Benchmark Huishoudelijk Afval analyserapport peiljaar 2023.pdf .pdf
Tekst van het document
ANALYSERAPPORT PEILJAAR 2023
Datum: 7 november 2024 Status: definitief
De Benchmark Huishoudelijk Afval is een product van de NVRD, in samenwerking met Rijkswaterstaat en uitgevoerd door Cyclusmanagement.
Pagina 2 van 60
Inhoudsopgave 1. Inleiding
4
2. Kernprestaties
5
2.1 Schematische weergave 2.2 Milieuprestaties 2.3 Kostenprestaties 2.4 Dienstverleningsprestaties 2.5 Correlatie tussen kernprestaties
6 7 9 10 12
3. Prestatiebepalende factoren
13
3.1 Inzamelstrategie 3.2 Nascheiding pmd 3.3 Inzamelwijze
13 16 17
4. Prestaties per stroom
19
4.1 Fijn restafval 4.2 Gft 4.3 Oud papier en karton 4.4 Pmd 4.5 Glas 4.6 Textiel 4.7 Overige fijn huishoudelijke stromen 4.8 Grof huishoudelijk afval 4.9 Bijplaatsingen
19 21 24 27 30 32 34 35 39
5. Best practices
41
Bijlagen
44
Pagina 3 van 60
1. Inleiding Jaarlijks organiseert de NVRD de benchmark huishoudelijk afval, een prestatiemeting die zich richt op afval- en grondstoffenbeheer. Het doel van deze benchmark is om gemeenten en inzamelbedrijven van elkaar te laten leren door middel van 'benchlearning'. De verkregen data stelt deelnemers in staat om analyses te maken op het gebied van milieueffectiviteit en kostenefficiëntie. Door de inzamelprestaties te koppelen aan factoren zoals gemeentelijke kenmerken, ingezette inzamelstrategieën en middelen, wordt duidelijk welke effecten specifieke beleidskeuzes hebben.
Dekking 2023
Deze benchmarkeditie heeft plaatsgevonden in 2024 en ging over peiljaar 2023. In totaal hebben 122 gemeenten en inzamelbedrijven deelgenomen, waarbij 151 vragenlijsten zijn ingevuld die gezamenlijk 189 gemeenten vertegenwoordigen. Dit komt doordat sommige inzamelbedrijven meerdere gemeenten vertegenwoordigen of voor meerdere gemeenten vragenlijsten hebben ingevuld. In totaal wordt met deze benchmark 55% van de Nederlandse gemeenten gedekt.
Verantwoording Deze benchmarkanalyse bevat de geaggregeerde, gemiddelde resultaten van de Benchmark Huishoudelijk Afval, peiljaar 2023. Het is daarmee een samenvatting op hoofdlijnen. De gemiddelde resultaten zijn ongewogen, ofwel iedere (groep) gemeente(n) weegt even zwaar door in de weergegeven gemiddelden. Ofschoon de benchmark een dekkingsgraad heeft van 55% doen ook grote delen van Nederland (met name in Zeeland, Noord-Brabant, Limburg en Friesland) niet mee aan de benchmark. De getoonde gemiddelden zijn dus representatief voor de benchmark en niet voor Nederland als geheel. --> bijlage 2. De door de gemeenten en bedrijven aangeleverde gegevens die aan deze benchmarkanalyse ten grondslag liggen zijn meerdere malen gevalideerd. Extreme onrealistische waarden zijn uitgesloten. De betrouwbaarheid van de in dit rapport weergegeven gemiddelden wordt mede bepaald door het aantal gemeenten dat hiervoor gegevens heeft aangeleverd (in dit rapport weergegeven met de n-waarde) en de spreiding van de individuele waarden (vooraf gescreend)--> bijlage 2.
Nieuw dit jaar: recyclepercentage Dit jaar is een nieuwe milieuprestatie-indicator geïntroduceerd in de benchmark: het recyclepercentage. Deze indicator geeft aan hoeveel procent van het vrijkomende huishoudelijk afval uiteindelijk wordt ingevoerd in het recycleproces. Vanuit Europa ligt er een nieuwe norm om minimaal 65% van het huishoudelijk afval te recyclen in 2035. De eerste stap die het VANG-programma heeft vastgesteld is het behalen van 60% recycling in 2030.
Leeswijzer Dit analyserapport bestaat uit 4 hoofdstukken. In hoofdstuk 2 worden de kernprestaties op de prestatiegebieden milieu, kosten en dienstverlening gepresenteerd en in onderlinge samenhang geanalyseerd. In hoofdstuk 3 worden de belangrijkste prestatiebepalende factoren belicht. In hoofdstuk 4 worden de resultaten per afval- en grondstofstroom weergegeven. Tot slot worden in hoofdstuk 5 de bestpresterende gemeenten in de benchmark gepresenteerd.
Pagina 4 van 60
2. Kernprestaties De benchmark huishoudelijk afval maakt gebruik van de 'afvaldriehoek'. Iedere punt van de driehoek vertegenwoordigt een prestatiegebied (milieu, kosten en dienstverlening) waar prestatie-indicatoren op zijn gedefinieerd. De driehoek impliceert de onderlinge afhankelijkheid van de drie prestatiegebieden. Zo heeft de dienstverlening invloed op de milieuprestaties maar ook op de kosten. Het gemeentelijk afval- en grondstoffenbeheer beoogt over het algemeen zo veel mogelijk service en recycling van huishoudelijk afval tegen zo laag mogelijke beheerkosten. Het recyclepercentage en de totale beheerkosten zijn de belangrijkste prestatie-indicatoren in deze benchmark. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste prestaties per prestatiegebied gepresenteerd: de zogeheten kernprestatieindicatoren (kpi's).
Prestaties per hoogbouwklasse Omdat het aandeel hoogbouw in een verzorgingsgebied zeer prestatiebepalend blijkt te zijn en hierop nauwelijks kan worden gestuurd, zijn de prestatie-indicatoren niet alleen berekend voor de gehele benchmarkpopulatie (in dit rapport BENCHMARK genoemd), maar ook per hoogbouwklasse (in dit rapport kortweg KLASSE genoemd). De volgende hoogbouwklasses zijn gedefinieerd: Klasse A gemeenten met 50 t/m 100% hoogbouw Klasse B gemeenten met 30 t/m 49% hoogbouw Klasse C gemeenten met 20 t/m 29% hoogbouw Klasse D gemeenten met 0 t/m 19% hoogbouw Hoogbouw is in de benchmark gedefinieerd als zijnde meergezinswoning (CBS-definitie): elke woning die samen met andere woonruimten c.q. bedrijfsruimten een geheel pand vormt. Hieronder vallen flats, galerij-, portiek-, beneden- en bovenwoningen, appartementen en woningen boven bedrijfsruimten.
Pagina 5 van 60
2.1 Schematische weergave In het onderstaande schema zijn de belangrijkste prestaties van de benchmark huishoudelijk afval zoveel mogelijk in samenhang weergegeven. De gemiddelden vertegenwoordigen de gehele benchmarkpopulatie, dus alle hoogbouwklassen.
In peiljaar 2023 kwam er gemiddeld 457 kilogram per inwoner aan huishoudelijk afval vrij, waarvan 67% werd gescheiden en 56% werd gerecycled. Na scheiding resteerde gemiddeld 146 kg per inwoner aan restafval. Daarbij opgeteld de uitval die tijdens sortering en verwerking optrad, bedroeg de totale hoeveelheid niet-gerecycled huishoudelijk afval gemiddeld 201 kg per inwoner. De CO2-reductie die met deze recycleprestaties werd behaald ten opzichte van verbranding bedroeg in 2023 89 kg per inwoner. De totale beheerkosten die gemoeid zijn met het gemeentelijke afval- en grondstoffenbeheer bedroegen in 2023 € 219,- per huisaansluiting. Voor dienstverlening is een score-index opgenomen in de benchmark. Deze bedroeg in 2023 275 punten. Later in dit hoofdstuk wordt uitleg gegeven aan deze index.
Pagina 6 van 60
2.2 Milieuprestaties Huishoudelijk afval Een belangrijke kern-milieuprestatie in de benchmark is de hoeveelheid huishoudelijk afval. Hieronder wordt verstaan al het (grof) huisvuil en alle grondstoffen die bij particuliere huishoudens vrijkomt. Het voorkomen dat huishoudelijk afval vrijkomt (afvalpreventie) is een steeds belangrijker uitgangspunt in het gemeentelijk afvalbeleid. Steeds meer gemeenten formuleren daarom een huishoudelijk afval-doelstelling om het effect van het gevoerde afvalpreventiebeleid te kunnen meten. In 2023 bedroeg de gemiddelde hoeveelheid huishoudelijk afval 457 kilogram per inwoner, nagenoeg gelijk aan de hoeveelheid in 2022. Na de excesjaren 2020 en 2021 toen er vanwege de corona-pandemie zeer veel huishoudelijk afval vrijkwam, stabiliseert het huishoudelijk afval aanbod zich tot onder het niveau van voor de corona-periode. (n=151) 800
735
448
400
388 346
440 359
471 348
478
317
457
317
kg per inwoner
528
500
505
486
495
489
528
514 463
457
400 300 200
BENCHMARK
2023
2022
2021
2020
2019
2018
2017
0
2016
KLASSE D
KLASSE C
100
KLASSE B
200
600 500
600
300
735
654
KLASSE A
kg per inwoner
700
De verschillen in huishoudelijk afvalaanbod tussen de hoogbouwklassen zijn groot. Gemeenten met veel hoogbouw (klasse A) hebben gemiddeld 20% minder afval en grondstoffen per inwoner per jaar dan huishoudens met veel laagbouw (klasse D). De kleinere huizen en geen tuinen bij hoogbouw zorgen voor minder (tuin)afvalaanbod. Voorts valt ook de grote spreiding binnen de hoogbouwklassen op, vooral in hoogbouwklasse D. Het aanbod grof huishoudelijk afval (verschillen in acceptatiebeleid op de milieustraat) is daarbij bepalend.
