CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording technische vragen VVD.pdf

Gemeenteraad Dordrecht 11 maart 2025, gemeente DordrechtBij agendapunt: 22: Raadsinformatiebrief over Oplegger naar aanleiding van Rekenkamerrapport 'Armoede is (niet) niks' - Raadsinformatiebrief1.238 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Beantwoording technische vragen VVD Naar aanleiding van de oplegger (aanbeveling) uit het Rekenkamerrapport “Armoede is niet niks”, zoals verwerkt in de raadsinformatiebrief van 7 januari 2025 Pagina 3 1. Er wordt aangegeven dat het gebruik van de minimaregelingen zoals PMB, BB, Dordtpas en SMS-kinderfonds succesvol wordt beschouwd als er sprake is van een hoger aantal verstrekkingen bij een gelijkblijvende doelgroep is. Betekent dit dat er al gesproken kan worden over succes bij slechts één extra verstrekking bij een gelijkblijvende doelgroep? Ja, een verhoging van het gebruik van een regeling bij een gelijkblijvende doelgroep is een verbetering. Omdat de doelgroep niet goed te bepalen is (zie antwoord op vraag 1a) is het niet mogelijk een onderbouwde doestelling op groei van bereik te formuleren. We geven via de halfjaarlijkse Raadsinformatiebrief inzage in de toename (of afname) van de verstrekkingen met een trendlijn van meerdere jaren. De raad kan de ontwikkelingen van de verstrekkingen daarmee goed volgen en zelf bepalen hoe succesvol zij e.e.a. vindt. a.

Waarom is ervoor gekozen om succes te meten op basis van een stijging van het aantal verstrekkingen in plaats van bijvoorbeeld een absoluut aantal of een percentage van de doelgroep? Voor cijfers over de omvang van doelgroepen (bijvoorbeeld de groep tot 110% van het Wettelijk sociaal minimum (Wsm)) zijn we afhankelijk van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Zij geven inzicht in de omvang van de doelgroepen op basis van vastgestelde aanslagen inkomstenbelasting. Deze data loopt altijd twee jaar achter op het huidige jaar. We verwachten dit voorjaar de cijfers van 2023 te krijgen. Hierdoor is het alleen mogelijk om met terugwerkende kracht van tenminste twee jaar, iets te zeggen over het bereik (het aantal verstrekkingen ten op zichtte van de doelgroep). Aan het einde van de looptijd van het programma Samen tegen armoede (2026) rapporteren we over het bereik t/m 2024. Het bepalen van een absoluut aantal of percentage van de doelgroep is lastig over een periode van vier jaar, omdat de omvang van de doelgroep afhankelijk is van externe factoren. Denk aan economische en geopolitieke ontwikkelingen zoals migratie, hoogte van minimumlonen, en werkloosheid of juist krapte op de arbeidsmarkt. Het meten van succes op basis van een stijging in verstrekkingen geeft ons een beter instrument om inzicht te krijgen in de effectiviteit van onze inspanningen.

Door een trendlijn over de afgelopen jaren te presenteren, bieden we uw raad goed overzicht van ontwikkelingen en leggen we een solide basis voor evaluatie van onze aanpak aan het einde van het programma. 2. Waarom wordt 2022 als basisjaar gebruikt voor de vergelijking, terwijl de intensiveringen en verruimingen van de minimaregelingen pas in 2023 zijn doorgevoerd? Zou het niet logischer zijn om 2023 als referentiejaar te nemen om een nauwkeurigere vergelijking met 2026 te maken? Het programma ‘Vervolg Samen tegen armoede’ heeft een looptijd van 2023 tot en met 2026. De intensiveringen en verruimingen van de minimaregelingen zijn in 2023 doorgevoerd en om die reden gebruiken we 2022 als referentiejaar om de situatie voorafgaand aan deze veranderingen in beeld te brengen. Dit biedt een nulmeting waarmee we de effecten van de intensiveringen en verruimingen kunnen beoordelen. Twee keer per jaar sturen we een raadsinformatie brief naar uw raad waarin we niet alleen de voortgang in beeld brengen, maar ook de resultaten door de jaren heen (2022, 2023, 2024).

