Artikelsgewijze toelichting wijziging bodem, Bouwhuyslocatie en andere.pdf
Tekst van het document
30/38
Als er sprake is van verontreiniging van het grondwater waar op grond van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit van blijkt dat het geen significante grondwaterverontreiniging betreft, zijn er geen voorschriften nodig ter bescherming van het grondwater en kan de bouw direct starten na het verlenen van de omgevingsvergunning of nadat de termijn voor de melding verstreken is. Er is een aantal situaties waar sprake is van verontreiniging van het grondwater en er geen risicobeoordeling grondwaterkwaliteit verplicht is. Dit is in ieder geval aan de orde indien er geen puntbron of er zich niet langer een (punt)bron van een mobiele verontreiniging in de vaste bodem bevindt. Zodoende kan er nooit sprake zijn van een bouwactiviteit waarbij een grondwatersanering verlangd wordt als dit niet in samenhang met een bronaanpak plaatsvindt. Een grondwatersanering is alleen redelijk te verlangen van een initiatiefnemer indien dit in samenhang met een bronaanpak plaatsvindt. Ditzelfde geldt indien de bron in de vaste bodem afkomstig is van een diffuse bron, zoals bijvoorbeeld atmosferische depositie. Het is in een dergelijk geval niet redelijk - en in strijd met het “vervuiler betaald principe”- en bovendien ook weinig effectief om een bronaanpak te verlangen.
Een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit wordt ook niet verlangd indien de verontreiniging van het grondwater het gevolg is van natuurlijk verhoogde achtergrondconcentraties. De provincie volgt hierbij de lijn zoals opgenomen in de Beleidsregel onderzoek sanering van bodemverontreiniging die aangeeft dat in gebieden waar voor arseen, nikkel, zink, lood en barium sprake is van verontreiniging van het grondwater, maar er geen specifieke bron voor deze verontreiniging aanwijsbaar is, geen nader onderzoek nodig is. Dit geldt alleen indien dit samengaat met gehalten in de vaste bodem die lager zijn dan de landelijke achtergrondwaarden of specifieke achtergrondwaarden. Een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit is ook niet aan de orde indien de aanwezige verontreiniging het resultaat is van een eerder uitgevoerde grondwatersanering. De grondwatersanering kan hebben plaatsgevonden op grond van regels in deze omgevingsverordening of op grond van de Wet bodembescherming.
Artikel 11.67 Sanerende maatregelen bij significante grondwaterverontreiniging Toelichting
Zie de toelichting bij artikel 11.72
Artikel 11.68 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning en informatieplicht bouwen van een grondwatergevoelig gebouw Toelichting
Zie de toelichting bij artikel 11.72
Artikel 11.69 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwen van een grondwatergevoelig gebouw Toelichting
Zie de toelichting bij artikel 11.72
Artikel 11.70 Meldingsplichtige gevallen bouwen van een grondwatergevoelig gebouw
Artikel 11.71 Indieningsvereisten melding bouwen van een grondwatergevoelig gebouw Toelichting
Zie de toelichting bij artikel 11.72
Artikel 11.72 Informatieplicht ingebruikname na maatregelen bouwen van een grondwater gevoelig gebouw Toelichting
Uitleg artikel De risicobeoordeling grondwaterkwaliteit wordt uitgevoerd conform de regels in paragraaf 3.4.2 van deze omgevingsverordening. Het is daarmee aan Gedeputeerde Staten om toe te zien of de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit inhoudelijk goed is uitgevoerd. Om de provincie in staat te stellen de risicobeoordeling te beoordelen, moeten er op grond van artikel 7.33, tweede lid, onder b en artikel 7.34, tweede lid, onder e, ZHOV minstens vier weken zitten tussen het verstrekken van de resultaten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit aan Gedeputeerde Staten en het aanleveren van dezelfde gegevens aan de gemeente ten behoeve van de aanvraag om een omgevingsvergunning dan wel melding voor het bouwen van het grondwatergevoelige gebouw op een grondwatergevoelige locatie. Zodoende kan de gemeente ook vertrouwen dat de aangeleverde gegevens en bescheiden inhoudelijk juist zijn. Als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante verontreiniging van het grondwater, volgt uit artikel 7.33, eerste lid, onder a de verplichting dat het omgevingsplan heeft geregeld dat een bronaanpak uitgevoerd moet worden conform de algemene rijksregels van de milieubelastende activiteit saneren van de bodem, met de gemeente als bevoegd gezag.