Afvalscheiding Onder afvalscheiding wordt verstaan het percentage van het huishoudelijk afval dat gescheiden wordt. Hierin is ook nascheiding meegenomen: de grondstoffen die na inzameling mechanisch uit het restafval worden gescheiden. In 2023 werd gemiddeld 67% van het vrijkomende huishoudelijk afval gescheiden, vrijwel gelijk aan het percentage in 2022. Daarmee lijkt het er op dat de afvalscheiding zich enigszins stabiliseert in de benchmark. (n=151) 96%
59%
68% 68% 67% 64% 65% 66% 66%
40 20
2023
2022
2021
2020
0
2019
BENCHMARK
29%
KLASSE D
29%
60
2017
40%
Scheidings%
67 59%
KLASSE C
%
68 51%
KLASSE B
20
62
46
KLASSE A
40
63%
80 77
2018
78%
80 60
96%
88%
2016
100
Pagina 7 van 60
De verschillen tussen de hoogbouwklassen zijn groot. Daar waar er in hoogbouwklasse A slechts 46% van het huishoudelijk afval wordt gescheiden is dat in hoogbouwklasse D gemiddeld 77%. De minder optimale scheidingsomstandigheden bij gemeenten met veel hoogbouw speelt een belangrijke rol. Naast de hoeveelheid is ook de kwaliteit van de ingezamelde grondstoffen van groot belang, immers dat bepaalt de recyclingmogelijkheden van het materiaal. Een manier om inzicht in de kwaliteit van de brongescheiden grondstoffen te verkrijgen is door periodiek samenstellingsanalyses uit te voeren. Hiermee kan het gewichtspercentage aan vervuiling en stoorstromen per ingezamelde grondstof worden vastgesteld. In 2023 heeft 22% van de gemeenten die aan de benchmark hebben deelgenomen samenstellingsonderzoeken laten uitvoeren voor gft, 18% van de gemeenten voor pmd en 13% voor oud papier en karton.
Restafval De hoeveelheid huishoudelijk afval die resteert na bron- en nascheiding is de hoeveelheid restafval (inclusief grof (verbouwings-)restafval dat overblijft na nascheiding). Op deze kern-milieuprestatie is veelal de doelstelling van het gemeentelijk afval- en grondstoffenbeleid gebaseerd. In het VANG-programma is een ambitie opgenomen van maximaal 100 kilogram restafval per inwoner per jaar. Sinds 2024 is daar een recycle-ambitie aan toegevoegd (zie onder recycling). In 2023 bedroeg de hoeveelheid restafval gemiddeld 146 kg per inwoner. Ook hier is er nauwelijks sprake van progressie en ligt de hoeveelheid restafval dichtbij die van 2022. In hoogbouwklasse A is de hoeveelheid restafval bijna twee keer zo hoog als in hoogbouwklasse D (207 kg/inw versus 108 kg/inw). (n=151)
26
145
146
100 50 0
2023
KLASSE B
KLASSE A
26
162
2022
68
178
2021
108
97
50 0
146
165
2020
100
151
170
150
2019
148
182
2018
167
198
2017
198
207
BENCHMARK
150
200
KLASSE D
kg per inwoner
200
284 257
2016
267
kg per inwoner
284
250
KLASSE C
300
Kanttekening bij deze kern-indicator restafval is dat het gaat om de hoeveelheid restafval die overblijft na (na)scheiding. Omdat bij de verwerking van nagescheiden grondstoffen ook nog 'restafval' ontstaat (zie bij recycling, introduceert de benchmark een nieuwe indicator niet-gerecycled huishoudelijk afval. In 2023 bedroeg de gemiddelde hoveelheid niet-gerecycled huishoudelijk afval 201 kg per inwoner.
Recycling Voor de eerste keer opgenomen in de benchmark is deze nieuwe milieuprestatie-indicator: het recyclepercentage. Deze indicator geeft aan hoeveel procent van het vrijkomende huishoudelijk afval uiteindelijk wordt ingevoerd in het recycleproces. Het verschil tussen het recyclepercentage en het afvalscheidingspercentage is de uitval die plaatsvindt bij de sortering en verwerking van de gescheiden ingezamelde grondstoffen. Daarnaast zijn er afvalstromen die weliswaar gescheiden worden ingezameld maar niet gerecycled worden (waaronder asbest, c-hout). In 2023 bedroeg het gemiddelde recyclepercentage 56%, 11%punt lager dan het afvalscheidingspercentage. Het landelijke VANGprogramma huishoudelijk afval heeft begin 2024 een nieuwe doelstelling geformuleerd op deze indicator, namelijk minimaal 60% recycling van al het huishoudelijk afval in 2030 en 65% in 2035. Bijna de helft (48%) van de benchmarkgemeenten voldeden in 2023 al aan de 60%- doelstelling. De verschillen in recyclepercentage tussen de hoogbouwklasses zijn groot, maar niet groter of kleiner dan bij afvalscheiding het geval is. Ofwel, de uitval die plaatsvindt bij sortering en verwerking is bij alle hoogbouwklassen ongeveer gelijk.
Pagina 8 van 60
Recyclepercentage
Uitval bij sortering en verwerking
(n=151)
50% 41%
100
KLASSE D
25%
92
51
50
54
18
18
80 60 40 20
33%
25%
92
121
0
29
61
55
20
18
BENCHMARK
56
BENCHMARK
35
65 57
KLASSE C
20
41%
KLASSE B
40
52
KLASSE A
%
60
121
117
KLASSE D
75% 64%
120
KLASSE C
80
140
90%
KLASSE B
90%
kg per inwoner
100
KLASSE A
(n=151)
CO2-reductie Door huishoudelijk afval te recyclen in plaats van te verbranden wordt CO2 gereduceerd. De CO2-reductie wordt in de benchmark berekend in kilogram CO2 per inwoner, op basis van kentallen die onderzoeksbureau CE-Delft in opdracht van de NVRD voor 13 grondstoffen uit het huishoudelijk afval heeft bepaald. Omdat nog niet voor iedere huishoudelijke grondstof een kengetal beschikbaar is de hier weergegeven CO2-reductie nog niet volledig representatief voor de hele stroom huishoudelijk afval. In 2023 bedroeg de CO2-reductie gemiddeld 89 kg per inwoner. De grondstoffen die de meeste CO2 reduceren door ze te recyclen in plaats van te verbranden, zijn pmd, textiel, metalen en afgedankte elektr(on)ische apparatuur. De scheidingsresultaten per hoogbouwklasse van deze grondstoffen volgen in grote mate de algehele scheidingsresultaten per hoogbouwklasse. Om die reden is ook hier te zien dat de gemiddelde CO2-reductie van hoogbouwklasse A het laagste is en hoogbouwklasse D het hoogste. (n=151) 119 100 82
40 20
67 59 44
132
100 89 68
49
44
KLASSE C
60
90
132
KLASSE D
80
KLASSE B
100
KLASSE A
kg per inwoner
120
128
BENCHMARK
140
2.3 Kostenprestaties Beheerkosten De enige kernprestatie op kostengebied in de benchmark is de totale beheerkosten. De totale afvalbeheerkosten omvatten alle directe en indirecte uitgaven die samenhangen met het beheer van gemeentelijk afval en grondstoffen. Deze kernindicator wordt in de benchmark uitsluitend berekend voor de deelnemende regiegemeenten. De totale beheerkosten bestaan uit drie onderdelen: a) de directe kosten voor inzameling, opslag, overslag en verwerking, b) de indirecte kosten (overhead) die ten laste komen van de afvalstoffenheffing, en c) aftrekposten zoals vergoedingen voor grondstoffen onder producentenverantwoordelijkheid en opbrengsten uit verwerking. Kosten zoals kwijtschelding, btwcompensatie, en uitgaven voor zwerfafval en bedrijfsafval zijn uitgesloten van de totale beheerkosten. Hierdoor kunnen de totale beheerkosten lager uitvallen dan de gemeentelijke afvalstoffenheffing.
