Artikelsgewijze toelichting wijziging bodem, Bouwhuyslocatie en andere.pdf
Tekst van het document
Artikel 1.2 Normadressaat uitvoeren activiteiten Toelichting
Bij de toepassing van de regels in dit omgevingsplan geldt het uitgangspunt dat een regel gesteld in dit omgevingsplan zich richt tot degene die de activiteit uitoefent of laat uit oefenen. Indien van dit uitgangspunt wordt afgeweken is dat per hoofdstuk, afdeling of paragraaf bepaald door een artikel afwijkend normadressaat.
HOOFDSTUK 2 DOELEN Artikel 2.1 Doelen Toelichting
In dit hoofdstuk zijn de doelen uit de omgevingsvisie uitgewerkt. Deze doelen zijn – naast de regels van medeoverheden – bepalend voor de regels in dit omgevingsplan. In ieder hoofdstuk wordt via een artikel oogmerken een koppeling gelegd met deze doelen. Voorbeeld De regels in het hoofdstuk bouwen worden noodzakelijk geacht vanuit het doel aantrekkelijk stad. Dit vertaalt zich in de oogmerken: het beschermen van stedenbouwkundige waarden en het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken.
HOOFDSTUK 5 GEBRUIKSACTIVITEITEN Afdeling 5.1 Algemene regels gebruiksactiviteiten Paragraaf 5.1.1 Regels voor de locatie begrensd gebied Artikel 5.1 Toepassingsbereik gebruiksactiviteiten Toelichting
Dit artikel regelt dat voor de activiteit ‘gronden en bouwwerken gebruiken’ algemene regels gelden zoals opgenomen in deze afdeling. Deze activiteit is gelijk aan het gebruik zoals bedoeld in de voorheen geldende Wet ruimtelijke ordening (artikel 3.1 Wro: “Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruik van de grond en van de zich daar bevindende bouwwerken”). Het werkingsgebied bij deze activiteit zal straks het gehele grondgebied van de gemeente betreffen. Aangezien het omgevingsplan in Dordrecht niet in een keer voor het gehele grondgebied wordt opgesteld wordt het werkingsgebied dat hoort bij deze activiteit in eerste instantie via het werkingsgebied 'begrensd gebied' beperkt tot de gebieden die in het omgevingsplan gebiedsgericht gewijzigd zijn. Voor regels in dit omgevingsplan die niet gebiedsgericht zijn opgesteld blijven de regels uit het tijdelijke deel (de voorheen geldende bestemmingsplannen) van toepassing. In het tweede lid is het toepassingsbereik van de regels in dit hoofdstuk beperkt tot de gronden die niet behoren tot het openbaar gebied (de voor publiek toegankelijke ruimte). Het stellen van regels over gebruik wordt vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, niet noodzakelijk geacht.
De regels gesteld in andere hoofdstukken van dit omgevingsplan zijn voldoende om te voorkomen dat er gebruiksactiviteiten kunnen plaats vinden die een ongewenste aantasting van de leefomgeving betekenen. Bijvoorbeeld het gebruik de publieke ruimte voor een evenement of terras kan leiden tot een ongewenste aantasting van de leefomgeving (rustig wonen). De regels in de APV (nog over te nemen in dit omgevingsplan) voorkomen dat te veel hinder voor de woonomgeving kan ontstaan. Een regel in dit hoofdstuk wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Daarmee biedt dit omgevingsplan gebruiksruimte aan activiteiten die horen bij het normale gebruik van de publieke ruimten waaronder in ieder geval worden verstaan wandelen, fietsen, autorijden, reizigers vervoeren, goederen vervoeren, evenementen, horeca-terrassen, marktactiviteiten en leidingactiviteiten.
Artikel 5.2 Oogmerk Toelichting
Het oogmerk van dit hoofdstuk is afgeleid uit de omgevingsvisie 1.0. In de omgevingsvisie zijn diverse gebieden aangewezen zoals woonwijken, werkgebieden, poldergebied etc. Het omgevingsplan moet gebruiksruimte bieden om deze gebieden tot ontwikkeling te brengen en te houden. Bijvoorbeeld in de werkgebieden staat de gebruiksruimte voor bedrijvigheid voorop. Om die werkgebieden optimaal te laten functioneren is het noodzakelijk beperkingen te stellen aan de gebruiksactiviteiten die daar mogen plaatsvinden. Activiteiten als wonen, detailhandel en horeca kunnen ten koste gaan van de ruimte voor werken en worden om die reden uitgesloten, althans alleen toegestaan als ze een versterking voor het werken betekenen. Dat maakt het noodzakelijk vanuit dit oogmerk ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ regels te stellen.
1/38
Artikel 5.3 Toegestane gebruiksactiviteiten Toelichting
Dit artikel regelt dat op gronden en bouwwerken alleen gebruiksactiviteiten zijn toegestaan als die expliciet in dit hoofdstuk aan een locatie zijn toegedeeld. In het tweede lid zijn twee aanvullingen opgenomen voor gebruiksactiviteiten. Activiteiten die zien op een groenblauwe inrichting, natuur, nutsvoorzieningen, parkeren op eigen terrein, perceelsontsluitingen en water, en/of de aanleg, het onderhoud of beheer daarvan, vallen functioneel gezien niet onder het verbod (lid 2 onder a). De uitzondering in het tweede lid onder b heeft betrekking op activiteiten die het feitelijke gebruik ondersteunen en daar ondergeschikt aan zijn. Dat feitelijke gebruik moet passend zijn binnen de toegedeelde gebruiksactiviteiten op een locatie. Als bijvoorbeeld op een perceel op de begane grond detailhandel is toegestaan en in het pand is een fietsenzaak gevestigd, dan is de activiteit reparatie van fietsen strikt genomen geen detailhandel maar wel een activiteit die het gebruik van een fietsenwinkel ondersteunt en daar tevens ondergeschikt aan is. Ook horeca kan blijkens de beleidsregels 'ondergeschikte horeca' aan te merken zijn als een functiegebonden activiteit: Ondergeschikt wil zeggen dat deze vorm van de horeca de kwaliteit van de hoofdfunctie vergroot of completeert en dat er duidelijk sprake moet zijn van een waarneembare ondergeschiktheid van de horecafunctie.
Dit betekent dat de hoofdactiviteit van de locatie (atelier, galerie, vergaderruimte, winkel, etc.) voor bezoekers duidelijk waarneembaar is en dus niet sprake kan zijn van een volledig ingerichte of zelfstandig uitgevoerd horeca-etablissement. Wanneer er sprake is van zelfstandige toegankelijkheid of van uitoefening los van de hoofdfunctie is er geen directe relatie meer met de hoofdfunctie, maar gaat het om zelfstandige horeca-activiteiten. De regeling voor beroep- en bedrijf aan huis, zoals voorheen opgenomen in het bestemmingsplan, valt ook de aanvulling ondersteunend en onderschikt. Daarbij aangetekend dat voorwaarden zoals parkeren en milieuhinder nu elders in het omgevingsplan zijn geregeld.
Artikel 5.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen nieuwe gebruiksactiviteit starten Toelichting
Dit artikel geeft aan onder welke voorwaarden gebruiksactiviteiten onderworpen zijn aan een vergunningplicht. Van toename van de parkeerdruk is geen sprake als voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd. De beleidsregels parkeren kunnen worden gebruikt om dit te toetsen. Als het gaat om hinder van de woonomgeving dan ziet de vergunningplicht op situaties waar het evident is dat de nieuwe gebruiksactiviteit hinder kan opleveren voor de omgeving.
Artikel 5.5 Aanvraagvereisten nieuwe gebruiksactiviteit Toelichting
De aanvraagvereisten in dit artikel helpen de aanvrager om te bepalen of sprake is van een vergunningplicht. Door het opstellen van formulieren wordt dit nader ingevuld.
