passend is binnen de bedrijfsvoering voor de branche en dat dit zou kunnen leiden tot een halvering van het aantal bedrijven (ambulante handelaren) in deze branche richting 2030. 6 De belangrijkste genoemde barrières zijn het beperkt beschikbaar zijn van een geschikt aanbod van zero-emissievoertuigen en de beperkte mogelijkheden om de externe financiering voor de hogere aanschafkosten aan te trekken in relatie tot de gegeven (beperkte) looptijd van de vergunning. In opdracht van het Samenwerkingsproject Expertpool Stadslogistiek (SPES) heeft Buck Consultants International in 2023 een onderzoek naar het wagenpark in de ambulante handel uitgevoerd. Uit hun eindrapport volgt dat het wagenpark in de ambulante handel relatief oud is en er wordt een onderscheid gemaakt tussen transportwagens
6
Zie CVAH Position paper – rondetafelgesprek inzake invoering Zero emissiezones, geraadpleegd via: https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/kamervragen/detail?id=2024D18182&did=2024D18182.
TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL
14
en verkoopwagens. 7 Op basis van inschattingen van de Rabobank en de ANWB stelt Buck Consultants International dat de aanschafprijzen voor elektrische bestelvoertuigen circa 1,5 tot 2 keer hoger liggen dan een dieselalternatief, voor elektrische vrachtwagens liggen deze meerkosten hoger, namelijk een factor 1,5 tot 4. 8 Voor verkoopwagens in de foodsector verwacht Buck Consultants International een stijging van de kosten met een factor van circa 2,5. 9 In totaal verwachten de onderzoekers dat het vervangen van transportvoertuigen door een elektrisch model voor ondernemers in de non-food leidt tot een daling van de jaarlijkse winst met ongeveer 16 procent, voor de ondernemers in de foodsector gaat het om een daling met ongeveer 11 procent. Het rapport van Buck Consultants International benoemt ook handelingsperspectieven, waaronder het aanvragen en gebruikmaken van vrijstellingen en ontheffingen. Het beleid van zero-emissiezones heeft naar verwachting een impact op de ambulante handel en leidt afgaande op de beschikbare bronnen tot kostenstijgingen. Voor de terugverdientijd is het echter belangrijk om te analyseren in hoeverre deze kostenstijgingen kunnen worden doorberekend aan de klanten. De genoemde percentages in Buck Consultants International gaan impliciet uit van het volledig niet doorberekenen van kostenstijgingen.
Daarnaast geldt dat de investeringsanalyse om de terugverdientijd te bepalen, en aan de hand daarvan de looptijd van de vergunningen, uit gaat van de gemiddelde efficiënte nieuwe toetreder. Het is een reële aanname om in deze analyse voor een nieuwe toetreder uit te gaan van zero-emissievoertuigen en de bijhorende kostenstructuur. De berekening van de terugverdientijd en het vaststellen van de looptijd zelf zijn als instrument minder geschikt om de verandering in de kostenstructuur van ambulante handelaren en de impact op bestaande vergunningen te toetsen. Met andere woorden, het herijken van de terugverdientijd is geen direct middel om vast te stellen hoe om te gaan met, bijvoorbeeld, een vergunninghouder met een looptijd van twaalf jaar waarvan al tien jaar verlopen is en die nu wordt geconfronteerd met hogere investeringskosten voor relatief nog een korte bestaande looptijd.
Doorberekenen van kostenstijgingen “Cost pass-through” Naarmate de coronacrisis zijn einde naderde, begon de inflatie sterk toe te nemen (CBS StatLine, 2025). In 2022 steeg de consumentenprijsindex met maar liefst 10 procent in één jaar. Ondernemers uitten hun zorgen over deze inflatie, vooral omdat de (loon)kosten van hun onderneming toenamen terwijl zij deze kosten slechts gedeeltelijk konden doorberekenen aan hun klanten. Voor de investeringsanalyse en daarmee de terugverdientijd is het een relevante vraag in hoeverre ondernemers in staat zijn om kostenstijgingen door te berekenen aan de klant. Doorberekenen van de kosten dempt de stijging van de terugverdientijd als gevolg van hogere kosten, er staat dan namelijk ook een hogere omzet tegenover. De economische theorie besteedt veel aandacht aan de mate waarin bedrijven in staat zijn om kostenstijgingen door te berekenen aan de klant, zie bijvoorbeeld RBB (2014), Hinloopen (2022), Canoy (2022) en Gödl-Hanisch & Menkhoff (2024). De mate van het doorbelasten van kostenstijgingen speelt bijvoorbeeld bij het vaststellen van de economische schade als gevolg van het overtreden van de Mededingingswet. 10 7
8
9
10
Voor trucks is verder de verwachting dat tot 2030 het prijsniveau met circa 30 procent zal dalen (Panteia, 2021). Bij de inschatting van deze mogelijke verandering in prijsniveau gaat Panteia (2021) uit van een verwachte daling in de batterijprijs, het handhaven van bestaande subsidies en een daling van de kosten van reserveonderdelen. Zie: https://www.rabobank.nl/bedrijven/groei/duurzaamheid/elektrische-bedrijfsmiddelen/overstappen-elektrischebestelbus-financieel-dit-zijn-kosten en https://www.rabobank.nl/bedrijven/groei/duurzaamheid/elektrischebedrijfsmiddelen/elektrische-vrachtwagen-financieel-informatie. Buck Consultants International (2023) kijkt hiervoor naar de afschrijvingskosten en geeft aan dat deze gemiddeld zullen stijgen van circa euro 13,5 duizend per jaar naar circa euro 33,5 duizend per jaar. Zie: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELLAR%3Af1a3cc21-baa3-11e9-9d01-01aa75ed71a1.
TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL
15
Uit de economische theorie volgt dat de verwachte mate van doorberekenen van kosten(stijgingen) afhankelijk is van het type kosten en de marktvorm. 11 Wat betreft de kosten is er een onderscheid naar variabele en vaste kosten. Wat betreft de marktvorm is het onderscheid het duidelijkst te duiden door te kijken naar volledige concurrentie enerzijds en monopolie anderzijds. Vanuit de theorie volgt dat bij volledige concurrentie een kostenstijging van de variabele kosten volledig wordt doorberekend aan de klant. Immers, bij volledige concurrentie is er geen (over)winst om de kostenstijging te compenseren; elk bedrijf biedt het product aan tegen de marginale (en gemiddelde) kostprijs. Als deze kostprijs stijgt, stijgt de marktprijs mee. Als bedrijven wel een bepaalde mate van marktmacht en dus (over)winst hebben, zal de kostenstijging deels door de bedrijven worden geabsorbeerd vanuit deze (over)winst. 12 Bij vaste kosten is de mate van doorbelasten a priori onduidelijker. Vanuit economische theorie is winstmaximalisatie gebaseerd op de vergelijking tussen marginale opbrengsten en marginale kosten. Dit suggereert dat een verandering in vaste kosten, per definitie niet marginaal, niet terugkomt bij het bepalen van de prijzen en dat veranderingen in de vaste kosten in het geheel niet direct worden doorberekend aan de klant.
RBB (2014) geeft een analyse waaruit blijkt dat ook (boekhoudkundige) vaste kosten onder relatief generieke omstandigheden wel degelijk meewegen bij de prijszetting van de bedrijven. Het belangrijkste inzicht is dat niet de boekhoudkundige definitie van vaste kosten leidend is, maar dat de vraag beantwoord moet worden of het bedrijf de keuze van vaste activa kan aanpassen bij het (vooraf) bepalen van productie- en prijsniveaus. In dat geval zal het bedrijf de prijszetting zodanig vormgeven dat de (nieuwe) vaste kosten terugverdiend kunnen worden. Hoe vertaalt dit zich naar de ambulante handel? Het vaststellen van de marktstructuur van ambulante handel valt buiten de reikwijdte van het onderzoek, maar het is duidelijk dat het gemiddelde bedrijf in de ambulante handel geen monopolist is. De concentratie is relatief laag, tegelijkertijd is er wel sprake van differentiatie (tijd, plaats, product) en vaste kosten waardoor de structuur niet te kwalificeren is als een pure volkomen markt. Een structuur met relatief veel kleine aanbieders met beperkte marktmacht is het best te kwalificeren als monopolistische concurrentie. Dit betekent dat op basis van de economische theorie we verwachten dat de bedrijven een deel van de kostenstijging doorbelasten aan de klant. De kostenstijging in de ambulante handel lijkt te komen uit een mix van variabele en vaste kosten.
De variabele kosten zijn gestegen door inflatie en stijgende lonen, terwijl de zeroemissiezones om een grotere investering in de vaste activa vragen. Echter, voor de investeringsanalyse ten behoeve van het vaststellen van de terugverdientijd dienen we uit te gaan van de businesscase van een gemiddelde efficiënte toetreder. Voor deze toetreder is de investering in de vaste activa nog een variabele keuze. Daarmee concluderen we dus dat de kostenstijging als gevolg van de zero-emissiezones niet totaal maar wel deels wordt doorberekend aan de klant. Om inzicht te krijgen in welk percentage van de kostenstijging wordt doorberekend aan de klanten, is deze vraag in de enquête gesteld aan de ambulante handelaren. Uit de enquête blijkt dat ondernemers gemiddeld 47 procent van de kostenstijging konden doorberekenen, met een mediaan van 50 procent. Ondernemers gaven dus aan dat ze ongeveer de helft van de prijsstijging konden doorberekenen aan hun klanten en de andere helft zelf droegen.