Dit maakt het mogelijk om de impact van beleidswijzigingen over de volledige programmaperiode te monitoren en inzicht te krijgen in de effectiviteit van ons beleid. 3. Het gemiddelde schuldbedrag bij aanvang moet lager zijn dan het landelijk gemiddelde. Wordt hierbij het landelijk gemiddelde van 2026 gehanteerd, of gaat het om het gemiddelde van een ander jaar? We streven ernaar dat de gemiddelde schuld bij aanvang van schuldhulpverlening in Dordrecht elk jaar lager is dan het landelijke gemiddelde van datzelfde jaar. We vergelijken dus jaarlijks onze resultaten met het landelijke gemiddelde dat voor dat specifieke jaar is vastgesteld. 4. Er wordt gesteld ‘het gebruik van het SMS-kinderfonds Basis Onderwijs neemt toe’, maar met welk percentage? Er is geen doelpercentage vastgesteld. Een percentage van 100% is niet haalbaar. De bestedingsmogelijkheid van de tegoeden van het SMS-kinderfonds zijn ingeperkt. In het basisonderwijs kan maximaal € 50,- aan leermiddelen en sporttegoed worden uitgegeven. Maximaal € 250,- is beschikbaar voor contributie van een sportvereniging. Als de contributie lager is (bijvoorbeeld € 180,- per jaar) dan kan het resterende bedrag niet besteed worden. Om deze reden is het niet mogelijk om een realistisch doelpercentage vast te stellen. We streven naar een zo hoog mogelijk gebruik van de tegoeden. Pagina 5 5.

Bij de indicatoren voor ‘ontwikkelen naar werk’ wordt het jaar 2022 aangegeven, gevolgd door ‘nieuwe meting’. Wat wordt hiermee bedoeld? Dit betekent dat deze indicatoren in 2022 nog niet gemeten werden. De GR Sociaal heeft deze indicatoren in de begroting 2025 opgenomen en zal vanaf dat jaar de meting opstarten. 6. Bij de indicator ‘aantal inwoners met een uitkering dat (partieel) uitstroomt naar regulier betaald werk’ staat dat het criterium voor succes nog moet worden bepaald. Wat is de reden hiervoor, en wanneer wordt dit vastgesteld? Er wordt op dit moment een 0 meting uitgevoerd. Dit betekent dat de GR Sociaal voor het eerst data verzameld om te monitoren. Op basis van de 0 meting kan worden geduid hoe goed de GR Sociaal op dit moment presteert en welke verbeterruimte er mogelijk is. Daarna wordt een streefwaarde bepaald. We verwachten dat de streefwaarde in de begroting 2026 van de GR Sociaal is opgenomen. 7. Bij de indicator ‘aandeel vrijwilligerswerk’ staat het criterium ‘hoger, gelijk aan het landelijk gemiddelde bij (middel) grote steden’. Wat is de reden hiervoor? Waarom wordt er geen specifiek percentage genoemd, en gaat het om het landelijk gemiddelde van 2026? Het betreft een indicator hoeveel inwoners zich vrijwillig inzetten. De bereidheid en mogelijkheden van inwoners om vrijwilligerswerk te doen is afhankelijk van uiteenlopende factoren.

We hebben hier als gemeente beperkt invloed op, daarom is er geen concrete doelstelling op geformuleerd. We hanteren als referentie het landelijk gemiddelde van 2026 voor (middel)grote steden. Vanuit het uitvoeringsplan ‘Elkaar helpen’ zetten we in op het vasthouden en aanboren van vrijwillige energie door: stimuleren, waarderen, matchen en ondersteunen. Pagina 6 8. Bij de indicatoren in de tabel wordt bij alle indicatoren aantallen genoemd voor het jaar 2022. Waar staan deze aantallen voor? Zijn het percentages, absolute aantallen of iets anders? Dit zijn percentages. Het % teken is weggevallen.

9. Bij de indicatoren staat er dat het in 2026 lager, hoger of gelijk aan het referentiejaar moet zijn. Waarom wordt er niet aangegeven hoeveel hoger of lager het moet zijn? En betreft het hier 2026 als referentiejaar? Het gaat hier om door het Rijk vastgestelde indicatoren in het Besluit Begroting en Verantwoording Provincie en Gemeenten (BBV) op onderwerpen waar we als gemeente beperkt invloed op hebben. Bijvoorbeeld bij werkloze jongeren zijn diverse actoren betrokken zoals het onderwijs, de arbeidsmarkt, (macro) economische ontwikkelen en het programma Glansrijke toekomst. Het formuleren van een concrete doelstelling, zoals een specifiek % stijging of daling, zou onterecht impliceren dat de gemeente volledige invloed heeft over al deze factoren. Door te werken met trends (hoger/lager dan referentiejaar) en benchmarks (gelijk aan /onder het gemiddelde van de G40) combineren we twee perspectieven. Namelijk streven naar ontwikkeling van onze eigen resultaten en zorgen dat deze in lijn zijn met of beter dan vergelijkbare gemeenten. Dit biedt een goede basis om onze prestaties te monitoren en waar nodig bij te sturen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/896/documents/37812