CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. KRW toets strandje de Elzen.pdf

Commissie Fysieke Leefomgeving Dordrecht 23 november 2021, gemeente DordrechtBij agendapunt: 1: Gesprek met Staatsbosbeheer en Waterschap Hollandse Delta over de Viersprong4.195 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

KRW-TOETS STRANDJE DE ELZEN TE DORDRECHT

KRW-TOETS STRANDJE DE ELZEN TE DORDRECHT Kenmerk: Versie: Datum:

20210293/rap02 1 4-5-2021

Auteur: Projectleider: Kwaliteitscontrole: Opdrachtgever:

Nadine Bleile & Jochem Hop Jochem Hop Tim Vriese Gemeente Dordrecht Spuiboulevard 300 3311 GR Dordrecht Karlijn Snel

Contactpersoon:

Dit rapport is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud van de rapportage is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven.

© ATKB voor natuur en leefomgeving. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding.

INHOUD Inleiding..................................................................................................................................... 1

Aanleiding Doel Leeswijzer

1 1 1

Achtergrond .............................................................................................................................. 2

Onderzoeksgebied Huidige ecologische kwaliteit Beschrijving ingreep

2 3 3

Toetsingskader Ecologische kwaliteit .......................................................................................... 5

Algemeen Fytoplankton Overige waterflora Macrofauna Vis

5 5 6 8 8

Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................... 10 Literatuur ................................................................................................................................ 11

FOTO’S Foto 1

Het speelbos (links) en het paviljoen (rechts) ...........................................................................4

FIGUREN Figuur 1 Begrenzing van het waterlichaam de Viersprong met in het midden de aanwezige brug (bronnen: ESRI Nederland, Kaarmateriaal.nl). .................................................................................................2 Figuur 2 Ligging van het plangebied met daarbij locatie speelbos (1) en locatie paviljoen (2) (bron gemeente Dordrecht). .....................................................................................................................................4

INLEIDING AANLEIDING In en rondom het speelbos De Elzen vinden werkzaamheden plaats om het gebied aantrekkelijker te maken. Hierbij wordt een natuurlijke speelomgeving gecreëerd. De vraag is gerezen of hierbij ook een strandje gerealiseerd kan worden en wel binnen de begrenzing van het waterlichaam “de Viersprong”. Dit waterlichaam is in beheer van Waterschap Hollandse Delta. De Gemeente Dordrecht wil vooraf onderzoeken of deze ontwikkeling past binnen de juridische kaders, in dit geval het toetsingskader Ecologische Kwaliteit van het waterschap.

DOEL Het doel van voorliggend rapport is het doorlopen van het toetsingskader Ecologische Waterkwaliteit om vast te stellen of de realisatie van een strandje leidt tot een eventuele blijvende significantie verslechtering van de ecologische waterkwaliteit.

LEESWIJZER Na deze inleiding wordt in hoofdstuk twee ingegaan op het onderzoeksgebied, de huidige ecologische kwaliteit en een beschrijving van de ingreep. Hoofdstuk drie gaat in op het toetsingskader en behandelt deze aan de hand van de verschillende relevante kwaliteitselementen. In hoofdstuk vier worden de conclusies en aanbevelingen voorkomend uit dit rapport gepresenteerd, gevolgd door de gebruikte literatuur.

