Bijlage 1 Voorbeschermingsregels bodem.pdf
Tekst van het document
Hoofdstuk 1 Voorbeschermingsregels bodem Afdeling 1.1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Voorrangsbepaling en afbakening 1. Voor zover de voorbeschermingsregels in dit hoofdstuk afwijken van de regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet, gelden de voorbeschermingsregels. 2. De voorbeschermingsregels in dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op activiteiten die al werden verricht voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit hoofdstuk. Artikel 1.2 Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. bodemgevoelig gebouw: bodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. bodemgevoelige locatie: bodemgevoelige locatie als bedoeld in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Afdeling 1.2 Bouwen op verontreinigde bodem Artikel 1.3 Waarden toelaatbare kwaliteit bodemgevoelig gebouw In aanvulling op artikel 22.30, eerste lid, zijn voor PFOA (perfluoroctaanzuur) de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem opgenomen in tabel 1.3. Tabel 1.3: waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem voor PFOA per gebruiksfunctie Gebruiksfunctie ( in de zin van de bodemfunctiekaart en bodemfunctieklassen )
Waarden (in mg/kg droge stof)
Landbouw/natuur Wonen Industrie
0,060 0,060 0,060
Artikel 1.4 Specifieke beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen op verontreinigde bodem 1. In aanvulling op artikel 22.29, eerste lid, onder c, wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 1.3, niet worden overschreden; of b. bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Het bevoegd gezag kan met het oog op het voorkomen van risico's voor de gezondheid, voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning bouwen op verontreinigde bodem als het bevoegd gezag van oordeel is dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, maar door het stellen van voorschriften nog geschikt kan worden gemaakt.
Artikel 1.5 Meldplicht bouwen op een bodemgevoelige locatie 1. Het is verboden een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2. Een melding bevat: a. de resultaten van een voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; c. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht; d. de dagtekening; en e. bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 22.30 of artikel 1.3: de gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. 3. Dit artikel is niet van toepassing als de bouwactiviteit als vergunningplichtig is aangewezen in dit omgevingsplan. Artikel 1.6 Maatwerkvoorschriften bouwen op verontreinigde bodem Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 1.5. Artikel 1.4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 1.3 Graven in de bodem Artikel 1.7 Maatwerkregel graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Paragraaf 4.119 van het Besluit activiteiten leefomgeving is ook van toepassing op het graven in bodem met een gehalte PFOA (perfluoroctaanzuur) van onder of gelijk aan 0,060 mg/kg droge stof, als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3. Artikel 1.8 Maatwerkregel graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Paragraaf 4.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving is ook van toepassing op het graven in bodem met een gehalte PFOA (perfluoroctaanzuur) van meer dan 0,060 mg/kg droge stof, als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3.
Afdeling 1.4 Saneren van de bodem Artikel 1.9 Maatwerkregel saneringsaanpak: verwijderen van verontreiniging Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem wordt, in afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor het saneren van de bodem op een bodemgevoelige locatie met vluchtige stoffen in de bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, de sanering uitsluitend uitgevoerd volgens de saneringsaanpak verwijderen van verontreiniging, bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Afdeling 1.5 Toepassen van bouwstoffen Artikel 1.10 Verbod toepassen van de bouwstoffen immobilisaten, AVI-bodemassen en staalslakken
Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 4.1257 van het Besluit activiteiten leefomgeving, te verrichten als het gaat om het toepassen van AVI-bodemassen, immobilisaten en staalslakken.
Afdeling 1.6 Toepassen van grond of baggerspecie Artikel 1.11 Verbod toepassen thermisch gereinigde grond Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 4.1265 van het Besluit activiteiten leefomgeving, te verrichten als het gaat om het toepassen van thermisch gereinigde grond.