11
12
Andere in deze context onderzochte dimensies zijn: sectorspecifieke of bedrijfsspecifieke kostenstijgingen, het bestaan van vaste contracten in de markt, de frequentie waarmee prijzen aanpasbaar zijn en of het om binnenlandse markten of export gaat. Voor de ambulante handel gaat het met name om sectorspecifieke kostenveranderingen, binnenlandse markten en is het aanpassen van de marktprijzen relatief eenvoudig (geen vaste contracten met afnemers). Het tekstboekvoorbeeld hierbij is een monopolist die de winst maximaliseert gegeven een lineaire inverse vraagfunctie. Uit dit winstoptimalisatieprobleem volgt dat de monopolist 50 procent van de (variabele/marginale) kostenstijging doorberekent aan de klant en 50 procent absorbeert vanuit de eigen marge (Varian & Melitz, 2024).
TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL
16
Deze bevindingen liggen in lijn met de resultaten gerapporteerd in Gödl-Hanisch & Menkhoff (2024). Op basis van een bedrijvenonderzoek onder meer dan zesduizend Duitse bedrijven concluderen ze dat gemiddeld 50 procent van de kostenstijgingen in de periode 2021/2022 wordt doorberekend aan de consumenten. Een uitsplitsing naar sectoren laat zien dat voor retail en voedselproducten dit percentage tussen de 40 en 50 procent ligt. Gödl-Hanisch & Menkhoff (2024) presenteren daarnaast een overzicht van de doorberekenpercentages op basis van eerdere wetenschappelijke studies. Uit dat overzicht volgt een gemiddeld percentage, over de verzamelde studies, van circa 40 procent na één jaar.
TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL
3
17
Vaststelling van de terugverdientijd
De terugverdientijd van gedane investeringen in de ambulante handel ligt in 2024 op minimaal acht en maximaal elf jaar. De resultaten vertonen geen significante verschillen ten opzichte van de resultaten uit SEO 2021. Een simulatie laat zien dat de aanschaf van emissieloze voertuigen de terugverdientijd met 0,6 tot 2,3 jaar kan verlengen.
3.1 Beschikbare en verzamelde data De bevindingen van dit hoofdstuk zijn gebaseerd op: ● data verzameld in een online vragenlijst (zie Bijlage B voor de volledige vragenlijst); ● twee CBS Microdatabestanden; het Algemeen Bedrijven Register (ABR) en de aangifte Omzetbelasting (BTW); ● deskresearch over de verwachte aanschafprijzen voor zero-emissievoertuigen (zoals in hoofdstuk 2 besproken). De analyse volgt dezelfde stappen en structuur als in het onderzoek van 2019. Waar nodig hebben we de vragenlijst aangepast. De relevante aanvullende informatie lichten we hieronder toe.
Online vragenlijst Net als in het vorige onderzoek zijn 6.000 ondernemers per brief en via online berichtgeving uitgenodigd om deel te nemen aan een onderzoek over de terugverdientijd van gedane investeringen in de ambulante handel. In totaal zijn er op deze wijze 265 (4,4 procent) complete en bruikbare vragenlijsten verzameld. De achtergrondgegevens van de respondenten laten zien dat de steekproef geografisch een goede afspiegeling vormt van de populatie. 13 Relatief hebben veel grotere ondernemingen die voedingsmiddelen verkopen de vragenlijst ingevuld. Verder valt op dat vooral (zowel gemiddeld als mediaan) bedrijven met een hoge netto-omzet de vragenlijst hebben ingevuld. De consequenties hiervan zijn beperkt omdat de terugverdientijd op ondernemingsniveau is bepaald. Bijlage A bevat een beschrijving van het dataverzamelingsproces.
CBS Microdatabestanden Voor de gehele onderzoekspopulatie zijn twee CBS Microdatabestanden met relevante bedrijfskarakteristieken en resultaten opgevraagd. Deze bestanden bevatten op ondernemingsniveau data over het aantal medewerkers, de rechtsvorm, de vestigingslocatie en de omzet over meerdere jaren. 14 De CBS Microdata zijn grotendeels te koppelen aan het KvK-bestand van ambulante handelaren, zie Tabel 3.1. Een voorbeeld: voor 91,5 procent van deze groep, de onderzoekspopulatie, waren de bedrijfskenmerken uit het ABR beschikbaar en voor 90,7 procent waren er omzetgegevens op basis van belastingaangiften (BTW) beschikbaar. In de vorige meting (SEO, 2021) lagen de koppelpercentages voor deze bestanden ook rond de 90 procent. Bijlage C bevat een overzicht hoe de bestanden zijn gekoppeld aan de totale onderzoekspopulatie.