KRW-toets strandje De Elzen te Dordrecht | 1 | 20210293/rap02

1 van 11

ACHTERGROND ONDERZOEKSGEBIED Het plangebied is gelegen in het waterlichaam “De Viersprong” (zie figuur 1). Dit waterlichaam ligt in het beheersgebied van Waterschap Hollandse Delta (WHD). Het waterlichaam De Viersprong ligt in het oosten van het beheergebied van Waterschap Hollandse Delta en wordt begrensd door gemaal “Johannes Vis” en het waterlichaam Kwalgat/Midden Els. Het gebied rondom de Viersprong wordt gebruikt voor recreatie zoals wandelen, paardrijden en fietsen. In de factsheet van het waterlichaam de Viersprong is een karakterschets opgenomen, die als volgt is; De Viersprong is een ondiepe gebufferde plas. Via deze plas watert het achterliggend gebied af via gemaal Johannes Vis. Het waterlichaam heeft een oppervlakte van circa 6,8 hectare. De meest noordelijke oever is beschoeid en de zuidelijke oever is begroeid met riet. Bij de zuidelijke aftakking staan op beide oevers bomen dicht op het water. Alle oevers hebben een natuurvriendelijke inrichting. De zuidelijke oever heeft een circa drie meter brede rietkraag. Een gedeelte van de oevers is voornamelijk begroeid met riet en gedeeltelijk met bomen. Tijdens recent visonderzoek in de Viersprong werd het waterlichaam opgedeeld in twee deelgebieden.

Het deel ten zuidwesten van de aanwezige brug heeft een diepte van circa één meter en bevat relatief veel submerse vegetatie (grof hoornblad en smalle waterpest), terwijl in het deel ten noordoosten van de brug weinig submerse vegetatie aanwezig is. In dit deel is het circa twee meter diep. Rondom het waterlichaam zijn diverse maatregelen genomen ten behoeve van de biologische waterkwaliteit. Deze zijn beschreven in het stroomgebiedbeheersplan, zoals navolgend weergegeven. In het bosgebied De Elzen is, noordelijk van het waterlichaam, 1,9 km natuurvriendelijk oever aangelegd langs een oude kreek. Het peil is opgezet in deze kreek om oevervegetaties te ontwikkelen. Verder is bovenstrooms van het waterlichaam veel landbouwgrond omgezet in natuur- en recreatiegebied. De watergangen in dit gebied zijn over zeer grote lengtes voorzien van natuurvriendelijke oevers. Inlaat van water vindt plaats via een nieuwe inlaat nabij Oosthaven. Achter deze inlaat is een bezinkplas aangelegd waar verontreinigingen kunnen bezinken. In het verzorgingsgebied van het waterlichaam zijn verder akkerranden aangelegd. Voor de toekomst zijn de geplande maatregelen te omschrijven als het opstellen van beheer en onderhoudsplannen voor onder andere onderhoud van de natuurvriendelijk ingerichte oevers en het baggeren van het waterlichaam ten behoeve van de waterkwaliteit.

Er is namelijk sprake van te weinig ruimte voor oeverplanten en te veel nutriëntrijke bagger (stroomgebiedbeheersplan).

Figuur 1

Begrenzing van het waterlichaam de Viersprong met in het midden de aanwezige brug (bronnen: ESRI Nederland, Kaarmateriaal.nl).

KRW-toets strandje De Elzen te Dordrecht | 1 | 20210293/rap02

2 van 11

HUIDIGE ECOLOGISCHE KWALITEIT De huidige ecologische kwaliteit van het waterlichaam de Viersprong is beschreven in de Factsheet KRW van Waterschap Hollandse Delta, waaruit onderstaande tabel is overgenomen. De biologische waterkwaliteit wordt beoordeeld aan de hand van de kwaliteitselementen macrofauna, overige waterflora, vis en fytoplankton. Tijdens de laatste rapportageperiode (2017) voldeed geen van deze kwaliteitselementen aan de gestelde doelen. De beoordeling varieerde hierbij van matig tot slecht. In juli 2020 is in de Viersprong, ten behoeve van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), door ATKB een visstandonderzoek uitgevoerd. Bij dit onderzoek heeft de visstand een EKR van 0,22 behaald en werd hiermee als ontoereikend beoordeeld. Tabel 1

Ecologische toestand waterlichaam de Viersprong (bron: factsheet WHD)

Voor de komende planperiode zijn de doelstellingen voor waterplanten en macrofauna bijgesteld naar een Goed Ecologisch Potentieel (GEP) van respectievelijk 0,55 en 0,50 (stroomgebiedbeheersplan). De doelen voor fytoplankton en vis zijn ongewijzigd gebleven. De volgende knelpunten belemmeren in de huidige situatie de ontwikkeling van een goede waterkwaliteit (stroomgebiedbeheersplan): - vast peil; - te weinig ruimte voor oeverplanten; - te veel nutriëntrijke bagger; - belasting met nutriënten vanuit de landbouw; - toxische druk door gewasbeschermingsmiddelen.