Er is immers altijd sprake van een (punt)bron in de vaste bodem, want indien er (niet langer) een bron aanwezig is op de grondwatergevoelige locatie is er op grond van artikel 7.31, tweede lid, immers geen noodzaak tot het
31/38
uitvoeren van een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit. De voorgeschreven saneringsaanpak dient hierbij op grond van paragraaf 7.3.5.1 wel te leiden tot het beperken of voorkomen van een indirecte inbreng van een mobiele verontreinigende stof in de vaste bodem naar het grondwater. Er kan pas gestart worden met bouwen indien op grond van artikel 7.33, tweede lid, onder c uit de gegevens en bescheiden blijkt dat de initiatiefnemer de milieubelastende activiteit bodemsanering gaat verrichten. De melding bij aanvang van het saneren van de bodem, als bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving dient als bewijslast. Bij een grondwaterverontreiniging waar op grond van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit sprake is van een significante grondwaterverontreiniging, is een bronaanpak verplicht, ongeacht of de significante grondwaterverontreiniging nu al tot een onaanvaardbaar risico leidt en daarmee de doelen die de kaderrichtlijn water stelt nu al bedreigt. De grondwaterrichtlijn verlangt immers al maatregelen indien er sprake is van een inbreng, tenzij gebruik gemaakt kan worden van een uitzonderingsbepaling. Bij een significante verontreiniging kan nu wellicht geen sprake zijn van een onaanvaardbaar risico voor het grondwater of het gebruik dat afhangt van het grondwater, maar kan een risico in de toekomst niet uit te sluiten zijn.
In deze situaties vindt de provincie het lonen om, indien dit redelijkerwijs te verlangen is, het natuurlijk moment van een activiteit te benutten om de bron aan te pakken of op z’n minst de inbreng van de mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater te verminderen of beheersen. Als er sprake is van een verontreiniging in het grondwater, waarbij op grond van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit is vastgesteld dat sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoefte, dan levert de grondwaterverontreiniging op dat moment al een risico op voor het grondwater of het gebruik dat afhangt van het grondwater. Voor aanvang van de bouwactiviteit dient de initiatiefnemer, naast het uitvoeren van een bronaanpak een grondwatersanering uit te voeren. Voor het uitvoeren van de grondwatersanering dient de initiatiefnemer bij de provincie een aanvraag voor een grondwatersanering als bedoeld in artikel 3.130 te doen. Uit artikel 7.33, eerste lid volgt dat pas gestart kan worden met bouwen als aannemelijk gemaakt wordt dat de initiatiefnemer de grondwatersanering gaat treffen. Op grond van artikel 7.33, tweede lid, onder d volgt dat een afschrift van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een grondwatersanering bij de provincie als bevoegd gezag, volstaat als bewijslast.
Met de in artikel 7.32 verplichte maatregelen volgt de provincie het Europese beginsel de "vervuiler betaalt". In artikel 7.32, tweede lid is de plicht tot het treffen van een grondwatersanering uitgezonderd indien het gaat om diffuse grondwaterverontreinigingen. Van een initiatiefnemer kan redelijkerwijs niet verlangd worden een grondwaterverontreiniging te saneren waar hij niet verantwoordelijk voor is. Mogelijk is een bronaanpak echter wel aan de orde. De aanwezigheid van een diffuse grondwaterverontreiniging sluit de aanwezigheid van een puntbron niet uit. Indien uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging ziet de provincie primair een rol voor zichzelf weggelegd om te komen tot een gebiedsgerichte aanpak. Het gebouw kan in gebruik genomen worden als uit gegevens en bescheiden blijkt dat de bronaanpak is uitgevoerd of eventueel ook de grondwatersanering. Een bronaanpak kan bewezen worden door de gegevens en bescheiden, als bedoeld in artikel 4.1246 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die aangeleverd moeten worden na het uitvoeren van de milieubelastende activiteiten saneren van de bodem. De gegevens en bescheiden die aan dat aan Gedeputeerde Staten verstrekt moet worden na het uitvoeren van een grondwatersanering bevatten voldoende bewijslast voor de gemeente om te bepalen of de maatregel getroffen is.
