CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Benchmark Huishoudelijk Afval analyserapport peiljaar 2023.pdf .pdf

Dordtse Dinsdag – Beeld- en oordeelsvormende commissies 25 maart 2025, gemeente DordrechtBij agendapunt: 4: Raadsinformatiebrief over Resultaten afvalscheiding Dordrecht 2023 - Raadsinformatiebrief16.922 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ANALYSERAPPORT PEILJAAR 2023

Datum: 7 november 2024 Status: definitief

De Benchmark Huishoudelijk Afval is een product van de NVRD, in samenwerking met Rijkswaterstaat en uitgevoerd door Cyclusmanagement.

Pagina 2 van 60

Inhoudsopgave 1. Inleiding

4

2. Kernprestaties

5

2.1 Schematische weergave 2.2 Milieuprestaties 2.3 Kostenprestaties 2.4 Dienstverleningsprestaties 2.5 Correlatie tussen kernprestaties

6 7 9 10 12

3. Prestatiebepalende factoren

13

3.1 Inzamelstrategie 3.2 Nascheiding pmd 3.3 Inzamelwijze

13 16 17

4. Prestaties per stroom

19

4.1 Fijn restafval 4.2 Gft 4.3 Oud papier en karton 4.4 Pmd 4.5 Glas 4.6 Textiel 4.7 Overige fijn huishoudelijke stromen 4.8 Grof huishoudelijk afval 4.9 Bijplaatsingen

19 21 24 27 30 32 34 35 39

5. Best practices

41

Bijlagen

44

Pagina 3 van 60

1. Inleiding Jaarlijks organiseert de NVRD de benchmark huishoudelijk afval, een prestatiemeting die zich richt op afval- en grondstoffenbeheer. Het doel van deze benchmark is om gemeenten en inzamelbedrijven van elkaar te laten leren door middel van 'benchlearning'. De verkregen data stelt deelnemers in staat om analyses te maken op het gebied van milieueffectiviteit en kostenefficiëntie. Door de inzamelprestaties te koppelen aan factoren zoals gemeentelijke kenmerken, ingezette inzamelstrategieën en middelen, wordt duidelijk welke effecten specifieke beleidskeuzes hebben.

Dekking 2023

Deze benchmarkeditie heeft plaatsgevonden in 2024 en ging over peiljaar 2023. In totaal hebben 122 gemeenten en inzamelbedrijven deelgenomen, waarbij 151 vragenlijsten zijn ingevuld die gezamenlijk 189 gemeenten vertegenwoordigen. Dit komt doordat sommige inzamelbedrijven meerdere gemeenten vertegenwoordigen of voor meerdere gemeenten vragenlijsten hebben ingevuld. In totaal wordt met deze benchmark 55% van de Nederlandse gemeenten gedekt.

Verantwoording Deze benchmarkanalyse bevat de geaggregeerde, gemiddelde resultaten van de Benchmark Huishoudelijk Afval, peiljaar 2023. Het is daarmee een samenvatting op hoofdlijnen. De gemiddelde resultaten zijn ongewogen, ofwel iedere (groep) gemeente(n) weegt even zwaar door in de weergegeven gemiddelden. Ofschoon de benchmark een dekkingsgraad heeft van 55% doen ook grote delen van Nederland (met name in Zeeland, Noord-Brabant, Limburg en Friesland) niet mee aan de benchmark. De getoonde gemiddelden zijn dus representatief voor de benchmark en niet voor Nederland als geheel. --> bijlage 2. De door de gemeenten en bedrijven aangeleverde gegevens die aan deze benchmarkanalyse ten grondslag liggen zijn meerdere malen gevalideerd. Extreme onrealistische waarden zijn uitgesloten. De betrouwbaarheid van de in dit rapport weergegeven gemiddelden wordt mede bepaald door het aantal gemeenten dat hiervoor gegevens heeft aangeleverd (in dit rapport weergegeven met de n-waarde) en de spreiding van de individuele waarden (vooraf gescreend)--> bijlage 2.

Nieuw dit jaar: recyclepercentage Dit jaar is een nieuwe milieuprestatie-indicator geïntroduceerd in de benchmark: het recyclepercentage. Deze indicator geeft aan hoeveel procent van het vrijkomende huishoudelijk afval uiteindelijk wordt ingevoerd in het recycleproces. Vanuit Europa ligt er een nieuwe norm om minimaal 65% van het huishoudelijk afval te recyclen in 2035. De eerste stap die het VANG-programma heeft vastgesteld is het behalen van 60% recycling in 2030.

Leeswijzer Dit analyserapport bestaat uit 4 hoofdstukken. In hoofdstuk 2 worden de kernprestaties op de prestatiegebieden milieu, kosten en dienstverlening gepresenteerd en in onderlinge samenhang geanalyseerd. In hoofdstuk 3 worden de belangrijkste prestatiebepalende factoren belicht. In hoofdstuk 4 worden de resultaten per afval- en grondstofstroom weergegeven. Tot slot worden in hoofdstuk 5 de bestpresterende gemeenten in de benchmark gepresenteerd.

Pagina 4 van 60

2. Kernprestaties De benchmark huishoudelijk afval maakt gebruik van de 'afvaldriehoek'. Iedere punt van de driehoek vertegenwoordigt een prestatiegebied (milieu, kosten en dienstverlening) waar prestatie-indicatoren op zijn gedefinieerd. De driehoek impliceert de onderlinge afhankelijkheid van de drie prestatiegebieden. Zo heeft de dienstverlening invloed op de milieuprestaties maar ook op de kosten. Het gemeentelijk afval- en grondstoffenbeheer beoogt over het algemeen zo veel mogelijk service en recycling van huishoudelijk afval tegen zo laag mogelijke beheerkosten. Het recyclepercentage en de totale beheerkosten zijn de belangrijkste prestatie-indicatoren in deze benchmark. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste prestaties per prestatiegebied gepresenteerd: de zogeheten kernprestatieindicatoren (kpi's).

Prestaties per hoogbouwklasse Omdat het aandeel hoogbouw in een verzorgingsgebied zeer prestatiebepalend blijkt te zijn en hierop nauwelijks kan worden gestuurd, zijn de prestatie-indicatoren niet alleen berekend voor de gehele benchmarkpopulatie (in dit rapport BENCHMARK genoemd), maar ook per hoogbouwklasse (in dit rapport kortweg KLASSE genoemd). De volgende hoogbouwklasses zijn gedefinieerd: Klasse A gemeenten met 50 t/m 100% hoogbouw Klasse B gemeenten met 30 t/m 49% hoogbouw Klasse C gemeenten met 20 t/m 29% hoogbouw Klasse D gemeenten met 0 t/m 19% hoogbouw Hoogbouw is in de benchmark gedefinieerd als zijnde meergezinswoning (CBS-definitie): elke woning die samen met andere woonruimten c.q. bedrijfsruimten een geheel pand vormt. Hieronder vallen flats, galerij-, portiek-, beneden- en bovenwoningen, appartementen en woningen boven bedrijfsruimten.

Pagina 5 van 60

2.1 Schematische weergave In het onderstaande schema zijn de belangrijkste prestaties van de benchmark huishoudelijk afval zoveel mogelijk in samenhang weergegeven. De gemiddelden vertegenwoordigen de gehele benchmarkpopulatie, dus alle hoogbouwklassen.

In peiljaar 2023 kwam er gemiddeld 457 kilogram per inwoner aan huishoudelijk afval vrij, waarvan 67% werd gescheiden en 56% werd gerecycled. Na scheiding resteerde gemiddeld 146 kg per inwoner aan restafval. Daarbij opgeteld de uitval die tijdens sortering en verwerking optrad, bedroeg de totale hoeveelheid niet-gerecycled huishoudelijk afval gemiddeld 201 kg per inwoner. De CO2-reductie die met deze recycleprestaties werd behaald ten opzichte van verbranding bedroeg in 2023 89 kg per inwoner. De totale beheerkosten die gemoeid zijn met het gemeentelijke afval- en grondstoffenbeheer bedroegen in 2023 € 219,- per huisaansluiting. Voor dienstverlening is een score-index opgenomen in de benchmark. Deze bedroeg in 2023 275 punten. Later in dit hoofdstuk wordt uitleg gegeven aan deze index.

Pagina 6 van 60

2.2 Milieuprestaties Huishoudelijk afval Een belangrijke kern-milieuprestatie in de benchmark is de hoeveelheid huishoudelijk afval. Hieronder wordt verstaan al het (grof) huisvuil en alle grondstoffen die bij particuliere huishoudens vrijkomt. Het voorkomen dat huishoudelijk afval vrijkomt (afvalpreventie) is een steeds belangrijker uitgangspunt in het gemeentelijk afvalbeleid. Steeds meer gemeenten formuleren daarom een huishoudelijk afval-doelstelling om het effect van het gevoerde afvalpreventiebeleid te kunnen meten. In 2023 bedroeg de gemiddelde hoeveelheid huishoudelijk afval 457 kilogram per inwoner, nagenoeg gelijk aan de hoeveelheid in 2022. Na de excesjaren 2020 en 2021 toen er vanwege de corona-pandemie zeer veel huishoudelijk afval vrijkwam, stabiliseert het huishoudelijk afval aanbod zich tot onder het niveau van voor de corona-periode. (n=151) 800

735

448

400

388 346

440 359

471 348

478

317

457

317

kg per inwoner

528

500

505

486

495

489

528

514 463

457

400 300 200

BENCHMARK

2023

2022

2021

2020

2019

2018

2017

0

2016

KLASSE D

KLASSE C

100

KLASSE B

200

600 500

600

300

735

654

KLASSE A

kg per inwoner

700

De verschillen in huishoudelijk afvalaanbod tussen de hoogbouwklassen zijn groot. Gemeenten met veel hoogbouw (klasse A) hebben gemiddeld 20% minder afval en grondstoffen per inwoner per jaar dan huishoudens met veel laagbouw (klasse D). De kleinere huizen en geen tuinen bij hoogbouw zorgen voor minder (tuin)afvalaanbod. Voorts valt ook de grote spreiding binnen de hoogbouwklassen op, vooral in hoogbouwklasse D. Het aanbod grof huishoudelijk afval (verschillen in acceptatiebeleid op de milieustraat) is daarbij bepalend.