BESCHRIJVING INGREEP De mogelijke ingreep in het waterlichaam betreft de realisatie van een zandstrandje. Er zijn twee locaties aangewezen waar het strandje mogelijk zal komen. Deze twee locaties liggen min of meer naast elkaar aan de noordoostelijke zijde van het waterlichaam. In figuur 2 is de ligging van beide locaties weergegeven en wordt een impressie gegeven van de huidige staat. De eerste locatie grenst aan het speelbos “de Viersprong” aan de westelijke oever (hierna locatie speelbos). Deze oever bestaat op het talud uit gras en er staan enkele hoge populieren. De vooroever bestaat

KRW-toets strandje De Elzen te Dordrecht | 1 | 20210293/rap02

3 van 11

uit enkele wilgenbosjes en is begroeid met riet, gele lis en lisdodde. De totale oeverlengte van deze locatie bedraagt ongeveer 70 meter. De tweede locatie is gelegen nabij het paviljoen “de Viersprong” aan de westelijke oever (hierna locatie paviljoen). De oever bestaat, ter hoogte van het paviljoen, uit een laag betonnen randje van circa 20 centimeter en is begroeid met gras. Het overige deel van de oever, tussen het paviljoen en de Noorderelsweg, bestaat uit gras. De vooroever is begroeid met riet en lisdodde. In de oever is één struik van de boswilg aanwezig. De totale oeverlengte van deze locatie bedraagt ongeveer 50 meter, waarvan circa 50% begroeid met watervegetatie.

Figuur 2

Foto 1

Ligging van het plangebied met daarbij locatie speelbos (1) en locatie paviljoen (2) (bron: gemeente Dordrecht).

Het speelbos (links) en het paviljoen (rechts)

KRW-toets strandje De Elzen te Dordrecht | 1 | 20210293/rap02

4 van 11

TOETSINGSKADER ECOLOGISCHE KWALITEIT ALGEMEEN De toetsingskaders van Waterschap Hollandse Delta zijn beschreven in de nota toetsingskaders en beleidsregels voor het watersysteem 2014. Het toetsingskader dat relevant is voor de ecologische kwaliteit is opgenomen als “TK-09” en is omschreven als: “Het aanbrengen en hebben van werken mag de ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen niet blijvend significant verslechteren”. In de volgende paragrafen wordt het toetsingskader behandeld aan de hand van de vier kwaliteitselementen waaraan de biologische kwaliteit van het waterlichaam wordt beoordeeld. In de paragrafen wordt ingegaan op de wijze waarop de ecologische toestand beoordeeld wordt, de mogelijke effecten van de ingreep en de eventuele gevolgen hiervan op de beoordeling van de ecologische kwaliteit. Bij de beoordeling van de effecten is gebruik gemaakt van de referenties en maatlatten voor natuurlijke watertypen voor de Kaderrichtlijn Water 2021-2027 (Molen et al., 2018)

FYTOPLANKTON In waterlichamen van het type M14 wordt het kwaliteitselement fytoplankton beoordeeld op basis van abundantie en soortsamenstelling. Als indicator voor abundantie wordt het 90-percentiel van de concentratie chlorofyl-a in het zomerhalfjaar gebruikt (Molen et al., 2018). Het zomerhalfjaar loopt hierbij van 1 april tot en met 30 september. De soortsamenstelling van het fytoplankton wordt beoordeeld aan de hand van bloeien van ongewenste soorten. De beoordeling is een toets op antropogene invloeden, zoals een belasting met nutriënten of de inlaat van gebiedsvreemd water. De metingen worden verricht op een representatief meetpunt in het waterlichaam. Veelal is dit meetpunt in het midden van het waterlichaam gelegen, zoals in het verleden ook in het waterlichaam de Viersprong het geval was (Tauw, 2013). Factoren die van invloed zijn op de hoeveelheid en samenstelling van het fytoplankton zijn onder andere de mate van lichtinval, de organische belasting en begrazing door filteraars en groter zoöplankton. Het gaat hierbij om de invloed van deze factoren op het waterlichaam als geheel. In het verleden is vooral de nutriëntenbelasting vanaf het land aangewezen als knelpunt voor het kwaliteitselement fytoplankton in de Viersprong. Deze belasting komt vanaf het omliggend akkerland (Tauw, 2013), dat afwatert op het waterlichaam.