Artikel 11.73 Toepassingsbereik geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Toelichting
De gemeente heeft voor haar gemeentewegen nog geen basisgeluidemissie of geluidaandachtsgebieden vastgesteld. Zolang deze niet zijn vastgesteld geldt ten aanzien van het geluidaandachtsgebied het overgangsrecht dat is vastgelegd in artikel 17.5 van de Omgevingsregeling. In dit artikel is vastgelegd dat voor gemeentewegen het geluidaandachtsgebied bestaat uit het gebied dat zich aan weerszijden van de as van de weg uitstrekt tot de afstand, gemeten vanaf de rand van de weg:
-Voor een weg, bestaande uit één of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m; -Voor een weg, bestaande uit één of twee rijstroken: 200 m; -Voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 m.
32/38
Voor industrieterreinen heeft de gemeente Dordrecht nog geen omgevingswaarden vastgesteld. Dat betekent dat het recht zoals dat gold voor 1 januari 2024 van toepassing blijft en dat de geluidzones zoals opgenomen in de voorheen geldende bestemmingsplannen voorlopig van toepassing blijft. Deze zone is als locatie ‘geluidsaandachtsgebied industrie stedelijk wonen’ opgenomen in dit omgevingsplan. Het aandachtsgebied voor ‘rustig wonen’ zal bij een toekomstige wijziging van het omgevingsplan worden toegevoegd. Het Besluit kwaliteit leefomgeving stelt instructieregels die gelden voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen (paragraaf 5.1.4.2a Bkl). Dat verplicht onder andere tot het beoordelen van het gezamenlijk geluid en het gecumuleerd geluid als een nieuwe woning zowel in een tijdelijk geluidaandachtsgebied van een industrieterrein Wet geluidhinder als in het geluidaandachtsgebied van een lokale weg wordt gebouwd. Binnen deze aandachtsgebieden gelden voor de activiteit ‘toevoegen gebouw’ de regels in deze paragraaf. De term toevoegen is overgenomen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en omvat de activiteiten ‘gebouw bouwen’ en ‘gebruiksactiviteiten’ voor zover hiermee een geluidgevoelig gebouw of een nieuwe geluidgevoelige ruimte ontstaat.
Artikel 11.74 Oogmerken geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Toelichting
De oogmerken van dit artikel zijn gebaseerd op het doel gezonde stad uit de omgevingsvisie.
Artikel 11.75 Zorgplicht geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Toelichting
De geluidsregels in deze paragraaf bieden een minimaal beschermingsniveau. Voorkomen moet worden dat te strenge regels de ontwikkeling van woningbouw gaan belemmeren. Waar mogelijk is het echter wenselijk te zoeken naar oplossingen / maatregelen die leiden tot een omgevingskwaliteit boven dit minimale niveau. Zeker als dat met (bijna) gelijkwaardige oplossingen zonder extra kosten mogelijk is. De zorgplicht in dit artikel brengt dit tot uitdrukking en verplicht degene die een activiteit uitoefent, naast de regels in deze paragraaf, na te denken over maatregelen die effectief zijn om tot een beter akoestische woon- en leefomgeving te komen. De zorgplicht geldt ook voor de situatie als het geluidgevoelig gebouw eenmaal gebouwd is. Daarmee kan bijvoorbeeld voorkomen worden dat een geluidwerende voorziening aan de woning ongedaan gemaakt wordt als dat uit oogpunt van gezondheid een ongewenste situatie oplevert.
Artikel 11.76 Aanvullende meetbepalingen geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Toelichting
Voor de toepassing van de regels in deze paragraaf geeft dit artikel uitleg over de wijze van meten en berekenen. Met name het begrip geluiduw vraagt nadere uitleg. In het Besluit kwaliteit leefomgeving is de geluidluwe gevel als volgt gedefinieerd: de gevel die ten opzichte van de andere gevels van een geluidgevoelig gebouw relatief weinig wordt belast door geluid. De tekst in dit artikel sluit aan op het beleid in de omgevingsvisie. In geluidaandachtsgebied stedelijk gebied wordt onder geluidluw verstaan: de geluidbelasting van alle bronnen samen tot maximaal 55 dB. In een rustig woongebied is dat 53 dB. Deze aanvullende meetbepalingen gelden naast de bepalingen over het meten van geluid zoals opgenomen in de Omgevingsregeling.