Artikel 5.6 Beoordelingsregel nieuwe gebruiksactiviteit Toelichting
In dit artikel worden de kaders geschetst voor het verlenen van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4. Hierbij worden voorwaarden genoemd waaraan voldaan moet worden voordat de vergunning wordt verleend. Allereerst moet er bij het starten of wijzigen van een nieuwe gebruiksactiviteit zorg voor worden gedragen dat er voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid als bedoeld in de beleidsregel parkeernota nieuwe ontwikkelingen. Deze regel moet voorkomen dat op een locatie gebruiksactiviteiten worden verricht die zorgen voor een toename aan parkeerdruk. Dit betreft een beleidsneutrale omzetting van regels uit voormalige bestemmingsplannen. De eis van voldoende parkeergelegenheid wordt gekoppeld aan de gebruiksactiviteiten en niet aan de activiteit bouwen, zoals gebruikelijk was in het bestemmingsplan. Wanneer er sprake is van gebruiksactiviteiten in woonomgevingen, is de beoordelingsregel onder onderdeel b ook nog van toepassing bij de beoordeling van de vraag of een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4 verleend moet worden. In onderdeel B wordt een norm gesteld die toeziet op hinder in woonomgevingen. De bepaling strekt ertoe een extra afweging mogelijk te maken waarmee voorkomen moet worden dat nieuwe gebruiksactiviteiten te veel hinder opleveren in de directe woonomgeving.
Daarbij valt dan bijvoorbeeld te denken aan hinder door kinderdagverblijven, opslag van brandbare stoffen, een vaste buiten-BBQ bij een horecazaak, scholen, de brandweer, padelbanen, gebruiksactiviteiten die verkeer aantrekken en/of terrassen die niet elders in dit omgevingsplan een regeling hebben gekregen.
Artikel 5.7 Voorrangsbepaling Toelichting
De regels in deze paragraaf vervangen de regels in hoofdstuk 22 (de Bruidsschat) voor zover die zien op het gebruik van gronden en bouwwerken. Dat geldt alleen voor de gronden binnen de locatie ‘begrensd gebied’.
2/38
Paragraaf 5.1.2 Aanvullende regels Paragraaf 5.1.2.1 Regels afwijkend gebruik BOPA Artikel 5.8 Afwijkend gebruik BOPA Toelichting
Dit artikel voorziet in een beheerregeling voor verleende buitenplanse omgevingsvergunningen die afwijken van het omgevingsplan. Uit oogpunt van toezicht en handhaving is wenselijk dat inzichtelijk is waar welke afwijkingen zijn toegestaan. Door de locatie afwijkend gebruik op te nemen is via een register na te gaan waar in ieder geval sprake is van afwijkend gebruik.
Paragraaf 5.1.2.2 Regels bedrijventerreinen met hoge milieucategorie Artikel 5.9 Toepassingsbereik gebruiksactiviteit bedrijventerreinen hoge milieucategorie Toelichting
De regels in deze paragraaf gelden voorlopig in aanvulling op de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Het betreft de volgende aanvullende regels: 1. De BOPA’s afwijkend gebruik (voor zover al verleend voor 1 april 2025) 2. Vergunningplicht start gebruiksactiviteiten voor bedrijfsactiviteiten binnen de locatie ‘bedrijventerrein met hoge milieucategorie’.
Artikel 5.10 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bedrijventerreinen hoge milieucategorie Toelichting
Dit artikel voorziet in een vergunningplicht voor het starten van bedrijfsactiviteiten die mogelijk afbreuk kunnen doen aan het ruimtelijk goed functioneren van bedrijventerreinen die aangewezen zijn voor de hogere milieucategorieën. Dit soort terreinen zijn schaars in de regio. Met een vergunningplicht kan het bevoegd gezag sturen op de invulling van het juiste bedrijf op de juiste plek.
Artikel 5.11 Vergunningvrije gevallen bedrijventerreinen hoge milieucategorie Toelichting
Dit artikel regelt dat de vergunningplicht niet van toepassing is in de situatie dat alleen sprake is van een functiewisseling binnen het gebouw. Een bestaand bedrijf dat de gebruiksactiviteit ‘bedrijfsactiviteit’ opstart zonder een nieuw gebouw te bouwen, hoeft dus geen vergunning aan te vragen.
Artikel 5.12 Aanvraagvereisten nieuwe gebruiksactiviteit bedrijventerreinen hoge milieucategorie Toelichting
De aanvraagvereisten voor een nieuw bedrijf zijn beperkt. In aanvulling op de informatie die al aangeleverd moet worden bij de omgevingsvergunning bouwen, is een motivering nodig die aantoont waarom de vergunning volgens de aanvrager verleend kan worden.
Artikel 5.13 Beoordelingsregel gebruiksactiviteit bedrijventerreinen hoge milieucategorie Toelichting
De beoordelingsregel in dit artikel schrijft voor dat gebruiksactiviteiten binnen de locatie 'bedrijventerreinen met hoge milieucategorieën' er niet toe mogen leiden dat afbreuk wordt gedaan aan bedrijventerreinen, die bestemd zijn voor bedrijfsactiviteiten in de milieucategorieën 3.1 en hoger. Deze bepaling vloeit voort uit het feit dat de gemeente Dordrecht kampt met een schaarste aan ruimte voor bedrijvigheid. Dit probleem wordt vergroot vanwege het feit dat ontwikkelaars zich de afgelopen jaren vooral hebben toegespitst op de vraag vanuit de markt naar kleinschalige bedrijfsruimten bestemd voor bedrijfsverzamelgebouwen en opslagunits voor particulier en zakelijk gebruik. Deze toename aan kleinschalige bedrijfsruimten gaat ten koste van het toch al schaarse aanbod aan bedrijfskavels, hetgeen met name problemen oplevert voor grotere bedrijven c.q. de zwaardere bedrijvigheid in de hogere milieucategorieën (de milieucategorieën 3.1 of hoger). Dit terwijl er zowel vanuit de gemeente, de provincie als het Rijk wordt ingezet op het beschermen van ruimte voor bedrijvigheid en met name locaties waar een hogere milieubelasting en dus grootschalige bedrijvigheid mogelijk is, zoals de locatie 'bedrijventerreinen met hoge milieucategorie'. Deze locatie is één van de weinige locaties binnen de gemeente die bedrijfsactiviteiten in de milieucategorieën 3.1 en hoger toelaat.
Vanwege de schaarste en tegelijkertijd ook de vraag naar dit soort locaties is het van belang dat de beperkt beschikbare locaties voor grotere milieuactiviteiten, zoals de locatie 'bedrijventerreinen met hoge milieucategorie', beschermd worden en behouden blijven voor de toekomst.
3/38
Voorbeeld Binnen de locatie 'bedrijventerrein met hoge milieucategorieën' bevindt zich een bedrijfsruimte van circa 1000 m2. Er wordt een aanvraag ingediend om de bedrijfsruimte op te splitsen in 5 kavels van 200 m2, die moeten dienen als zelfstandige werkruimten voor zzp'ers. Medewerking verlenen aan dit initiatief zou betekenen dat er een grote bedrijfsruimte verloren gaat, die goed had kunnen dienen als perceel voor een groter bedrijf dat zwaardere milieubelastende bedrijfsactiviteiten verricht. Ook in dat geval wordt er voorbijgegaan aan het doel dat geldt voor de locatie 'bedrijventerrein met hoge milieucategorieën', namelijk het gebruik van gronden en bouwwerken op die locatie voor bedrijfsactiviteiten in de milieucategorieën 3.1 en hoger. Het college kan op basis van een motivering ook anders beslissen. De aanvrager moet dan aantonen dat de werkruimte ondersteunend is aan de bedrijfsvoering van de aanwezige zware bedrijvigheid ter plaatse.
Artikel 5.14 Voorrangsregels gebruiksactiviteit bedrijventerreinen hoge milieucategorie Toelichting
Dit artikel maakt expliciet duidelijk dat de regels uit het onderliggende voorheen geldende bestemmingsplan van kracht blijven.
Paragraaf 5.7.1 Horeca 1 activiteiten Artikel 5.15 Toepassingsbereik horeca 1 Toelichting
Deze paragraaf is opgenomen om locaties aan te wijzen voor de lichte horeca-activiteiten, in de begripsomschrijvingen omschreven als horeca 1.
Artikel 5.16 Toegestane gebruiksactiviteiten horeca 1 Toelichting
De locaties waar horeca 1 wordt toegestaan is vooralsnog beperkt tot de nieuwe woningbouwlocatie Bouwhuys.
Artikel 5.17 Omvang en situering horeca 1 Toelichting
Per locatie is door een omgevingsnorm bepaald welke omvang een horeca-1 vestiging mag hebben.