13 14
Wel is de provincie Fryslân ondervertegenwoordigd in de data. In SEO (2021) is ook gebruikgemaakt van CBS-databestanden die inzicht geven in de (immateriële en materiële) vaste activa, de nettowinst en de jaarlijkse afschrijvingen van de ondernemingen. In dat onderzoek is uiteindelijk besloten om die data vanwege het lage aantal waarnemingen binnen de relevante branche (SBI-codes) niet te gebruiken. In het huidige onderzoek gebruiken we deze data dus ook niet.
TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL
Tabel 3.1
Voor ruim 90 procent van de ondernemingen beschikt het CBS over ABR- en BTW-data (2023)
Enquête data 2024
Bron:
18
CBS bestandsnaam ABR (2023)
Percentage succesvolle koppeling* 91,5%
BTW (2023)
90,7%
Variabele in bestand Bedrijfsgrootte (aantal werknemers) Rechtsvorm Sector (SBI-code) Omzet
SEO Economisch Onderzoek o.b.v. CBS Microdata
3.2 Indeling, vaste activa, afschrijvingen en nettowinst We brengen hier de kosten- en omzetstructuur van de ambulante handel in kaart. Daarbij kijken we eerst naar het type producten dat de ondernemingen verkopen en daarna naar de kosten en afschrijvingen van de belangrijkste bedrijfsmiddelen. Ten slotte presenteren we de omzet van de ondernemingen. We volgen dezelfde aanpak als in SEO (2021). Zo zijn alle berekeningen op ondernemingsniveau uitgevoerd en rapporteren we volgens de spelregels van het CBS enkel descriptieve statistieken die op ten minste tien waarnemingen zijn gebaseerd.
Indeling ambulante handel Aan alle ondernemingen is gevraagd welke soorten producten zij verkopen. Hierbij is dezelfde indeling gebruikt als in de vorige editie van het onderzoek (zie Bijlage B). Er is een onderscheid tussen de hoofdcategorieën voeding en niet-voeding. Tabel 3.2 laat zien dat ondernemers die voedingsmiddelen verkopen oververtegenwoordigd zijn in de steekproef. Zo blijkt uit de enquêteresultaten dat circa twee derde van de respondenten voedingsmiddelen verkoopt. Voor de gehele bedrijfstak markthandel rapporteert het CBS een verdeling van circa veertig procent voor voedingsmiddelen. 15 Hierbij geldt wel dat de ondernemingen in voedingsmiddelen in de markthandel in het algemeen groter zijn – gemeten in het aantal werkzame personen – dan de ondernemingen in de niet-voeding. Enkel als er een economisch of statistisch significant verschil is in terugverdientijd tussen markthandelaren in voedingsmiddelen en niet-voedingsmiddelen kan een oververtegenwoordiging van één van de groepen een impact hebben op het vaststellen van de gemiddelde op ondernemingsniveau te bepalen terugverdientijd.
Uit SEO (2021) volgt dat de terugverdientijd niet afhankelijk is van het type product en andere verschillen in de ambulante handel, zoals de rechtsvorm van de onderneming, het aantal medewerkers dat de onderneming in dienst heeft en het aantal dagen dat de onderneming gemiddeld genomen per week actief is. Met andere woorden, een oververtegenwoordiging van één van de groepen heeft in de huidige analyse waarschijnlijk ook geen impact op de gemiddelde terugverdientijd.
15
Zie CBS StatLine (2024), Bedrijven; Bedrijfstak (SBE 4781, 4782, 4789).
TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL
Tabel 3.2
19
Twee derde van de respondenten verkoopt voedingsmiddelen, het restant verkoopt iets anders
Categorie/Producttype
Aantal (steekproef)
Percentage (steekproef)
Voeding
170
66%
-
Overige voeding
40
16%
-
Vis en visartikelen
36
14%
-
Zuivelartikelen
35
14%
-
Aardappelen, groenten en fruit
24
9%
-
Brood, koek en banket
14
5%
-
Vleeswaren/poelierswaren
11
4%
-
Noten en Zuidvruchten
10
4%
86
34%
Niet-voeding -
Overige artikelen
34
13%
-
Overig textiel en interieurbekleding
19
7%
-
Bloemen en planten
17
7%
-
Persoonsbekleding
16
6%
256
100%
Totaal Bron:
SEO Economisch Onderzoek (2024) op basis van verzamelde enquêtedata (n = 256)
Vaste activa Volgens dezelfde onderzoeksmethodiek zijn opnieuw de vier meest gebruikte bedrijfsmiddelen in de ambulante handel onderzocht: de marktkraam, de verkoopwagen, de transportwagen en de opslaglocatie. In de enquête zijn hierover diverse vragen gesteld. 16 De waarde van de totale vaste activa is berekend op ondernemingsniveau en omvat de som van de aanschafwaarde van de bedrijfsmiddelen die de ondernemer in eigendom heeft. Op hoofdlijnen tonen de resultaten vergelijkbare patronen als in het vorige onderzoek (zie Tabel 3.3). Zo blijkt dat ondernemers die vis en visartikelen verkopen de meeste activa hebben, gevolgd door ondernemers die zuivelartikelen verkopen. Daarnaast zien we dat ondernemers die voedingsmiddelen verkopen meer investeren dan ondernemers die andere producten verkopen. Uit de categorie niet-voedingsmiddelen blijkt dat ondernemers die actief zijn in textiel en interieurbekleding het meest investeren, gevolgd door ondernemers die bloemen verkopen. Wanneer we de absolute waarden vergelijken met die van het vorige onderzoek zien we soms forse verschillen. Zo liggen de gemiddelde waarden voor de vaste activa soms aanzienlijk veel hoger of lager dan in de vorige meting. 17 De analyse van de terugverdientijd is robuust voor eventuele verschillen in de steekproef ten opzichte van SEO (2021).
Deze verschillen hebben geen invloed op het vaststellen van de terugverdientijd, aangezien deze op ondernemingsniveau wordt vastgesteld. Het is intuïtief logisch te veronderstellen dat ondernemers met hogere investeringen (en dus hogere vaste activa) doorgaans ook hogere inkomsten genereren, terwijl ondernemers met lagere investeringen meestal minder verdienen. 16
17
Voorbeelden van deze vragen zijn: (i) maakt u voor uw bedrijfsvoering gebruik van deze bedrijfsmiddelen, (ii) zo ja, bent u eigenaar of huurder van deze bedrijfsmiddelen, en (iii) wat heeft u (destijds) betaald voor deze bedrijfsmiddelen? Een voorbeeld hiervan zijn ondernemingen die aardappelen, groenten en fruit verkopen. Dit jaar bedragen de gemiddelde vaste activa voor deze groep 735.000 euro, terwijl dit in 2019 nog 320.000 euro was.
TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL
Tabel 3.3
20
De vaste activa van de respondenten verschilt fors tussen de verschillende productcategorieën
Categorie/Producttype
Gemiddelde vaste activa
Mediaan vaste activa
Voeding
170
-
Overige voeding
€ 530.000
€ 360.000
40
-
Vis en visartikelen
€ 970.000
€ 590.000
36
-
Zuivelartikelen
€ 620.000
€ 525.000
35
-
Aardappelen, groenten en fruit
€ 735.000
€ 380.000
24
-
Brood, koek en banket
€ 450.000
€ 340.000
14
-
Vleeswaren/poelierswaren
€ 380.000
€ 230.000
11
-
Noten en Zuidvruchten
€ 615.000
€ 490.000
10
Niet-voeding
86
-
Overige artikelen
€ 110.000
€ 35.000
34
-
Overig textiel en interieurbekleding
€ 200.000
€ 135.000
19
-
Bloemen en planten
€ 320.000
€ 110.000
17
-
Persoonsbekleding
€ 110.000
€ 55.000
16
Totaal Bron:
Aantal (steekproef)
256 SEO Economisch Onderzoek (2024) o.b.v. de verzamelde enquêtedata (n = 256) Om de gemiddelde vaste activa te berekenen zijn de volgende stappen ondernomen: 1) aan alle ondernemers is in de enquête gevraagd van welke van de vier bedrijfsmiddelen zij gebruikmaken, en vervolgens of zij eigenaar of huurder zijn. Indien een ondernemer heeft aangegeven dat hij of zij geen gebruikmaakt van het bedrijfsmiddel is de waarde van de vaste activa voor deze post gelijk aan nul. Ook wanneer de ondernemer aangeeft huurder te zijn van het bedrijfsmiddel is de waarde van de vaste activa gelijk aan nul (deze huurkosten drukken de nettowinst en belanden zodoende op andere wijze in de terugverdientijd). 2) Vervolgens is aan de ondernemer gevraagd hoeveel de aanschafwaarde van het bedrijfsmiddel betrof. Indien de ondernemer geen waarde heeft doorgegeven, is deze waarde vervangen door de gemiddelde waarde die andere respondenten in dezelfde productcategorie voor dat bedrijfsmiddel hebben aangegeven. Een voorbeeld: een vishandelaar geeft aan gebruik te maken, en eigenaar te zijn, van een verkoopwagen, maar heeft in de vragenlijst niet aangegeven hoeveel er betaald is voor de wagen.