Een andere belangrijke factor met betrekking tot fytoplankton is het inlaten van gebiedsvreemd water in tijden van watertekort. De realisatie van een zandstrandje met de bijbehorende zwemactiviteiten, zou tijdens het zwemseizoen in theorie effecten kunnen hebben op de troebelheid en nutriëntenbelasting van het water. Door recreatie in het water zal het tot een opwerveling van slib kunnen komen met als gevolg een vermindering van het doorzicht van het water en het eventueel vrijkomen van nutriënten uit de slib. Een verminderd doorzicht heeft een vermindering van de lichtinval tot gevolg en kan in theorie de groei van fytoplankton beperken. Daarentegen zou het vrijkomen van nutriënten uit de slib (eutrofiëring) de bloei van fytoplanktonsoorten

KRW-toets strandje De Elzen te Dordrecht | 1 | 20210293/rap02

5 van 11

kunnen bevorderen. Bovendien zou ook de soortsamenstelling van het fytoplankton als gevolg van een vertroebeling en het vrijkomen van nutriënten kunnen veranderen. In de praktijk is het echter niet aannemelijk dat bovenstaande effecten voldoende groot zijn om een meetbaar effect op het kwaliteitselement fytoplankton te hebben. De eventuele effecten zijn namelijk zeer lokaal (alleen op de zwemlocatie) en tijdelijk van aard (overdag op warme dagen in het zwemseizoen). Een en ander is daarbij afhankelijk van de mate waarin deze locaties als zwemlocatie gebruikt worden en hoe dit zich verhoudt tot de huidige situatie. Daarnaast geldt dat de huidige toestand van fytoplankton reeds als matig wordt beoordeeld (factsheet).

OVERIGE WATERFLORA Voor de overige waterflora wordt de beoordeling uitgevoerd op basis van abundantie en soortsamenstelling. Voor de abundantie is het relatieve voorkomen van verschillende groeivormen van macrofyten gebruikt als indicator. De volgende hoofdgroepen van groeivormen worden hierbij onderscheden (Molen et al. 2018).: - Submerse vegetatie: planten met ondergedoken bladeren; - Drijvende vegetatie: planten met drijvende bladeren die niet tot de groeivorm kroos of flab horen; - Emerse vegetatie: planten met boven het wateroppervlak uitstekende bladeren voor zover niet behorend tot de groeivorm oeverbegroeiing; - Kroos: kleine drijvende plantjes die een afsluitende laag op het wateroppervlak kunnen vormen; - Flab: Drijvende draadalgen die een omvangrijke massa op het wateroppervlak kunnen vormen; - Oeverbegroeiing: gesloten begroeiing op de oever (tussen de hoog- en laagwaterlijn). De abundantie wordt uitgedrukt als bedekkingspercentage van de groeivormen en wordt alleen beoordeeld in de zones waar de groeivorm onder referentieomstandigheden verwacht mag worden (begroeibaar areaal). Van de groeivormen Emers, drijvend, kroos en flab loopt het begroeibaar areaal tot een meter diepte (Bijkerk, 2004). Voor de groeivorm Submers beslaat het begroeibaar areaal voor dit watertype het gehele waterlichaam tot een diepte van drie meter (Bijkerk, 2014; Molen et al., 2018).