Paragraaf 5.9.1 Maatschappelijk niet-milieugevoelig Artikel 5.18 Toepassingsbereik maatschappelijk niet-milieugevoelig Toelichting
Deze paragraaf is opgenomen om locaties aan te wijzen voor maatschappelijke voorzieningen die niet-milieugevoelig zijn. Het betreft hier functies zoals een kinderdagverblijf die uit oogpunt van een gezonde leefomgeving niet gewenst zijn in de nabijheid van bronnen zoals snelwegen, spoorlijnen en zware industrie.
Artikel 5.19 Toegestane gebruiksactiviteiten maatschappelijk niet-milieugevoelig Toelichting
De locaties waar maatschappelijk niet-milieugevoelig wordt toegestaan is vooralsnog beperkt tot de nieuwe woningbouwlocatie Bouwhuys.
Artikel 5.20 Omvang en situering maatschappelijk niet-milieugevoelig Toelichting
Per locatie is door een omgevingsnorm bepaald welke omvang een maatschappelijke voorziening mag hebben.
Paragraaf 5.11.1 Recreatie – dagrecreatie Artikel 5.21 Toepassingsbereik recreatie-activiteiten dagrecreatie Toelichting
Deze paragraaf is opgenomen om locaties aan te wijzen voor dagrecreatie. Het betreft hier een vorm van recreatie die alleen overdag mag worden uitgeoefend en niet gericht is op nachtverblijf.
Artikel 5.22 Toegestane gebruiksactiviteiten recreatie-dagrecreatie 4/38
Toelichting
De locaties waar dagrecreatie wordt toegestaan is gebaseerd op de gebiedsindeling uit de omgevingsvisie.
Paragraaf 5.14.1 Wonen algemeen Artikel 5.23 Toepassingsbereik wonen algemeen Toelichting
Deze paragraaf is opgenomen om locaties aan te wijzen voor wonen. Het betreft hier de reguliere vorm van wonen met per woning een huishouden en beperkte mogelijkheden voor onzelfstandige woonruimte. Afwijkende woonvormen zoals zorgwoningen of studentenhuisvesting worden niet onder wonen toegestaan. Daarvoor is een aanvullende functietoedeling nodig.
Artikel 5.24 Toegestane gebruiksactiviteiten wonen algemeen Toelichting
De locaties waar wonen algemeen wordt toegestaan is vooralsnog beperkt tot de nieuwe woningbouwlocatie Bouwhuys.
Artikel 5.25 Omvang en situering wonen algemeen Toelichting
Per locatie is door een omgevingsnorm bepaald hoeveel woningen gebouwd mogen worden.
Artikel 5.26 Mantelzorg bij bestaand bouwwerk Toelichting
Regel die beleidsneutraal is overgenomen uit de bruidsschat.
HOOFDSTUK 6 BOUWWERKEN Afdeling 6.1 Bouwwerken algemeen Paragraaf 6.1.1 Regels voor de locatie begrensd gebied Artikel 6.1 Toepassingsbereik bouwwerken algemeen Toelichting
Het toepassingsbereik van deze afdeling ziet op activiteiten met betrekking tot bouwwerken. Het gaat zowel om het bouwen, het slopen als het instandhouden van bouwwerken. Het gebruik van bouwwerken is geregeld in hoofdstuk 5. De locatie ‘begrensd gebied’ is opgenomen om duidelijk te maken dat de regels in dit hoofdstuk alleen gelden voor de gronden die betrokken zijn bij een gebiedsgerichte wijziging van het omgevingsplan. Uiteindelijk moeten deze regels voor het gehele ambtsgebied gaan gelden.
Artikel 6.2 Oogmerken bouwwerken algemeen Toelichting
Het oogmerk voor dit hoofdstuk is gebaseerd op het doel aantrekkelijke stad uit de omgevingsvisie. Het betreft de stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit van de bestaande en nieuwe gebouwde omgeving.
Artikel 6.3 Repressief welstand Toelichting
Dit artikel is overgenomen uit de Bruidsschat.
Artikel 6.4 Wijze van meten
5/38
Toelichting
Deze meetbepalingen sluiten aan bij de bepalingen ‘wijze van meten’ zoals opgenomen in de voorheen geldende bestemmingsplannen.
Artikel 6.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Toelichting
Dit artikel is overgenomen uit de Bruidsschat.
Artikel 6.6 Voorrangsbepaling Toelichting
Dit artikel regelt dat de regels in dit hoofdstuk, voor zover gelegen binnen de locatie ‘begrensd gebied’, voor gaan op de regels opgenomen in hoofdstuk 22 (de Bruidsschat) die gaan over bouwwerken. Alleen als expliciet anders is aangegeven (zoals de verwijzing naar vergunningvrij bouwen) gelden de regels in afdeling 22.2 toch.
Afdeling 6.2 Bouwwerk slopen Afdeling 6.3 Bouwwerk in stand houden Artikel 6.7 Toepassingsbereik bouwwerk in stand houden Toelichting
Deze paragraaf ziet op situatie na de activiteit bouwen. Als het bouwwerk eenmaal staat gelden de regels in deze paragraaf.
Artikel 6.8 Algemene regel instandhouding bouwwerk Toelichting
Dit artikel houdt een verbod in om een bouwwerk dat gebouwd is zonder vergunning in stand te houden.
Artikel 6.9 Voorrangsbepaling Toelichting
Dit artikel sluit de werking van de Bruidsschat uit voor zover het gaat om het in stand houden van bouwwerken.
Afdeling 6.4 Gebouw bouwen Paragraaf 6.4.1 Regels gebouw bouwen begrensd gebied Artikel 6.10 Toepassingsbereik gebouw bouwen Toelichting
Deze afdeling gaat over de activiteit gebouw bouwen. Daarbij is geen onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en andere gebouwen. Ieder bouwwerk dat voldoet aan de definitie van een gebouw zoals bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving valt onder het toepassingsbereik van de regels in deze afdeling.
Artikel 6.11 Algemene regels gebouw bouwen Toelichting
Dit artikel stelt algemene regels aan het (ver)bouwen van een gebouw, voor zover niet vergunningvrij. De regels gelden dus niet voor een gebouw dat al gebouwd is. Voor zover zo'n gebouw afwijkt van de eisen in dit artikel mag dat in stand gehouden worden conform een eerder verleende onherroepelijke omgevingsvergunning.
Artikel 6.12 Uitzonderingen op de algemene regels Toelichting
Dit artikel voorziet in de uitzonderingen op algemene regels die gelden voor het bouwen van gebouwen. De uitzonderingen betreffen de aangewezen vergunningvrije bijbehorende bouwwerken, voor zover het gebouwen zijn. Voor vergunningvrije bijbehorende bouwwerken die geen gebouw betreffen gelden de regels in afdeling 6.6 (andere bouwwerken). Vooralsnog is alleen onderdeel a uit artikel 22.36 overgenomen. Het betreft de mogelijkheid vergunningvrij bijgebouwen bij een woning te bouwen, al dan niet aangebouwd. Deze regel geldt vooralsnog alleen binnen de locatie ‘begrensd gebied’ en dus nog niet voor de gehele gemeente. Voor de locatie ‘begrensd gebied’ zijn de regels voor vergunningvrij bouwen in Bruidsschat niet van toepassing. Voor gronden buiten het begrensd gebied blijft de Bruidsschat wel van toepassing.
6/38
Hoofdstuk 6 ziet toe op het bouwen, in stand houden en slopen van bouwwerken (gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken, geen gebouw zijnde). De regels in hoofdstuk 6 zijn dan ook met het oog, en enkel met het oog, daarop gesteld. Rondom bouwwerken kunnen echter ook nog allerlei andere kwesties spelen. Daar zullen dan ook regels voor gesteld worden. In dit omgevingsplan is een strikte scheiding aangebracht in de verschillende soorten regels die kunnen gelden voor bouwwerken en is er in de afzonderlijke hoofdstukken voor gekozen om de regels per hoofdstuk beperkt te houden tot het thema van het betreffende hoofdstuk. Dat betekent dat er in hoofdstuk 6 regels zijn vastgesteld voor het bouwen, in stand houden en slopen van bouwwerken, en het vergunningvrij kunnen bouwen van bouwwerken, zoals beschreven in de artikelen 22.27 en 22.36 van de Bruidsschat. In de Bruidsschat wordt ook een uitzondering gemaakt op die mogelijkheden om vergunningvrij te kunnen bouwen op grond van de artikelen 22.27 en 22.36, bijvoorbeeld wanneer het gaat om cultureel erfgoed (artikel 22.28 en 22.38 van de Bruidsschat) of externe veiligheid (artikel 22.39 van de Bruidsschat). Deze uitzonderingen op de vergunningvrije bouwmogelijkheden, die dus betekenen dat er alsnog een vergunningplicht geldt, worden echter niet geregeld in hoofdstuk 6, maar in de hoofdstukken die over deze onderwerpen gaan.