Pagina 9 van 60
In 2023 bedroegen de gemiddelde afvalbeheerkosten voor de deelnemende regiegemeenten € 219,- per huisaansluiting. Dat is een stijging van 4% ten opzichte van peiljaar 2022. Gezien de volumes ingezameld en gescheiden huishoudelijk afval nauwelijks zijn toegenomen, kan deze kostentoename volledig worden toegeschreven aan gestegen inzamel- en verwerkingstarieven en (in geval van eigen inzameldienst) gestegen loon- en voertuigkosten. Ook hier zijn er verschillen tussen de hoogbouwklassen. In gemeenten met veel hoogbouw (klasse A) zijn de totale beheerkosten gemiddeld € 231,- per huisaansluiting, 12% hoger dan gemeenten met weinig hoogbouw (klasse D). De verschillen tussen hoogbouwklassen zijn relatief gezien minder groot dan bij de andere indicatoren, zoals huishoudelijk afval, afvalscheiding en restafval. (n=116)
231
231
222
195
150
156
219
159
100
100
100
209
200 178 150
168
162
201
210
219
175
100 50
2023
2022
2021
2020
2019
2018
2017
2016
KLASSE C
0
KLASSE B
50
203
250
316
€ per aansluiting
200
284
307
BENCHMARK
250
316
KLASSE D
300
316
KLASSE A
€ per aansluiting
350
2.4 Dienstverleningsprestaties Dienstverlening grondstoffen Dienstverlening laat zich moeilijk kwantificeren. In deze benchmark is daartoe toch een poging gedaan, waarbij vooral is gekeken naar de gelegenheid die inwoners krijgen geboden om grondstoffen en restafval aan te bieden. Op basis van onder andere de inzamelfrequenties, containerdichtheden en openingsstelling milieustraat is een score berekend die het mogelijk maakt de gemeenten onderling te vergelijken. Door deze methodiek ieder jaar op dezelfde wijze te herhalen ontwikkelt zich ook een index, waarmee het dienstverleningsniveau over de jaren heen kan worden gemonitord. In 2023 bedroeg de dienstverleningsindex voor de grondstoffeninzameling gemiddeld 275 punten, een fractie lager dan de score in 2022 (280 punten). Het verschil in dienstverleningsniveau voor grondstoffen tussen de hoogbouwklassen is groot. De gemeenten met de meeste hoogbouw (klasse A) zijn vaak ook de grotere gemeenten die gemiddeld een hoger dienstverleningsniveau aanhouden dan de gemeenten met weinig hoogbouw. Ze houden een hogere dichtheid voor brengvoorzieningen aan (toegankelijk voor alle inwoners) en halen in aanvulling daarop ook vaak grondstoffen aan huis op waar het kan (laagbouw). Ook de milieustraten in hoogbouwklasse A gemeenten hebben een hoger voorzieningenniveau en hebben een ruimere openingsstelling. Dienstverlening grondstoffen
(n=151)
460
466
467
200
224
296 205
269
KLASSE C
KLASSE B
275
187
100 0
247
89
89
BENCHMARK
300
359 333
KLASSE A
score
400
467
KLASSE D
500
Pagina 10 van 60
Dienstverlening (grof)restafval Een zelfde soort index berekent de benchmark voor de inzameling van (grof)restafval, waarbij moet worden opgemerkt dat een hoog dienstverleningsniveau voor restafval geen stimulans oplevert voor het scheiden van grondstoffen. Sterker, het kan het bevorderen van afvalscheiding ook tegenhouden, ondanks een hoog dienstverleningsniveau voor de grondstoffeninzameling. De dienstverleningsindex voor (grof)restafval bedroeg in 2023 gemiddeld 36 punten. Ook hier is de dienstverlening het hoogst in klasse A en het laagst in klasse D. Dienstverlening (grof)restafval
(n=151)
71
60
59
40
41
67
71
70 59
39
36
35
16
12
12
BENCHMARK
KLASSE B
0
21
KLASSE C
20
KLASSE D
28
KLASSE A
score
80
Pagina 11 van 60
2.5 Correlatie tussen milieu- en kostenprestaties De 'afvaldriehoek' die we voor de benchmark gebruiken impliceert een zekere afhankelijkheid tussen de drie prestatiegebieden. In de onderstaande figuren wordt het verband laten zien tussen de MILIEU- en KOSTENprestaties. Het verband is niet statistisch onderzocht, ofwel er heeft geen regressie-onderzoek plaatsgevonden.
Recycling versus beheerkosten
Restafval versus beheerkosten
(n=116)
(n=116)
100%
300
90% 250
Restafval (kg/inw)
Recycling (%)
80% 70% 60% 50%
200
150
100
40% 50 30% 20%
0 0
100
200
300
400
Beheerkosten (€ per aansl)
Beheerkosten (€ per aansl)
Recycling versus beheerkosten
Restafval versus beheerkosten
per hoogbouwklasse
per hoogbouwklasse
70% KLASSE D
60%
KLASSE C
55%
KLASSE B
50% 45% 40% 35% 30% 200
KLASSE A
180
220
230
240
KLASSE B
160 KLASSE C 140 120 100
210
KLASSE A
200
Restafval (kg/inw)
Recycling (%)
65%
220
KLASSE D Beheerkosten (€ per aansl)
Beheerkosten (€ per aansl)
Al vaker aangetoond in vorige edities van de benchmark is het verband tussen de hoeveelheid restafval en de totale beheerkosten. Hoe meer afvalscheiding en recycling, hoe minder restafval en hoe lager de totale beheerkosten. De verklaring is voor een belangrijk deel gelegen in het feit dat restafval - mede door de ingevoerde verbrandingsbelasting door het Rijk - een dure afvalstroom is. Gemeenten die geïnvesteerd hebben in betere recycling en scheiding van huishoudelijk afval, hebben minder restafval en lagere verbrandingskosten. Hier niet weergegeven, maar ook binnen de hoogbouwklasses is het verband tussen enerzijds recycling en hoeveelheid restafval, en anderzijds de totale beheerkosten duidelijk aanwezig. In bijlage 3 wordt verband weergegeven tussen MILIEU- en KOSTEN-prestaties en tussen DIENSTVERLENING- en KOSTEN-prestaties.
Pagina 12 van 60
3. Prestatiebepalende factoren Het gemeentelijk afval- en grondstoffenbeheer beoogt over het algemeen zo veel mogelijk recycling en een zo hoog mogelijk dienstverleningsniveau tegen zo laag mogelijke kosten. In het vorige hoofdstuk is laten zien dat de mate van hoogbouw sterk prestatiebepalend is, maar nauwelijks stuurbaar is. In dit hoofstuk komen de prestatiebepalende factoren aan bod die wel stuurbaar zijn, waaronder: - Inzamelstrategie - Nascheiding pmd - Inzamelwijze Uiteraard zijn er ook andere factoren die prestatiebepalend zijn waaronder communicatie en handhaving. Deze factoren zijn echter lastig kwantificeerbaar en om die reden buiten deze analyse gelaten.
3.1 Inzamelstrategie Met inzamelstrategie wordt in deze benchmark de beleidsmatige aanpak bedoeld waarmee scheiding en recycling van huishoudelijk afval wordt bevorderd. De volgende inzamelstrategieën worden onderscheiden in de benchmark: Inzamelstrategie
Omschrijving
Tariefdifferentiatie
Ook wel diftar genoemd: betalen per keer of hoeveelheid restafval die wordt aangeboden. Onder diftar valt in deze benchmark niet de 'volume-diftar' (hoe groter de minicontainer voor restafval, hoe meer men betaalt)
Servicedifferentiatie
Grondstoffen worden met een hoog serviceniveau ingezameld (inzameling aan huis, hoge ophaalfrequentie) en restafval wordt met een laag serviceniveau ingezameld (met een lage ophaalfrequentie of met verzamelcontainers op buurtniveau).
Combinatie
In de praktijk komt het vaak voor dat diftar in combinatie met servicedifferentiatie wordt toegepast.
Basis-systeem
Met basis-systeem wordt een inzamelsysteem bedoeld zonder diftar en zonder servicedifferentiatie.
Van de genoemde inzamelstrategieën is tariefdifferentiatie de meest prestatiebepalend. Om die reden laten we eerst het onderscheid tussen diftar en niet-diftar zien. In de figuur hiernaast zijn beide 'bloedgroepen' zichtbaar gemaakt waarbij het recyclepercentage is afgezet tegen de totale beheerkosten. Evident is dat de diftar-gemeenten een overwegend hoger recyclepercentage en lagere beheerkosten hebben dan de niet-diftar gemeenten. Daarnaast kan ook worden opgemaakt dat de meeste diftar-gemeenten de 60% recyclingdoelstelling reeds hebben gerealiseerd en dat de meeste niet-diftargemeenten nog de nodige inspanningen moeten verrichten om deze doelstelling te halen.