Afvalscheiding Onder afvalscheiding wordt verstaan het percentage van het huishoudelijk afval dat gescheiden wordt. Hierin is ook nascheiding meegenomen: de grondstoffen die na inzameling mechanisch uit het restafval worden gescheiden. In 2023 werd gemiddeld 67% van het vrijkomende huishoudelijk afval gescheiden, vrijwel gelijk aan het percentage in 2022. Daarmee lijkt het er op dat de afvalscheiding zich enigszins stabiliseert in de benchmark. (n=151) 96%

59%

68% 68% 67% 64% 65% 66% 66%

40 20

2023

2022

2021

2020

0

2019

BENCHMARK

29%

KLASSE D

29%

60

2017

40%

Scheidings%

67 59%

KLASSE C

%

68 51%

KLASSE B

20

62

46

KLASSE A

40

63%

80 77

2018

78%

80 60

96%

88%

2016

100

Pagina 7 van 60

De verschillen tussen de hoogbouwklassen zijn groot. Daar waar er in hoogbouwklasse A slechts 46% van het huishoudelijk afval wordt gescheiden is dat in hoogbouwklasse D gemiddeld 77%. De minder optimale scheidingsomstandigheden bij gemeenten met veel hoogbouw speelt een belangrijke rol. Naast de hoeveelheid is ook de kwaliteit van de ingezamelde grondstoffen van groot belang, immers dat bepaalt de recyclingmogelijkheden van het materiaal. Een manier om inzicht in de kwaliteit van de brongescheiden grondstoffen te verkrijgen is door periodiek samenstellingsanalyses uit te voeren. Hiermee kan het gewichtspercentage aan vervuiling en stoorstromen per ingezamelde grondstof worden vastgesteld. In 2023 heeft 22% van de gemeenten die aan de benchmark hebben deelgenomen samenstellingsonderzoeken laten uitvoeren voor gft, 18% van de gemeenten voor pmd en 13% voor oud papier en karton.

Restafval De hoeveelheid huishoudelijk afval die resteert na bron- en nascheiding is de hoeveelheid restafval (inclusief grof (verbouwings-)restafval dat overblijft na nascheiding). Op deze kern-milieuprestatie is veelal de doelstelling van het gemeentelijk afval- en grondstoffenbeleid gebaseerd. In het VANG-programma is een ambitie opgenomen van maximaal 100 kilogram restafval per inwoner per jaar. Sinds 2024 is daar een recycle-ambitie aan toegevoegd (zie onder recycling). In 2023 bedroeg de hoeveelheid restafval gemiddeld 146 kg per inwoner. Ook hier is er nauwelijks sprake van progressie en ligt de hoeveelheid restafval dichtbij die van 2022. In hoogbouwklasse A is de hoeveelheid restafval bijna twee keer zo hoog als in hoogbouwklasse D (207 kg/inw versus 108 kg/inw). (n=151)

26

145

146

100 50 0

2023

KLASSE B

KLASSE A

26

162

2022

68

178

2021

108

97

50 0

146

165

2020

100

151

170

150

2019

148

182

2018

167

198

2017

198

207

BENCHMARK

150

200

KLASSE D

kg per inwoner

200

284 257

2016

267

kg per inwoner

284

250

KLASSE C

300

Kanttekening bij deze kern-indicator restafval is dat het gaat om de hoeveelheid restafval die overblijft na (na)scheiding. Omdat bij de verwerking van nagescheiden grondstoffen ook nog 'restafval' ontstaat (zie bij recycling, introduceert de benchmark een nieuwe indicator niet-gerecycled huishoudelijk afval. In 2023 bedroeg de gemiddelde hoveelheid niet-gerecycled huishoudelijk afval 201 kg per inwoner.

Recycling Voor de eerste keer opgenomen in de benchmark is deze nieuwe milieuprestatie-indicator: het recyclepercentage. Deze indicator geeft aan hoeveel procent van het vrijkomende huishoudelijk afval uiteindelijk wordt ingevoerd in het recycleproces. Het verschil tussen het recyclepercentage en het afvalscheidingspercentage is de uitval die plaatsvindt bij de sortering en verwerking van de gescheiden ingezamelde grondstoffen. Daarnaast zijn er afvalstromen die weliswaar gescheiden worden ingezameld maar niet gerecycled worden (waaronder asbest, c-hout). In 2023 bedroeg het gemiddelde recyclepercentage 56%, 11%punt lager dan het afvalscheidingspercentage. Het landelijke VANGprogramma huishoudelijk afval heeft begin 2024 een nieuwe doelstelling geformuleerd op deze indicator, namelijk minimaal 60% recycling van al het huishoudelijk afval in 2030 en 65% in 2035. Bijna de helft (48%) van de benchmarkgemeenten voldeden in 2023 al aan de 60%- doelstelling. De verschillen in recyclepercentage tussen de hoogbouwklasses zijn groot, maar niet groter of kleiner dan bij afvalscheiding het geval is. Ofwel, de uitval die plaatsvindt bij sortering en verwerking is bij alle hoogbouwklassen ongeveer gelijk.

Pagina 8 van 60

Recyclepercentage

Uitval bij sortering en verwerking

(n=151)

50% 41%

100

KLASSE D

25%

92

51

50

54

18

18

80 60 40 20

33%

25%

92

121

0

29

61

55

20

18

BENCHMARK

56

BENCHMARK

35

65 57

KLASSE C

20

41%

KLASSE B

40

52

KLASSE A

%

60

121

117

KLASSE D

75% 64%

120

KLASSE C

80

140

90%

KLASSE B

90%

kg per inwoner

100

KLASSE A

(n=151)

CO2-reductie Door huishoudelijk afval te recyclen in plaats van te verbranden wordt CO2 gereduceerd. De CO2-reductie wordt in de benchmark berekend in kilogram CO2 per inwoner, op basis van kentallen die onderzoeksbureau CE-Delft in opdracht van de NVRD voor 13 grondstoffen uit het huishoudelijk afval heeft bepaald. Omdat nog niet voor iedere huishoudelijke grondstof een kengetal beschikbaar is de hier weergegeven CO2-reductie nog niet volledig representatief voor de hele stroom huishoudelijk afval. In 2023 bedroeg de CO2-reductie gemiddeld 89 kg per inwoner. De grondstoffen die de meeste CO2 reduceren door ze te recyclen in plaats van te verbranden, zijn pmd, textiel, metalen en afgedankte elektr(on)ische apparatuur. De scheidingsresultaten per hoogbouwklasse van deze grondstoffen volgen in grote mate de algehele scheidingsresultaten per hoogbouwklasse. Om die reden is ook hier te zien dat de gemiddelde CO2-reductie van hoogbouwklasse A het laagste is en hoogbouwklasse D het hoogste. (n=151) 119 100 82

40 20

67 59 44

132

100 89 68

49

44

KLASSE C

60

90

132

KLASSE D

80

KLASSE B

100

KLASSE A

kg per inwoner

120

128

BENCHMARK

140

2.3 Kostenprestaties Beheerkosten De enige kernprestatie op kostengebied in de benchmark is de totale beheerkosten. De totale afvalbeheerkosten omvatten alle directe en indirecte uitgaven die samenhangen met het beheer van gemeentelijk afval en grondstoffen. Deze kernindicator wordt in de benchmark uitsluitend berekend voor de deelnemende regiegemeenten. De totale beheerkosten bestaan uit drie onderdelen: a) de directe kosten voor inzameling, opslag, overslag en verwerking, b) de indirecte kosten (overhead) die ten laste komen van de afvalstoffenheffing, en c) aftrekposten zoals vergoedingen voor grondstoffen onder producentenverantwoordelijkheid en opbrengsten uit verwerking. Kosten zoals kwijtschelding, btwcompensatie, en uitgaven voor zwerfafval en bedrijfsafval zijn uitgesloten van de totale beheerkosten. Hierdoor kunnen de totale beheerkosten lager uitvallen dan de gemeentelijke afvalstoffenheffing.