Daardoor zou zich bijvoorbeeld de situatie kunnen voordoen dat het bouwen van een bouwwerk onder voorwaarden op basis van de regels in hoofdstuk 6 vergunningvrij kan zijn, terwijl er wel een vergunningplicht kan gelden voor bouwactiviteiten aan datzelfde bouwwerk als het bouwwerk bijvoorbeeld een pand met een monumentale status is. Die vergunningplicht is dan niet geregeld in hoofdstuk 6, maar in hoofdstuk 8 van het omgevingsplan, omdat dat hoofdstuk specifiek gaat over cultureel erfgoed. Op dezelfde wijze worden ook vergunningplichten die gelden voor de externe veiligheid van bouwwerken niet geregeld in hoofdstuk 6, maar in het hoofdstuk dat toeziet op externe veiligheid (hoofdstuk 13).
Artikel 6.13 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen gebouw bouwen Toelichting
Dit artikel ziet op een beleidsneutrale omzetting van de regel dat gebouwen pas gebouwd worden als voldaan wordt aan de redelijke eisen van welstand. De term ‘redelijke eisen van welstand’ is overgenomen uit de huidige welstandsnota. Het tweede lid is een vergunningplicht als het gebouw gebouwd wordt op een locatie ontwikkelgebied. Het betreft hier de gebieden waar grote ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorzien. In het geval het college wil afwijken van het advies van de commissie ruimtelijke kwaliteit zal dat net als voorheen gemotiveerd mogelijk zijn via de buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Artikel 6.14 Aanvraagvereisten gebouw bouwen Toelichting
Dit artikel bepaalt welke gegevens - in aanvulling op de aanvraagvereisten uit de Omgevingsregeling - bij de aanvraag omgevingsvergunning moeten worden ingediend.
Artikel 6.15 Beoordelingsregels gebouw bouwen Toelichting
Dit artikel is een beleidsneutrale omzetting van de welstandsadvisering uit de voorheen geldende bestemmingsplannen en voegt daar voor ontwikkelgebieden een extra beoordelingsregel aan toe. Het college zal in dat geval ook moeten toetsen of het gebouw past in het stedenbouwkundig beeld dat voor het ontwikkelgebied bepaald is. De opgestelde beleidsregels vullen nader in hoe die stedenbouwkundige kwaliteit beoordeeld wordt. In die beleidsregels is per ontwikkelgebied bepaald welke ruimtelijke kwaliteitseisen van toepassing zijn.
Artikel 6.16 Advies Toelichting
Dit artikel betreft een beleidsneutrale omzetting van de welstandsadvisering. Voor de beoordeling van de stedenbouwkundige kwaliteit is geen advies voorgeschreven. De stedenbouwkundige eisen zoals opgenomen in de beleidsregels ‘stedenbouwkundige voorwaarden ontwikkellocaties’ zijn al mede tot stand gekomen op basis van het advies van de commissie.
Afdeling 6.6 Ander bouwwerk bouwen Paragraaf 6.6.1 Regels ander bouwwerk bouwen Artikel 6.17 Toepassingsbereik ander bouwwerk bouwen Toelichting
Deze afdeling gaat over de activiteit bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bouwen (= ander bouwwerk bouwen). Ieder bouwwerk dat geen gebouw is, en niet vergunningvrij is volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving, valt onder het toepassingsbereik van de regels in deze afdeling.
7/38
Artikel 6.18 Verbod ander bouwwerk bouwen Dit omgevingsplan voorziet in een verbod op andere bouwwerken, tenzij hierna uitgezonderd. Buitenplans kunnen burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning afwijken van dit verbod, mits sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Artikel 6.19 Uitzonderingen op het verbod ander bouwwerk bouwen Dit artikel maakt het mogelijk om zonder vergunning straatmeubilair of een erfafscheiding te bouwen. Deze regel was voorheen opgenomen in het Besluit omgevingsrecht (artikel 2) en komt in de plaats van de regels in de Bruidsschat. De uitzonderingen op het verbod zijn grotendeels overgenomen uit de artikelen 22.27 en 22.36 van het tijdelijk deel in hoofdstuk 22 (de Bruidsschat). Straatmeubilair, dat wil zeggen bouwwerken die bedoeld zijn voor het goed functioneren van het openbaar gebied of die bedoeld zijn het aanzien / de kwaliteit van het openbaar gebied te verbeteren, kunnen altijd zonder vergunning gebouwd worden. De gemeente is hier in de regel degene die de activiteit uitvoert of laat uitvoeren. Daarbij is het handboek Kwaliteit Openbare Ruimte leidend. Dit handboek krijgt nog een juridische grondslag in dit omgevingsplan en maakt het overbodig om hier ook nog regels in het hoofdstuk bouwwerken te stellen. Voor buisleidingen geldt een vergelijkbare motivering. Deze activiteit wordt nu gereguleerd met een vergunningplicht in de Leidingenverordening, die komende jaren beleidsneutraal wordt overgezet naar het omgevingsplan. Een nadere beoordeling op de ruimtelijke kwaliteit is in aanvulling op de Verordening niet noodzakelijk. De regeling voor erfafscheidingen is overgenomen uit de Bruidsschat.
Toelichting
Dit artikel voorziet in de uitzonderingen op het verbod andere bouwwerken te bouwen. Dat betreft allereerste de aangewezen vergunningvrije gevallen, overgenomen uit de Bruidsschat. Daarnaast wordt een uitzondering gemaakt voor de verleende buitenplanse omgevingsvergunningen zoals opgenomen in een register.
HOOFDSTUK 7 ACTIVITEITEN MET EEN DIRECT EFFECT OP HET OPENBAAR TOEGANKELIJK GEBIED Paragraaf 7.11 Inrichten openbaar toegankelijk gebied ontwikkelgebied
Artikel 7.1 Toepassingsbereik inrichten openbaar toegankelijk gebied Toelichting
Deze afdeling is opgenomen om activiteiten die een nieuwe inrichting van het openbaar gebied betreffen aan regels te binden. De locatie ‘ontwikkelgebied’ betreft de gronden binnen de gemeente waar dit omgevingsplan beoogd nieuw openbaar gebied aan te leggen. Deze gronden zijn daarom onder het toepassingsbereik van dit hoofdstuk gebracht. Zodra het openbaar gebied is aangelegd gelden de regels in deze paragraaf niet meer.
Artikel 7.2 Oogmerken inrichten openbaar toegankelijk gebied Toelichting
De oogmerken komen voort uit het doel aantrekkelijke en bereikbare stad zoals bedoeld in de omgevingsvisie. Andere oogmerken zoals behoud biodiversiteit, voldoende speelplekken en klimaat kunnen als afgeleide ook doorwerken in de toepassing van de regels in deze paragraaf.
Artikel 7.3 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen inrichten openbaar toegankelijk gebied Toelichting
Dit artikel maakt de aanleg van nieuw openbaar gebied vergunningplichtig. Voor het begrip bouw- en woonrijp maken is aangesloten op de omschrijving zoals voorheen in bestemmingsplannen werd gebruikt.
Artikel 7.4 Aanvraagvereisten inrichten openbaar toegankelijk gebied
8/38
Toelichting
In de aanvraag omgevingsvergunning moet door middel van een (inrichtings)tekening duidelijk worden gemaakt hoe de inrichting van het openbaar gebied er uit komt te zien. In geval van gefaseerde ontwikkeling in deelplannen zal ook inzichtelijk gemaakt moeten worden hoe het deelgebied zich verhoudt met het gehele ontwikkelgebied. Voorkomen moet worden dat bijvoorbeeld speelplekken steeds doorgeschoven worden naar een volgende fasen. Per deelplan moet duidelijk gemaakt worden hoe dat bijdraagt aan de eis van voldoende speelplekken.
