CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording technische vragen GroenLinks over Ontwerp Omgevingsvisie 2.0.pdf

Gemeenteraad Dordrecht 23 september 2025, gemeente DordrechtBij agendapunt: 30: Vaststellen Dordtse Omgevingsvisie 2.0; Eiland met kwaliteit - Raadsvoorstel3.125 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Technische vragen Ontwerp Omgevingsvisie 2.0

Datum: 14 januari 2025

Geacht college, Voor een grondige voorbereiding van de komende discussie over de Omgevingsvisie 2.0 (en wellicht ook om aandachtspunten voor eventuele aanpassing aan te dragen) stellen we op dit moment graag de volgende technische vragen. 1. Op p. 8 en 86/87 wordt prioriteit gegeven aan klimaatadaptatie in woonwijken. Hoeveel geld is daarvoor globaal nodig en hoe kan dat gefinancierd worden aangezien het buiten AD 2030 valt? Antwoord: Het is lastig hier een concreet getal aan te hangen, het is echter wel noodzakelijk om bij iedere investering nadrukkelijk rekening te houden met het toekomstige klimaat om desinvesteringen te voorkomen, goed voorbereid te zijn op de toekomst en de rekening niet door te schuiven naar toekomstige generaties. Landelijk is berekend dat de business case positief is voor de bestaande bouw, wat betekent dat het klimaatadaptief maken van het bestaande gebouwde gebied meer baten oplevert dan dat het kost. Daarnaast heeft Leiden vier projecten geanalyseerd waarin klimaatadapatatie en biodiversiteit integraal zijn meegenomen met de herinrichting van de boven- en ondergrond. Daaruit is gebleken dat met een gemiddelde extra investering van 14,90 euro per m2 (gemiddeld +7,7%; prijspeil 2019) een project effectief en doelmatig klimaatadaptief en biodivers ingericht kan worden.

Denk daarbij aan meer (biodivers) groen, het planten van bomen, waterberging, en drainage. De jaarlijkse beheerkosten stijgen gemiddeld met 1,39 per m2 plangebied. De aanlegkosten voor een klimaatadaptieve en biodiverse inrichting in een nieuwbouwwijk worden geschat op €1.105 - 5.270 per nieuwbouwwoning, mits één richtlijn over hitte, namelijk de richtlijn over hitte werende oppervlakten wordt geschrapt1. Wat betreft de financiering van een klimaatadaptieve inrichting ligt de kans bij extra budget om werk met werk te kunnen maken. Hiervoor is in de kadernota 2024-2025 en de perspectiefnota 2026-2027 reeds geld beschikbaar gesteld voor het investeren in het groener en gezonder inrichtingen van de buitenruimte bij meerjarige onderhoudsprojecten (MOP). Deze gelden zijn tevens ook bedoeld voor andere ambities die worden meegekoppeld zoals het STOMP-principe en 1

Deze richtlijn geeft aan dat een belangrijk deel van de oppervlakten in het plangebied (range 40-50%) warmtewerend zijn. In de kostenanalyse is hiervoor ook uitgegaan dat een deel van gevels van gebouwen warmtewerend worden gemaakt. Deze gebouwgebonden invulling geeft onevenredig hoge kosten in vergelijking met de andere maatregelen.