Pagina 9 van 60

In 2023 bedroegen de gemiddelde afvalbeheerkosten voor de deelnemende regiegemeenten € 219,- per huisaansluiting. Dat is een stijging van 4% ten opzichte van peiljaar 2022. Gezien de volumes ingezameld en gescheiden huishoudelijk afval nauwelijks zijn toegenomen, kan deze kostentoename volledig worden toegeschreven aan gestegen inzamel- en verwerkingstarieven en (in geval van eigen inzameldienst) gestegen loon- en voertuigkosten. Ook hier zijn er verschillen tussen de hoogbouwklassen. In gemeenten met veel hoogbouw (klasse A) zijn de totale beheerkosten gemiddeld € 231,- per huisaansluiting, 12% hoger dan gemeenten met weinig hoogbouw (klasse D). De verschillen tussen hoogbouwklassen zijn relatief gezien minder groot dan bij de andere indicatoren, zoals huishoudelijk afval, afvalscheiding en restafval. (n=116)

231

231

222

195

150

156

219

159

100

100

100

209

200 178 150

168

162

201

210

219

175

100 50

2023

2022

2021

2020

2019

2018

2017

2016

KLASSE C

0

KLASSE B

50

203

250

316

€ per aansluiting

200

284

307

BENCHMARK

250

316

KLASSE D

300

316

KLASSE A

€ per aansluiting

350

2.4 Dienstverleningsprestaties Dienstverlening grondstoffen Dienstverlening laat zich moeilijk kwantificeren. In deze benchmark is daartoe toch een poging gedaan, waarbij vooral is gekeken naar de gelegenheid die inwoners krijgen geboden om grondstoffen en restafval aan te bieden. Op basis van onder andere de inzamelfrequenties, containerdichtheden en openingsstelling milieustraat is een score berekend die het mogelijk maakt de gemeenten onderling te vergelijken. Door deze methodiek ieder jaar op dezelfde wijze te herhalen ontwikkelt zich ook een index, waarmee het dienstverleningsniveau over de jaren heen kan worden gemonitord. In 2023 bedroeg de dienstverleningsindex voor de grondstoffeninzameling gemiddeld 275 punten, een fractie lager dan de score in 2022 (280 punten). Het verschil in dienstverleningsniveau voor grondstoffen tussen de hoogbouwklassen is groot. De gemeenten met de meeste hoogbouw (klasse A) zijn vaak ook de grotere gemeenten die gemiddeld een hoger dienstverleningsniveau aanhouden dan de gemeenten met weinig hoogbouw. Ze houden een hogere dichtheid voor brengvoorzieningen aan (toegankelijk voor alle inwoners) en halen in aanvulling daarop ook vaak grondstoffen aan huis op waar het kan (laagbouw). Ook de milieustraten in hoogbouwklasse A gemeenten hebben een hoger voorzieningenniveau en hebben een ruimere openingsstelling. Dienstverlening grondstoffen

(n=151)

460

466

467

200

224

296 205

269

KLASSE C

KLASSE B

275

187

100 0

247

89

89

BENCHMARK

300

359 333

KLASSE A

score

400

467

KLASSE D

500

Pagina 10 van 60

Dienstverlening (grof)restafval Een zelfde soort index berekent de benchmark voor de inzameling van (grof)restafval, waarbij moet worden opgemerkt dat een hoog dienstverleningsniveau voor restafval geen stimulans oplevert voor het scheiden van grondstoffen. Sterker, het kan het bevorderen van afvalscheiding ook tegenhouden, ondanks een hoog dienstverleningsniveau voor de grondstoffeninzameling. De dienstverleningsindex voor (grof)restafval bedroeg in 2023 gemiddeld 36 punten. Ook hier is de dienstverlening het hoogst in klasse A en het laagst in klasse D. Dienstverlening (grof)restafval

(n=151)

71

60

59

40

41

67

71

70 59

39

36

35

16

12

12

BENCHMARK

KLASSE B

0

21

KLASSE C

20

KLASSE D

28

KLASSE A

score

80

Pagina 11 van 60

2.5 Correlatie tussen milieu- en kostenprestaties De 'afvaldriehoek' die we voor de benchmark gebruiken impliceert een zekere afhankelijkheid tussen de drie prestatiegebieden. In de onderstaande figuren wordt het verband laten zien tussen de MILIEU- en KOSTENprestaties. Het verband is niet statistisch onderzocht, ofwel er heeft geen regressie-onderzoek plaatsgevonden.

Recycling versus beheerkosten

Restafval versus beheerkosten

(n=116)

(n=116)

100%

300

90% 250

Restafval (kg/inw)

Recycling (%)

80% 70% 60% 50%

200

150

100

40% 50 30% 20%

0 0

100

200

300

400

Beheerkosten (€ per aansl)

Beheerkosten (€ per aansl)

Recycling versus beheerkosten

Restafval versus beheerkosten

per hoogbouwklasse

per hoogbouwklasse

70% KLASSE D

60%

KLASSE C

55%

KLASSE B

50% 45% 40% 35% 30% 200

KLASSE A

180

220

230

240

KLASSE B

160 KLASSE C 140 120 100

210

KLASSE A

200

Restafval (kg/inw)

Recycling (%)

65%

220

KLASSE D Beheerkosten (€ per aansl)

Beheerkosten (€ per aansl)

Al vaker aangetoond in vorige edities van de benchmark is het verband tussen de hoeveelheid restafval en de totale beheerkosten. Hoe meer afvalscheiding en recycling, hoe minder restafval en hoe lager de totale beheerkosten. De verklaring is voor een belangrijk deel gelegen in het feit dat restafval - mede door de ingevoerde verbrandingsbelasting door het Rijk - een dure afvalstroom is. Gemeenten die geïnvesteerd hebben in betere recycling en scheiding van huishoudelijk afval, hebben minder restafval en lagere verbrandingskosten. Hier niet weergegeven, maar ook binnen de hoogbouwklasses is het verband tussen enerzijds recycling en hoeveelheid restafval, en anderzijds de totale beheerkosten duidelijk aanwezig. In bijlage 3 wordt verband weergegeven tussen MILIEU- en KOSTEN-prestaties en tussen DIENSTVERLENING- en KOSTEN-prestaties.

Pagina 12 van 60

3. Prestatiebepalende factoren Het gemeentelijk afval- en grondstoffenbeheer beoogt over het algemeen zo veel mogelijk recycling en een zo hoog mogelijk dienstverleningsniveau tegen zo laag mogelijke kosten. In het vorige hoofdstuk is laten zien dat de mate van hoogbouw sterk prestatiebepalend is, maar nauwelijks stuurbaar is. In dit hoofstuk komen de prestatiebepalende factoren aan bod die wel stuurbaar zijn, waaronder: - Inzamelstrategie - Nascheiding pmd - Inzamelwijze Uiteraard zijn er ook andere factoren die prestatiebepalend zijn waaronder communicatie en handhaving. Deze factoren zijn echter lastig kwantificeerbaar en om die reden buiten deze analyse gelaten.

3.1 Inzamelstrategie Met inzamelstrategie wordt in deze benchmark de beleidsmatige aanpak bedoeld waarmee scheiding en recycling van huishoudelijk afval wordt bevorderd. De volgende inzamelstrategieën worden onderscheiden in de benchmark: Inzamelstrategie

Omschrijving

Tariefdifferentiatie

Ook wel diftar genoemd: betalen per keer of hoeveelheid restafval die wordt aangeboden. Onder diftar valt in deze benchmark niet de 'volume-diftar' (hoe groter de minicontainer voor restafval, hoe meer men betaalt)

Servicedifferentiatie

Grondstoffen worden met een hoog serviceniveau ingezameld (inzameling aan huis, hoge ophaalfrequentie) en restafval wordt met een laag serviceniveau ingezameld (met een lage ophaalfrequentie of met verzamelcontainers op buurtniveau).

Combinatie

In de praktijk komt het vaak voor dat diftar in combinatie met servicedifferentiatie wordt toegepast.

Basis-systeem

Met basis-systeem wordt een inzamelsysteem bedoeld zonder diftar en zonder servicedifferentiatie.

Van de genoemde inzamelstrategieën is tariefdifferentiatie de meest prestatiebepalend. Om die reden laten we eerst het onderscheid tussen diftar en niet-diftar zien. In de figuur hiernaast zijn beide 'bloedgroepen' zichtbaar gemaakt waarbij het recyclepercentage is afgezet tegen de totale beheerkosten. Evident is dat de diftar-gemeenten een overwegend hoger recyclepercentage en lagere beheerkosten hebben dan de niet-diftar gemeenten. Daarnaast kan ook worden opgemaakt dat de meeste diftar-gemeenten de 60% recyclingdoelstelling reeds hebben gerealiseerd en dat de meeste niet-diftargemeenten nog de nodige inspanningen moeten verrichten om deze doelstelling te halen.