Artikel 7.5 Beoordelingsregels inrichten openbaar toegankelijk gebied Toelichting
Het college zal de afweging moeten maken of de aangevraagde inrichting past binnen de stedenbouwkundige kwaliteit zoals per ontwikkelgebied is uitgewerkt in de beleidsregel 'stedenbouw'. Het college betrekt daarbij het advies van de commissie ruimtelijke kwaliteit.
Paragraaf 10.2.3 Beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding Artikel 10.1 Toepassingsbereik beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding Toelichting
Het toepassingsbereik voor deze paragraaf is ruim genomen. Het betreft alle activiteiten die binnen de locatie worden uitgevoerd.
Artikel 10.2 Oogmerken Toelichting
Dit oogmerk is gebaseerd op het oogmerk genoemd door TenneT in de staalkaart omgevingsplan: - het behoud en het creëren van ruimte voor en in de nabijheid van het elektriciteitstransportnet voor bestaande en toekomstige activiteiten van de landelijk netbeheerder; - bescherming van het elektriciteitstransportnet tegen activiteiten in de nabijheid van het transportnet; - waarborgen van de omgevingskwaliteit in de nabijheid van het elektriciteitstransportnet.
Artikel 10.3 Specifieke zorgplicht Toelichting
In de praktijk kan sprake zijn van een groot aantal activiteiten dat een goed functioneren van de hoogspanningsverbinding kan belemmeren. Een groot deel van die activiteiten is met een vergunningplicht geregeld in deze paragraaf, maar niet alle activiteiten zijn te vangen in vergunningplichten. De zorgplicht functioneert hier als een soort vangnet om toch te kunnen optreden in geval van niet vergunningplichtige activiteiten waarvan duidelijk is dat deze een risico opleveren voor het goed functioneren van de hoogspanningsverbinding. De zorgplicht kan dan in combinatie met de opgenomen bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen, uitkomst bieden. Voorbeelden van dergelijke activiteiten kunnen zijn het plaatsen van hoogwerker onder een hoogspanningsmast of het niet in stand houden van een vervallen bouwwerk of een bouwplaats met het risico van rondvliegend bouwmateriaal. Het college kan dan een voorschrift stellen dat dergelijke activiteiten alleen onder bepaalde voorwaarden mogen plaatsvinden. In de toepasbare regels zal een link opgenomen worden naar de brochures op de website van TenneT zodat voor een eigenaar duidelijk is welke activiteiten onder de zorgplicht kunnen vallen. Brochures Hoogspanning en omgeving
Artikel 10.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bovengrondse hoogspanningsverbinding Toelichting
De aanwijzing van vergunningplichtige gevallen is – in eerste instantie – zo veel mogelijk beleidsneutraal overgenomen, gebaseerd op de staalkaarten die door TenneT zijn opgesteld. In overleg met TenneT is nagegaan of we bepaalde activiteiten niet onder de zorgplicht kunnen laten vallen. Het betreft bijvoorbeeld de activiteit het aanbrengen van hoogopgaande beplanting. Dat voor eigenaren van tuinen onder de hoogspanningsverbindingen als te zware administratieve last gezien die nauwelijks te controleren of te handhaven is. De zorgplicht is beter geschikt: zodra bomen of planten te hoog worden dwingt de zorgplicht tot het snoeien. Hieronder is per activiteit aangegeven welke afweging gemaakt is.
Staalkaart TenneT
Activiteit omgevingsplan
Bouwwerken bouwen
Bouwwerk bouwen
Vergunning X
Zorgplicht / Maatwerk
9/38
Bouwwerken in stand houden die zonder vergunning gebouwd zijn Bouwwerk slopen Wijzigen maaiveldniveau door ontgronding of ophoging. Aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van watergangen Aanleggen wegen en parkeergelegenheden en andere oppervlakte verhardingen Zonnepanelen en daarmee verband houdende constructies / installaties Het opslaan van goederen, (brandbare) stoffen en of materialen Aanleggen Kabels en leidingen
Bouwwerk in stand houden
Het aanbrengen van hoogopgaande beplanting Het kappen van hoogopgaande beplanting Opwekken van elektriciteit met een windturbine Het oprichten en in stand houden van bouwwerken als opslagtank voor gassen of vloeibare gevaarlijke stoffen Opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking
X
Bouwwerk slopen Grondwerkzaamheden
X X
Grondwerkzaamheden
X
Verharding toepassen
X
Bouwwerk bouwen
X
Opslagactiviteit
X
Aanleggen kabels en leidingen
X
Beplanting aanbrengen
X
Kappen van bomen
X
Bouwwerk bouwen MBA Opslagactiviteit MBA
X
Opslagactiviteit MBA
X
X
Artikel 10.5 Vergunningvrije gevallen beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding Toelichting
Activiteiten die niet vergunningplichtig zijn betreffen allereerst de activiteit bouwwerk bouwen voor zover het een bestaand bouwwerk betreft dat verbouwd wordt en niet groter wordt in omvang. Deze uitzondering geldt niet voor het verbouwen van bouwwerken die gebouwd zijn zonder de benodigde vergunning. Die uitzondering is niet expliciet benoemd omdat het in stand houden van een bouwwerk zonder omgevingsvergunning al verboden is op grond van hoofdstuk 6 van dit omgevingsplan. Het betreft daarmee al een activiteit die niet zonder vergunning bouwen mag worden uitgevoerd. De overige twee uitzonderingen op de vergunningplicht zijn beleidsneutraal overgenomen. Onder het wijzigen van een bouwwerk wordt mede verstaan het vervangen of vernieuwen van een bouwwerk.
Artikel 10.6 Aanvraagvereisten vergunningplichtige gevallen bovengrondse hoogspanningsverbinding Toelichting
De beoordelingsregel voor vergunningplichtige activiteiten is gebaseerd op de regeling uit de staalkaart omgevingsplan van TenneT. Het betreft een nagenoeg beleidsneutrale omzetting van de regeling in de voorheen geldende bestemmingsplannen.
Artikel 10.7 Beoordelingsregels vergunning beperkingengebied bovengrondse hoogspanningsverbinding Toelichting
De beoordelingsregel voor vergunningplichtige activiteiten is gebaseerd op de regeling uit de staalkaart omgevingsplan van TenneT. Het betreft een nagenoeg beleidsneutrale omzetting van de regeling in de voorheen geldende bestemmingsplannen.
10/38
Artikel 10.8 Maatwerkvoorschriften Toelichting
Zie de toelichting bij artikel 10.3 specifieke zorgplicht.
Artikel 10.9 Advies Toelichting
Gelet op het oogmerk van de regels in deze paragraaf is advies van de leidingbeheerer (TenneT) altijd voorgeschreven.
Artikel 11.1 Oogmerken bodem Toelichting
Dit artikel geeft aan welk oogmerk, oftewel aan welk(e) doel(en) de regels voor de activiteit toepassen van grond of baggerspecie moeten bijdragen. Achter het oogmerk zit een afweging tussen het zoveel mogelijk hergebruiken van primaire grondstoffen en het beschermen van de bodemkwaliteit op gebiedsniveau. Bij duurzaam bodembeheer wordt gestreefd naar een balans tussen de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu én ruimte voor maatschappelijke ontwikkelingen. Doel is het mogelijk maken van ontwikkelingen zonder de bodem (onevenredig) te schaden.
Artikel 11.2 Maatwerkvoorschriften bodem Toelichting
Dit artikel geeft aan dat maatwerk mogelijk is op de regels in dit hoofdstuk. In dit artikel is vastgelegd dat het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift kan opstellen of een verzoek tot maatwerkvoorschrift door een initiatiefnemer gedaan kan worden. Een maatwerkvoorschrift is vergelijkbaar met een vergunningvoorschrift. Het is een apart besluit waarin in specifieke gevallen specifieke regels worden gesteld (vaak voor onvoorziene lokale omstandigheden) in aanvulling of afwijking van de algemene regel.
