Artikel 40-vragen RvO CDA Sportbedrijf en verdelingsvraagstukken.pdf
Tekst van het document
Ingekomen op 9 februari 2021
Dordrecht, 8 februari 2021 Vragen ex artikel 40 Reglement van Orde Betreft: Het sportbedrijf en verdelingsvraagstukken
Aan het College van Burgemeester en Wethouders van Dordrecht. Geacht College,
Het college is in 2018 bij de start van deze periode gestart met in de hand het coalitieakkoord gesloten door BVD, VVD Dordrecht, CDA Dordrecht en Christenunie-SGP Dordrecht. Waarin onder meer het volgende staat (voorwoord, pagina 3). “Er ligt voor onze wethouders een stevige klus. De Dordtenaren mogen van ons als raadsleden verwachten dat we het college steunen in de opdrachten die we hen meegeven en ook dat wij er als volksvertegenwoordigers scherp op toezien dat we koers houden in de uitvoering van het politiek akkoord.” Daarnaast wordt er gesproken over de manier van samenwerken waarvoor gegaan wordt. “Samenspraak en samenwerking zijn essentieel om de grote én kleine opgaven waar we in onze stad voor staan te laten slagen.” Verderop in het coalitie akkoord wordt gesproken over het nadrukkelijk betrekken van de verenigingen bij besluitvorming die hen aangaat. Juist over deze samenspraak, samenwerking en besluitvorming leggen wij u de volgende artikel 40 vragen voor: 1. Als CDA fractie krijgen wij signalen over de ontevredenheid die er is over het sportbedrijf. Herkent het college deze signalen? Zo ja, welke signalen krijgt het college precies? 2. Is het college op de hoogte van de signalen dat er meer verenigingen niet meer willen praten met het sportbedrijf o.a. vanwege de door hen gehanteerde omgangsvormen? 3.
Kent het college het conflict dat DVO gehad heeft met het sportbedrijf over een forse rekening voor het kortdurend gebruik van een al betaald (maar op dat moment niet in gebruik) sportveld van Oranje-Wit? Wat vind u ervan dat daar een rekening voor is gestuurd? 4. Het CDA Dordrecht vind dat verenigingen in gelijke gevallen gelijk behandeld dienen te worden en wij begrijpen in het geval van DVO dat zij zich achtergesteld voelen als het gaat om gemeentelijke steun. Het achtergesteld voelen komt in onze gesprekken met verenigingen vaker terug. Hoe kijkt het college naar de (eigen) uitgangspunten voor de behandeling van verenigingen? 5. Op basis waarvan besluit het college subsidies te verstrekken? Welk kader en/of beleid wordt gehanteerd, en hoe zien wij het gelijkheidsbeginsel ‘gelijke monniken, gelijke kappen’ hierin terug? 6. Houdt het college bij de verstrekking van subsidie aan verenigingen rekening met de kosten die een individuele sporter draagt binnen een vereniging? 7. Kan het college voor het verkrijgen van inzicht een overzicht geven van de verstrekte subsidie per sport met daaraan gekoppeld de hoeveelheid sporters die de sport vertegenwoordigd? De CDA fractie ziet uit naar de beantwoording van deze vragen.
Hartelijke groet, Jan van Dam Timmers Commissielid CDA Dordrecht.