Recycling versus beheerkosten 100% 90% 80%

Recycling (%)

Tariefdifferentiatie

70% 60% 50% 40% 30% 20% 0

100

200

300

400

Beheerkosten (€ per aansl) Diftar Geen diftar

Pagina 13 van 60

Met een gemiddeld recyclepercentage van 65% doen de diftar-gemeenten het 16%punt beter dan de groep niet-diftargemeenten (gemiddeld 49%). Ook het verschil in hoeveelheid restafval is groot: de diftargemeenten hebben met gemiddeld 107 kg 42% minder restafval dan de groep niet-diftargemeenten (gemiddeld 183 kg/inw). De benchmark toont bovendien aan dat de diftargemeenten goedkoper uit zijn dan de niet diftargemeenten. De totale beheerkosten van de diftargemeenten zijn met gemiddeld €203,per huisaansluiting 14% lager dan de die van de groep niet-diftargemeenten (€237,- per aansluiting). Recycling versus beheerkosten

Restafval versus beheerkosten

66%

190 DIFTAR

GEEN DIFTA

180

62%

170

60%

160

Restafval (kg/inw)

58% 56% 54% 52%

150 140 130 120

50%

110

GEEN DIFTA

48% 200

210

220

230

DIFTAR

100 200

240

210

Beheerkosten (€ per aansl)

Recycling

Geen diftar

Diftar

183 107

145

100

94

117

180

192 123

150

Geen diftar

BENCHMARK

KLASSE D

KLASSE C

50 KLASSE A

BENCHMARK

207

200

0 KLASSE D

KLASSE C

KLASSE B

20

250 Restafval (kg/inw)

49%

65%

68%

59%

63%

52%

59%

48%

35%

60

KLASSE A

Recycling (%)

240

(n=151)

80

0

230

Restafval

(n=151)

40

220

Beheerkosten (€ per aansl)

KLASSE B

Recycling (%)

64%

Diftar

Servicedifferentiatie Servicedifferentiatie is een combinatie van serviceverlaging op de restafvalinzameling (minder vaak inzamelen 'aan-huis' of geheel vervangen door wijkverzamelcontainers = restafval op afstand) en serviceverhoging op grondstoffeninzameling (extra containers of vaker inzamelen). Met andere woorden, de service wordt verlegd van restafval naar grondstoffen waardoor een extra impuls wordt gegeven aan afvalscheiding en het reduceren van restafval. Zowel gemeenten met als zonder diftar passen servicedifferentiatie toe met de intentie scheiding en recycling te verbeteren. Omdat diftar een sterk bepalende factor is, is het effect van servicedifferentiatie geanalyseerd voor de groep diftar-gemeenten en de groep niet-diftargemeenten. Daar waar in de voorgaande edities van de benchmark nog significante verschillen konden worden geconstateerd (met name voor de diftargemeenten), is dat voor peiljaar 2023 niet meer het geval. Voor zowel de diftar als de niet diftar-gemeenten zijn de verschillen in recyclingpercentage en hoeveelheid restafval marginaal. Dat betekent niet dat servicedifferentiatie niet effectief kan zijn. In de benchmark wordt ook de meerjarige ontwikkeling van het recyclepercentage en de hoeveelheid restafval van individuele gemeenten gemonitord.

Hier zitten meerdere gemeenten bij die als gevolg van de invoering van servicedifferentiatie een duidelijke verbetering in hun scheidingsprestaties hebben bereikt.

Pagina 14 van 60

Recycling

Restafval

189

179

150

136

197

175

BENCHMARK

KLASSE D

108

95

91

101

119

116

127

112

100

Geen servicedifferentiatie Servicedifferentiatie

BENCHMARK

KLASSE D

KLASSE C

KLASSE A

0

KLASSE B

50

BENCHMARK

KLASSE D

KLASSE A

KLASSE C

20

150

Restafval (kg/inw)

67%

64%

71%

67%

65%

63%

59%

58%

diftargemeenten (n=73)

40

KLASSE B

Recycling (%)

KLASSE C

Restafval

diftargemeenten (n=73)

0

KLASSE B

0

Geen servicedifferentiatie Servicedifferentiatie

Recycling

60

197

100

Geen servicedifferentiatie Servicedifferentiatie

80

189

202

212

200

BENCHMARK

KLASSE D

KLASSE B

KLASSE A

0

KLASSE C

20

300

KLASSE A

50%

47%

59%

59%

53%

50%

49%

niet-diftar gemeenten (n=78) Restafval (kg/inw)

40

36%

33%

Recycling (%)

60

47%

niet-diftar gemeenten (n=78)

Geen servicedifferentiatie Servicedifferentiatie

Strategiecombinaties Door de combinatie van inzamelstrategieën kunnen in de benchmark vier inzamelstrategiegroepen worden onderscheiden: 1. gemeenten die geen tarief- of servicedifferentiatie hebben (in deze analyse 'basis-systeem' genoemd), 2. gemeenten die alleen servicedifferentiatie hebben ingevoerd, 3. gemeenten die alleen tariefdifferentiatie hebben ingevoerd, en 4. gemeenten die zowel tarief- als servicedifferentiatie hebben ingevoerd. In de onderstaande figuren zijn deze groepen weergegeven waarbij de milieuprestaties (recycling en restafval) zijn afgezet tegen de totale beheerkosten. Recycling versus beheerkosten

Restafval versus beheerkosten

100%

300

90%

250

Restafval (kg/inw)

Recycling (%)

80% 70% 60% 50%

200

150

100

40% 50

30% 20%

0 0

100

200

300

Beheerkosten (€ per aansl) Basis-systeem Servicedifferentiatie Tariefdifferentiatie Tarief- en servicedifferentiatie

400

0

100

200

300

400

Beheerkosten (€ per aansl) Basis-systeem Servicedifferentiatie Tariefdifferentiatie Tarief- en servicedifferentiatie

Pagina 15 van 60

Recycling versus beheerkosten

Restafval versus beheerkosten

70%

200 180

DIFTAR / SERV DIF

60% 55% SERV DIF

50%

Restafval (kg/inw)

Recycling (%)

BASIS

DIFTAR

65%

200

220

240

160 140 120 DIFTAR / SERV DIF DIFTAR

100

BASIS

45% 180

SERV DIF

80 180

260

200

Beheerkosten (€ per aansl)

220

240

260

Beheerkosten (€ per aansl)

Hier kan worden geconstateerd dat tariefdifferentiatie al dan niet in combinatie met servicedifferentiatie de best-presterende inzamelstrategie is. Met deze strategie wordt gemiddeld 65% recycling behaald en ligt de hoeveelheid restafval dichtbij de 100 kg per inwoner. In bijlage 4 zijn de bovenstaande figuren per hoogbouwklasse weergegeven.

3.2 Nascheiding pmd Steeds meer gemeenten overwegen of ze pmd moeten laten nascheiden in plaats van bronscheiden. Bij bronscheiding wordt het pmd door de ontdoener gescheiden op de plek waar het vrijkomt, bij nascheiding gebeurt dat fabrieksmatig nadat het is ingezameld door de inzamelaar. Niet iedere grondstof kan met nascheiding uit het huishoudelijk afval worden gehaald, hetgeen wel kan met bronscheiding. Pmd is een stroom die zich goed leent voor nascheiding. In de benchmark kunnen drie groepen gemeenten worden onderscheiden in de wijze waarop pmd wordt gescheiden: gemeenten die pmd alleen bronscheiden (n=107), gemeenten die pmd alleen nascheiden (n=17) en gemeenten die zowel aan bron- als nascheiding doen (n=27). De laatste groep zijn ondermeer gemeenten die in wijken waar het bronscheiden slechte resultaten oplevert (veelal hoogbouw), overgaan op nascheiden, maar in de rest van de gemeente doorgaan met bronscheiden. In de onderstaande grafieken wordt laten zien hoe deze drie groepen presteren op de kernprestaties recycling en hoeveelheid restafval. Omdat tariefdifferentiatie een sterk prestatiebepalende factor is die een verstorende werking kan hebben op deze vergelijking, is de analyse uitgevoerd voor zowel diftargemeenten als voor nietdiftargemeenten.

Geconstateerd kan worden dat nascheiding van pmd geen significante impact heeft op het recyclingspercentage en de hoeveelheid restafval. Dit is enigszins logisch omdat pmd slechts 10% uitmaakt van de totale hoeveelheid huishoudelijk afval. Recycling

Restafval

179 188 184

172 188 203

KLASSE C

157 147 116

188 199 189

226 203 208

200

KLASSE B

0

BENCHMARK

100

KLASSE D

BENCHMARK

KLASSE D

Bronscheiding pmd Bron- en nascheiding pmd Nascheiding pmd

300

KLASSE A

51% 48% 45%

49% 48% 46%

53% 50% 52%

KLASSE C

0

KLASSE B

20

Restafval (kg/inw)

40

40% 36% 33%

60

KLASSE A

Recycling (%)

80

niet-diftar gemeenten (n=78) 56% 61% 60%

niet-diftar gemeenten (n=78)

Bronscheiding pmd Bron- en nascheiding pmd Nascheiding pmd

Pagina 16 van 60

Recycling

Restafval

Bronscheiding pmd Bron- en nascheiding pmd Nascheiding pmd

145 103

106

94

103

117

125 145 102

100

BENCHMARK

KLASSE D

0

KLASSE C

50

KLASSE B

BENCHMARK

KLASSE D

KLASSE C

0

KLASSE B

20

150

KLASSE A

40

Restafval (kg/inw)

65% 56% 63%

68%

63%

59% 56% 59%

60

KLASSE A

Recycling (%)

80

diftargemeenten (n=73) 70%

diftargemeenten (n=73)

Bronscheiding pmd Bron- en nascheiding pmd Nascheiding pmd

Geconcludeerd kan worden dat de scheidingswijze van pmd geen significante verschillen laten zien in het uiteindelijke recyclingpercentage en de hoeveelheid restafval. Opgemerkt moet worden dat het (gedeeltelijk) nascheiden van pmd en tariefdifferentiatie niet vaak in combinatie wordt toegepast. De vergelijking bron- en nascheiding bij diftargemeenten is daardoor erg gevoelig voor individuele uitschieters. In paragraaf 4.4 wordt het verschil laten zien van bron- en nascheiding op de hoeveelheid pmd die gescheiden wordt.

