Beantwoording Technische vragen fracties GroenLinks en PvdA bij de Participatieverordening.pdf
Tekst van het document
Beantwoording Technische vragen fracties GroenLinks en PvdA bij de Participatieverordening
Vraag 1: Artikel 2.7 lijkt in strijd met artikel 2.2. Kunt u nader toelichten hoe beide bepalingen zich tot elkaar verhouden? Beantwoording: Artikel 2.2 geeft aan dat de participatieverordening leidend is, ook bij (instrumenten uit) de Omgevingswet. Artikel 2.7 formuleert een zogenaamde lex specialis-uitzondering; zodra hogere regelgeving (zoals specifieke bepalingen in de Omgevingswet of het Omgevingsbesluit) expliciet participatie regelt, gaat die regeling voor. In de toelichting bij de Participatieverordening staat daarom beschreven dat de participatieverordening niet geschikt is voor alle gevallen, zoals bij de omgevingsvergunning, waar het initiatief bij de aanvrager ligt en niet bij het bestuursorgaan. De artikelen zijn complementair bedoeld, niet tegenstrijdig. Voor die gevallen waar het wél mogelijk is, wenst de gemeente dat er zoveel mogelijk conform de participatieverordening wordt gehandeld. Daarmee wordt beoogd de uitgangspunten en werkprincipes van het participatiebeleid breed toe te passen.
Vraag 2: In het RV wordt participatie van inwoners in de uitvoering van beleid terecht als onderdeel van de beoogde (versterking van) participatie genoemd. Het komt echter in artikel 3 en 4 en ook verder in de verordening niet aan de orde. Is dat bewust? Zo ja, waarom? Beantwoording: In artikel 1, onder k, is participatie breed en expliciet gedefinieerd als: “de samenwerking tussen een bestuursorgaan en inwoners of maatschappelijke partijen gericht op het (op interactieve wijze) betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding, ontwikkeling en uitvoering van gemeentelijk beleid en projecten” Daarmee is in de definities al vastgelegd dat participatie zich niet beperkt tot de beleidsvoorbereiding en ontwikkeling, maar ook betrekking heeft op de uitvoering van beleid. Deze definitie werkt door in de hele verordening en geldt dus ook voor de artikelen 3 en 4 (en de meer operationele bepalingen, zoals artikel 5).
Vraag 3: In artikel 4 staan ook geen uitgangspunten voor overheidsparticipatie. Waarom niet? In artikel 10 wordt daar overigens wel op ingegaan. Beantwoording: De bepalingen in artikel 4 hebben een algemene werking en kaderstellend karakter ten aanzien alle vormen van participatie die in de verordening zijn geregeld.
Met artikel 10, lid 2 wordt beoogd een aanvullende norm te stellen specifiek voor overheidsparticipatie. Vraag 4: In de toelichting wordt op p. 4 gesteld dat participatie bij de belastingverordening eigenlijk niet gefaciliteerd kan worden. Maar burgers en organisaties kunnen toch zinvolle ideeën hebben over bedoelde en onbedoelde effecten van een bepaalde inrichting/tarievenstructuur van de belastingheffing? Kan daar binnen het kader van de verordening ruimte voor geboden worden? Beantwoording: Uit hoofdstuk XV van de gemeentewet volgt de bevoegdheid van de gemeenteraad om een gemeentelijke belastingverordening vast te stellen en welke zaken in de belastingverordening geregeld moeten worden. In deze belastingverordening wordt bijvoorbeeld op detailniveau geregeld of en hoeveel belasting inwoners moeten betalen. Het bepalen van specifieke heffingen en daarbij behorende tarieven vergt een gedetailleerd inzicht in de (interne) gemeentelijke financiën. We kunnen inwoners en andere participatiegerechtigden niet voldoende faciliteren om de specifieke heffingen en tarieven te beoordelen. Tegelijkertijd sluit dit niet uit dat inwoners en organisaties signalen kunnen geven over de maatschappelijke effecten en uitvoerbaarheid van belastingmaatregelen.
De participatieverordening biedt hiervoor ruimte, doordat het bestuursorgaan op grond van artikel 2, vijfde lid, kan bepalen dat participatie wel wordt toegepast op deelaspecten, zoals effecten of randvoorwaarden. Meer voor de hand ligt dat participatie over financiële keuzes plaatsvindt bij de behandeling van de gemeentebegroting. De algemene gemeentebegroting geven we vrij voor inspraak. Dit moeten we van de wet. Inwoners en andere participatiegerechtigden kunnen op deze wijze hun opvattingen en ideeën met ons delen over de financiële plannen van de gemeente. Vraag 5: In de toelichting wordt op p. 5 gesteld dat participatie in het sociale domein lastig kan zijn omdat het om kwetsbare groepen gaat. Kan dat nader worden toegelicht? Het is toch goed mogelijk dat inwoners of organisaties goede ideeën hebben over betere (organisatie van) zorg, armoedebestrijding e.d. of daar zelfs een rol bij willen vervullen. Beantwoording: De uitzondering in artikel 2, lid 4 onder f, is bedoeld als beschermingsmechanisme. Niet als beleidsmatige afwijzing van participatie in het sociaal domein. Juist ook in het sociaal domein kunnen inwoners en maatschappelijke partijen waardevolle (ervarings)kennis inbrengen. In artikel 2 staat beschreven onder welke omstandigheden participatie achterwege kan blijven.
Lid 4 onder f beoogt aan te geven dat participatie achterwege kan blijven als dit de ondersteuning van kwetsbare groepen
ondergraaft. Dit kan bijvoorbeeld gaan over de locatiekeuze voor opvang van kwetsbare groepen, zoals een vrouwenopvang of skaeve huse.