Om een onderschatting van de vaste activa van de onderneming te voorkomen is de ontbrekende waarde vervangen door de gemiddelde aanschafwaarde van een verkoopwagen van de andere vishandelaren die de vragenlijst hebben ingevuld. 3) Vervolgens zijn op ondernemingsniveau de vaste activa berekend door de vier kostenposten (waarde * hoeveelheid) bij elkaar op te tellen. Daarbij is de hoeveelheid begrensd op tien verkoopwagens (een respondent had aangegeven te beschikken over enkele honderden verkoopwagens). 4) Ten slotte zijn op productniveau de gemiddelde waarden getoond. Daarbij zijn alle waarden afgerond op bedragen van euro 5.000 om schijnnauwkeurigheid te voorkomen. De mediaan is het middelste getal in de waarnemingen als je die getallen op volgorde zet. Een voorbeeld: in de getallen reeks 11, 12, 13, 14, 50 is het getal 13 de mediaan. Dit is namelijk het middelste getal (er zijn twee lagere en twee hogere getallen). Het gemiddelde is 20 (de sommatie gedeeld door vijf). Hieruit blijkt dat de mediaan minder gevoelig is voor uitschieters dan het gemiddelde.
TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL
Inzet en verdeling van de vaste activa De inzet en verdeling van de vier bedrijfsmiddelen zijn nagenoeg gelijk gebleven, zie Figuur 3.1: ● Marktkraam: 33,2 procent van de ondernemers maakt gebruik van een marktkraam (2019: 38,8 procent); ● Verkoopwagen: 71,9 procent maakt gebruik van een verkoopwagen (2019: 66,9 procent); ● Transportwagen: 80,5 procent maakt gebruik van een transportwagen (2019: 80,7 procent); ● Opslaglocatie: 77,0 procent maakt gebruik van een opslaglocatie (2019: 78,7 procent). Figuur 3.1
Bron:
Circa tachtig procent van de steekproef maakt gebruik van een transportwagen
SEO Economisch Onderzoek (2024 en 2021) op basis van verzamelde enquêtedata (n = 256)
21
TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL
22
Eigendom en huur van marktkraam, verkoopwagen, transportwagen en opslaglocatie De mate waarin de bedrijfsmiddelen in eigendom zijn of gehuurd worden is nagenoeg gelijk gebleven: ● Marktkraam: 23,5 procent maakt gebruik van een marktkraam in eigendom (2019: 18,4 procent); ● Verkoopwagen: 98,9 procent maakt gebruik van een verkoopwagen in eigendom (2019: 98,5 procent); ● Transportwagen: 95,1 procent maakt gebruik van een transportwagen in eigendom (2019: 96,1 procent); ● Opslaglocatie: 62,9 procent maakt gebruik van een opslaglocatie in eigendom (2019: 65,2 procent). Tabel 3.4
De transport- en verkoopwagen(s) zijn vrijwel altijd in eigendom van de handelaar Eigendom
Eigendom
Huur
Huur
2019
2024
2019
2024
Marktkraam
18,4 %
23,5 %
81,6 %
76,5 %
Verkoopwagen
98,5 %
98,9 %
1,5 %
1,1 %
Transportwagen
96,1 %
95,1 %
3,9 %
4,9 %
Opslaglocatie
65,2 %
62,9 %
34,8 %
37,1 %
Bron:
SEO Economisch Onderzoek (2024) op basis van verzamelde enquêtedata (n = 256)
TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL
23
Afschrijvingen De enquêtedata bieden tevens inzicht in de afschrijvingskosten. Door de aanschafwaarde van de bedrijfsmiddelen te delen door het aantal jaren waarin de ondernemers deze afschrijven zijn de jaarlijkse afschrijvingskosten te berekenen. Tabel 3.5 geeft de afschrijvingskosten per productgroep weer. Conform de methodiek van SEO (2021) zijn de afschrijvingskosten over de opslaglocatie niet meegenomen in onderstaande berekening. Dit omdat het onduidelijk is welk gedeelte van het bedrijfspand door de onderneming wordt gebruikt en wat het verschil is tussen de boek- en grondwaarde van het pand. Tabel 3.5
Ondernemers die in voedingsmiddelen handelen hebben hogere jaarlijkse afschrijvingskosten
Categorie/Producttype
Gemiddelde jaarlijkse afschrijvingskosten
Mediaan jaarlijkse afschrijvingskosten
Voeding
Aantal (steekproef) 170
-
Overige voeding
€ 35.000
€ 15.000
40
-
Vis en visartikelen
€ 65.000
€ 30.000
36
-
Zuivelartikelen
€ 35.000
€ 35.000
35
-
Aardappelen, groenten en fruit
€ 60.000
€ 20.000
24
-
Brood, koek en banket
€ 35.000