3.3 Inzamelwijze Niet alleen de inzamelstrategie en het al dan niet nascheiden van pmd hebben invloed op de milieuprestaties, ook de inzamelwijze die wordt toegepast heeft impact. Hiermee wordt het ophalen aan huis versus het brengen naar een locatie in de wijk bedoeld. Aan de inzamelwijze zijn ook de inzamelmiddelen gekoppeld. Zo worden veelal mininicontainers, zakken en duo-containers toegepast voor het ophalen aan huis, en boven- of ondergrondse verzamelcontainers voor het laten brengen naar een locatie in de wijk. Niet ieder inzamelmiddel is overal toepasbaar. Bij de hoogbouw is veelal geen ruimte voor het plaatsen van individuele inzamelmiddelen (uitgezonderd de zak), zodat daar een brengsysteem veelal de enige optie is. Het verschil tussen halen en brengen is hieronder weergegeven door het meest toegepaste haalmiddel (de minicontainer) te vergelijken met het meest toegepaste brengmiddel (de verzamelcontainer). Omdat diftar sterk prestatiebepalend is zijn er twee figuren opgemaakt: met diftar (linker figuur) en zonder diftar (rechter figuur). Voor praktisch alle afvalstromen kan worden geconstateerd dat het halen aan huis meer kilo's per huishouden oplevert en lagere kosten met zich meebrengt dan de brengen naar verzamelcontainers.

Pagina 17 van 60

Diftar

Niet-diftar

(n=78)

500

500

400

400

kg per aansluiting

kg per aansluiting

(n=73)

300 200 100 0

300 200 100 0

0

500

1000

Inzamelkosten (€/ton) gft minicontainer gft verzamelcontainer opk minicontainer opk verzamelcontainer pmd minicontainer pmd verzamelcontainer rest minicontainer rest verzamelcontainer

1500

0

500

1000

1500

Inzamelkosten (€/ton) gft minicontainer gft verzamelcontainer opk minicontainer opk verzamelcontainer pmd minicontainer pmd verzamelcontainer rest minicontainer rest verzamelcontainer

Pagina 18 van 60

4. Prestaties per stroom 4.1 Fijn restafval Hoeveelheden Met fijn restafval wordt het ongescheiden huisvuil bedoeld dat aan huis of in de wijk wordt ingezameld. De hier weergegeven cijfers zijn dus exclusief grof restafval. Hieronder zijn vier figuren weergegeven waarin de hoeveelheid fijn restafval is weergegeven op vier verschillende meetpunten in de keten. In 2023 werd er gemiddeld 132 kg per inwoner aan fijn restafval ingezameld (figuur 1). Inclusief de grondstoffen (gft, pmd, textiel) die bij de acceptatie werden afgekeurd bedroeg de gemiddelde hoeveelheid fijn restafval 133 kg per inwoner (figuur 2). Wordt daarop de hoeveelheid grondstoffen in mindering gebracht die door nascheiding uit het fijn restafval worden gehaald, resteerde gemiddeld 125 kg per inwoner (figuur 3). Inclusief de uitval die plaatsvindt bij sortering en verwerking, bedroeg de gemiddelde hoeveelheid 148 kg per inwoner (figuur 4). In alle vier figuren is het zelfde patroon zichtbaar: hoe meer hoogbouw hoe hoger de hoeveelheid fijn restafval. In hoogbouwklasse A (50 tot 100% hoogbouw) wordt meer dan twee keer zoveel fijn restafval ingezameld als in hoogbouwklasse D (0 tot 19% hoogbouw). De scheidingsomstandigheden bij gemeenten met veel hoogbouw zijn minder ideaal dan bij gemeenten met weinig hoogbouw, waardoor er meer ongescheiden restafval overblijft. Fijn restafval ingezameld

Fijn restafval ingezameld + afkeur grondstoffen

97

KLASSE A

24

Fijn restafval ingezameld + afkeur grondstoffen -/- nagescheiden grondstoffen

(n=151)

0

48

24

24

90 75

183

192 160

24

24

100

BENCHMARK

0

150

148 120

103

50 KLASSE D

KLASSE C

KLASSE B

48

150

208

81 50

50

BENCHMARK

113

125

255 227

KLASSE D

130

254

KLASSE B

142

200

255

KLASSE C

171

250 kg per inwoner

184

50 0

75

(n=151)

255

252 218

150 100

133

300 255

KLASSE A

kg per inwoner

200

134

Fijn restafval ingezameld + afkeur grondstoffen -/nagescheiden grondstoffen + uitval sortering en verwerking

300 250

147

97

50 24

196

100

KLASSE A

0

48

KLASSE C

73

50

150

181

BENCHMARK

100

132

276 238

KLASSE D

133

252

223

KLASSE A

146

200

276

KLASSE C

196

kg per inwoner

150

250

238

222 181

300

276 250

BENCHMARK

200

276

KLASSE B

kg per inwoner

250

(n=151)

KLASSE D

300

KLASSE B

(n=151)

Pagina 19 van 60

Samenstelling De meeste gemeenten laten periodiek hun fijn restafval analyseren op samenstelling (n=149). Zo kan het scheidingspotentieel worden vastgesteld: wat zit er nog aan herbruikbare grondstoffen in het restafval die ook gescheiden ingezameld hadden kunnen worden. De gemiddelde samenstelling van het ongescheiden fijn restafval laat zien dat er onder andere nog 34% groente-, fruit- en tuinafval (gft), 7% papier en 8% plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drankenkartons (pmd) in zit.

gft opk pmd glas textiel overig

34% 41%

7% 5%

4%

8%

Kosten In 2023 bedroegen de gemiddelde kosten voor fijn restafval gemiddeld € 73,- per huisaansluiting, waarvan € 35,- inzamelkosten (personeel, materieel en/of uitbestede kosten), en € 38,- overslag en verwerkingskosten. Het grote verschil tussen hoogbouwklasse A en D (bijna een factor 2) wordt veroorzaakt door de verschillen in de hoeveelheid ingezameld en verwerkt restafval. Per ton restafval bedroegen de totale inzamel- en verwerkingskosten in 2023 gemiddeld € 254,-. De verschillen tussen de hoogbouwklassen zijn minder groot dan bij de kosten per huisaansluiting. De ontwikkeling van de inzamelen verwerkingskosten van restafval zijn weergegeven in bijlage 5. Per huisaansluiting

Per ton

(n=102) 300 244

263

261

129

127

134

37

73 52

38

25

35

BENCHMARK

36

KLASSE C

39

KLASSE B

50

KLASSE D

27

Inzamelkosten Overslag- en verwerkingskosten

200

133

123

127

134

121

127

100 111

0

Inzamelkosten Overslag- en verwerkingskosten

BENCHMARK

73

KLASSE D

42

50 0

81

254

244

KLASSE C

60

KLASSE A

100

€ per ton

109

KLASSE A

€ per aansluiting

150

KLASSE B

(n=102)

Pagina 20 van 60

4.2 Groente-, fruit- en tuinafval Groente-, fruit- en tuinafval is één van de grootste stromen binnen het huishoudelijk afval: gemiddeld 34% (155 kg/inw) van het huishoudelijk afval (457 kg/inw) is gft. Een belangrijk deel daarvan wordt nog ongescheiden in het restafval aangeboden. Met iedere ton gft-afval die gecomposteerd wordt in plaats van verbrand wordt 150 kilo CO2 bespaard. Met het composteren blijven kostbare nutriënten behouden die nuttig zijn voor bodemverbetering.

De keten in kaart

Van de 155 kg per inwoner aan gft die bij huishoudens vrijkomt (=100%) wordt gemiddeld 69% gescheiden en wordt 31% via het restafval aangeboden. Dat er uiteindelijk 37% van het vrijkomende gft wordt verbrand heeft te maken dat er ook nog uitval plaatsvindt bij het vergisting- en composteerproces. Uiteindelijk wordt van de 155 kg vrijkomend gft 27% verwerkt tot compost, 3% verwerkt tot biogas en 33% tot (condens)water. Het gemiddelde recyclepercentage voor gft bedraagt 63%. Ofwel gemiddeld 63% van het vrijkomende groente-, fruit- en tuinafval vindt een nuttige bestemming anders dan de verbrandingsoven.

Scheidingpercentage gft

Recyclepercentage gft

(n=149) 100

20

27 1

0

58

76 66

1%

63 52%

38% 25

93%

27%

21% 1%

BENCHMARK

40

BENCHMARK

1

29

KLASSE D

0

26

KLASSE C

20

62

40

KLASSE B

40

69

60

93%

KLASSE D

60

KLASSE A

%

63

80

83 72

90% 80%

KLASSE A

85

80

95

98

%

100

98

KLASSE B

120

KLASSE C

(n=149)

Het verschil tussen het scheidingspercentage en het recyclepercentage is de uitval die plaatsvindt voor en tijdens het vergistings- en composteerproces. Gemiddeld bedraagt die uitval 6% van al het het vrijkomende gft. Bij hoogbouwklasse A en B is het uitvalpercentage overigens minder groot dan bij hoogbouwklasse C en D. Dit kan te maken hebben met het selectieve aanwijzingsbeleid wat bij stedelijke gemeenten vaak wordt toegepast (alleen bewoners die gemotiveerd zijn gft te scheiden krijgen (toegang tot) een inzamelvoorziening).