FB

1

14 januari 2025

duurzaamheid. Daarnaast wordt op dit moment gewerkt aan het opstellen van het nieuwe water en rioleringsplan (WRP) waarvoor 3 verschillende scenario’s worden uitgewerkt. Dit is het plan (opvolger van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP)) waarin de 5-jarige planning voor rioolvervanging en beheer is opgenomen en hoe deze door de rioolheffing worden gedekt. In scenario 1 gaan we uit van de wettelijke verplichte werkzaamheden, in de nog verder uit te werken scenario’s 2 en 3 wordt de benodigde financiering voor aanvullende ambities zoals klimaatadaptatie en biodiversiteit meegenomen voor de nog ontbrekende jaren. Indien binnen het nieuwe WRP niet wordt gekozen voor scenario 2 of 3 van het WRP, zal er vanaf 2028 geen structureel geld zijn om gelijk met de MOP projecten woonwijken klimaatadaptief in te richten. Eventuele subsidies zijn te incidenteel. De Metropoolregio Amsterdam heeft eerder ook een verkennende analyse van baten en bekostiging voor een klimaatbestendige bebouwde omgeving laten uitvoeren waarin een aantal bekostigingsmogelijkheden worden behandeld (p.102). Deze verkenning wordt ook gebruikt in de doorvertaling naar landelijk niveau waarnaar hierboven ook wordt verwezen (deze verkenning is echter nog niet definitief en beschikbaar). 2. Op p. 8 en p. 103 wordt aangegeven dat het Stadspark bijdraagt aan de klimaatadaptatie van de omringende wijken.

Kan worden toegelicht hoe dat in zijn werk gaat? Antwoord: De groenblauwe structuren van Dordrecht – waaronder het Stadspark – zijn belangrijke ruimtelijke dragers voor de stad. De structuren zorgen voor koele routes, bergen water bij extreme neerslag en zorgen voor ecologische verbindingen richting ecologisch waardevolle gebieden in en om het Eiland van Dordrecht. De structuren hebben daarom een meerwaarde voor biodiversiteit, klimaatadaptatie en gezondheid, en dus voor de stad als geheel. 3. Op p. 20 staat dat de ambitie klimaatbestendig te zijn in 2040, terwijl dat eerst 2035 was. Wat is de reden voor de vertraging? Antwoord: Dit houdt verband met het andere doel uit de omgevingsvisie dat Dordrecht in 2040 ook een duurzame en klimaatneutrale stad is. Om hier een eenduidige lijn in aan te houden is ervoor gekozen het doel klimaatbestendig ook naar dit jaartal aan te passen. Daarnaast ligt dit nog steeds eerder in de tijd dan de gestelde ambitie op nationaal niveau dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht zal zijn, waarmee de koplopers rol die Dordrecht op dit gebied heeft nog steeds van toepassing is. 4. Hoe verhoudt de op p.

26 vermelde verwachte groei van de bevolking tot 2040 zich tot de uitgangspunten van AD2030? Is er een relatie met de woningbouwambitie? Antwoord: De vermelde verwachte groei van de bevolking – onder de paragraaf ‘Demografische ontwikkelingen’ is op basis van cijfers Primos. De prognoses van Primos zijn hoofdzakelijk gebaseerd op trendmatige ontwikkelingen in het verleden. De hoofdopgave (realiseren 11.000 woningen) voor Dordrecht is hier niet in verdisconteerd. De vermelde verwachte groei van de bevolking tot 2040 in het hoofdstuk ‘Opgaven, trends en transities’ staat in die zin los van de uitgangspunten van AD2030 of de woningbouwambitie. 5. Op p. 27 wordt gesteld dat ‘afscheid nemen van bepaalde ruimtevragers’ de manier is om meer ruimte voor onder meer groen, spelen en bewegen te vinden. Waar wordt aan gedacht (naast bedrijven langs de Merwedestraat (p. 28) en meer deelvervoer (p. 29/30)?