€ 25.000
14
-
Vleeswaren/poelierswaren
€ 30.000
€ 25.000
11
-
Noten en Zuidvruchten
€ 30.000
€ 30.000
10
Niet-voeding
86
-
Overige artikelen
€ 10.000
€ 5.000
34
-
Overig textiel en interieurbekleding
€ 25.000
€ 10.000
19
-
Bloemen en planten
€ 15.000
€ 10.000
17
-
Persoonsbekleding
€ 10.000
€ 5.000
16
Totaal Bron:
256 SEO Economisch Onderzoek (2024) op basis van verzamelde enquêtedata (n = 256) Om tot deze gemiddelde jaarlijkse afschrijvingskosten te komen zijn enkele assumpties gedaan. Allereerst is gekeken of door alle respondenten de periode waarin zij de bedrijfsmiddelen willen afschrijven was ingevuld. Waar dit niet het geval was is dit aangevuld door de gemiddelde waarde uit de overige sectoren. In dit geval is er niet voor gekozen om een afschrijvingstermijn van een vergelijkbaar bedrijf te nemen. Dit omdat de gemiddelde waarden tussen de voedingsen niet-voedingscategorie nauwelijks verschillen. Daarnaast zijn er ondernemingen die hebben aangegeven niet af te schrijven over het bedrijfsmiddel (zij hebben een waarde van nul ingevuld). Deze post is gehercodeerd naar nietingevuld, zodat de gemiddelde afschrijvingskosten alsnog berekend konden worden (delen door 0 is niet mogelijk). Ten slotte is de waarde van de vaste activa gedeeld door de periode waarin ondernemers voornemens zijn om deze post af te schrijven. Om schijnnauwkeurigheid te voorkomen zijn alle waarden afgerond op euro 5.000.
Op hoofdlijnen tonen de resultaten vergelijkbare patronen als in het vorige onderzoek. Zo blijkt dat de jaarlijkse mediane afschrijvingskosten tussen de 5.000 euro en 35.000 euro fluctueren. In 2019 lag de bandbreedte tussen de 2.500 en 30.000 euro. Ook zien we dat de jaarlijkse afschrijvingskosten hoger liggen voor ondernemers die voedingsmiddelen verkopen dan voor ondernemers die andere producten verkopen.
TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL
24
Gehele ambulante populatie: omzet en nettowinst Uit Figuur 3.2 blijkt dat de ruim 9.000 ondernemingen aangeleverd door de KvK in de voedingsmiddelenbranche een gemiddelde omzet hebben van 348.000 euro. In 2019 was dit gemiddelde 251.000 euro. In andere sectoren in de ambulante handel ligt de gemiddelde omzet van ondernemingen beduidend lager, namelijk op 118.000 euro in 2023 (84.000 euro in 2019). Voor alle twee de gemiddelden geldt een stijging van circa 40 procent ten opzichte van 2019. De helft van deze stijging kan verklaard worden door de generieke stijging van de consumentenprijzen (CPI) tussen 2019 en 2023. 18 Omdat er sprake is van een scheve verdeling naar rechts, wat betekent dat er veel ondernemingen zijn die weinig omzet draaien en weinig ondernemingen zijn die veel omzet draaien, is de mediaan voor zowel ambulante handelaren in de voeding als in de niet-voedingstak lager dan het gemiddelde. Voor voedingsmiddelenbedrijven bedraagt de mediaan 131.000 euro, terwijl dit voor andere productcategorieën 19.000 euro is. Ook uit de figuur blijkt dat het merendeel van de ondernemingen een relatief lage omzet heeft. De lagere mediane omzet wordt dus voornamelijk beïnvloed door een groot aantal bedrijven die een beperkte omzet hebben. Figuur 3.2
Bron:
18
De gemiddelde omzet van ondernemingen in de voedingsmiddelen is hoger
SEO Economisch Onderzoek (2024) o.b.v. CBS-Microdata (BTW 2023 en het ABR) De verticale stippel- en doorgetrokken lijn tonen respectievelijk het gemiddelde en de mediaan. Daarbij zijn de SBIcodes 47811 en 47819 gehercodeerd naar voeding, en de SBI-codes 47891, 47899, 4782, en 47892 gehercodeerd naar niet-voeding. Voor niet-voedingsmiddelenbedrijven zijn vanwege onthullingsrisico geen waarnemingen meer zichtbaar in de grafieken voor bedrijven met een omzet van 500 duizend euro, voor voedingsmiddelenbedrijven is dit na 760 duizend euro. De medianen en de gemiddelden zijn wel op alle (ook niet zichtbare) bedrijven gebaseerd.
Zie, bijvoorbeeld, https://www.cbs.nl/nl-nl/visualisaties/prijzen-toen-en-nu.
TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL
25
Steekproef: omzet en nettowinst Op basis van de enquêtedata is een verdere uitsplitsing mogelijk. Tabel 3.6 toont de omzet van de geënquêteerde ondernemingen per productcategorie. Ook hier geldt dat we op hoofdlijnen dezelfde patronen herkennen als uit het vorige onderzoek in SEO (2021). Zo blijkt bijvoorbeeld dat de winstmarges tussen het meetmoment in 2019 en in 2024 weinig zijn veranderd. Het gemiddelde winstpercentage voor handelaren in voedingsmiddelen is circa 19 procent (n = 93) en voor de handelaren in niet-voedingsmiddelen bedraagt dit percentage 25 procent (n = 40). In 2019 was dit respectievelijk 17 procent (n = 111) en 22 procent (n = 49). De mediaan van deze getallen ligt opnieuw relatief dichtbij het gemiddelde: in 2024 15 procent (16 procent in 2019) voor de handelaren in voedingsmiddelen, en 20 (19 procent in 2019) procent voor de overige ondernemers. Op basis van deze winstpercentages zijn de gemiddelde en mediane nettowinst weergegeven in kolom 2 en kolom 4 in Tabel 3.6. Tabel 3.6
Ondernemers die zuivelartikelen verkopen hebben gemiddeld de hoogste nettowinst
Categorie/Producttype
Gemiddelde omzet
Gemiddelde nettowinst
Mediaan omzet
Mediaan nettowinst
Voeding -
Overige voeding
€ 365.000
€ 55.000
€ 165.000
€ 25.000
-
Vis en visartikelen
€ 880.000
€ 135.000
€ 550.000
€ 85.000
-
Zuivelartikelen
€ 1.085.000
€ 165.000
€ 870.000
€ 135.000
-
Aardappelen, groenten en fruit
€ 615.000
€ 95.000
€ 615.000
€ 95.000
-
Brood, koek en banket
€ 460.000
€ 70.000
€ 430.000
€ 65.000
-
Vleeswaren/poelierswaren
€ 1.035.000
€ 160.000
€ 720.000
€ 110.000
-
Noten en Zuidvruchten
€ 575.000
€ 90.000
€ 475.000
€ 75.000
Niet-voeding
Bron:
-
Overige artikelen
€ 145.000
€ 30.000
€ 40.000
€ 10.000
-
Overig textiel en interieurbekleding
€ 140.000
€ 25.000
€ 130.000
€ 25.000
-
Bloemen en planten
€ 310.000
€ 60.000
€ 200.000
€ 40.000
-
Persoonsbekleding
€ 125.000
€ 25.000
€ 105.000
€ 20.000
SEO Economisch Onderzoek (2024) o.b.v. de CBS-Microdata en de verzamelde enquêtedata (n = 256) De gemiddelde omzetgegevens zijn gebaseerd op de aangifteformulieren die de ondernemers bij de belastingdienst hebben ingediend. Voor de berekening van de winst is uitgegaan van een mediane winstmarge van 19,8 procent voor de ondernemers in de niet-voeding, en 15,4 procent voor de ondernemers in de voeding. De gemiddelden ligger iets hoger (respectievelijk 25,3 procent en 19,8 procent). Dit winstpercentage is gebaseerd op de ratio van winst / omzet zoals aangegeven door de respondenten in de vragenlijst. Om schijnnauwkeurigheid te voorkomen zijn alle waarden afgerond op euro 5.000. De overkoepelende mediane omzet ligt op 318.000 euro en het gemiddelde van de steekproef op 536.000 euro.
3.3 Berekening terugverdientijd Op basis van de in sectie 2.1 geïntroduceerde investeringsanalyse en de in dit hoofdstuk besproken data is de terugverdientijd te berekenen. Deze berekening voeren we uit op het niveau van de onderneming. Vervolgens
TERUGVERDIENTIJD IN DE AMBULANTE HANDEL
26
nemen we het (ongewogen) gemiddelde van deze op ondernemingsniveau bepaalde terugverdientijd over alle observaties in de steekproef. Tabel 3.7 toont dat de gemiddelde terugverdientijd voor ondernemingen in de ambulante handel acht of elf jaar is. Indien er gekozen wordt voor de bovengrens houdt men rekening met een minimuminkomen voor alle ondernemers in aftrek van de nettowinst. Indien er gekozen wordt voor de ondergrens, wordt er geen rekening met het minimuminkomen gehouden. Tabel 3.7
De gemiddelde terugverdientijd volgend uit deze analyse is 8 (ondergrens) of 11 (bovengrens) jaar
Uitkomstmaat
Ondergrens / bovengrens
Terugverdientijd (data 2024)
Terugverdientijd (data 2019)
Gemiddelde
Ondergrens
8
9
Bovengrens
11
12
Ondergrens
5
5
Bovengrens
8
7
Mediaan