Voor de soortsamenstelling bestaat er een lijst met kenmerkende soorten per watertype. De soortsamenstelling wordt beoordeeld op basis van de aangetroffen soorten uit deze lijst (Molen et al., 2018). Voor de beschrijving van de vegetatie in een waterlichaam worden in grote plassen meerdere locaties zowel voor de oeverbegroeiing als voor de watervegetatie bemonsterd. Waterplantenbegroeiingen worden in de zomerperiode tussen begin juni en eind augustus opgenomen (Bijkerk, 2014). De abundantie en soortsamenstelling van watervegetatie worden bepaald door een aantal factoren waaronder het lichtklimaat onder water en de beschikbaarheid van voedingsstoffen. Op het moment wordt de kwaliteit van de overige waterflora als matig beoordeeld (factsheet). Als knelpunten voor watervegetatie is in de Viersprong de beperkte ruimte voor oeverplanten, de nutriëntenbelasting vanuit de landbouw en de hoeveelheid nutriëntenrijke bagger aangegeven (stroomgebiedbeheersplan). Ook het omvangrijke bestand aan bodemwoelende vis (met name brasem) dat zich in de Viersprong bevindt, kan hierbij een rol spelen. De aanleg van een zandstrandje betekent dat de aanwezige emerse vegetatie en oevervegetatie zal moeten wijken. Als gevolg van het fysieke ruimtebeslag van het strandje is er sprake van een permanente

KRW-toets strandje De Elzen te Dordrecht | 1 | 20210293/rap02

6 van 11

areaalverlies van deze vegetatie. Afhankelijk of er gekozen wordt voor het speelbos of het paviljoen gaat het hierbij om respectievelijk circa 70 of 50 meter oeverlengte. Bij het paviljoen is hierbij circa 50% van deze oever begroeid met vegetatie. Om een beter beeld van de huidige vegetatieontwikkeling te krijgen dient deze echter in de maanden juni tot en met augustus in beeld gebracht te worden. Door de aanleg van een zandstrand zal de ruimte voor oevervegetatie in het waterlichaam de Viersprong worden ingeperkt. Te weinig ruimte voor oeverplanten wordt op dit moment als één van de knelpunten genoemd voor de ontwikkeling van een goede waterkwaliteit (stroomgebiedbeheersplan). Voor de submerse en drijvende vegetatie wordt vooral een mogelijk effect verwacht als gevolg van beroering van de waterbodem. Dit heeft een direct negatief effect op in de bodem wortelende vegetatie, waardoor negatieve gevolgen voor de in het water groeiende vegetatie niet is uitgesloten. De mate waarin is afhankelijk van de intensiteit van de zwemactiviteiten en het oppervlak waarover dit plaatsvindt. Hierbij is het ook van belang of er daadwerkelijk sprake is van een toename van zwemactiviteit ten opzichte van de huidige situatie en in welke mate dit zich verhoudt tot bodemwoeling door vissen).

In de praktijk blijkt er in het noordoostelijke deel van de Viersprong, waar het zwemstrand is voorzien, relatief weinig submerse vegetatie aanwezig te zijn. Tijdens visstandonderzoek in de zomer van 2020 bleek er in het open water enkel sprake van een beperkte bedekking van drijfblad (circa 1%) in de vorm van gele plomp. Het daadwerkelijke effect van zwemactiviteiten op de huidige situatie zal hierdoor beperkt zijn. Verder geldt dat de zwemactiviteiten, zoals eerder aangegeven, kunnen leiden tot het vrijkomen van nutriënten uit slib en vertroebeling van het water. Het is echter de verwachting dat dit geen meetbaar effect zal hebben. Uit bovenstaande blijkt dat de aanleg van een zandstrand en de eventueel toenemende zwemactiviteiten daarvan, een negatief effect kunnen hebben op het ecologische kwaliteitselement “Overige waterflora”. Het gaat daarbij vooral om de emerse vegetatie en de oeverbegroeiing, die zullen verdwijnen. In theorie is er eveneens een mogelijk effect op submerse- en drijvende vegetatie, maar die komen in de praktijk op dit moment in beperkte dichtheden voor in het noordoostelijke deel van de Viersprong. Op dit moment wordt het kwaliteitselement Overige waterflora overigens nog als matig beoordeeld.