2

Klimaatadaptatie-bebouwde-omgeving-Verkenning-baten-en-bekostging-MRA.pdf

FB

2

14 januari 2025

Antwoord: Het ‘afscheid nemen van bepaalde ruimtevragers’ wordt als voorbeeld gegeven van keuzes die aan de orde kunnen zijn binnen de schaarse ruimte die we hebben. Een ander voorbeeld van een keuze is het stapelen of combineren (dubbelgebruik/medegebruik) van ruimtevragers, om op die manier efficiënter gebruik van de beschikbare vierkante meters. 6. Waarom blijven bij personeelskrapte onderwijs en zorg buiten beschouwing (p. 28)? Antwoord: Personeelskrapte speelt vrijwel in alle sectoren. De spanning tussen vraag en aanbod is in Dordrecht momenteel het grootste in technische en pedagogische beroepen. Ook de sector zorg en welzijn heeft veel vacatures. Onderwijs en zorg horen dus ook thuis in de opsomming van de omgevingsvisie waar u naar verwijst. Dit wordt aangepast in de Omgevingsvisie 2.0. 7. Welke aanpassingen van fietsstroken en -paden zijn nodig wegens fatbikes, speedpadilacs etc.? (zie p. 29). Antwoord: Beantwoording hiervan komt meer aan de orde in Mobiliteitsplan Dordrecht 2040 dat als programma onder de Omgevingsvisie hangt. Door de komst van snellere fietsen worden landelijk richtlijnen aan onder meer breedte van fietspaden en de plek op de weg aangepast. Deze richtlijnen nemen we als gemeente zo veel als mogelijk over. 8. Kan de slimme voertuigtechnologie (p.

29) benut worden om waar gewenst de snelheid te begrenzen? Antwoord: In het Mobiliteitsplan zeggen we hier het volgende over: Op termijn zal Intelligent Speed Assist (ISA) een rol kunnen gaan spelen bij het handhaven van de snelheid. Aangezien dit rijksbeleid is neemt Dordrecht hier een volgende houding in aan. Wel dragen we zorg voor duidelijke en uniforme bebording. 9. Op p. 53 staat dat gestreefd wordt naar het vergroten van het verdienvermogen. Van wie, hoe en waarom? Antwoord: Verdienvermogen is de capaciteit om nu en op de lange termijn structurele welvaart én welzijn te genereren. In de omgevingsvisie benoemen we dat verdienvermogen zowel relevant is voor bedrijven als voor werknemers. Economische activiteiten in Dordrecht moeten voldoende opbrengen om bedrijven in staat te stellen te investeren, innoveren en een goede beloning uit te keren aan werknemers. Dat betekent niet dat alle economische activiteiten in Dordrecht onbegrensd moeten kunnen groeien, maar wel dat de activiteiten die van belang zijn voor de brede welvaart in de stad voldoende rendabel zijn om die bijdragen ook te kunnen blijven leveren in de toekomst. We werken dit verder uit in het omgevingsprogramma economie. 10. Kan globaal worden aangegeven wat er komt kijken bij het tot een ‘zelfvoorzienende schuillocatie’ maken van Maasterras en Staart (o.

60)? Antwoord: Door de gunstige ligging, de goede bereikbaarheid en de aanwezigheid van voldoende voorzieningen is het Maasterras niet alleen een evidente locatie om te schuilen, maar kan vanaf deze locatie ook de coördinatie voor noodhulp en herstel worden opgezet. We integreren verschillende basiseisen van een schuillocatie (zoals bijv. het plaatsen van objecten in de netwerken van vitale functies op een minimale hoogte en het lokaal af kunnen sluiten van het rioolsysteem in het gebied) in de ruimtelijke plannen voor het Maasterras, zodat het gebied ook in een noodsituatie blijft functioneren.

FB

3

14 januari 2025

11. Op p. 61 wordt verwezen naar een concept hitteplan. Kunnen we daar kennis van nemen? Antwoord: Het concept hitteplan is uit 2022. Het is op initiatief van de opgave Groenblauwe Stad en GGD ZHZ opgesteld. Binnenkort vindt een ambtelijk afstemmingsoverleg plaats over het thema hitte, waarin nieuwe werkafspraken worden gemaakt. Zie bijlage. 12. Bij klimaatneutrale stad wordt gezocht naar de oplossingen met de hoogst haalbare maatschappelijke opbrengst (p. 63). Zijn/worden daarin de kosten voor particulieren en voor de natuur verdisconteerd? Zo nee, hoe worden die gecompenseerd of geaccommodeerd?” Antwoord In de Regionale Energiestrategie 1.0 uit 2021 staat in hoofdstuk 4 van de inleiding beschreven wat we verstaan onder de hoogst maatschappelijke opbrengsten. De afweging in de keuzes die daarin zijn gemaakt is gebaseerd op een systeem dat het klimaat, de kwaliteit van landschap en natuur, de leefbaarheid, en een gezonde sociale economie balanceert. 13. Op. p. 67 wordt gesproken over de ‘minimale basiskwaliteit’ van de natuur. Wat houdt dat in grote lijnen in? Antwoord: Basiskwaliteit natuur heeft als doel om de natuur zo in te richten dat algemene soorten er kunnen voorkomen en overleven. Dit kan bereikt worden door gericht te kijken naar de abiotiek, inrichting en het beheer.