Recycling versus beheerkosten 100% 90% 80%
Recycling (%)
Tariefdifferentiatie
70% 60% 50% 40% 30% 20% 0
100
200
300
400
Beheerkosten (€ per aansl) Diftar Geen diftar
Pagina 13 van 60
Met een gemiddeld recyclepercentage van 65% doen de diftar-gemeenten het 16%punt beter dan de groep niet-diftargemeenten (gemiddeld 49%). Ook het verschil in hoeveelheid restafval is groot: de diftargemeenten hebben met gemiddeld 107 kg 42% minder restafval dan de groep niet-diftargemeenten (gemiddeld 183 kg/inw). De benchmark toont bovendien aan dat de diftargemeenten goedkoper uit zijn dan de niet diftargemeenten. De totale beheerkosten van de diftargemeenten zijn met gemiddeld €203,per huisaansluiting 14% lager dan de die van de groep niet-diftargemeenten (€237,- per aansluiting). Recycling versus beheerkosten
Restafval versus beheerkosten
66%
190 DIFTAR
GEEN DIFTA
180
62%
170
60%
160
Restafval (kg/inw)
58% 56% 54% 52%
150 140 130 120
50%
110
GEEN DIFTA
48% 200
210
220
230
DIFTAR
100 200
240
210
Beheerkosten (€ per aansl)
Recycling
Geen diftar
Diftar
183 107
145
100
94
117
180
192 123
150
Geen diftar
BENCHMARK
KLASSE D
KLASSE C
50 KLASSE A
BENCHMARK
207
200
0 KLASSE D
KLASSE C
KLASSE B
20
250 Restafval (kg/inw)
49%
65%
68%
59%
63%
52%
59%
48%
35%
60
KLASSE A
Recycling (%)
240
(n=151)
80
0
230
Restafval
(n=151)
40
220
Beheerkosten (€ per aansl)
KLASSE B
Recycling (%)
64%
Diftar
Servicedifferentiatie Servicedifferentiatie is een combinatie van serviceverlaging op de restafvalinzameling (minder vaak inzamelen 'aan-huis' of geheel vervangen door wijkverzamelcontainers = restafval op afstand) en serviceverhoging op grondstoffeninzameling (extra containers of vaker inzamelen). Met andere woorden, de service wordt verlegd van restafval naar grondstoffen waardoor een extra impuls wordt gegeven aan afvalscheiding en het reduceren van restafval. Zowel gemeenten met als zonder diftar passen servicedifferentiatie toe met de intentie scheiding en recycling te verbeteren. Omdat diftar een sterk bepalende factor is, is het effect van servicedifferentiatie geanalyseerd voor de groep diftar-gemeenten en de groep niet-diftargemeenten. Daar waar in de voorgaande edities van de benchmark nog significante verschillen konden worden geconstateerd (met name voor de diftargemeenten), is dat voor peiljaar 2023 niet meer het geval. Voor zowel de diftar als de niet diftar-gemeenten zijn de verschillen in recyclingpercentage en hoeveelheid restafval marginaal. Dat betekent niet dat servicedifferentiatie niet effectief kan zijn. In de benchmark wordt ook de meerjarige ontwikkeling van het recyclepercentage en de hoeveelheid restafval van individuele gemeenten gemonitord.
Hier zitten meerdere gemeenten bij die als gevolg van de invoering van servicedifferentiatie een duidelijke verbetering in hun scheidingsprestaties hebben bereikt.
Pagina 14 van 60
Recycling
Restafval
189
179
150
136
197
175
BENCHMARK
KLASSE D
108
95
91
101
119
116
127
112
100
Geen servicedifferentiatie Servicedifferentiatie
BENCHMARK
KLASSE D
KLASSE C
KLASSE A
0
KLASSE B
50
BENCHMARK
KLASSE D
KLASSE A
KLASSE C
20
150
Restafval (kg/inw)
67%
64%
71%
67%
65%
63%
59%
58%
diftargemeenten (n=73)
40
KLASSE B
Recycling (%)
KLASSE C
Restafval
diftargemeenten (n=73)
0
KLASSE B
0
Geen servicedifferentiatie Servicedifferentiatie
Recycling
60
197
100
Geen servicedifferentiatie Servicedifferentiatie
80
189
202
212
200
BENCHMARK
KLASSE D
KLASSE B
KLASSE A
0
KLASSE C
20
300
KLASSE A
50%
47%
59%
59%
53%
50%
49%
niet-diftar gemeenten (n=78) Restafval (kg/inw)
40
36%
33%
Recycling (%)
60
47%
niet-diftar gemeenten (n=78)
Geen servicedifferentiatie Servicedifferentiatie
Strategiecombinaties Door de combinatie van inzamelstrategieën kunnen in de benchmark vier inzamelstrategiegroepen worden onderscheiden: 1. gemeenten die geen tarief- of servicedifferentiatie hebben (in deze analyse 'basis-systeem' genoemd), 2. gemeenten die alleen servicedifferentiatie hebben ingevoerd, 3. gemeenten die alleen tariefdifferentiatie hebben ingevoerd, en 4. gemeenten die zowel tarief- als servicedifferentiatie hebben ingevoerd. In de onderstaande figuren zijn deze groepen weergegeven waarbij de milieuprestaties (recycling en restafval) zijn afgezet tegen de totale beheerkosten. Recycling versus beheerkosten
Restafval versus beheerkosten
100%
300
90%
250
Restafval (kg/inw)
Recycling (%)
80% 70% 60% 50%
200
150
100
40% 50
30% 20%
0 0
100
200
300
Beheerkosten (€ per aansl) Basis-systeem Servicedifferentiatie Tariefdifferentiatie Tarief- en servicedifferentiatie
400
0
100
200
300
400
Beheerkosten (€ per aansl) Basis-systeem Servicedifferentiatie Tariefdifferentiatie Tarief- en servicedifferentiatie
Pagina 15 van 60
Recycling versus beheerkosten
Restafval versus beheerkosten
70%
200 180
DIFTAR / SERV DIF
60% 55% SERV DIF
50%
Restafval (kg/inw)
Recycling (%)
BASIS
DIFTAR
65%
200
220
240
160 140 120 DIFTAR / SERV DIF DIFTAR
100
BASIS
45% 180
SERV DIF
80 180
260
200
Beheerkosten (€ per aansl)
220
240
260
Beheerkosten (€ per aansl)
Hier kan worden geconstateerd dat tariefdifferentiatie al dan niet in combinatie met servicedifferentiatie de best-presterende inzamelstrategie is. Met deze strategie wordt gemiddeld 65% recycling behaald en ligt de hoeveelheid restafval dichtbij de 100 kg per inwoner. In bijlage 4 zijn de bovenstaande figuren per hoogbouwklasse weergegeven.
3.2 Nascheiding pmd Steeds meer gemeenten overwegen of ze pmd moeten laten nascheiden in plaats van bronscheiden. Bij bronscheiding wordt het pmd door de ontdoener gescheiden op de plek waar het vrijkomt, bij nascheiding gebeurt dat fabrieksmatig nadat het is ingezameld door de inzamelaar. Niet iedere grondstof kan met nascheiding uit het huishoudelijk afval worden gehaald, hetgeen wel kan met bronscheiding. Pmd is een stroom die zich goed leent voor nascheiding. In de benchmark kunnen drie groepen gemeenten worden onderscheiden in de wijze waarop pmd wordt gescheiden: gemeenten die pmd alleen bronscheiden (n=107), gemeenten die pmd alleen nascheiden (n=17) en gemeenten die zowel aan bron- als nascheiding doen (n=27). De laatste groep zijn ondermeer gemeenten die in wijken waar het bronscheiden slechte resultaten oplevert (veelal hoogbouw), overgaan op nascheiden, maar in de rest van de gemeente doorgaan met bronscheiden. In de onderstaande grafieken wordt laten zien hoe deze drie groepen presteren op de kernprestaties recycling en hoeveelheid restafval. Omdat tariefdifferentiatie een sterk prestatiebepalende factor is die een verstorende werking kan hebben op deze vergelijking, is de analyse uitgevoerd voor zowel diftargemeenten als voor nietdiftargemeenten.
Geconstateerd kan worden dat nascheiding van pmd geen significante impact heeft op het recyclingspercentage en de hoeveelheid restafval. Dit is enigszins logisch omdat pmd slechts 10% uitmaakt van de totale hoeveelheid huishoudelijk afval. Recycling
Restafval
179 188 184
172 188 203
KLASSE C
157 147 116
188 199 189
226 203 208
200
KLASSE B
0
BENCHMARK
100
KLASSE D
BENCHMARK
KLASSE D
Bronscheiding pmd Bron- en nascheiding pmd Nascheiding pmd
300
KLASSE A
51% 48% 45%
49% 48% 46%
53% 50% 52%
KLASSE C
0
KLASSE B
20
Restafval (kg/inw)
40
40% 36% 33%
60
KLASSE A
Recycling (%)
80
niet-diftar gemeenten (n=78) 56% 61% 60%
niet-diftar gemeenten (n=78)
Bronscheiding pmd Bron- en nascheiding pmd Nascheiding pmd
Pagina 16 van 60
Recycling
Restafval
Bronscheiding pmd Bron- en nascheiding pmd Nascheiding pmd
145 103
106
94
103
117
125 145 102
100
BENCHMARK
KLASSE D
0
KLASSE C
50
KLASSE B
BENCHMARK
KLASSE D
KLASSE C
0
KLASSE B
20
150
KLASSE A
40
Restafval (kg/inw)
65% 56% 63%
68%
63%
59% 56% 59%
60
KLASSE A
Recycling (%)
80
diftargemeenten (n=73) 70%
diftargemeenten (n=73)
Bronscheiding pmd Bron- en nascheiding pmd Nascheiding pmd
Geconcludeerd kan worden dat de scheidingswijze van pmd geen significante verschillen laten zien in het uiteindelijke recyclingpercentage en de hoeveelheid restafval. Opgemerkt moet worden dat het (gedeeltelijk) nascheiden van pmd en tariefdifferentiatie niet vaak in combinatie wordt toegepast. De vergelijking bron- en nascheiding bij diftargemeenten is daardoor erg gevoelig voor individuele uitschieters. In paragraaf 4.4 wordt het verschil laten zien van bron- en nascheiding op de hoeveelheid pmd die gescheiden wordt.