Om een inschatting te maken van de mate waarin het zandstrand een negatief effect heeft op de beoordeling van dit kwaliteitselement is het van belang te kijken naar het areaal dat verloren gaat voor vegetatie en naar de vegetatie die op dit moment voorkomt. Dit laatste kan het best gebeuren in de maanden juni tot en met augustus. Indien aangenomen wordt dat bij aanleg van een strandje bij het speelbos circa 70 meter geschikt areaal verdwijnt en bij het paviljoen circa 50 meter, dan leidt dit tot een afname van respectievelijk 2,4% en 1,7% van geschikt areaal binnen de huidige oeverlengte (2,9 kilometer). In een worst-case scenario, waarbij de beoordeling van overige waterflora bij een zandstrand een nul-score zou opleveren, leidt dit tot een maximale afname van respectievelijk 2,4% en 1,7% van de EKR-score. Hierbij wordt gerekend met de totale oeverlengte van de Viersprong. Bij de huidige beoordeling (matig) gaat het hierbij om een afname van circa 0,010-0,014 (speelbos) en 0,007-0,010 (paviljoen). Het is de vraag of dergelijke afnames in de praktijk (op waterlichaamniveau) meetbaar zijn, zeker indien bedacht wordt dat het een worst-case scenario betreft.

KRW-toets strandje De Elzen te Dordrecht | 1 | 20210293/rap02

7 van 11

MACROFAUNA De beschrijving van de ecologische toestand van een waterlichaam op basis van macrofauna wordt uitgevoerd door beschrijving van de abundantie en soortsamenstelling van kenmerkende, positief dominante en negatief dominante taxa (Molen et al., 2018). Negatief dominante soorten zijn soorten die bij dominant voorkomen een slechte ecologische toestand indiceren. Positief dominante soorten kunnen in de referentiesituatie dominant voorkomen. Kenmerkende soorten zijn soorten die in de referentiesituatie bij uitstek in het betrokken watertype voorkomen. Voor de opname van macrofauna wordt de oeverzone op meerdere locaties met een macrofaunanet bemonsterd. De bemonstering vindt bij voorkeur in het voorjaar plaats. In ondiepe, natuurlijke meren komt een macrofauna voor met soorten die indicatief zijn voor groot water met open bodem, verlandingsmilieus en complete vegetatiezonering in rustige hoeken of inhammen (Molen et al., 2018). Aangenomen wordt dat soorten van organische en venige bodems, soorten met voorkeur voor hard substraat zoals stenen en soorten van zandbodem niet of weinig vertegenwoordigd zijn (Molen et al., 2018). Wateren van het type M14 zijn immers gelegen in laagveen- of kleilandschappen. Op het moment wordt de toestand van macrofauna als matig beoordeeld (factsheet).

In het verleden was er sprake van een relatief hoge abundantie van negatief dominante soorten in de Viersprong. Daarnaast was het aantal positief dominante en kenmerkende soorten te laag voor een goede beoordeling (Tauw, 2013). De aanleg van een zandstrandje leidt enerzijds tot het verwijderen van de emerse- en oevervegetatie. Dit is belangrijk habitat voor veel macrofaunasoorten. Anderzijds leidt de aanwezigheid van het zand er toe dat er substraat is dat niet kenmerkend is voor wateren van het type M14. Het ligt daarom in de lijn der verwachting dat het aantal positief dominante en kenmerkende soorten zal afnemen. Zoals aangegeven was er in het verleden sprake van een relatief hoge abundantie van negatief dominante soorten in de Viersprong. Waarschijnlijk gaat het hierbij om soorten van slibrijke waterbodems die mogelijk niet dominant aanwezig zijn in de zandbodems van het strand. Dit kan een positief effect op de beoordeling hebben. Op zandbodems worden doorgaans andere soorten aangetroffen dan op bijvoorbeeld slibrijke bodems (Bijkerk, 2014). Op basis van bovenstaande is het lastig een inschatting te maken van het uiteindelijke effect van de ingreep op de toestand van de macrofauna. Indien gerekend wordt met een worst-case scenario (nul-score), dan is het negatieve effect vergelijkbaar met het effect zoals beschreven in voorgaande paragraaf (overige waterflora).