Artikel 11.3 Aanwijzing bodembeheergebied met bijbehorende bodemkwaliteitskaarten
Toelichting In het omgevingsplan moet de geometrische begrenzing van het aangewezen bodembeheergebied worden vastgesteld. Deze regel vervangt de regel in het voormalige Besluit Bodemkwaliteit (art. 44 om specifiek te zijn). Het bodembeheergebied betreft hier de 10 gemeenten van Zuid-Holland Zuid. De bodemkwaliteitskaarten en toepassingskaarten zijn te raadplegen op: https://geo.ozhz.nl/?@Bodemkwaliteitskaart
Artikel 11.4 Aanwijzing bodemfunctieklassen binnen bodembeheergebied
Toelichting In het omgevingsplan moet de gemeente de landbodem van het grondgebied indelen in bodemfunctieklassen. De landbodem wordt ingedeeld in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie. Bij de indeling in bodemfunctieklassen wordt rekening gehouden met de functie die in het omgevingsplan aan de locatie is toegedeeld. Deze regel vervangt de regel in het voormalige Besluit Bodemkwaliteit (art. 55 om specifiek te zijn). De bodemfunctiekaart is te raadplegen op: https://geo.ozhz.nl/?@Bodemkwaliteitskaart
Artikel 11.5 Toepassingsbereik toepassen van grond of baggerspecie Toelichting
Dit artikel geeft aan over welke activiteit de regels in deze paragraaf gaan.
Artikel 11.6 Oogmerken toepassen grond of baggerspecie Toelichting: Zie de toelichting bij artikel 11.1.
Artikel 11.7 Verbod toepassen thermische gereinigde grond Toelichting
Uitleg artikel Dit artikel voorziet in een verbod op het toepassen van thermisch gereinigde grond. Deze 'gereinigde' grond is op dit moment in opspraak en veroorzaakt bij onzorgvuldige toepassing milieuschade. Er is gekozen voor een verbod, omdat een melding onvoldoende reguleert. Reikwijdte en werking Het verbod is van toepassing op het toepassen van thermisch gereinigde grond en niet op andere grond of baggerspecie. Een kanttekening bij dit verbod is dat van een verbod in principe afgeweken kan worden met een buitenplanse omgevingsvergunning voor afwijking op het omgevingsplan (Bopa). Hierbij is voldoende mogelijkheid tot regulatie. Bij vergunningverlening moet de aanvrager rekening houden met het volgende: Maatregelen ter voorkoming milieuschade: 1. Thermisch gereinigde grond wordt toegepast zodanig dat deze vanaf het begin van de activiteit tot aan buiten gebruik stellen van het werk, boven de grondwaterstand ligt én onder gesloten verharding.
11/38
2. Het werk waarin thermisch gereinigde grond wordt toegepast dient binnen 1 jaar na toepassing te zijn afgerond. 3. Thermisch gereinigde grond wordt toegepast over een oppervlakte van minimaal 1.000 m2. Bij de aanvraag van de Bopa is de volgende informatie in ieder geval vereist: a. een planning van de werkzaamheden waaruit blijkt dat het werk waarin de grond wordt toepast binnen 1 jaar na toepassing wordt afgerond; b. indien de milieuhygiënische verklaring een productcertificaat is, dan zijn waarborging van de eisen van het productcertificaat hierin verwerkt; c. de kritische aspecten zoals grondwater en oppervlaktewater in de nabijheid, zetting PH-buffercapaciteit, kwetsbare objecten en ecologie zijn beschreven/verwerkt; d. een schriftelijke instemming met de uiteindelijke eigenaar; e. de toepassingshoogte ten opzichte van de grondwaterstand; f. de verwachte zetting voor de komende 100 jaar; g. tekeningen van de toepassingslocatie en dwarsdoorsnedes van de toepassing; en h. een schriftelijke onderbouwing hoe overlast voor de omgeving (in de vorm van stofvorming en wateropvang als dit vrijkomt uit het materiaal) wordt voorkomen.
Artikel 11.8 Bodemvreemd materiaal in toe te passen grond of baggerspecie Toelichting
Uitleg artikel In dit artikel staat dat in gebieden die volgens de bodemfunctiekaart de functieklasse Landbouw/natuur of Wonen hebben, geen grond of baggerspecie mag worden toegepast met meer dan 5 gewichtsprocent steenachtig materiaal of hout. Dit in tegenstelling tot de in het Besluit activiteiten leefomgeving genoemde 20 gewichtsprocent in artikel 4.1271 lid 1 onder a. Reikwijdte Dit artikel is van toepassing op grond en baggerspecie die wordt toegepast in gebieden met de functie landbouw/natuur of wonen.
Artikel 11.9 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie Toelichting
Uitleg artikel Lid 1 In dit artikel wordt bij lid 1 aangegeven welke kwaliteitseisen strenger zijn in dit beheergebied dan de landelijke regels (artikel 4.1272 uit het Besluit activiteiten leefomgeving). Dit geldt voor het toepassen van grond of baggerspecie op landbodem die zowel uit het beheergebied afkomstig is als van elders komt.
PH (zuurgraad): Bij toepassing van grond of baggerspecie in het beheergebied moet de pH-waarde van de toe te passen grond of bagger tussen de 5 en 9 liggen. Grond met andere pH-waarden zijn niet toegestaan. In ons beheergebied komt over het algemeen een pH van tussen de 5 en 9 voor, dit sluit aan bij het natuurlijke ecologische systeem. Vreemde gronden (zure gronden of antropogene gronden) worden weleens aangeboden, maar zijn vanuit ecologisch oogpunt niet wenselijk, de toepassing van deze gronden wordt hiermee uitgesloten. Chloride: Bij toepassing van grond of baggerspecie in het beheergebied mag de grond of bagger niet zilt of zout zijn. Van zilte of zoute grond is sprake bij een chloridegehalte van 200 mg/kg of hoger. Deze norm is ontleend aan de eisen die gesteld worden aan ontzilt zeezand. Het toepassen van zilte of zoute gronden is niet wenselijk, omdat dit negatief effect heeft op de flora en fauna in ons gebied. De toepassing van deze gronden wordt hiermee uitgesloten. Er is wel maatwerk (maatwerkbesluit) mogelijk voor bijzondere situaties. Barium: Bij toepassing van grond of baggerspecie in het beheergebied geldt een maximale waarde van 920 mg/kg droge stof (standaard bodem). Voor barium is geen toetsingswaarde opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit bij indeling van grond en baggerspecie in een kwaliteitsklasse.
In ons beheergebied komen van nature gehalten tot de voormalige interventiewaarde van 920 mg/kg droge stof voor. Barium wordt standaard meegenomen in de analyse van de grond of baggerspecie en kan ook een antropogene verontreiniging zijn. Het gehalte barium boven de voormalige interventiewaarde kan duiden op een sterke antropogene verontreiniging. Hergebruik van grond met een sterke verontreiniging wordt hiermee uitgesloten. Lood: In gebieden met de functie wonen geldt voor lood een maximale waarde van 90 mg/kg droge stof (standaard bodem) en voor volkstuinen (loodgevoelige locatie) een maximale waarde van 50 mg/kg droge stof (standaard bodem). Deze ten opzichte van het landelijke beleid (Regeling bodemkwaliteit) strengere waarden vloeien voort uit het provinciale handelingskader voor lood (2020) dat is opgesteld naar aanleiding van advies van het RIVM (2015 en 2017) en de GGD (2016). De waarden sluiten gezondheidsrisico's uit en bij deze waarden is de bodem duurzaam geschikt voor de beoogde bodemfunctie. Asbest: Op asbestgevoelige locaties geldt voor asbest een maximale waarde van 10 mg/kg droge stof (gewogen gehalte). Dit verkleint de kans op het aantreffen van asbesthoudend materiaal in opgebrachte grond.
Asbestgevoelige locaties zijn openbare kinderspeelplaatsen, achtertuinen bij woningen, volkstuinen, tuinen en verhardingen die horen bij een school en openbare plantsoenen in woonwijken. Lid 2
12/38
In dit artikel wordt in lid 2 aangegeven welke kwaliteitseisen soepeler zijn in dit beheergebied dan de landelijke eisen (artikel 4.1272 uit het Besluit activiteiten leefomgeving). Met het versoepelen van de kwaliteitseisen zorgen we ervoor dat meer grond en baggerspecie kan worden hergebruikt, zonder dat de risico’s voor de gezondheid of de bodemkwaliteit toenemen. Dit geldt voor het toepassen van grond of baggerspecie op landbodem afkomstig uit ons beheergebied. Grond die van elders komt dient aan de landelijke eisen te voldoen. Nikkel: Voor toepassen van grond of baggerspecie in een gebied met gebruiksfunctie landbouw/natuur en wonen geldt een maximaal gehalte nikkel van 56 mg/kg droge stof (standaard bodem). In ons beheergebied komen gehalten voor tot 56 mg/kg droge stof. Dit is de P95 (95ste percentiel) van ons beheergebied. Deze waarden leiden niet tot gezondheidsrisico's. Reikwijdte De kwaliteitseisen ten aanzien van pH, barium, chloride, lood en asbest gelden voor alle grond of baggerspecie die in het beheergebied wordt toegepast. De soepele kwaliteitseisen ten aanzien van nikkel geldt voor grond die vrijkomt en wordt toegepast binnen het beheergebied.