Artikel 11.77 Maatwerkvoorschriften geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Toelichting
Dit artikel is opgenomen voor concrete situaties, als na toepassing van de akoestische eisen naar het oordeel van het college nog steeds geen sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- of leefmilieu. Het college kan dan voorschriften aan de vergunning verbinden, bijvoorbeeld ten aanzien van de indeling van de woning. De voorschriften kunnen ook de andere kant op werken, in het geval dat de akoestische eisen onnodig streng zijn omdat met gelijkwaardige maatregelen ook een goed akoestisch woon- en leefmilieu bereikt kan worden.
Artikel 11.78 Toepassingsbereik geluid stedelijk wonen Toelichting
Op basis van de omgevingsvisie is het wenselijk binnen de aandachtsgebieden geluid als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving, onderscheid te maken in gebieden waar rustig wonen mogelijk is en gebieden waar stedelijk wonen het uitgangspunt is. Stedelijk wonen betreft de (toekomstige) woongebieden die zijn gelegen in de nabijheid van geluidsbronnen zoals industrieterreinen. In de omgevingsvisie is hier binnen woongebieden de afweging gemaakt om ondanks dat sprake is van een geluidbelaste locatie - onder voorwaarden woningbouw toe te staan. Deze gebieden zijn aangewezen met de locatie aandachtsgebied stedelijk wonen.
Artikel 11.79 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen geluid stedelijk wonen Toelichting
De mogelijkheid om binnen een aandachtsgebied woningen of andere geluidgevoelige gebouwen te bouwen wordt alleen toegestaan met een door het college te verlenen vergunning.
Artikel 11.80 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning geluid stedelijk wonen Toelichting
De aanvraagvereisten zijn beperkt tot een akoestisch onderzoek dat het college in staat moet stellen om een (bouw)plan te beoordelen. Het is aan de aanvrager om het akoestisch onderzoek zo op te stellen dat het college over voldoende informatie beschikt om een goede afweging te kunnen maken.
Artikel 11.81 Beoordelingsregels geluid stedelijk wonen Toelichting
De instructieregels van het Rijk laten toe dat in een omgevingsplan regels worden opgenomen die toestaan dat het geluid op een gebouw hoger is dan de standaardwaarden, tot maximaal de grenswaarden. Voordat hogere
33/38
grenswaarden kunnen worden toegestaan dient eerst te worden nagegaan of (bron)maatregelen mogelijk zijn om aan de standaardwaarde te kunnen voldoen. De standaardwaarden / grenswaarden zijn per bron: - voor rijkswegen 50 dB / 60 dB - voor overige wegen 53 dB / 70 dB - industrielawaai 50 dB / 55 dB De vraag of bronmaatregelen mogelijk zijn, is deels al beantwoord bij de aanwijzing van de locaties geluidsaandachtsgebieden voor stedelijk wonen. In de motivering behorende bij dit omgevingsplan is dat nader onderbouwd. De regels in dit omgevingsplan verplichten degene die een geluidgevoelig gebouw bouwt of gebruikt om eerst na te gaan of er maatregelen mogelijk zijn om te kunnen voldoen aan de standaardwaarden. Alleen als dat niet mogelijk is kunnen burgemeester en wethouders hogere waarden toestaan, tot maximaal de grenswaarden. Daarbij moeten de opgenomen beoordelingsregels als ondergrens worden gezien. Bij het toetsen van de aanvraag omgevingsvergunning zal het college steeds de afweging moeten maken om de oplossing te kiezen die akoestisch zo optimaal mogelijk is. Dat vraagt van de bouwer een maximale inspanning. Zo zullen eenzijdig georiënteerde woningen met een geluidluwe zijde aan de geluidbelaste kant, niet snel een vergunning kunnen krijgen. Zo nodig worden aan de vergunning voorschriften verbonden.
Artikel 11.82 Akoestische eisen grondgebonden woningen geluid stedelijk wonen Toelichting
Dit artikel is van toepassing als op grond van artikel 11.81 hogere waarden worden toegestaan dan de standaardwaarde. In dat geval is het verplicht om voor grondgebonden woningen maatregelen te treffen die zorgen voor een aanvaarbare akoestische woonomgeving. Deze eisen zijn gebaseerd op het beleid uit de omgevingsvisie.