Pagina 21 van 60

Hoeveelheid gescheiden In 2023 werd er per inwoner gemiddeld 107 kg aan gft-afval gescheiden ingezameld, wat een stijging van 3% is ten opzichte van 2022. Het jaar 2022 lijkt daarmee een eenmalige terugval te zijn, mogelijk veroorzaakt door het extreem droge en ongunstige weer voor plantengroei, waardoor er minder tuinafval ontstond. De hoeveelheid gft die via het restafval werd aangeboden nam juist af. In 2022 bedroeg deze nog gemiddeld 50 kg per inwoner, in 2023 was dat gemiddeld 48 kilogram per inwoner. Dit duidt op beter scheidingsgedrag. De beste scheidingsprestaties worden geleverd door de gemeenten met overwegend laagbouw. In hoogbouwklasse D wordt bijna 5 keer meer gft gescheiden ingezameld dan in hoogbouwklasse A. Betere scheidingsomstandigheden (meer ruimte in en rond de woningen voor inzamelmiddelen) en de aanwezigheid van meer en grotere tuinen (dus meer tuinafval) verklaren het verschil. (n=151) 120

140 107

85

107

104

80 60 40

2023

2022

2021

0

1

BENCHMARK

KLASSE D

KLASSE A

114

20

26

KLASSE C

1

115

2020

44

29

0

62

107

2019

53

50

107

2018

114

100

109 96

2017

127

100

2016

150

205

kg per inwoner

205

195

200

KLASSE B

kg per inwoner

250

Effectiviteit inzamelmiddelen In de onderstaande figuren is de effectiviteit per inzamelmiddel weergegeven, in kilogram gft per aangesloten aansluiting. Voor gft wordt doorgaans twee inzamelmiddelen toegepast: de minicontainer en de verzamelcontainer. Andere inzamelmiddelen zoals de citybin, duocontainer of zak worden sporadisch toegepast en bieden voor deze analyse te weinig valide data. In alle hoogbouwklassen en ongeacht of diftar wordt toegepast is de respons van de minicontainer beduidend hoger dan die van de verzamelcontainer. Kanttekening is wel dat het soort inzamelmiddel vaak gerelateerd is aan het bebouwingstype: minicontainers worden veelal toegepast bij laagbouw en verzamelcontainers bij de hoogbouw. Bij de hoogbouw komt minder tuinafval vrij waardoor de respons ook lager is. Diftar

Geen diftar

Verzamelcontainer

406

KLASSE D

BENCHMARK

62

273

298 59

91

KLASSE B

24

Minicontainer

KLASSE C

228

213

500 475 450 425 400 375 350 325 300 275 250 225 200 175 150 125 100 75 50 25 0

KLASSE A

gft (kg/aansluiting)

45

BENCHMARK

21

KLASSE D

66

KLASSE C

41

KLASSE B Minicontainer

344

355

(minicontainer n=45) (verzamelcontainer n=24)

333

336

500 475 450 425 400 375 350 325 300 275 250 225 200 175 150 125 100 75 50 25 0

KLASSE A

gft (kg/aansluiting)

(minicontainer n=54) (verzamelcontainer n=21)

Verzamelcontainer

Pagina 22 van 60

Best practice In gemeente Meerssen werd in 2023 het meeste gft gescheiden ingezameld: 205 kg per inwoner en 89% van de totale hoeveelheid gft die bij huishoudens vrijkomt. Deze diftargemeente (18600 inw, 18% hoogbouw) zamelt gft 26x per jaar in met minicontainers. Er worden geen aparte takkenroutes gereden. Tuinafval mag iedere inzamelronde naast de minicontainer worden aangeboden. Het ingezamelde gft wordt vergist en gecomposteerd door Attero. De kwaliteit van het aangeleverde gft is goed. Er vindt nauwelijks afkeur plaats. Uit de benchmark blijkt dat de inzamelfrequentie voor gft weinig relatie vertoont met de respons. Gemeenten met een wekelijkse inzameling gedurende de zomermaanden zamelen niet meer gft in dan gemeenten die dat niet hebben. Steeds meer gemeenten gaan over op het verstrekken van gratis keukenbakjes. In 2022 deden dat nog 27% van de gemeenten, in 2023 36%: 6% bij alle huishouden, 14% bij alleen hoogbouw en 16% op pilotbasis--> bijlage 7.

Kosten In 2023 bedroegen de totale kosten voor de inzameling, op- en overslag, en verwerking van gft gemiddeld € 40,- per huisaansluiting. In hoogbouwklasse A zijn deze kosten nog niet de helft van die in de overige hoogbouwklassen. Dit komt doordat in klasse A aanzienlijk minder gft per huishouden wordt ingezameld en verwerkt. De gemiddelde kosten per ton voor inzameling en verwerking lagen in 2023 op € 197,-. Daarbij zijn de kosten per ton bij hoogbouwklasse A om dezelfde reden juist hoger dan bij de andere klassen. Per huisaansluiting

Per ton

(n=102)

27

24

14

BENCHMARK

KLASSE D

203

200 291

100 0

Inzamelkosten Overslag- en verwerkingskosten

72

74

175 64

130

112

197 151

68

65 86

Inzamelkosten Overslag- en verwerkingskosten

129

BENCHMARK

24

26

300

KLASSE D

4

KLASSE C

0

19

KLASSE B

10

14

15

363

KLASSE C

30

21 15

40

KLASSE B

38

41

€ per ton

40

20

400

48

KLASSE A

€ per aansluiting

50

KLASSE A

(n=102)

Pagina 23 van 60

4.3 Oud papier en karton Ook een grote stroom is oud-papier en karton (opk): gemiddeld 12% (54 kg/inw) van het huishoudelijk afval. Door de digitalisering van de samenleving en de afname van huis aan huis bezorging van reclamefolders neemt dit aandeel wel af. Oud papier is een belangrijke grondstof voor het maken van nieuw papier en karton. Een papiervezel kan tot wel zeven keer opnieuw worden gerecycled. Zolang het niet wordt verbrand houdt het CO2 vast. Ondanks een bijna gesloten keten belandt nog een aanzienlijk deel van het oud papier en karton in de verbrandingsoven.

Van de 54 kg per inwoner aan oud papier en karton die bij huishoudens vrijkomt (=100%) wordt gemiddeld 82% gescheiden en wordt 18% via het restafval afgedankt. 2% van het vrijkomende papier valt nog uit bij de sortering en verwerking, zodat uiteindelijk 20% van het vrijkomende oud papier verloren gaat in de verbrandingsoven. Uiteindelijk wordt van de 54 kg vrijkomend oud papier en karton 80% ingevoerd in het recycleproces en verwerkt tot nieuwe papieren en kartonnen producten.

Scheidingpercentage opk

Recyclepercentage opk

(n=144)

(n=144) 120

69

51

BENCHMARK

KLASSE D

KLASSE C

38

KLASSE B

20

82

38

KLASSE A

40

67

100

93%

80

72%

60

56

40 20

77

95% 81 63%

98% 87

98% 80

67%

49% 37%

37%

BENCHMARK

57

84

98

90

KLASSE D

60

79

98

KLASSE C

75

%

80

97

KLASSE A

96

%

100

KLASSE B

120

Het verschil tussen het scheidingspercentage en het recyclepercentage is de uitval die plaatsvindt bij sortering en verwerking van het oud papier en karton. Denk aan vervuild papier of geplastificeerd papier. Gemiddeld bedraagt die uitval 2% van al het het vrijkomende oud papier en karton. Bij hoogbouwklasse A lijkt het uitvalpercentage iets lager te zijn dan bij D. Een echte verklaring is hiervoor niet te geven.

Pagina 24 van 60

Hoeveelheid gescheiden In 2023 werd er per inwoner gemiddeld 44 kg aan oud papier en karton gescheiden ingezameld, 2 kilo minder dan 2022. De trend blijft daardoor dalend, echter dat geldt minder voor de hoeveelheid oud papier in het restafval. Deze bleef ten opzichte van 2022 stabiel op gemiddeld 10 kg per inwoner. Er lijkt sprake van een iets afnemend scheidingsgedrag. De beste scheidingsprestaties worden geleverd door de gemeenten met overwegend laagbouw. In hoogbouwklasse D wordt bijna 2 x meer oud papier gescheiden dan in hoogbouwklasse A. (n=146) 70

60

46

40

44

30 20

2023

2022

KLASSE D

KLASSE B

0

BENCHMARK

16

KLASSE A

51

10

16

10

51

2021

20

28

51

2020

24

53

2019

27

39

56

2018

30

44

54

2017

41

36

44

50

2016

40

50

KLASSE C

kg per inwoner

49

50

62

kg per inwoner

59

60

62

Effectiviteit inzamelmiddelen Hieronder is de effectiviteit per inzamelmiddel weergegeven, in kilogram oud papier en karton die per aangesloten aansluiting wordt ingezameld. Voor oud papier worden doorgaans 3 inzamelmiddelen toegepast: de minicontainer, de losse bundels en de verzamelcontainer. Geconstateerd kan worden dat met de minicontainer beduidend meer papier wordt ingezameld dan met de verzamelcontainer. Losse bundel inzameling heeft vooral een hoge respons in gemeenten met weinig hoogbouw (klasse C en D). Diftar

Geen diftar

115 114

BENCHMARK

KLASSE D

50

55

94 82

96 39

66 53

KLASSE C

0

KLASSE B

50

65

93

83

100

50

65

BENCHMARK

Minicontainer Losse bundels, krat Verzamelcontainer

150

KLASSE A

109 91

89

KLASSE D

57

46 51

KLASSE C

0

KLASSE B

50

118 104

91 98

112

100

opk (kg/aansluiting)

(minicontainer n=32) (losse bundels n=7) (verzamelcontainer n=37)

150

KLASSE A

opk (kg/aansluiting)

(minicontainer n=30) (losse bundels n=32) (verzamelcontainer n=28)

Minicontainer Losse bundels, krat Verzamelcontainer

** Omdat er voor oud papier en pmd soms meerdere inzamelsystemen per huishouden worden toegepast overstijgt het aantal metingen (som van n-waarden) de totale benchmarksteekproef.