3.3 Inzamelwijze Niet alleen de inzamelstrategie en het al dan niet nascheiden van pmd hebben invloed op de milieuprestaties, ook de inzamelwijze die wordt toegepast heeft impact. Hiermee wordt het ophalen aan huis versus het brengen naar een locatie in de wijk bedoeld. Aan de inzamelwijze zijn ook de inzamelmiddelen gekoppeld. Zo worden veelal mininicontainers, zakken en duo-containers toegepast voor het ophalen aan huis, en boven- of ondergrondse verzamelcontainers voor het laten brengen naar een locatie in de wijk. Niet ieder inzamelmiddel is overal toepasbaar. Bij de hoogbouw is veelal geen ruimte voor het plaatsen van individuele inzamelmiddelen (uitgezonderd de zak), zodat daar een brengsysteem veelal de enige optie is. Het verschil tussen halen en brengen is hieronder weergegeven door het meest toegepaste haalmiddel (de minicontainer) te vergelijken met het meest toegepaste brengmiddel (de verzamelcontainer). Omdat diftar sterk prestatiebepalend is zijn er twee figuren opgemaakt: met diftar (linker figuur) en zonder diftar (rechter figuur). Voor praktisch alle afvalstromen kan worden geconstateerd dat het halen aan huis meer kilo's per huishouden oplevert en lagere kosten met zich meebrengt dan de brengen naar verzamelcontainers.
Pagina 17 van 60
Diftar
Niet-diftar
(n=78)
500
500
400
400
kg per aansluiting
kg per aansluiting
(n=73)
300 200 100 0
300 200 100 0
0
500
1000
Inzamelkosten (€/ton) gft minicontainer gft verzamelcontainer opk minicontainer opk verzamelcontainer pmd minicontainer pmd verzamelcontainer rest minicontainer rest verzamelcontainer
1500
0
500
1000
1500
Inzamelkosten (€/ton) gft minicontainer gft verzamelcontainer opk minicontainer opk verzamelcontainer pmd minicontainer pmd verzamelcontainer rest minicontainer rest verzamelcontainer
Pagina 18 van 60
4. Prestaties per stroom 4.1 Fijn restafval Hoeveelheden Met fijn restafval wordt het ongescheiden huisvuil bedoeld dat aan huis of in de wijk wordt ingezameld. De hier weergegeven cijfers zijn dus exclusief grof restafval. Hieronder zijn vier figuren weergegeven waarin de hoeveelheid fijn restafval is weergegeven op vier verschillende meetpunten in de keten. In 2023 werd er gemiddeld 132 kg per inwoner aan fijn restafval ingezameld (figuur 1). Inclusief de grondstoffen (gft, pmd, textiel) die bij de acceptatie werden afgekeurd bedroeg de gemiddelde hoeveelheid fijn restafval 133 kg per inwoner (figuur 2). Wordt daarop de hoeveelheid grondstoffen in mindering gebracht die door nascheiding uit het fijn restafval worden gehaald, resteerde gemiddeld 125 kg per inwoner (figuur 3). Inclusief de uitval die plaatsvindt bij sortering en verwerking, bedroeg de gemiddelde hoeveelheid 148 kg per inwoner (figuur 4). In alle vier figuren is het zelfde patroon zichtbaar: hoe meer hoogbouw hoe hoger de hoeveelheid fijn restafval. In hoogbouwklasse A (50 tot 100% hoogbouw) wordt meer dan twee keer zoveel fijn restafval ingezameld als in hoogbouwklasse D (0 tot 19% hoogbouw). De scheidingsomstandigheden bij gemeenten met veel hoogbouw zijn minder ideaal dan bij gemeenten met weinig hoogbouw, waardoor er meer ongescheiden restafval overblijft. Fijn restafval ingezameld
Fijn restafval ingezameld + afkeur grondstoffen
97
KLASSE A
24
Fijn restafval ingezameld + afkeur grondstoffen -/- nagescheiden grondstoffen
(n=151)
0
48
24
24
90 75
183
192 160
24
24
100
BENCHMARK
0
150
148 120
103
50 KLASSE D
KLASSE C
KLASSE B
48
150
208
81 50
50
BENCHMARK
113
125
255 227
KLASSE D
130
254
KLASSE B
142
200
255
KLASSE C
171
250 kg per inwoner
184
50 0
75
(n=151)
255
252 218
150 100
133
300 255
KLASSE A
kg per inwoner
200
134
Fijn restafval ingezameld + afkeur grondstoffen -/nagescheiden grondstoffen + uitval sortering en verwerking
300 250
147
97
50 24
196
100
KLASSE A
0
48
KLASSE C
73
50
150
181
BENCHMARK
100
132
276 238
KLASSE D
133
252
223
KLASSE A
146
200
276
KLASSE C
196
kg per inwoner
150
250
238
222 181
300
276 250
BENCHMARK
200
276
KLASSE B
kg per inwoner
250
(n=151)
KLASSE D
300
KLASSE B
(n=151)
Pagina 19 van 60
Samenstelling De meeste gemeenten laten periodiek hun fijn restafval analyseren op samenstelling (n=149). Zo kan het scheidingspotentieel worden vastgesteld: wat zit er nog aan herbruikbare grondstoffen in het restafval die ook gescheiden ingezameld hadden kunnen worden. De gemiddelde samenstelling van het ongescheiden fijn restafval laat zien dat er onder andere nog 34% groente-, fruit- en tuinafval (gft), 7% papier en 8% plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drankenkartons (pmd) in zit.
gft opk pmd glas textiel overig
34% 41%
7% 5%
4%
8%
Kosten In 2023 bedroegen de gemiddelde kosten voor fijn restafval gemiddeld € 73,- per huisaansluiting, waarvan € 35,- inzamelkosten (personeel, materieel en/of uitbestede kosten), en € 38,- overslag en verwerkingskosten. Het grote verschil tussen hoogbouwklasse A en D (bijna een factor 2) wordt veroorzaakt door de verschillen in de hoeveelheid ingezameld en verwerkt restafval. Per ton restafval bedroegen de totale inzamel- en verwerkingskosten in 2023 gemiddeld € 254,-. De verschillen tussen de hoogbouwklassen zijn minder groot dan bij de kosten per huisaansluiting. De ontwikkeling van de inzamelen verwerkingskosten van restafval zijn weergegeven in bijlage 5. Per huisaansluiting
Per ton
(n=102) 300 244
263
261
129
127
134
37
73 52
38
25
35
BENCHMARK
36
KLASSE C
39
KLASSE B
50
KLASSE D
27
Inzamelkosten Overslag- en verwerkingskosten
200
133
123
127
134
121
127
100 111
0
Inzamelkosten Overslag- en verwerkingskosten
BENCHMARK
73
KLASSE D
42
50 0
81
254
244
KLASSE C
60
KLASSE A
100
€ per ton
109
KLASSE A
€ per aansluiting
150
KLASSE B
(n=102)
Pagina 20 van 60
4.2 Groente-, fruit- en tuinafval Groente-, fruit- en tuinafval is één van de grootste stromen binnen het huishoudelijk afval: gemiddeld 34% (155 kg/inw) van het huishoudelijk afval (457 kg/inw) is gft. Een belangrijk deel daarvan wordt nog ongescheiden in het restafval aangeboden. Met iedere ton gft-afval die gecomposteerd wordt in plaats van verbrand wordt 150 kilo CO2 bespaard. Met het composteren blijven kostbare nutriënten behouden die nuttig zijn voor bodemverbetering.
De keten in kaart
Van de 155 kg per inwoner aan gft die bij huishoudens vrijkomt (=100%) wordt gemiddeld 69% gescheiden en wordt 31% via het restafval aangeboden. Dat er uiteindelijk 37% van het vrijkomende gft wordt verbrand heeft te maken dat er ook nog uitval plaatsvindt bij het vergisting- en composteerproces. Uiteindelijk wordt van de 155 kg vrijkomend gft 27% verwerkt tot compost, 3% verwerkt tot biogas en 33% tot (condens)water. Het gemiddelde recyclepercentage voor gft bedraagt 63%. Ofwel gemiddeld 63% van het vrijkomende groente-, fruit- en tuinafval vindt een nuttige bestemming anders dan de verbrandingsoven.
Scheidingpercentage gft
Recyclepercentage gft
(n=149) 100
20
27 1
0
58
76 66
1%
63 52%
38% 25
93%
27%
21% 1%
BENCHMARK
40
BENCHMARK
1
29
KLASSE D
0
26
KLASSE C
20
62
40
KLASSE B
40
69
60
93%
KLASSE D
60
KLASSE A
%
63
80
83 72
90% 80%
KLASSE A
85
80
95
98
%
100
98
KLASSE B
120
KLASSE C
(n=149)
Het verschil tussen het scheidingspercentage en het recyclepercentage is de uitval die plaatsvindt voor en tijdens het vergistings- en composteerproces. Gemiddeld bedraagt die uitval 6% van al het het vrijkomende gft. Bij hoogbouwklasse A en B is het uitvalpercentage overigens minder groot dan bij hoogbouwklasse C en D. Dit kan te maken hebben met het selectieve aanwijzingsbeleid wat bij stedelijke gemeenten vaak wordt toegepast (alleen bewoners die gemotiveerd zijn gft te scheiden krijgen (toegang tot) een inzamelvoorziening).