In een worst-case scenario, waarbij de beoordeling van macrofauna bij een zandstrand een nul-score zou opleveren, leidt dit tot een maximale afname van respectievelijk 2,4% en 1,7% van de EKRscore. Hierbij wordt gerekend met de totale oeverlengte van de Viersprong. Bij de huidige beoordeling (matig) gaat het hierbij om een afname van circa 0,010-0,014 (speelbos) en 0,007-0,010 (paviljoen). Net als bij de overige waterflora is het de vraag of dergelijke afnames in de praktijk (op waterlichaamniveau) meetbaar zijn.

VIS Voor het kwaliteitselement vis wordt de beoordeling in waterlichamen van het type M14 alleen op basis van de abundantie uitgevoerd. De soortsamenstelling wordt niet beoordeeld. Voor de beoordeling is het

KRW-toets strandje De Elzen te Dordrecht | 1 | 20210293/rap02

8 van 11

aandeel brasem en karper, het aandeel baars en blankvoorn, het aandeel plantminnende soorten en het aandeel zuurstoftolerante soorten belangrijk. Beoordeling van de visstand vindt plaats op basis van de bestandschatting van het waterlichaam als geheel. Dit visbestand bestaat uit de visstand in het open water, evenals de visstand in de oeverzone (naar oppervlakte gewogen gemiddelde). Zoals aangegeven leidt de aanleg van een zandstrand tot de verwijdering van emerse- en oevervegetatie op de locatie waar het zandstrand wordt gerealiseerd. Zwemactiviteiten kunnen daarnaast een effect hebben op submerse en drijvende vegetatie, al zijn die zeer beperkt aanwezig ten hoogte van de aangewezen locaties. In de praktijk zullen deze veranderingen voornamelijk een effect hebben op plantminnende en zuurstoftolerante soorten. Deze soorten hebben een voorkeur voor plantenrijk habitat, dat vaak in de oeverzone is te vinden. Voor de maatlatbeoordeling zijn vooral grote soorten als snoek en zeelt hierbij van belang. Deze soorten kunnen een relatief groot aandeel in de visbiomassa hebben. Effecten op de visstand als gevolg van eventueel verlies aan paaihabitat zijn niet waarschijnlijk. Dit is elders in de Viersprong naar verwachting voldoende aanwezig.

Uit bovenstaande blijkt dat de aanleg van een zandstrand leidt tot ongeschikt habitat voor plantminnende en zuurstoftolerante soorten (in de praktijk vooral snoek en zeelt) in de oeverzone van deze locatie. Om een inschatting te maken van de omvang van het effect is het wederom van belang te kijken naar het areaal dat verloren gaat. Dat is, afhankelijk van de locatie, circa 50 tot 70 meter oeverlengte (respectievelijk 1,7% en 2,4% van de totale oeverlengte). Rekenend met een effectieve breedte van circa 1 tot 2 meter gaat het hierbij om een oppervlak van respectievelijk 75 m2 en 105 m2, wat 0,11% en 0,17% van het totale oppervlak van de viersprong betreft (6,8 hectare in totaal). Op het moment (2020) wordt de visstand in de Viersprong als ontoereikend beoordeeld. De visbiomassa wordt gedomineerd door brasem, terwijl soorten als baars en blankvoorn slecht een beperkt aandeel in de totale biomassa hebben. Plantminnende en zuurstoftolerante vis is voornamelijk aanwezig (biomassa) in de vorm van snoek en zeelt. Indien gerekend wordt met een worst-case scenario, waarbij aangenomen wordt dat alle plantminnende en zuurstoftolerante vis in de oeverzone aanwezig zou zijn, dan leidt een afname van 0,17% van potentieel plantenrijk habitat tot een maximale afname van 0,001 bij een zandstrand bij het speelbos.