Pagina 25 van 60

Best practice In gemeente Eijsden-Margraten wordt het meeste oud papier gescheiden ingezameld: 62 kg per inwoner. Deze diftargemeente (25991 inw, 15% hoogbouw) zamelt bij zowel de laag- als hoogbouw oud papier en karton in met losse bundels in een frequentie van 1 x per maand. De inzameling gebeurt in samenwerking met verenigingen die de beladers leveren. Vanuit preventie-oogpunt is ook het ook goed een gemeente te noemen waar juist weinig oud papier vrijkomt en die een hoog scheidingspercentage heeft. In dat licht is gemeente Maastricht noemenswaardig met een gemiddeld papieraanbod van 41 kg per inwoner waarvan 89% gescheiden wordt ingezameld. Inmiddels heeft 22% van de in de benchmark participerende gemeenten een opt-in systeem voor reclamefolders ingevoerd (ja-ja-sticker) en is 5% druk doende om het in te voeren --->bijlage 7.

Kosten In 2023 bedroegen de totale kosten voor de inzameling, op- en overslag en verwerking van oud papier en karton, na aftrek van de opbrengsten, gemiddeld € 11,- per huisaansluiting. Een belangrijke factor in deze kosten is de sterk fluctuerende papierprijs. Ten opzichte van 2022 zijn de kosten verdubbeld, terwijl ze in 2021 nog met een factor vier waren gedaald vergeleken met het jaar daarvoor. Binnen de hoogbouwklassen valt vooral klasse A op met een forse afwijking in de gemiddelde kosten. De kosten per ton voor de inzameling en verwerking van oud papier en karton kwamen in 2023 gemiddeld uit op € 119,-. Per huisaansluiting

Per ton

(n=97)

Inzamel- en verwerkingskosten

BENCHMARK

KLASSE D

KLASSE C

0

KLASSE B

5

0

236 115

92

100

119

BENCHMARK

9

200

KLASSE D

11

KLASSE C

10

10

400

KLASSE B

12

KLASSE A

12

KLASSE A

€ per aansluiting

15

€ per ton

(n=97)

Inzamel- en verwerkingskosten

Pagina 26 van 60

4.4 Pmd Pmd staat voor plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drankenkartons. Deze stroom valt onder de producentenverantwoordelijkheid. Gemeenten ontvangen daarvoor een inzamelvergoeding. Er komt gemiddeld 39 kg per inwoner aan pmd vrij bij huishoudens, ongeveer 10% van de totale hoeveelheid huishoudelijk afval. Een belangrijk deel daarvan belandt nog in het restafval. Soms bewust in het geval gemeenten kiezen voor scheiding achteraf (nascheiding) in plaats van scheiding door de huishoudens (bronscheiding). De klimaat-impact van pmd is groot: met iedere ton pmd die gerecycled wordt in plaats van verbrand wordt 4700 kilo CO2 bespaard.

Van de 39 kg per inwoner aan pmd die bij particuliere huishoudens vrijkomt (=100%) wordt gemiddeld 61% aan de bron gescheiden en 39% via het restafval aangeboden. Een deel van het pmd dat in het restafval belandt wordt via nascheiding alsnog gescheiden. Samen met het brongescheiden pmd wordt het gesorteerd in mono-materialen die aan de recyclingindustrie worden aangeboden. Van de 39 kg pmd per inwoner die bij huishoudens vrijkomt wordt uiteindelijk 33% aan mono-stromen opgeleverd, 16% aan mix-stromen opgeleverd, en belandt 51% in de verbrandingsoven. De rendementsdata van nascheiding en sortering, op basis waarvan de weergegeven bestemmingspercentages zijn berekend, zijn generiek (verkregen van Nedvang/ RKN).

(Bron)scheidingpercentage pmd

Recyclepercentage pmd

(n=149)

(n=148) 120

0

%

53

20 0

0

0

0

0

44

80%

48 27%

26%

74% 54

49

31%

8%

8%

BENCHMARK

0

60

96% 75%

40

BENCHMARK

18

61

KLASSE D

20

58

KLASSE C

40

43

KLASSE B

60

62

96%

80

74

KLASSE A

%

80

100

KLASSE D

91

KLASSE C

91

97

KLASSE A

100

97

KLASSE B

120

Het scheidingspercentage is uitsluitend berekend over het brongescheiden pmd. Het recyclepercentage geeft het resultaat weer van bron- en nascheiding. Beide indicatoren zijn berekend exclusief afkeur. Het verschil tussen scheiding en recycling wordt dus door twee factoren veroorzaakt: de nagescheiden pmd die via sortering het recycleproces wordt ingevoerd en de uitval die plaatsvindt van stoorstromen in het sorteerproces van brongescheiden pmd. Gemiddeld ligt het recyclepercentage 12% lager dan het bronscheidingspercentage. Bij hoogbouwklasse A ligt het gemiddelde recyclingpercentage juist hoger dan het gemiddelde bronscheidingspercentage omdat hier de meeste gemeenten aan nascheiding doen.

Pagina 27 van 60

Hoeveelheden In 2023 werd er door de benchmarkgemeenten gemiddeld 28 kg per inwoner aan pmd gescheiden, 24 kg door bronscheiding (exclusief afkeur) en 4 kg door nascheiding. Sinds 2021 is er sprake van een dalende trend, waarschijnlijk door de strengere acceptatie en toename van afkeur die op het brongescheiden pmd plaatsvindt en de invoering van statiegeld op plastic flesjes. De verschillen tussen de hoogbouwklassen worden steeds kleiner doordat steeds meer klasse Agemeenten met veel hoogbouw overgaan op volledige nascheiding. (n=151)

7

22

2023

2022

2021

15

2020

9

28

18

2019

9

29

26

25

2018

KLASSE A

7

25 20

32

30

2017

9

0

30

2016

10

28

kg per inwoner

20

KLASSE C

25

23

32

27

35

43

BENCHMARK

30

43

42

KLASSE D

43

42

40

KLASSE B

kg per inwoner

50

Effectiviteit inzamelmiddelen In de onderstaande figuren is de effectiviteit per inzamelmiddel weergegeven, in kilogram pmd per aangesloten aansluiting. Er worden doorgaans drie inzamelmiddelen toegepast voor pmd: de minicontainer, de zak en de verzamelcontainer. Andere inzamelmiddelen zoals de duocontainer worden te sporadisch toegepast en bieden voor deze analyse te weinig valide data. In alle hoogbouwklassen en ongeacht diftar is de respons van de minicontainer beduidend hoger dan die van de zak en de verzamelcontainer. Bij diftargemeenten lijkt de zak een effectiever middel dan bij niet-diftargemeenten. Welk inzamelmiddel de beste kwaliteit pmd oplevert is niet uit de benchmark te herleiden. Hiervoor hebben te weinig gemeenten representatieve samenstellingsonderzoeken per inzamelmiddel laten uitvoeren. Diftar

Geen diftar

Minicontainer Zak Verzamelcontainer

39 26

BENCHMARK

26

KLASSE D

21

KLASSE C

KLASSE B

0

78

82

81 35 34

50

44

63

75

100

16

37

BENCHMARK

150

KLASSE A

82 45

60

64

KLASSE D

KLASSE C

KLASSE B

0

24

50

68 53

41

58

85

88

100

pmd (kg/aansluiting)

(minicontainer n=24) (zak n=8) (verzamelcontainer n=25)

150

KLASSE A

pmd (kg/aansluiting)

(minicontainer n=29) (zak n=40) (verzamelcontainer n=24)

Minicontainer Zak Verzamelcontainer

Effectiviteit scheidingswijze Kun je pmd beter bronscheiden of nascheiden? In de benchmark onderscheiden we drie groepen: gemeenten die pmd alleen bronscheiden, gemeenten die pmd alleen nascheiden en gemeenten die zowel aan bron- als nascheiding doen. De laatste groep zijn gemeenten die in wijken waar het bronscheiden slechte resultaten oplevert (veelal hoogbouw), overgaan op nascheiden, maar in de rest van de gemeente doorgaan met bronscheiden.

Pagina 28 van 60

Ook hier is de effectanalyse uitgevoerd voor zowel diftar-gemeenten als niet-diftargemeenten, met dien verstande dat nascheiding in combinatie met diftar niet vaak voorkomt (lage n-waarden). Er valt dus eigenlijk alleen iets te zeggen over het effect van nascheiding bij niet-diftargemeenten. Bij deze groep zien we dat de combinatie bron- en nascheiding de meeste pmd oplevert. Over het mogelijke kwaliteitsverschil tussen bron- en nagescheiden pmd kan met deze benchmark geen uitspraak worden gedaan. Diftar

Geen diftar

50

49

66

68 79 69

76 63

53

60 45

BENCHMARK

KLASSE D

18

Uitsluitend bronscheiding Bron- en nascheiding Uitsluitend nascheiding

KLASSE C

0

KLASSE B

50

51 45

100

30

50

BENCHMARK

150

KLASSE A

89 70 54

59

KLASSE D

0

KLASSE B

50

KLASSE C

48

64

76

90

100

pmd (kg/aansluiting)

(uitsluitend bronscheiding n=38) (bron- en nascheiding n=26) (uitsluitend nascheiding n=14)

150

KLASSE A

pmd (kg/aansluiting)

(uitsluitend bronscheiding n=69) (bron- en nascheiding n=1) (uitsluitend nascheiding n=3)

Uitsluitend bronscheiding Bron- en nascheiding Uitsluitend nascheiding

Best practice Evenals vorig jaar is Lisse wederom de gemeente waar de meeste kilo's pmd gescheiden worden: 43 kg per inwoner. Deze voormalige diftargemeente (23390 inw, 32% hoogbouw) zamelt het pmd bij de laagbouw met minicontainers in (26 x per jaar) en heeft bij de hoogbouw verzamelcontainers geplaatst in een dichtheid van 1 container op 60 huishoudens. Er wordt geen pmd nagescheiden uit het restafval. Of Lisse ook de best-practice is is mede afhankelijk van de kwaliteit van het brongescheiden pmd en de aanwezigheid van stoorstromen. Hierover is geen data beschikbaar. Slechts 1% van het brongescheiden in 2023 uit Lisse werd afgekeurd.