Pagina 21 van 60
Hoeveelheid gescheiden In 2023 werd er per inwoner gemiddeld 107 kg aan gft-afval gescheiden ingezameld, wat een stijging van 3% is ten opzichte van 2022. Het jaar 2022 lijkt daarmee een eenmalige terugval te zijn, mogelijk veroorzaakt door het extreem droge en ongunstige weer voor plantengroei, waardoor er minder tuinafval ontstond. De hoeveelheid gft die via het restafval werd aangeboden nam juist af. In 2022 bedroeg deze nog gemiddeld 50 kg per inwoner, in 2023 was dat gemiddeld 48 kilogram per inwoner. Dit duidt op beter scheidingsgedrag. De beste scheidingsprestaties worden geleverd door de gemeenten met overwegend laagbouw. In hoogbouwklasse D wordt bijna 5 keer meer gft gescheiden ingezameld dan in hoogbouwklasse A. Betere scheidingsomstandigheden (meer ruimte in en rond de woningen voor inzamelmiddelen) en de aanwezigheid van meer en grotere tuinen (dus meer tuinafval) verklaren het verschil. (n=151) 120
140 107
85
107
104
80 60 40
2023
2022
2021
0
1
BENCHMARK
KLASSE D
KLASSE A
114
20
26
KLASSE C
1
115
2020
44
29
0
62
107
2019
53
50
107
2018
114
100
109 96
2017
127
100
2016
150
205
kg per inwoner
205
195
200
KLASSE B
kg per inwoner
250
Effectiviteit inzamelmiddelen In de onderstaande figuren is de effectiviteit per inzamelmiddel weergegeven, in kilogram gft per aangesloten aansluiting. Voor gft wordt doorgaans twee inzamelmiddelen toegepast: de minicontainer en de verzamelcontainer. Andere inzamelmiddelen zoals de citybin, duocontainer of zak worden sporadisch toegepast en bieden voor deze analyse te weinig valide data. In alle hoogbouwklassen en ongeacht of diftar wordt toegepast is de respons van de minicontainer beduidend hoger dan die van de verzamelcontainer. Kanttekening is wel dat het soort inzamelmiddel vaak gerelateerd is aan het bebouwingstype: minicontainers worden veelal toegepast bij laagbouw en verzamelcontainers bij de hoogbouw. Bij de hoogbouw komt minder tuinafval vrij waardoor de respons ook lager is. Diftar
Geen diftar
Verzamelcontainer
406
KLASSE D
BENCHMARK
62
273
298 59
91
KLASSE B
24
Minicontainer
KLASSE C
228
213
500 475 450 425 400 375 350 325 300 275 250 225 200 175 150 125 100 75 50 25 0
KLASSE A
gft (kg/aansluiting)
45
BENCHMARK
21
KLASSE D
66
KLASSE C
41
KLASSE B Minicontainer
344
355
(minicontainer n=45) (verzamelcontainer n=24)
333
336
500 475 450 425 400 375 350 325 300 275 250 225 200 175 150 125 100 75 50 25 0
KLASSE A
gft (kg/aansluiting)
(minicontainer n=54) (verzamelcontainer n=21)
Verzamelcontainer
Pagina 22 van 60
Best practice In gemeente Meerssen werd in 2023 het meeste gft gescheiden ingezameld: 205 kg per inwoner en 89% van de totale hoeveelheid gft die bij huishoudens vrijkomt. Deze diftargemeente (18600 inw, 18% hoogbouw) zamelt gft 26x per jaar in met minicontainers. Er worden geen aparte takkenroutes gereden. Tuinafval mag iedere inzamelronde naast de minicontainer worden aangeboden. Het ingezamelde gft wordt vergist en gecomposteerd door Attero. De kwaliteit van het aangeleverde gft is goed. Er vindt nauwelijks afkeur plaats. Uit de benchmark blijkt dat de inzamelfrequentie voor gft weinig relatie vertoont met de respons. Gemeenten met een wekelijkse inzameling gedurende de zomermaanden zamelen niet meer gft in dan gemeenten die dat niet hebben. Steeds meer gemeenten gaan over op het verstrekken van gratis keukenbakjes. In 2022 deden dat nog 27% van de gemeenten, in 2023 36%: 6% bij alle huishouden, 14% bij alleen hoogbouw en 16% op pilotbasis--> bijlage 7.
Kosten In 2023 bedroegen de totale kosten voor de inzameling, op- en overslag, en verwerking van gft gemiddeld € 40,- per huisaansluiting. In hoogbouwklasse A zijn deze kosten nog niet de helft van die in de overige hoogbouwklassen. Dit komt doordat in klasse A aanzienlijk minder gft per huishouden wordt ingezameld en verwerkt. De gemiddelde kosten per ton voor inzameling en verwerking lagen in 2023 op € 197,-. Daarbij zijn de kosten per ton bij hoogbouwklasse A om dezelfde reden juist hoger dan bij de andere klassen. Per huisaansluiting
Per ton
(n=102)
27
24
14
BENCHMARK
KLASSE D
203
200 291
100 0
Inzamelkosten Overslag- en verwerkingskosten
72
74
175 64
130
112
197 151
68
65 86
Inzamelkosten Overslag- en verwerkingskosten
129
BENCHMARK
24
26
300
KLASSE D
4
KLASSE C
0
19
KLASSE B
10
14
15
363
KLASSE C
30
21 15
40
KLASSE B
38
41
€ per ton
40
20
400
48
KLASSE A
€ per aansluiting
50
KLASSE A
(n=102)
Pagina 23 van 60
4.3 Oud papier en karton Ook een grote stroom is oud-papier en karton (opk): gemiddeld 12% (54 kg/inw) van het huishoudelijk afval. Door de digitalisering van de samenleving en de afname van huis aan huis bezorging van reclamefolders neemt dit aandeel wel af. Oud papier is een belangrijke grondstof voor het maken van nieuw papier en karton. Een papiervezel kan tot wel zeven keer opnieuw worden gerecycled. Zolang het niet wordt verbrand houdt het CO2 vast. Ondanks een bijna gesloten keten belandt nog een aanzienlijk deel van het oud papier en karton in de verbrandingsoven.
Van de 54 kg per inwoner aan oud papier en karton die bij huishoudens vrijkomt (=100%) wordt gemiddeld 82% gescheiden en wordt 18% via het restafval afgedankt. 2% van het vrijkomende papier valt nog uit bij de sortering en verwerking, zodat uiteindelijk 20% van het vrijkomende oud papier verloren gaat in de verbrandingsoven. Uiteindelijk wordt van de 54 kg vrijkomend oud papier en karton 80% ingevoerd in het recycleproces en verwerkt tot nieuwe papieren en kartonnen producten.
Scheidingpercentage opk
Recyclepercentage opk
(n=144)
(n=144) 120
69
51
BENCHMARK
KLASSE D
KLASSE C
38
KLASSE B
20
82
38
KLASSE A
40
67
100
93%
80
72%
60
56
40 20
77
95% 81 63%
98% 87
98% 80
67%
49% 37%
37%
BENCHMARK
57
84
98
90
KLASSE D
60
79
98
KLASSE C
75
%
80
97
KLASSE A
96
%
100
KLASSE B
120
Het verschil tussen het scheidingspercentage en het recyclepercentage is de uitval die plaatsvindt bij sortering en verwerking van het oud papier en karton. Denk aan vervuild papier of geplastificeerd papier. Gemiddeld bedraagt die uitval 2% van al het het vrijkomende oud papier en karton. Bij hoogbouwklasse A lijkt het uitvalpercentage iets lager te zijn dan bij D. Een echte verklaring is hiervoor niet te geven.
Pagina 24 van 60
Hoeveelheid gescheiden In 2023 werd er per inwoner gemiddeld 44 kg aan oud papier en karton gescheiden ingezameld, 2 kilo minder dan 2022. De trend blijft daardoor dalend, echter dat geldt minder voor de hoeveelheid oud papier in het restafval. Deze bleef ten opzichte van 2022 stabiel op gemiddeld 10 kg per inwoner. Er lijkt sprake van een iets afnemend scheidingsgedrag. De beste scheidingsprestaties worden geleverd door de gemeenten met overwegend laagbouw. In hoogbouwklasse D wordt bijna 2 x meer oud papier gescheiden dan in hoogbouwklasse A. (n=146) 70
60
46
40
44
30 20
2023
2022
KLASSE D
KLASSE B
0
BENCHMARK
16
KLASSE A
51
10
16
10
51
2021
20
28
51
2020
24
53
2019
27
39
56
2018
30
44
54
2017
41
36
44
50
2016
40
50
KLASSE C
kg per inwoner
49
50
62
kg per inwoner
59
60
62
Effectiviteit inzamelmiddelen Hieronder is de effectiviteit per inzamelmiddel weergegeven, in kilogram oud papier en karton die per aangesloten aansluiting wordt ingezameld. Voor oud papier worden doorgaans 3 inzamelmiddelen toegepast: de minicontainer, de losse bundels en de verzamelcontainer. Geconstateerd kan worden dat met de minicontainer beduidend meer papier wordt ingezameld dan met de verzamelcontainer. Losse bundel inzameling heeft vooral een hoge respons in gemeenten met weinig hoogbouw (klasse C en D). Diftar
Geen diftar
115 114
BENCHMARK
KLASSE D
50
55
94 82
96 39
66 53
KLASSE C
0
KLASSE B
50
65
93
83
100
50
65
BENCHMARK
Minicontainer Losse bundels, krat Verzamelcontainer
150
KLASSE A
109 91
89
KLASSE D
57
46 51
KLASSE C
0
KLASSE B
50
118 104
91 98
112
100
opk (kg/aansluiting)
(minicontainer n=32) (losse bundels n=7) (verzamelcontainer n=37)
150
KLASSE A
opk (kg/aansluiting)
(minicontainer n=30) (losse bundels n=32) (verzamelcontainer n=28)
Minicontainer Losse bundels, krat Verzamelcontainer
** Omdat er voor oud papier en pmd soms meerdere inzamelsystemen per huishouden worden toegepast overstijgt het aantal metingen (som van n-waarden) de totale benchmarksteekproef.