Artikel 11.10 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen van baggerspecie
Toelichting Bij verspreiden van baggerspecie in het beheergebied mag de bagger niet zilt of zout zijn. Van zilte of zoute grond is sprake bij een chloridegehalte van 200 mg/kg of hoger. Deze norm is ontleend aan de eisen die gesteld worden aan ontzilt zeezand. Het verspreiden van zilte of zoute bagger in zoetwatersystemen is niet wenselijk, omdat dit negatief effect heeft op de flora en fauna. Omdat bagger ook van nature (door kwel) zilt of zout kan zijn, wordt wel toegestaan dat de bagger nabij de locatie van vrijkomen op de kant wordt gezet of op locaties wordt verspreid waar tevens sprake is van nature zilte/zoute omstandigheden. Op deze manier wordt invulling gegeven aan de zorgplicht.
Artikel 11.12 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie voor wegbermen buiten bebouwde kom Toelichting
Uitleg artikel De kwaliteit van wegbermen is de laatste decennia beter geworden, vanwege schonere voertuigen, kwaliteit van het wegdek en wegonderhoud. Wegbermen vormen een steeds belangrijker groenvoorziening en bron voor biodiversiteit. Dat blijkt o.a. uit beleid van de provincie Zuid-Holland en een veranderend groenbeheer in gemeenten. Er zijn aantoonbaar negatieve effecten van enkele zware metalen en bestrijdingsmiddelen op planten, insecten en bodemfauna. Deze hopen zich op in de voedselketen. Wegbermen betreffen 'Groen met natuurwaarden' met 'gemiddelde generieke bescherming'. Dit komt overeen met de bodemkwaliteitsklasse "wonen". Om het milieu te beschermen is in dit artikel opgenomen dat alleen grond van de kwaliteitsklasse wonen of schoner (landbouw/natuur) mag worden toegepast in wegbermen. Reikwijdte Het betreft het toepassen van grond en baggerspecie vanuit de regio en van buiten de regio in wegbermen.
Artikel 11.13 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie voor bedrijventerreinen Toelichting
De grond die op een industrie- of bedrijventerrein van groter dan 2 hectare mag worden toegepast mag van de kwaliteit industrie (en schoner) zijn. Met deze regel wordt niet gekeken naar de bestaande bodemkwaliteit, maar alleen naar de gebruiksfunctie van de locatie. Dit is een verruiming van de mogelijkheden voor hergebruik van de grond, zonder dat hierdoor risico’s voor de gezondheid of de bodemkwaliteit ontstaan (lid 1). Dit beleid is overgenomen uit de bodembeheernota van 2010. In lid 2 zijn uitzonderingen aangegeven. Dit betreft het Circulair Bedrijvenpark Ambachtsezoom. In afdeling 29.1 is de aanwijzing van eventuele andere locaties gedelegeerd aan het college. Dit zijn locaties waar de gemeente andere ambities ten aanzien van de bodemkwaliteit heeft. Reikwijdte Dit betreft alleen grond uit het beheergebied die wordt toegepast in het beheergebied op een industrie- of bedrijventerreinen, met uitzondering van terreinen waar de gemeente andere ambities heeft ten aanzien van de bodemkwaliteit.
Artikel 11.14 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie PFAS Toelichtin g
Uitleg artikel
In de regio Zuid-Holland Zuid komt een omvangrijke diffuse bodemverontreiniging met PFOA voor met concentraties die aanzienlijk hoger zijn dan de landelijke achtergrondwaarde. Om hergebruik mogelijk te maken zijn lokale normen nodig. We willen grond en baggerspecie zo veel mogelijk hergebruiken, omdat dan storten van grond en winning van nieuwe grondstoffen (primair materiaal) minder nodig is. Dit is een invulling van het rijksbeleid voor duurzaam bodembeheer (Besluit bodemkwaliteit en Handelingskader PFAS 2021).
13/38
Ten behoeve van het lokale hergebruiksbeleid is een zone A en B gedefinieerd. In zone A worden over het algemeen gehalten PFAS (P95) verwacht die liggen onder de landelijke achtergrondwaarden. Daarom gelden hier geen afwijkende kwaliteitseisen. In zone B komen gehalten voor die hoger zijn dan de landelijke achtergrondwaarden voor PFOA en in mindere mate ook PFOS. Zie figuur 1. Figuur 1: PFAS zonekaart Zuid-Holland Zuid
- - - - . - - - - Grondwaterbeschermingsgebieden (inclusief strategische reserve)
In onderdeel a van dit artikel staat aangegeven dat de grond voor de andere stoffen dan PFOA en PFOS aan de kwaliteitseisen moet voldoen. In onderdeel b staat dat het gaat om grond afkomstig uit zone B en toegepast wordt in zone B van de PFAS-zonekaart. Voor de gebruiksfunctie landbouw/natuur en voor moestuinen en volkstuinen zijn afwijkende (soepelere) eisen gesteld voor de stof PFOA en PFOS. Voor de gebruiksfunctie wonen en industrie zijn de landelijke normen wat ruimer. De grond die nu aangeboden wordt in die gebieden voldoet in de meeste gevallen aan de landelijke norm, een regionale norm is hier niet nodig. In grondwaterbeschermingsgebieden gelden ook eisen vanuit de Zuid-Hollandse omgevingsverordening. Op dit moment voldoen de eisen ook aan de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. In onderdeel c van dit artikel staan de lokale normen voor PFOA en PFOS voor de gebruiksfuncties landbouw/natuur en voor moestuinen en volkstuinen. De normen zijn een balans tussen de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu én ruimte voor maatschappelijke ontwikkelingen. Gezondheidsrisico's zijn hierbij uitgesloten. Dit resulteert samengevat in het volgende overzicht van lokale en landelijke normen (weergegeven in µg/kg in plaats van in het artikel in mg/kg) voor hergebruik van PFAShoudende grond: Tabel 1: Toepassen grond/baggerspecie Zone A – conform landelijk beleid
14/38
Tabel 2: Toepassen grond/baggerspecie Zone B – lokaal beleid
Kanttekening De kwaliteitseisen in dit artikel bieden voor grond uit zone B onvoldoende hergebruiksruimte. Dit is niet met een algemeen geldend artikel op te lossen. Met maatwerk kan wel ruimte worden geboden waar dit verantwoord is. In zone B kan daarom, onder voorwaarden, ruimte worden geboden voor maatwerk voor grond met hogere hergebruiksnormen. Per locatie kan hiervoor een maatwerkvoorschrift worden aangevraagd. Het beleid is verder uitgewerkt in het beleidsstuk “hergebruik PFAS houdende grond en bagger Zuid-Holland Zuid”. Deze staat op de website van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. Reikwijdte De in dit artikel opgenomen Lokale Maximale Waarden gelden alleen voor grond en baggerspecie afkomstig uit de regio Zuid-Holland Zuid, die wordt toegepast in zone B. Het betreft niet het verspreiden van baggerspecie (en weilanddepots voor baggerspecie). Voor de overige PFAS zijn geen Lokale Maximale Waarden opgesteld, maar is het landelijke beleid geldig. Ter plaatse van puntbronnen (bijvoorbeeld plaatsen waar met blusschuim is gewerkt) kunnen sterk verhoogde gehalten aan PFAS voorkomen in de bodem. Dit artikel geldt alleen voor grond met verhoogde gehalten als gevolg van de regionale diffuse verontreiniging met PFOA. Ook bij perceelsmatching zijn verhoogde gehalten als gevolg van puntbronnen in zowel de toe te passen grond als de ontvangende bodem uitgesloten van de toets.