Voor het zandstrand bij het paviljoen zal een afname van 0,11% van plantenrijk habitat tot geen verandering in de EKR-score leiden.

KRW-toets strandje De Elzen te Dordrecht | 1 | 20210293/rap02

9 van 11

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN -

De aanleg van een zandstrand in de oeverzone van de Viersprong leidt tot een habitat waarbij vegetatierijke oeverzones niet kunnen voorkomen. Vegetatierijke oeverzones is het streefbeeld voor wateren van het type M14, waartoe de Viersprong behoord.

-

Voor het kwaliteitselement fytoplankton wordt geen significante verslechtering van de ecologische kwaliteit verwacht. Hoewel er effecten kunnen zijn, vinden deze zeer lokaal plaats en zijn deze van een tijdelijke aard.

-

Voor het kwaliteitselement overige waterflora wordt op de locatie van het zandstrand een verslechtering van de ecologische kwaliteit verwacht. In het ergste geval leidt dit tot een afname van circa 0,01 punt in de huidige beoordeling (matig), waarbij het de vraag is of dit op waterlichaamniveau meetbaar is.

-

Voor het kwaliteitselement macrofauna is het lastig een inschatting te maken van het effect van de ingreep op de toestand. De ingreep zal naar verwachting een negatief effect hebben op positieve taxa en kermerkende soorten, maar kan een positief effect hebben op dominant negatieve taxa. In het worst-case scenario is er sprake van een afname van circa 0,01 punt in de huidige beoordeling (matig). Het is de vraag of dit op waterlichaamniveau meetbaar is.

-

Voor het kwaliteitselement vis wordt op de locatie van het zandstrand een verslechtering van de ecologische kwaliteit verwacht. In het ergste geval leidt dit tot een afname van 0,001 punt in de huidige beoordeling (ontoereikend). Er is hierdoor geen sprake van een meetbaar effect.

-

Om meer inzicht te krijgen in de huidige ecologische kwaliteit wordt aanbevolen beide locaties in de zomermaanden (juni-augustus) te onderzoeken op minimaal de aanwezige waterflora en eventueel andere kwaliteitselementen (met uitzondering van macrofauna, welke in het voorjaar in beeld gebracht dient te worden).

KRW-toets strandje De Elzen te Dordrecht | 1 | 20210293/rap02

10 van 11

LITERATUUR ATKB, 2020. KRW visstandonderzoek Waterschap Hollandse Delta 2020. Bijkerk, R. red., 2014. Handboek hydrobiologie. Biologisch onderzoek voor de beoordeling van Nederlandse zoete en brakke oppervlaktewateren. STOWA, Utrecht. Haag, C., Veenstra, J., Everdij, L. & Teuling, W., 2014. Nota toetsingskader en beleidsregels voor het watersystem 2014. Waterschap Hollandse Delta, Ridderkerk. Molen, D.T. van der, Pot, R., Evers, C.H.M., Herpen, F.C.J., van & Nieuwerburgh, L.L.J. van, 2018. Referenties en maatlatten voor natuurlijke watertypen voor de Kaderrichtlijn Water 2021-2027. STOWA 2018-49. ISBN 978.90.5773.813.5. Uitgave Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer, Amersfoort. Samenvatting van het concept Stroomgebied Beheerplan 3. KRW-waterlichamen op het Eiland van Dordrecht, Concept. Tauw, 2013. Watersysteemanalyse KRW-waterlichamen in het beheergebied van WSHD. Kenmerk R0101215755SSI-kmi-V01-NL. Waterschap Hollandse Delta, Utrecht.

KRW-toets strandje De Elzen te Dordrecht | 1 | 20210293/rap02

11 van 11

KRW-toets strandje De Elzen te Dordrecht | 1 | 20210293/rap02

12 van 1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/388/documents/13825