Pagina 25 van 60
Best practice In gemeente Eijsden-Margraten wordt het meeste oud papier gescheiden ingezameld: 62 kg per inwoner. Deze diftargemeente (25991 inw, 15% hoogbouw) zamelt bij zowel de laag- als hoogbouw oud papier en karton in met losse bundels in een frequentie van 1 x per maand. De inzameling gebeurt in samenwerking met verenigingen die de beladers leveren. Vanuit preventie-oogpunt is ook het ook goed een gemeente te noemen waar juist weinig oud papier vrijkomt en die een hoog scheidingspercentage heeft. In dat licht is gemeente Maastricht noemenswaardig met een gemiddeld papieraanbod van 41 kg per inwoner waarvan 89% gescheiden wordt ingezameld. Inmiddels heeft 22% van de in de benchmark participerende gemeenten een opt-in systeem voor reclamefolders ingevoerd (ja-ja-sticker) en is 5% druk doende om het in te voeren --->bijlage 7.
Kosten In 2023 bedroegen de totale kosten voor de inzameling, op- en overslag en verwerking van oud papier en karton, na aftrek van de opbrengsten, gemiddeld € 11,- per huisaansluiting. Een belangrijke factor in deze kosten is de sterk fluctuerende papierprijs. Ten opzichte van 2022 zijn de kosten verdubbeld, terwijl ze in 2021 nog met een factor vier waren gedaald vergeleken met het jaar daarvoor. Binnen de hoogbouwklassen valt vooral klasse A op met een forse afwijking in de gemiddelde kosten. De kosten per ton voor de inzameling en verwerking van oud papier en karton kwamen in 2023 gemiddeld uit op € 119,-. Per huisaansluiting
Per ton
(n=97)
Inzamel- en verwerkingskosten
BENCHMARK
KLASSE D
KLASSE C
0
KLASSE B
5
0
236 115
92
100
119
BENCHMARK
9
200
KLASSE D
11
KLASSE C
10
10
400
KLASSE B
12
KLASSE A
12
KLASSE A
€ per aansluiting
15
€ per ton
(n=97)
Inzamel- en verwerkingskosten
Pagina 26 van 60
4.4 Pmd Pmd staat voor plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drankenkartons. Deze stroom valt onder de producentenverantwoordelijkheid. Gemeenten ontvangen daarvoor een inzamelvergoeding. Er komt gemiddeld 39 kg per inwoner aan pmd vrij bij huishoudens, ongeveer 10% van de totale hoeveelheid huishoudelijk afval. Een belangrijk deel daarvan belandt nog in het restafval. Soms bewust in het geval gemeenten kiezen voor scheiding achteraf (nascheiding) in plaats van scheiding door de huishoudens (bronscheiding). De klimaat-impact van pmd is groot: met iedere ton pmd die gerecycled wordt in plaats van verbrand wordt 4700 kilo CO2 bespaard.
Van de 39 kg per inwoner aan pmd die bij particuliere huishoudens vrijkomt (=100%) wordt gemiddeld 61% aan de bron gescheiden en 39% via het restafval aangeboden. Een deel van het pmd dat in het restafval belandt wordt via nascheiding alsnog gescheiden. Samen met het brongescheiden pmd wordt het gesorteerd in mono-materialen die aan de recyclingindustrie worden aangeboden. Van de 39 kg pmd per inwoner die bij huishoudens vrijkomt wordt uiteindelijk 33% aan mono-stromen opgeleverd, 16% aan mix-stromen opgeleverd, en belandt 51% in de verbrandingsoven. De rendementsdata van nascheiding en sortering, op basis waarvan de weergegeven bestemmingspercentages zijn berekend, zijn generiek (verkregen van Nedvang/ RKN).
(Bron)scheidingpercentage pmd
Recyclepercentage pmd
(n=149)
(n=148) 120
0
%
53
20 0
0
0
0
0
44
80%
48 27%
26%
74% 54
49
31%
8%
8%
BENCHMARK
0
60
96% 75%
40
BENCHMARK
18
61
KLASSE D
20
58
KLASSE C
40
43
KLASSE B
60
62
96%
80
74
KLASSE A
%
80
100
KLASSE D
91
KLASSE C
91
97
KLASSE A
100
97
KLASSE B
120
Het scheidingspercentage is uitsluitend berekend over het brongescheiden pmd. Het recyclepercentage geeft het resultaat weer van bron- en nascheiding. Beide indicatoren zijn berekend exclusief afkeur. Het verschil tussen scheiding en recycling wordt dus door twee factoren veroorzaakt: de nagescheiden pmd die via sortering het recycleproces wordt ingevoerd en de uitval die plaatsvindt van stoorstromen in het sorteerproces van brongescheiden pmd. Gemiddeld ligt het recyclepercentage 12% lager dan het bronscheidingspercentage. Bij hoogbouwklasse A ligt het gemiddelde recyclingpercentage juist hoger dan het gemiddelde bronscheidingspercentage omdat hier de meeste gemeenten aan nascheiding doen.
Pagina 27 van 60
Hoeveelheden In 2023 werd er door de benchmarkgemeenten gemiddeld 28 kg per inwoner aan pmd gescheiden, 24 kg door bronscheiding (exclusief afkeur) en 4 kg door nascheiding. Sinds 2021 is er sprake van een dalende trend, waarschijnlijk door de strengere acceptatie en toename van afkeur die op het brongescheiden pmd plaatsvindt en de invoering van statiegeld op plastic flesjes. De verschillen tussen de hoogbouwklassen worden steeds kleiner doordat steeds meer klasse Agemeenten met veel hoogbouw overgaan op volledige nascheiding. (n=151)
7
22
2023
2022
2021
15
2020
9
28
18
2019
9
29
26
25
2018
KLASSE A
7
25 20
32
30
2017
9
0
30
2016
10
28
kg per inwoner
20
KLASSE C
25
23
32
27
35
43
BENCHMARK
30
43
42
KLASSE D
43
42
40
KLASSE B
kg per inwoner
50
Effectiviteit inzamelmiddelen In de onderstaande figuren is de effectiviteit per inzamelmiddel weergegeven, in kilogram pmd per aangesloten aansluiting. Er worden doorgaans drie inzamelmiddelen toegepast voor pmd: de minicontainer, de zak en de verzamelcontainer. Andere inzamelmiddelen zoals de duocontainer worden te sporadisch toegepast en bieden voor deze analyse te weinig valide data. In alle hoogbouwklassen en ongeacht diftar is de respons van de minicontainer beduidend hoger dan die van de zak en de verzamelcontainer. Bij diftargemeenten lijkt de zak een effectiever middel dan bij niet-diftargemeenten. Welk inzamelmiddel de beste kwaliteit pmd oplevert is niet uit de benchmark te herleiden. Hiervoor hebben te weinig gemeenten representatieve samenstellingsonderzoeken per inzamelmiddel laten uitvoeren. Diftar
Geen diftar
Minicontainer Zak Verzamelcontainer
39 26
BENCHMARK
26
KLASSE D
21
KLASSE C
KLASSE B
0
78
82
81 35 34
50
44
63
75
100
16
37
BENCHMARK
150
KLASSE A
82 45
60
64
KLASSE D
KLASSE C
KLASSE B
0
24
50
68 53
41
58
85
88
100
pmd (kg/aansluiting)
(minicontainer n=24) (zak n=8) (verzamelcontainer n=25)
150
KLASSE A
pmd (kg/aansluiting)
(minicontainer n=29) (zak n=40) (verzamelcontainer n=24)
Minicontainer Zak Verzamelcontainer
Effectiviteit scheidingswijze Kun je pmd beter bronscheiden of nascheiden? In de benchmark onderscheiden we drie groepen: gemeenten die pmd alleen bronscheiden, gemeenten die pmd alleen nascheiden en gemeenten die zowel aan bron- als nascheiding doen. De laatste groep zijn gemeenten die in wijken waar het bronscheiden slechte resultaten oplevert (veelal hoogbouw), overgaan op nascheiden, maar in de rest van de gemeente doorgaan met bronscheiden.
Pagina 28 van 60
Ook hier is de effectanalyse uitgevoerd voor zowel diftar-gemeenten als niet-diftargemeenten, met dien verstande dat nascheiding in combinatie met diftar niet vaak voorkomt (lage n-waarden). Er valt dus eigenlijk alleen iets te zeggen over het effect van nascheiding bij niet-diftargemeenten. Bij deze groep zien we dat de combinatie bron- en nascheiding de meeste pmd oplevert. Over het mogelijke kwaliteitsverschil tussen bron- en nagescheiden pmd kan met deze benchmark geen uitspraak worden gedaan. Diftar
Geen diftar
50
49
66
68 79 69
76 63
53
60 45
BENCHMARK
KLASSE D
18
Uitsluitend bronscheiding Bron- en nascheiding Uitsluitend nascheiding
KLASSE C
0
KLASSE B
50
51 45
100
30
50
BENCHMARK
150
KLASSE A
89 70 54
59
KLASSE D
0
KLASSE B
50
KLASSE C
48
64
76
90
100
pmd (kg/aansluiting)
(uitsluitend bronscheiding n=38) (bron- en nascheiding n=26) (uitsluitend nascheiding n=14)
150
KLASSE A
pmd (kg/aansluiting)
(uitsluitend bronscheiding n=69) (bron- en nascheiding n=1) (uitsluitend nascheiding n=3)
Uitsluitend bronscheiding Bron- en nascheiding Uitsluitend nascheiding
Best practice Evenals vorig jaar is Lisse wederom de gemeente waar de meeste kilo's pmd gescheiden worden: 43 kg per inwoner. Deze voormalige diftargemeente (23390 inw, 32% hoogbouw) zamelt het pmd bij de laagbouw met minicontainers in (26 x per jaar) en heeft bij de hoogbouw verzamelcontainers geplaatst in een dichtheid van 1 container op 60 huishoudens. Er wordt geen pmd nagescheiden uit het restafval. Of Lisse ook de best-practice is is mede afhankelijk van de kwaliteit van het brongescheiden pmd en de aanwezigheid van stoorstromen. Hierover is geen data beschikbaar. Slechts 1% van het brongescheiden in 2023 uit Lisse werd afgekeurd.