Puntbronnen vallen onder andere regelgeving, zoals het overgangsrecht van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet. Artikel 11.15 Maatwerkregel milieukwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie Toelichting
Uitleg artikel In het eerste lid van dit artikel wordt aangegeven dat een milieuverklaring voor bodemkwaliteit niet enkel mag bestaan uit een verklaring op grond van de de bodemkwaliteitskaart, maar dat de kwaliteit tevens tenminste moet zijn bevestigd met een verkennend bodemonderzoek. Een milieuverklaring voor de bodemkwaliteit kan bestaan uit een verkennend bodemonderzoek in combinatie met een verklaring op basis van de bodemkwaliteitskaart. Deze kan niet bestaan uit enkel een verklaring op basis van de bodemkwaliteitskaart. In het tweede lid staat aangegeven dat dit alleen kan als sprake is van een onverdachte locatie en dat het verkennend bodemonderzoek moet voldoen aan de NEN5725 en NEN5740. Indien uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de bodemkwaliteit slechter is dan wat de bodemkwaliteitskaart aangeeft, dient een kwaliteitsbewijs voor de bodemkwaliteit te bestaan uit een verklaring op grond van een partijkeuring. Ook als de locatie verdacht is, dient een kwaliteitsbewijs voor de bodemkwaliteit te bestaan uit een verklaring op grond van een partijkeuring. Reikwijdte Door dit artikel wordt het niet toegestaan om enkel op grond van de bodemkwaliteitskaart grondverzet te plegen. De grond moet tenminste zijn onderzocht met een verkennend bodemonderzoek.
De bodemkwaliteitskaart is gebaseerd op een gemiddelde bodemkwaliteit, dit betekent dat de kwaliteit van een vrijkomende partij grond slechter kan zijn dan de kaart aangeeft. Daarom is specifiek bodemonderzoek naar de te verplaatsen partij grond nodig. In de praktijk is grond die vrijkomt meestal al onderzocht en vindt grondverzet plaats op basis van een partijkeuring of een representatief verkennend bodemonderzoek in combinatie met de bodemkwaliteitskaart.
Artikel 11.16 Maatwerkregel informatieplicht toepassen grond of baggerspecie
15/38
Toelichting
Uitleg artikel Als onderdeel van de informatieplicht bij de milieubelastende activiteit toepassing van grond of baggerspecie staat in lid 1 dat bij het toepassen van grond of baggerspecie van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur tevens een milieuverklaring bodemkwaliteit moet worden verstrekt. In artikel 4.1267, tweede lid, onder c van het Besluit activiteiten leefomgeving staat dat dit niet hoeft. Maar met dit artikel wordt de uitzondering buiten werking gesteld en moet dit dus wel. Zonder dit rapport kan het bevoegd gezag haar VTH-taken niet uitvoeren. In lid 2 van dit artikel wordt aangegeven dat het verkennend bodemonderzoek uit het vorige artikel ook als onderdeel van de informatieplicht bij de milieubelastende activiteit toepassen van grond of baggerspecie moet worden verstrekt. Verder staat in het tweede lid dat naast een milieuverklaring bodemkwaliteit ook de hieraan ten grondslag liggende rapporten moeten worden ingediend bij het bevoegd gezag. Zonder deze rapporten kan het bevoegd gezag haar VTHtaken niet uitvoeren. In het derde lid wordt aangegeven welke gegevens ook als onderdeel van de informatieplicht bij de milieubelastende activiteit toepassen van grond of baggerspecie moeten worden verstrekt.
De gevraagde gegevens hier betreffen enkele vragen over de milieubelastende activiteit, zoals het percentage bodemvreemd materiaal en of de grond van een saneringslocatie komt. Deze gegevens zijn wel bekend, alleen bij ontvangst van de melding niet digitaal toegankelijk. Het gaat dus om gegevens die bij de aanvrager bekend zijn. De gegevens zijn bedoeld om de risico's van een toepassing inzichtelijk te maken. Dit stelt het bevoegd gezag in staat tot een risico gestuurde uitvoering van de VTH-taken. Reikwijdte Dit artikel heeft betrekking op de gegevens en bescheiden die voor het begin van een activiteit moeten worden verstrekt. In aanvulling op de gegevens en bescheiden van artikel 4.1267 van het Besluit activiteiten leefomgeving moeten ook de hierboven vermelde gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover deze van toepassing zijn en moeten ook gegevens en bescheiden worden verstrekt ten aanzien van de risico's van de activiteit.
Artikel 11.17 Toepassingsbereik toepassen van bouwstoffen Toelichting
Uitleg artikel Dit artikel geeft aan waar deze paragraaf over gaat.
Artikel 11.18 Oogmerken toepassen van bouwstoffen
Toelichting: Zie de toelichting bij artikel 11.1 [OOGMERKEN BODEM].
Artikel 11.19 Verbod toepassen van AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken Toelichting
Uitleg artikel Dit artikel voorziet in een verbod op het toepassen van zogenaamde aandachtsbouwstoffen, ook wel thermisch of chemisch bewerkte bouwstoffen (stabilisatie/ immobilisatie, AVI-bodemassen en metaalslakken). Dit zijn de bouwstoffen die op dit moment in opspraak zijn en bij onzorgvuldige toepassing milieuschade veroorzaken. Er is gekozen voor een algemeen verbod, omdat een melding of binnenplanse vergunningplicht alsnog onvoldoende reguleert. Reikwijdte en werking Het verbod is van toepassing op het toepassen van aandachtsbouwstoffen (stabilisatie/ immobilisatie, AVI-bodemassen en metaalslakken) en niet op andere bouwstoffen (zoals (bouw)puin, natuursteen, metselmortel, asfalt(beton), et cetera. Het is mogelijk om middels een buitenplanse omgevingsvergunning voor afwijking op het omgevingsplan (Bopa) af te wijken van dit verbod. Hierbij is voldoende mogelijkheid tot regulatie en bestuurlijke afweging of en hoe medewerking wordt verleend. Bij vergunningverlening moet de aanvrager rekening houden met het volgende: Maatregelen ter voorkoming van milieuschade: a. de bouwstof wordt boven de grondwaterstand toegepast; b. de bouwstof ligt onder gesloten verharding; c. het werk dient binnen 1 jaar na toepassing te zijn afgerond; en d. de bouwstoffen worden minimaal toegepast over een oppervlakte van minimaal 1000 m2. En de volgende, te verstrekken, informatie: a.
de aanduiding van de functionele toepassing, bedoeld in artikel 4.1260, in het kader waarvan de AVIbodemassen, stabilisatie, immobilisatie en/of metaalslakken worden toegepast, en een onderbouwing van de functionaliteit van de toepassing. Onder ander met behulp van stabiliteitsberekening; b. de dimensionering van de functionele toepassing in het kader waarvan de AVI-bodemassen, stabilisatie, immobilisatie en/of metaalslakken worden toegepast; c. de verwachte datum van het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.1257; d. de verwachte datum waarop het werk zal zijn voltooid; e. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen AVI-bodemassen, stabilisatie, immobilisatie en/of metaalslakken; f. als deze grond van het Besluit bodemkwaliteit bij de afgifte van een milieuverklaring bodemkwaliteit moet worden verstrekt: een afleverbon; g. de herkomst van de AVI-bodemassen, stabilisatie, immobilisatie en/of metaalslakken;
16/38
h. i. j. k. l. m. n. o. p. q. r. s. t.
de kwaliteit van de AVI-bodemassen, stabilisatie, immobilisatie en/of metaalslakken; de hoeveelheid AVI-bodemassen, stabilisatie, immobilisatie en/of metaalslakken in kubieke meters die in totaal in het werk zal worden toegepast; de hoeveelheid bindmiddelen die in totaal voor de immobilisatie / stabilisatie van de bodem zal worden toegepast; de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld; planning van de werkzaamheden waaruit blijkt dat het werk waarin de grond wordt toepast binnen 1 jaar na toepassing wordt afgerond; indien de milieuhygiënische verklaring een productcertificaat is, dan zijn waarborging van de eisen van de productcertificaat verwerkt; de kritische aspecten zoals grondwater en oppervlaktewater in de nabijheid, zetting PH-buffercapaciteit, kwetsbare objecten en ecologie zijn beschreven/verwerkt; schriftelijke instemming met de uiteindelijke eigenaar; de toepassingshoogte ten opzichte van de grondwaterstand; de verwachte zetting voor de komende 100 jaar; tekeningen van de toepassingslocatie en dwarsdoorsnedes van de toepassing; een schriftelijke onderbouwing hoe overlast voor de omgeving (in de vorm van stofvorming en wateropvang als dit vrijkomt uit het materiaal) wordt voorkomen; en een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de toevoeging van de bindmiddelen aan de bodem de