Artikel 11.83 Akoestische eisen appartementen geluid stedelijk wonen Toelichting
Dit artikel is van toepassing als op grond van artikel 11.81 hogere waarden worden toegestaan dan de standaardwaarden. In dat geval is het verplicht om voor appartementen maatregelen te treffen die zorgen voor een aanvaarbare akoestische woonomgeving. Deze eisen zijn gebaseerd op het beleid uit de omgevingsvisie.
Artikel 11.84 Akoestische eisen niet-woongebouwen geluid stedelijk wonen <<Gereserveerd>> Artikel 11.85 Bouwen van een niet-geluidgevoelige gevel Toelichting
Dit artikel biedt de mogelijkheid om in situaties met hoge geluidsbelastingen een gebouw te bouwen met een gevel die niet geluidgevoelig is (voorheen dove gevel). Het college mag dan bij de beoordeling de grenswaarden buiten beschouwing laten. Daarbij geldt dat nog wel voldaan moet worden aan de overige beoordelingsregels zoals een geluidluwe gevel en buitenruimte én dat aangetoond moet worden dat sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefmilieu. De term uitwendige scheidingsconstructie komt uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Het is de constructie die de scheiding vormt tussen een voor personen toegankelijke besloten ruimte van een gebouw en de buitenlucht, de grond of het water, inclusief de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het voldoen van die scheidingsconstructie aan een in dit besluit gestelde eis.
Afdeling 11.4 Omgevingsveiligheid Paragraaf 11.4.1 Algemene bepalingen omgevingsveiligheid Artikel 11.86 Toepassingsbereik omgevingsveiligheid Toelichting
De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verplicht de gemeente grenswaarden voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en voor aandachtsgebieden om rekening te houden met de risico’s op het overlijden van personen.
Artikel 11.87 Oogmerken omgevingsveiligheid Toelichting
Deze oogmerken zijn gebaseerd op de doelen uit de Omgevingsvisie.
Artikel 11.88 Meetbepalingen algemene bepalingen omgevingsveiligheid Toelichting
Deze meetbepalingen zijn overgenomen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 11.89 Algemene regels plaatsgebonden risico Toelichting
Algemene regels die straks voor de gehele stad gaan gelden. De regels zijn overgenomen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.
34/38
Artikel 11.90 Algemene regels brandvoorschriftengebied Toelichting
In de omgevingsvisie is de afweging gemaakt waar in Dordrecht voorschriftengebieden voor brand moeten gelden. In het omgevingsplan krijgen deze gronden de locatie ‘brandvoorschriftengebied’. Binnen die locatie gelden de regels van dit artikel en daarmee de regels uit het Besluit bouwwerken leefomgeving die gaan over brand.
Artikel 11.91 Algemene regels explosievoorschriftengebied Toelichting
In de omgevingsvisie is de afweging gemaakt waar in Dordrecht voorschriftengebieden voor explosie moeten gelden. In het omgevingsplan krijgen deze gronden de locatie ‘explosievoorschriftengebied’. Binnen die locatie gelden de regels van dit artikel en daarmee de regels uit het Besluit bouwwerken leefomgeving die gaan over explosie.
Paragraaf 11.4.2 Brandaandachtsgebieden Subparagraaf 11.4.2.1 Brandaandachtsgebied wegen Artikel 11.92 Toepassingsbereik brandaandachtsgebied wegen Toelichting
Het brandaandachtsgebied voor spoor, water en weg uit het Besluit bouwwerken leefomgeving heeft in dit omgevingsplan de locatie ‘brandaandachtsgebied wegen’ gekregen. Hier gelden voor de hele stad deze regels in deze paragraaf.
Artikel 11.93 Verbod brandaandachtsgebied wegen Toelichting
In de omgevingsvisie is de afweging gemaakt dat binnen dit brandaandachtsgebied geen zeer kwetsbare, kwetsbare of beperkt kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. Het betreft een absoluut verbod. Dit geldt ook voor het toevoegen van kwetsbare of beperkt kwetsbare locaties.
Subparagraaf 11.4.2.2 Brandaandachtsgebied leidingen Artikel 11.94 Toepassingsbereik brandaandachtsgebied leidingen Toelichting
Het brandaandachtsgebied uit het Besluit bouwwerken leefomgeving dat loopt langs leidingen heeft in dit omgevingsplan de locatie ‘brandaandachtsgebied leidingen’ gekregen. In tegenstelling tot wegen, spoor, water en inrichtingen geldt hier geen absoluut verbod. Het betreft vaak omvangrijke aandachtsgebieden met een kleine kans op een groot incident. Onder voorwaarden zijn hier zelfs kwetsbare gebouwen of kwetsbare locaties denkbaar. Een verbod zou te beperkend zijn voor ontwikkelingen in de stad. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de Omgevingsvisie.