In het doel biodiverse stad heeft Dordrecht niet alleen het doel om de biodiversiteitsachteruitgang te stoppen en vervolgens te behouden, maar ook om deze te verbeteren. Dit zal ook betrekking hebben op de meer bijzondere soorten waardoor we naast de minimale basiskwaliteit ook willen inzetten op bijzondere natuur. 14. In verschillende woon- en verblijfsgebieden gelden verschillende normen voor groepsrisico (centrum, woonwijken, Leerpark/Gezondheidspark, kantorenlocaties)(zie. p. 77, 152). Waar zijn deze verschillen op gebaseerd? Antwoord: Sinds 2007 heeft Dordrecht groepsrisicobeleid dit beleid maakt onderscheid tussen de verschillende gebiedstypologieën en de binnen deze typologieën optredende personendichtheiden. Hierbij streven we continu naar een balans tussen veiligheid en ruimte voor andere maatschappelijke doelen. Met deze invulling maken we zo goed mogelijk gebruik van de beleidsvrijheid die de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico ons biedt. Idealiter zou het groepsrisico overal in de stad lager dan de oriëntatiewaarde moeten zijn. Echter in gebieden met een hoge gebruiksintensiteit rond de N3 en het spoor is dit niet mogelijk gebleken. Hier is de historisch gegroeide situatie als uitgangspunt genomen bij de bepaling van het maximaal toelaatbare groepsrisico. Dit betreft met name het gebied in de stationsomgeving en het Leerpark.

In gebieden met een lagere gebruiksintensiteit (woonwijken) is de intentie van het risicobeleid om de veiligheid te waarborgen met behoud van ontwikkelcapaciteit. Gezien de woonfunctie is hier gekozen voor een groesrisico lager dan de oriëntatie waarde. Gezien het gebruik en de gebruiksintensiteit binnen de werkgebieden, is ervoor gekozen op hier risicoruimte te bieden tot aan de oriëntatiewaarde 15. Genoemde normen worden gehanteerd bij nieuwe ontwikkelingen. Waar worden de normen voor de bestaande situatie significant overschreden? Antwoord: De in de omgevingsvisie aangegeven maximale waarden voor het groepsrisico wordt overschreden langs het spoortracé tussen de tunnel onder het spoor ter hoogte van de Laan der VN en het einde van de spoorbocht richting station.

FB

4

14 januari 2025

16. Binnen bepaalde afstand tot bijv. A16, spoor en N3 mogen geen ‘gevoelige bestemmingen’ plaatsvinden. Wat wordt daaronder verstaan? Antwoord: Onder gevoelige bestemmingen (voor luchtkwaliteit) wordt verstaan: gebouwen voor basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarigen, kinderopvang, verzorgingstehuis of verpleegtehuis. 17. P. 101: de woningbouw- en scholenvrije zone in Wielwijk langs de A16 vervalt. Waarom? De zone luchtkwaliteit langs A16 en N3 wordt verminderd van 300 tot 150 m. Waarom? Antwoord: In de periode tussen 2005 en 2013 was de luchtkwaliteit dermate slecht dat in de toenmalige structuurvisies een bebouwingsvrije zone voor woningen van 80 meter was opgenomen. De afgelopen 12 jaar is de luchtkwaliteit sterk verbeterd. Vanaf 2020 is er gelet op de luchtkwaliteit dan ook geen aanleiding meer om deze bebouwingsvrije zone voor woningen aan te houden. Abusievelijk is de zone in de omgevingsvisie 1.0 gehandhaafd. Deze omissie is in dit ontwerp van de omgevingsvisie 2.0 hersteld. Gezondheidsrisico’s van omwonenden nemen toe naarmate de afstand tot de weg kleiner is, ook wanneer de luchtkwaliteit aan de Europese grenswaarden voldoet. Daarom adviseren de gezamenlijke GGD's voor luchtkwaliteit gevoelige functies als onderwijs, verzorgingstehuizen en kinderopvang op afstand van drukke verkeerswegen te situeren.