Kosten De inzamelkosten voor brongescheiden pmd bedroegen in 2023 gemiddeld € 20,3 per huisaansluiting. Voor pmd is producentenverantwoordelijkheid van toepassing. Voor de inzameling ontvangen gemeenten een vergoeding van het bedrijfsleven (Verpact) terwijl de verwerkingskosten en opbrengsten veelal direct tussen het bedrijfsleven en de verwerkers worden verrekend. Om die reden worden in de benchmark alleen de inzamelkosten (excl. inzamelvergoeding) belicht. Per ingezamelde ton pmd (inclusief afkeur) bedroegen de totale inzamelkosten in 2023 gemiddeld € 334,-. De extra transport- en verwerkingskosten van het afgekeurde pmd zijn in beide indicatoren niet meegenomen. Door de lage respons zijn de inzamelkosten per ton in klasse A bijna 2 keer hoger dan in de overige hoogbouwklassen. De kostenontwikkeling van pmd is weergegeven in bijlage 5. Per huisaansluiting

Per ton

(n=89)

BENCHMARK

376 300

278

334

200 0

KLASSE D

KLASSE C

0

KLASSE B

10

400

BENCHMARK

14,2

KLASSE D

20,3

KLASSE C

20,6

538

KLASSE B

19,7

20

21,9

€ per ton

600

KLASSE A

€ per aansluiting

30

KLASSE A

(n=89)

Pagina 29 van 60

4.5 Glas Met glas wordt hier verpakkingsglas bedoeld. Al sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw wordt glas gescheiden ingezameld ten behoeve van recycling. Glas is eindeloos recyclebaar, zonder verlies van kwaliteit. Verpakkingsglas maakt circa 6% uit van het huishoudelijk afval. Toch belandt een deel daarvan nog ongescheiden in het restafval. Met iedere ton glas die gerecycled wordt in plaats van verbrand wordt 170 kilo CO2 bespaard.

Van de 26 kg per inwoner aan verpakkingsglas die bij huishoudens vrijkomt (=100%) wordt gemiddeld 82% gescheiden en belandt 18% in het restafval. Glas behoort daarmee samen met oud papier en karton tot één van de best gescheiden grondstoffen van het huishoudelijk afval. Uiteindelijk wordt ook 82% van het vrijkomende glas ingevoerd in het recyclingproces. Er treedt dus nauwelijks uitval plaats bij sortering en verwerking (0,4%). Dit geeft aan dat de kwaliteit van het ingezamelde glas goed is. Metalen doppen, kurken maar ook stenen kruiken zorgen voor enige vervuiling in het ingezamelde glas. Bij het verwijderen van vervuiling gaat er (aanklevend) glas verloren, gemiddeld 0,4% van het vrijkomend glas.

Scheidingpercentage glas

Recyclepercentage glas

(n=149)

(n=149) 110

70 66

47

BENCHMARK

47

80

96%

76%

80

82

98% 87

98%

82

70 60

57

KLASSE D

40

63

KLASSE C

50

63

KLASSE B

60

95%

90 82

%

76

KLASSE A

%

80

87

100

50 40

63

63%

66%

57% 47%

47%

BENCHMARK

82

98

KLASSE C

80

90

98

KLASSE B

95

96

KLASSE A

100

KLASSE D

110

Dat er vrijwel geen uitval plaatsvindt van glas bij het sorteer- en verwerkingsproces is terug te zien in de bovenstaande twee grafieken. Het recyclepercentage voor glas is in alle hoogbouwklassen gelijk aan het scheidingspercentage, wat twee identieke figuren oplevert.

Pagina 30 van 60

Hoeveelheden In 2023 werd er gemiddeld 21 kg per inwoner aan glas gescheiden ingezameld, 1 kg minder dan in 2022. De hoeveelheid glas lijkt weer terug te keren naar het niveau voor de coronajaren 2020 en 2021 (thuisconsumptie tijdens coronajaren zorgde voor verschuiving van het glasaanbod van horeca naar huishoudens). Dit is ook te zien in de afnemende hoeveelheid glas in het restafval van 5 naar 4,6 kg per inwoner. (n=151) 40

25 34 31

30 25 20

20

15

15

10

10

5

34

21

22

14

15

22

21

13

kg per inwoner

32

22

21

20

21

22

24

23

22

21

15 10 5

10

2023

2022

2021

2020

2019

2018

2017

2016

BENCHMARK

KLASSE D

KLASSE A

KLASSE C

0

KLASSE B

kg per inwoner

35

Best practice De best-presterende gemeente is Leusden met 34 kg glas per inwoner. Deze diftargemeente met servicedifferentiatie (31467 inw, 20% hoogbouw) zamelt glas in met (ondergrondse) verzamelcontainers in een dichtheid van 1 container op 350 huishoudens. Dit is ook terug te zien in de hoeveelheid glas in het restafval, waar nog slechts 1,3 kg per inwoner in zit. Daarmee komt Leusden uit op een scheidingspercentage van 97%. Glas wordt vrijwel uitsluitend ingezameld met boven- dan wel ondergrondse verzamelcontainers (glasbakken). De gemiddelde dichtheid is 1 container op 548 huishoudens. Enkele gemeenten zamelen glas ook huis-aan-huis in, veelal in combinatie met oud papier en textiel. In afwijking tot wat bij veel grondstoffen wel het geval is, levert het aan-huis ophalen van glas niet meer kilo's op dan het laten brengen naar verzamelcontainers. De kosten van een haalsysteem zijn wel beduidend hoger.

Kosten In 2023 bedroegen de totale kosten voor inzameling, op- en overslag en verwerking van glasverpakkingen gemiddeld € 3,6 per huisaansluiting. De totale kosten per ton bedroegen gemiddeld € 79,-. Per huisaansluiting

Per ton

Inzamel- en verwerkingskosten

BENCHMARK

104 78

71

77

79

BENCHMARK

€ per ton

100 50 0

KLASSE D

KLASSE C

KLASSE B

2 0

150

3.6

2.9

KLASSE D

4

KLASSE C

3.5

KLASSE B

3.5

(n=102)

KLASSE A

4

KLASSE A

€ per aansluiting

(n=102)

Inzamel- en verwerkingskosten

Pagina 31 van 60

4.6 Textiel Ofschoon textiel in gewicht maar 2% uitmaakt van het huishoudelijk afval, is de milieudruk zeer groot. Gemiddeld komt er 11 kg per inwoner aan textiel vrij bij huishoudens waarvan meer dan de helft in het restafval en daarna in de verbrandingsoven terecht komt. De textielindustrie is wereldwijd verantwoordelijk voor 10% van de totale CO2 uitstoot. Met iedere ton textiel die gerecycled wordt in plaats van verbrand wordt meer dan 2000 kilo CO2 bespaard. Naast CO2 is textielrecycling ook gunstig voor het water- en energieverbruik.

Van de 11 kg per inwoner aan textiel die bij huishoudens vrijkomt (=100%) wordt gemiddeld 43% gescheiden en belandt 57% in het restafval. Na inzameling wordt het textiel veelal opgeschoond waarbij vervuilde kleding en andere productvreemde materialen worden verwijderd. Uiteindelijk wordt 12% van het vrijkomende textiel ongesorteerd geëxporteerd, 16% wordt na binnenlandse sortering als herdraagbare kleding verhandeld, 2% wordt na sortering verwerkt tot garen, en 7% wordt nuttig toegepast in isolatie- en/of vulmateriaal. De resterende 63% wordt verbrand. Omdat de bestemming van ongesorteerd geëxporteerd textiel niet kan worden vastgesteld wordt dat in de benchmark niet meegerekend in het recyclepercentage. Het gemiddelde recyclepercentage voor textiel bedraagt 25%.

Scheidingpercentage

Recyclepercentage

(n=144)

69

85%

80

77

0

3

5

KLASSE B

12

%

52%

40

30%

20

15 3

0

32

24

23

4%

6%

9 1%

KLASSE A

22

43

BENCHMARK

20

50

KLASSE D

33

43

KLASSE C

40

KLASSE A

42

85%

68%

60

%

60

KLASSE C

80

100

88

5%

25

1%

BENCHMARK

88

KLASSE B

100

KLASSE D

(n=144)

Het verschil tussen het scheidingspercentage en het recyclepercentage is de uitval die plaatsvindt bij opschoning en sortering, en de export waarvan de bestemming niet bekend is. Het gemiddelde verschil tussen scheiding en recycling bedraagt 18% van al het het vrijkomende textiel. Bij hoogbouwklasse A is het verschil minder groot dan bij de overige hoogbouwklassen. Toch behoudt hoogbouwklasse A het laagste recyclepercentage.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/901/documents/38512