Artikel 11.95 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen brandaandachtsgebied leidingen Toelichting
Deze regeling is gebaseerd op de beleidsregels uit de omgevingsvisie 2.0 (concept). Binnen het aandachtsgebied zijn vier zones te onderscheiden. Per zone gelden criteria die bepalen of een gebouw of locatie wel of niet kan worden toegelaten.
Artikel 11.96 Aanvraagvereisten brandaandachtsgebied leidingen
Dit artikel verplicht de aanvrager, op basis van de beleidsregels voor brandaandachtsgebieden langs leidingen, gegevens aan te leveren die nodig zijn om een goede afweging te kunnen maken bij het beoordelen van de aanvraag omgevingsvergunning.
Artikel 11.97 Beoordelingsregels brandaandachtsgebied leidingen Toelichting
Deze beoordelingsregels geven het college de mogelijkheid medewerking te verlenen aan initiatieven binnen het aandachtsgebied, mits aan alle beoordelingsregels wordt voldaan. Deze beoordelingsregels zijn gebaseerd op de beleidslijn zoals opgenomen in de omgevingsvisie. “Omdat een belangrijk deel van deze leidingen door de stad lopen, is het niet mogelijk deze brandaandachtsgebieden volledig vrij te houden van bebouwing. Daarom is een zorgvuldige afweging van de ontwikkelmogelijkheden binnen een brandaandachtsgebied vereist. We kiezen ervoor om als basis voor ons veiligheidsbeleid een handreiking van HaskoningDHV te gebruiken”. Dit model houdt rekening met gebiedstypologie, de kans op een incident en de (on-)mogelijkheden voor het nemen van maatregelen. Voor dit laatste wordt het brandaandachtsgebied in vier zones ingedeeld, variërend van een gebied waar beschermingsmaatregelen nooit adequate bescherming kunnen geven om mensen binnenshuis voldoende veiligheid te bieden tot een gebied waar aanvullende bouweisen niet noodzakelijk zijn.
35/38
De beleidsregels ‘brandaandachtsgebied leidingen’ zijn overgenomen uit de omgevingsvisie
Artikel 11.98 Advies omgevingsvergunning brandaandachtsgebied leidingen Toelichting
De voorgenomen activiteiten zullen ter advisering worden voorgelegd aan de veiligheidsregio. De veiligheidsregio zal steeds per geval beoordelen of bepaalde onveilige situaties voorkomen kunnen worden, bijvoorbeeld door het treffen van maatregelen. Het college zal in de meeste gevallen het advies opvolgen, maar mag ook een eigen afweging maken.
Paragraaf 11.4.3 Explosie-aandachtsgebieden Subparagraaf 11.4.2.2 Explosie-aandachtsgebied wegen Artikel 11.99 Toepassingsbereik explosie-aandachtsgebied wegen Toelichting
Het explosieaandachtsgebied uit het Besluit bouwwerken leefomgeving dat loopt langs de transportroutes heeft in dit omgevingsplan de locatie ‘explosie-aandachtsgebied wegen’ gekregen.
Artikel 11.100 Verbod explosie-aandachtsgebied wegen Toelichting
In de omgevingsvisie is de afweging gemaakt dat binnen dit explosieaandachtsgebied geen zeer kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. Het betreft een absoluut verbod.
Artikel 11.101 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen explosie-aandachtsgebied wegen Toelichting
De gebouwen en locaties die niet onder het verbod van artikel 11.100 vallen zijn aangewezen als vergunningplichtig geval.
Artikel 11.102 Aanvraagvereisten explosie-aandachtsgebied wegen Toelichting
De aanvraagvereisten zijn gebaseerd op informatie die volgens de omgevingsvisie nodig is om te komen tot een beoordeling van een voorgenomen activiteit in relatie tot het gestelde oogmerk in deze paragraaf.
Artikel 11.103 Beoordelingsregels explosie-aandachtsgebied wegen Toelichting
Deze beoordelingsregels geven het college de mogelijkheid medewerking te verlenen aan initiatieven binnen explosieaandachtsgebied wegen mits aan alle beoordelingsregels wordt voldaan. Deze beoordelingsregels zijn gebaseerd op de beleidslijn omgevingsveiligheid uit de omgevingsvisie.