Ook hier is het resultaat van schonere lucht zichtbaar. Waar tot 2023 de GGD's adviseerde om tot 300 meter van een autosnelweg geen voor luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen te projecteren hebben zij medio 2023 dit advies herzien. Momenteel hanteren zij een veilige afstand van 150 meter tot autosnelwegen (gemeten vanaf de zijkant van de weg). Op basis van dit nieuwe advies wijzen wij deze zone aan als een gebied waarbinnen in principe geen voor luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen kunnen worden gevestigd. Vestiging is mogelijk als wordt aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke grenswaarden voor luchtkwaliteit en na advies van de GGD. 18. Het toxiteitsaandachtsgebied in het Stadspark is verminderd van 1500 meter naar de elders gangbare 300 meter. Waarom was die zone aanvankelijk groter? Antwoord: Ten tijden van de omgevingsvisie 1.0 was er nog geen vastgestelde landelijke regelgeving met betrekking tot gifwolkaandachtsgebieden. Daarom is destijds gekozen om een maximale afstand van 1.500 meter op te nemen (de beleidsmatige afkapgrens). Het ministerie van I&W heeft inmiddels voorgesteld om rond alle in het basisnet weg en spoor opgenomen transportroutes een vast gifwolkaandachtsgebied van 300 meter vast te stellen. Hier sluiten wij nu bij aan. 19. Op p. 103 en 108 wordt aangegeven dat er in het Stadspark geen lichte bedrijvigheid komt.

Vallen daar ook zaken als stadslandbouw, voedselbos e.d. onder? Antwoord: We willen dat het programma van het park bijdraagt aan de prioritaire doelen voor dit deelgebied: Gezonde stad, Klimaatbestendige stad in 2040, en Biodiverse stad. In de transformatie naar een centraal stadspark zou de landbouwfunctie een plek kunnen krijgen. De (kringloop)landbouw krijgt daarbij een duidelijkere afzetmarkt in de stad. Te denken valt aan een oogstmarkt en andere events waardoor de landbouw (boeren) en de stad (burgers) weer een sterkere relatie krijgen. In het algemeen streven we naar een grotere programmatische diversiteit voor het Stadspark, met het groene karakter van het gebied als uitgangspunt. Met meer ruimte en groen hebben bewoners meer mogelijkheden om te bewegen, te recreëren en elkaar buiten te ontmoeten. Meer bewegen is goed voor minder stress en een betere gezondheid.

FB

5

14 januari 2025

Sporten, zoals hardlopen, bootcampen, yoga en skeeleren. Maar ook gewoon een rondje wandelen en lekker spelen. Natuurlijk in een veilige omgeving, met goede voorzieningen. Daar horen ook horeca en openbare voorzieningen bij, zoals aantrekkelijke fietspaden en speeltoestellen. Verder wordt het park een plek voor evenementen, buurtinitiatieven en andere georganiseerde activiteiten. 20. Op p. 113 lijkt de Nieuwe Dordtse Biesbosch als intensieve recreatie beschouwd te worden. Klopt dat? Wat is globaal de definitie van ‘intensief’ in dit verband? Antwoord: De Nieuwe Dordtse Biesbosch wordt niet voor intensievere recreatie voorzien. Het dagrecreatieterrein en de viersprong – beide gelegen op het grensvlak van de Nieuwe Dordtse Biesbosch – worden aangemerkt als recreatiekerngebieden. Hier is intensievere recreatie wel toegestaan en worden ontwikkelingen op het gebied van recreatie geclusterd. Intensief ziet in dit verband op de relatieve hoeveelheid mensen dat aanwezig is per oppervlakte-eenheid of per tijdseenheid. De voorzieningen op de locatie zelf, de activiteiten en/of het evenement vormt/vormen het belangrijkste bezoekmotief. 21. P. 115 stelt dat het aspect luchtkwaliteit voor het buitengebied niet relevant is omdat er geen veeteeltbedrijven zijn. Afgezien van het feit dat er andere manieren zijn om de lucht te verontreinigen, is het argument onjuist.