Kosten De inzamelkosten voor brongescheiden pmd bedroegen in 2023 gemiddeld € 20,3 per huisaansluiting. Voor pmd is producentenverantwoordelijkheid van toepassing. Voor de inzameling ontvangen gemeenten een vergoeding van het bedrijfsleven (Verpact) terwijl de verwerkingskosten en opbrengsten veelal direct tussen het bedrijfsleven en de verwerkers worden verrekend. Om die reden worden in de benchmark alleen de inzamelkosten (excl. inzamelvergoeding) belicht. Per ingezamelde ton pmd (inclusief afkeur) bedroegen de totale inzamelkosten in 2023 gemiddeld € 334,-. De extra transport- en verwerkingskosten van het afgekeurde pmd zijn in beide indicatoren niet meegenomen. Door de lage respons zijn de inzamelkosten per ton in klasse A bijna 2 keer hoger dan in de overige hoogbouwklassen. De kostenontwikkeling van pmd is weergegeven in bijlage 5. Per huisaansluiting
Per ton
(n=89)
BENCHMARK
376 300
278
334
200 0
KLASSE D
KLASSE C
0
KLASSE B
10
400
BENCHMARK
14,2
KLASSE D
20,3
KLASSE C
20,6
538
KLASSE B
19,7
20
21,9
€ per ton
600
KLASSE A
€ per aansluiting
30
KLASSE A
(n=89)
Pagina 29 van 60
4.5 Glas Met glas wordt hier verpakkingsglas bedoeld. Al sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw wordt glas gescheiden ingezameld ten behoeve van recycling. Glas is eindeloos recyclebaar, zonder verlies van kwaliteit. Verpakkingsglas maakt circa 6% uit van het huishoudelijk afval. Toch belandt een deel daarvan nog ongescheiden in het restafval. Met iedere ton glas die gerecycled wordt in plaats van verbrand wordt 170 kilo CO2 bespaard.
Van de 26 kg per inwoner aan verpakkingsglas die bij huishoudens vrijkomt (=100%) wordt gemiddeld 82% gescheiden en belandt 18% in het restafval. Glas behoort daarmee samen met oud papier en karton tot één van de best gescheiden grondstoffen van het huishoudelijk afval. Uiteindelijk wordt ook 82% van het vrijkomende glas ingevoerd in het recyclingproces. Er treedt dus nauwelijks uitval plaats bij sortering en verwerking (0,4%). Dit geeft aan dat de kwaliteit van het ingezamelde glas goed is. Metalen doppen, kurken maar ook stenen kruiken zorgen voor enige vervuiling in het ingezamelde glas. Bij het verwijderen van vervuiling gaat er (aanklevend) glas verloren, gemiddeld 0,4% van het vrijkomend glas.
Scheidingpercentage glas
Recyclepercentage glas
(n=149)
(n=149) 110
70 66
47
BENCHMARK
47
80
96%
76%
80
82
98% 87
98%
82
70 60
57
KLASSE D
40
63
KLASSE C
50
63
KLASSE B
60
95%
90 82
%
76
KLASSE A
%
80
87
100
50 40
63
63%
66%
57% 47%
47%
BENCHMARK
82
98
KLASSE C
80
90
98
KLASSE B
95
96
KLASSE A
100
KLASSE D
110
Dat er vrijwel geen uitval plaatsvindt van glas bij het sorteer- en verwerkingsproces is terug te zien in de bovenstaande twee grafieken. Het recyclepercentage voor glas is in alle hoogbouwklassen gelijk aan het scheidingspercentage, wat twee identieke figuren oplevert.
Pagina 30 van 60
Hoeveelheden In 2023 werd er gemiddeld 21 kg per inwoner aan glas gescheiden ingezameld, 1 kg minder dan in 2022. De hoeveelheid glas lijkt weer terug te keren naar het niveau voor de coronajaren 2020 en 2021 (thuisconsumptie tijdens coronajaren zorgde voor verschuiving van het glasaanbod van horeca naar huishoudens). Dit is ook te zien in de afnemende hoeveelheid glas in het restafval van 5 naar 4,6 kg per inwoner. (n=151) 40
25 34 31
30 25 20
20
15
15
10
10
5
34
21
22
14
15
22
21
13
kg per inwoner
32
22
21
20
21
22
24
23
22
21
15 10 5
10
2023
2022
2021
2020
2019
2018
2017
2016
BENCHMARK
KLASSE D
KLASSE A
KLASSE C
0
KLASSE B
kg per inwoner
35
Best practice De best-presterende gemeente is Leusden met 34 kg glas per inwoner. Deze diftargemeente met servicedifferentiatie (31467 inw, 20% hoogbouw) zamelt glas in met (ondergrondse) verzamelcontainers in een dichtheid van 1 container op 350 huishoudens. Dit is ook terug te zien in de hoeveelheid glas in het restafval, waar nog slechts 1,3 kg per inwoner in zit. Daarmee komt Leusden uit op een scheidingspercentage van 97%. Glas wordt vrijwel uitsluitend ingezameld met boven- dan wel ondergrondse verzamelcontainers (glasbakken). De gemiddelde dichtheid is 1 container op 548 huishoudens. Enkele gemeenten zamelen glas ook huis-aan-huis in, veelal in combinatie met oud papier en textiel. In afwijking tot wat bij veel grondstoffen wel het geval is, levert het aan-huis ophalen van glas niet meer kilo's op dan het laten brengen naar verzamelcontainers. De kosten van een haalsysteem zijn wel beduidend hoger.
Kosten In 2023 bedroegen de totale kosten voor inzameling, op- en overslag en verwerking van glasverpakkingen gemiddeld € 3,6 per huisaansluiting. De totale kosten per ton bedroegen gemiddeld € 79,-. Per huisaansluiting
Per ton
Inzamel- en verwerkingskosten
BENCHMARK
104 78
71
77
79
BENCHMARK
€ per ton
100 50 0
KLASSE D
KLASSE C
KLASSE B
2 0
150
3.6
2.9
KLASSE D
4
KLASSE C
3.5
KLASSE B
3.5
(n=102)
KLASSE A
4
KLASSE A
€ per aansluiting
(n=102)
Inzamel- en verwerkingskosten
Pagina 31 van 60
4.6 Textiel Ofschoon textiel in gewicht maar 2% uitmaakt van het huishoudelijk afval, is de milieudruk zeer groot. Gemiddeld komt er 11 kg per inwoner aan textiel vrij bij huishoudens waarvan meer dan de helft in het restafval en daarna in de verbrandingsoven terecht komt. De textielindustrie is wereldwijd verantwoordelijk voor 10% van de totale CO2 uitstoot. Met iedere ton textiel die gerecycled wordt in plaats van verbrand wordt meer dan 2000 kilo CO2 bespaard. Naast CO2 is textielrecycling ook gunstig voor het water- en energieverbruik.
Van de 11 kg per inwoner aan textiel die bij huishoudens vrijkomt (=100%) wordt gemiddeld 43% gescheiden en belandt 57% in het restafval. Na inzameling wordt het textiel veelal opgeschoond waarbij vervuilde kleding en andere productvreemde materialen worden verwijderd. Uiteindelijk wordt 12% van het vrijkomende textiel ongesorteerd geëxporteerd, 16% wordt na binnenlandse sortering als herdraagbare kleding verhandeld, 2% wordt na sortering verwerkt tot garen, en 7% wordt nuttig toegepast in isolatie- en/of vulmateriaal. De resterende 63% wordt verbrand. Omdat de bestemming van ongesorteerd geëxporteerd textiel niet kan worden vastgesteld wordt dat in de benchmark niet meegerekend in het recyclepercentage. Het gemiddelde recyclepercentage voor textiel bedraagt 25%.
Scheidingpercentage
Recyclepercentage
(n=144)
69
85%
80
77
0
3
5
KLASSE B
12
%
52%
40
30%
20
15 3
0
32
24
23
4%
6%
9 1%
KLASSE A
22
43
BENCHMARK
20
50
KLASSE D
33
43
KLASSE C
40
KLASSE A
42
85%
68%
60
%
60
KLASSE C
80
100
88
5%
25
1%
BENCHMARK
88
KLASSE B
100
KLASSE D
(n=144)
Het verschil tussen het scheidingspercentage en het recyclepercentage is de uitval die plaatsvindt bij opschoning en sortering, en de export waarvan de bestemming niet bekend is. Het gemiddelde verschil tussen scheiding en recycling bedraagt 18% van al het het vrijkomende textiel. Bij hoogbouwklasse A is het verschil minder groot dan bij de overige hoogbouwklassen. Toch behoudt hoogbouwklasse A het laagste recyclepercentage.