Artikel 11.104 Advies omgevingsvergunning explosie-aandachtsgebied wegen Toelichting
De voorgenomen activiteiten zullen ter advisering worden voorgelegd aan de veiligheidsregio. De veiligheidsregio zal steeds per geval beoordelen of bepaalde onveilige situatie voorkomen kunnen worden, bijvoorbeeld door het treffen van maatregelen. Het college zal in de meeste gevallen het advies opvolgen, maar mag ook een eigen afweging maken.
Hoofdstuk 28 Overgangsrecht Artikel 28.2 Lopende procedures besluiten op aanvraag Toelichting
Dit omgevingsplan wordt gefaseerd opgesteld door verschillende wijzigingsbesluiten die per gebied of thema gaan gelden. Daardoor is in dit hoofdstuk niet vast te stellen op welk moment voor welke activiteit welke regel is gaan gelden. In dit artikel is daarom gekozen om het overgangsrecht te koppelen aan de activiteit. Uitgangspunt is dat voor een activiteit die is aangevraagd (meestal een vergunning) voordat een nieuwe of gewijzigde regel uit dit omgevingsplan voor die activiteit ging gelden, het oude recht van toepassing blijft. Als het gaat om een activiteit die niet hoeft te worden aangevraagd, bijvoorbeeld het vergunningvrij bouwen van een bijgebouw, dan geldt het overgangsrecht van art. 28.3 en verder.
Artikel 28.3 Overgangsrecht vergunningplichtige activiteiten Toelichting
Dit artikel regelt dat een onherroepelijke vergunning, die in het verleden verleend is op basis van oud recht, gelijk gesteld wordt met een omgevingsvergunning die verleend is op basis van dit omgevingsplan. Mocht dit omgevingsplan de betreffende activiteit vergunningvrij hebben gemaakt, dan is deze overgangsbepaling niet nodig. In de situatie dat een activiteit vergunningvrij is, maar in het verleden wel voorwaarden aan de vergunning zijn gesteld, gelden die voorwaarden als maatwerkvoorschriften, mits het omgevingsplan maatwerkvoorschriften toelaat over die activiteit.
36/38
Artikel 28.4 Overgangsrecht meldingen, kennisgevingen en maatwerkvoorschriften Toelichting
Dit artikel regelt het overgangsrecht voor meldingen, informatieplichten en maatwerkvoorschriften die gedaan zijn op basis van oud recht. Het omgevingsplan neemt dit oude recht over, tenzij het omgevingsplan die verplichting niet meer stelt.
Artikel 28.5 Overgangsrecht handhavingsbesluiten Toelichting
Dit artikel regelt het overgangsrecht voor handhavingsbesluiten.
Artikel 28.6 Overgangsrecht binnen de locatie ‘ontwikkelgebied’ Toelichting
In de voorheen geldende bestemmingsplannen was standaard overgangsrecht opgenomen. In dit omgevingsplan is dat niet voor alle gebieden overgenomen, zoals hieronder nader toegelicht per wijziging van het omgevingsplan. Eerste wijziging omgevingsplan: geen aanvullend overgangsrecht opgenomen. Tweede wijziging: diverse situaties •
•
• •
Voor de locatie ‘ontwikkelgebied’ is overgangsrecht opgenomen. Het betreft een regeling gebaseerd op de voorheen geldende bestemmingsplannen, dat bestaande activiteiten (bouwen en gebruik) die waren toegestaan op het moment dat de omgevingsplanwijziging van kracht werd, mogen worden voortgezet mits de strijdigheid niet verder wordt vergroot. Een bestaande activiteit is in dat geval strijdig met de regels in dit omgevingsplan maar mag toch worden voortgezet. De belangrijkste reden om in overgangsrecht te voorzien is de situatie dat er vaak nog enige tijd zit tussen de nieuwe en bestaande activiteit. Tot de nieuwe activiteit gestart wordt biedt dat de mogelijkheid de bestaande activiteit nog enige tijd voort te zetten. Voorbeeld: Om in de toekomst op een locatie woningen te kunnen bouwen zal onder andere een agrarisch bedrijf moeten verdwijnen. De betreffende locatie krijgt in dit omgevingsplan de functie wonen, de functie agrarisch bedrijf wordt geschrapt. Op het moment dat de wijziging van het omgevingsplan in werking treedt voldoet het agrarisch bedrijf niet meer aan het omgevingsplan en is sprake van een illegale situatie. Het generieke overgangsrecht laat echter toe dan het bedrijf toch nog mag worden voortgezet, en zelfs heel beperkt nog mag worden veranderend. Zodra het bedrijf stopt houdt de werking van het overgangsrecht op.