Er zijn wel degelijk (2, o.a. van Elzelingeweg 4) melkveehouders en (2 o.a. nu nog in de Hel- en Zuilespolder) vleesrundbedrijven. Antwoord: Van de voornaamste functies in het Buitengebied (agrarisch, natuur en recreatie) zijn veeteeltbedrijven in potentie wezenlijk uitstoters van luchtverontreiniging. Luchtkwaliteit zoals hier bedoeld betreft met name de concentraties fijnstof en NOx in de lucht. De rundveehouderij is in dit licht bezien geen bron van betekenis. Dit geldt echter niet voor de intensieve veehouderij. Deze staat bekend als een belangrijke fijnstof emittent. Op het eiland van Dordrecht zijn echter geen intensieve veehouderijen aanwezig. Andere bronnen van luchtverontreiniging in dit gebied zijn de Nieuwe Merwede en de A16. Ondanks de aanwezigheid van deze twee bronnen zijn de concentraties fijnstof en NOx zijn in verhouding tot de binnenstedelijke concentraties laag. 22. Op p. 116 wordt verwezen naar een landbouwverkenning van juni 2024. Kunnen wij daar kennis van nemen? Antwoord: In opdracht van de Provincie Zuid-Holland heeft adviesbureau Wing haar landbouwverkenning ‘Aan de kluit herkent men de akker’ opgesteld. Bijgaand de verkenning. Overigens moet er een correctie worden doorgevoerd in de tekst van de Omgevingsvisie 2.0; de landbouwverkenning is juni 2023 opgeleverd, niet in juni 2024. 23. P.

121: was is industrieel getijdenlandschap en wat houdt beperkte toegankelijkheid in? Antwoord: In het getijdenpark ligt de focus op het fysiek vergroten van het getijdenmilieu en de ecologie. Daarnaast vergroten we de toegankelijkheid van deze natuur met paden en recreatievoorzieningen (vooral in het Wantijpark). Op enkele plekken, aansluitend op Stadswerven, liggen mogelijkheden voor de uitbreiding van het woningbestand. Er is potentieel voor maritieme clusters, door een sterke cultuurhistorische verbondenheid met de maritieme maakindustrie. Door dit (industriele) als een expliciet onderdeel van het getijdenpark te behandelen, wordt de nadruk gelegd op de historische verbinding van de bewoners met de rivieren.

FB

6

14 januari 2025

Het in beperkte mate openstellen van de werkgebieden (lees: Merwedehavens) ten behoeve van een getijdenpark houdt verband met de veiligheid van bezoekers en van de bedrijven. Daar waar dit op een veilige manier (qua externe en openbare veiligheid) mogelijk is én tevens wenselijk is, kunnen de structuren van groenblauw worden versterkt en de kades beleefbaar worden gemaakt. Dit kan bijdragen aan een betere verbinding van noord (werkgebieden/ Beneden Merwede) naar zuid (woonwijk/ Wantij). In afwachting van uw antwoorden. Hartelijke groet, Frans-Bauke van der Meer Fractie GroenLinks

FB

7

14 januari 2025

FB

•

Bijlage 1 – Concept Lokaal Hitteplan. Gemeente Dordrecht, 2022.

•

Bijlage 2 – Aan de kluit herkent men de akker; De kracht van de landbouw op het Eiland van Dordrecht. Wing, 2023.

8

14 januari 2025

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/910/documents/42614