Op het perceel Zuidbuitenpoldersekade 3 is een bestaande woning onder een hoogspanningsverbinding gelegen. Op grond van een uitkoopregeling moet deze woning verdwijnen. Het is niet wenselijk dat er na inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan nog wonen of bouwen mogelijk is. Op dit perceel geldt dus geen overgangsrecht. Hier moet ook artikel 22.40 Bruidsschat Overgangsrecht bestaande bouwwerken geschrapt worden. De vergunningplicht voor bedrijven op de locatie ‘ bedrijventerrein met hoge milieucategorie’ moet per direct gaan gelden. Op deze locatie geldt voor de activiteit van artikel 5.10 geen overgangsrecht. De regels in afdeling 11.2 Bodem zijn bedoeld direct te werken. Voor deze regels geldt geen overgangsrecht.
Artikel 28.7 Voorwaarden overgangsrecht bouwwerken Toelichting
Dit artikel ziet op de situatie dat - in afwachting van nieuwbouw - een bestaand bouwwerk mag blijven staan en in bepaalde gevallen wordt teruggebouwd of beperkt gewijzigd. Voorwaarde daarbij is dat de strijdigheid met de nieuwe bouwregels niet verder mag worden vergroot. Het betreft hier voortzetting van de bestemmingsplanpraktijk en de hierover ontstane jurisprudentie. Als een bouwwerk na herbouw of verandering met meer dan 10% wordt uitgebreid wordt dit niet meer gezien als een afwijking die naar aard en omvang niet wordt vergroot. Het tweede lid ziet op de situatie dat een bestaand gebouw al strijdig is met het voorheen geldende bestemmingsplan (onderdeel van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan), maar mocht blijven staan op basis van het overgangsrecht van dat bestemmingsplan. In die situatie geldt dus geen overgangsrecht meer.
Artikel 28.8 Voorwaarden overgangsrecht gebruiksactiviteiten Toelichting
Dit artikel ziet op de situatie dat - in afwachting van realisatie van de nieuwe functie - de bestaand gebruiksactiviteiten mogen voortgezet. Voorwaarde daarbij is dat de strijdigheid met de nieuwe gebruiksregels niet verder mag worden vergroot. Tevens is voorzetting van bestaand gebruik na een onderbreking van langer dan jaar niet toegestaan. Het vierde lid ziet op de situatie dat bestaand gebruik al strijdig was met het voorheen geldende bestemmingsplan, maar mocht worden voortgezet op basis van het overgangsrecht van dat bestemmingsplan. In dit situatie geldt dus geen overgangsrecht meer.
Artikel 28.9 Voorrangsbepaling Toelichting
Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden.
37/38
Hoofdstuk 29 Delegatie AFDELING 29.2 BODEM
Artikel 29.3 Delegatie afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie
Uitleg artikel: In artikel 11.13 wordt het reeds sinds 2010 bestaande hergebruiksbeleid overgenomen voor nieuwe industrieterreinen/bedrijventerreinen van groter dan 2 hectare. Op deze terreinen is het mogelijk om grond uit het beheergebied toe te passen die voldoet aan de kwaliteitsklasse industrie. Echter zijn kunnen hier uitzonderingen op zijn. Dit artikel bepaalt dat de aanwijzing van eventuele andere locaties is gedelegeerd aan het college. Dit zijn locaties waar de gemeente andere ambities ten aanzien van de bodemkwaliteit heeft.
Artikel 29.4 Delegatie locaties nazorg aanwijzen
Uitleg artikel Op de kaart 'locaties nazorg Omgevingswet' komen nazorglocaties (na saneren en na nemen tijdelijke beschermingsmaatregelen) te staan. Deze moeten worden geregistreerd in het omgevingsplan. Met dit artikel kunnen door het college worden doorgevoerd. Reikwijdte Het college kan alleen wijzigingen in de kaarten: 'locaties nazorg Omgevingswet', doorvoeren voor het eigen beheergebied.
38/38