APV VUILE INTEGRALE VERSIE TBV 19e WIJZ 1201.pdf
Tekst van het document
Algemene plaatselijke verordening Dordrecht De RAAD van de gemeente Dordrecht;
gezien het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders van 9 november 2010, Nr. SBC/ 2010/471548;
gelet op artikel 149 Gemeentewet;
besluit:
vast te stellen de: Algemene plaatselijke verordening Dordrecht
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen Tenzij anders aangegeven wordt in deze verordening verstaan dan wel mede verstaan onder:
a. openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan;
b.weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
c.openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn.
d.bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
e.rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
f.bouwwerk: bouwwerk, als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening gemeente Dordrecht;
g.gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder c van de Woningwet;
h.handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen
i.het college: het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht; j. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 1:2 Beslissingstermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
2.Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen.
Artikel 1:3 [Gereserveerd]
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1.Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen na te komen.
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van de vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
Artikel 1:6 Intrekking, wijziging of schorsing van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken, gewijzigd of geschorst, indien: a.ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; b.op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking, wijziging of schorsing noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
c.de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
d.van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een termijn een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;
e.de houder dit verzoekt.
Artikel 1:7 Termijnen De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1.De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:
a.de openbare orde
b.de openbare veiligheid
c.de volksgezondheid
d.de bescherming van het milieu
2.Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
3.Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen vergunningen of ontheffingen, kan de in het vorige lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste tien weken.
Hoofdstuk 2 Openbare orde en veiligheid Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden
1.Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, zich onnodig op te dringen, te vechten, of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
2.Degene die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval, waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis, waardoor er ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
3.Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.
5.Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet openbare manifestaties.
Afdeling 2 Betoging Artikel 2:2 [Gereserveerd]
Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing op openbare plaatsen 1.Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging, een vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing als bedoeld in de Wet openbare manifestaties te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging, de vergadering of samenkomst wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
2.De kennisgeving bevat:
a.naam en adres van degene die de betoging houdt;
b.het doel van de betoging, de vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing;
c.de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
d.de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;
e.voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;
f.maatregelen die degene die de betoging, de vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing houdt zal treffen om een regelmatig verloop daarvan te bevorderen.
3.Hij die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving, alsmede de eventueel door de burgemeester gestelde voorschriften zijn vermeld.
4.Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag.
5.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid, genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.
Artikel 2:4 [Gereserveerd]
Artikel 2:5 [Gereserveerd]
Afdeling 3 Verspreiding van gedrukte stukken Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken, producten of afbeeldingen 1.Het is verboden geschreven of gedrukte stukken, producten dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op door het college aangewezen openbare plaatsen.
2.Het college kan de werking van het in het eerste lid gestelde verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van de in het eerste lid bedoelde geschreven of gedrukte stukken, producten of afbeeldingen.
Afdeling 4 Vertoningen e.d. op openbare plaatsen Artikel 2:7 [Gereserveerd]
Artikel 2:8 [Gereserveerd]
Artikel 2:9 Straatartiest e.d. 1.Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatmuzikant, straatfotograaf, tekenaar, filmoperator of gids op te treden op of aan door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen.
2.De burgemeester kan de werking van het in het eerste lid gestelde verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
3.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
4.Paragraaf 4.1.3.3. Awb is van toepassing op de ontheffing als genoemd in lid 3.
Afdeling 5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel 2:10 [Gereserveerd]
Artikel 2:10 A Vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op, onder, in, boven of aan een openbare plaats of openbaar water in strijd met de publieke functie van de openbare plaats of openbaar water 1.Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het college een openbare plaats of openbaar water anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
2.Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:
a.indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats;
b.indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
c.in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaken;
3.Paragraaf 4.1.3.3 Awb is niet van toepassing op de vergunning als genoemd in lid 1 om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde, openbare veiligheid, verkeersvrijheid.
Artikel 2:10 B Afbakeningsbepalingen en uitzonderingen 1.Het verbod in het eerste lid van artikel 2:10 A geldt niet:
a.voor zover gehandeld wordt met een andere vergunning dan een vergunning als bedoeld in het vorige lid of een ontheffing van het college of van de burgemeester, dan wel voor zover daarvan – overeenkomstig enig wettelijk voorschrift - melding of kennisgeving is gedaan en wordt gehandeld overeenkomstig de naar aanleiding van de melding gestelde voorschriften;
b.voor het uitsteken van vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, mits zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;
c.voor zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits:
I.
geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt en
II. geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt;
III.
geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt;
d.voor voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de openbare plaats gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de openbare plaats verwijderd zijn en de openbare plaats daarvan gereinigd is;
e.voor voertuigen;
f.voor voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet worden geopenbaard;
g.voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Leidingenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening Dordrecht.
h.voor uitstallingen, mits voldaan wordt aan de voor uitstallingen geldende nadere regels.
2.De weigeringsgrond van het tweede lid, onder a van het vorige artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.
3.De weigeringsgrond van het tweede lid, onder b van het vorige artikel geldt niet voor bouwwerken;
4.De weigeringsgrond van het tweede lid, onder c van het vorige artikel geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Artikel 2:10 C [Gereserveerd]
Artikel 2:10 D Vrij te stellen categorieën
Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het verbod in het eerste lid van artikel 2:10 A niet geldt.
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2.De vergunning wordt verleend
a.als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien het activiteiten betreft die zonder vergunning verboden zijn vanwege strijd met bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;
b.door het college in de overige gevallen.
3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak.
4.Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Leidingenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening Dordrecht.
5.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:12 (Omgevings)vergunning voor het maken, veranderen van een uitweg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of veranderingen te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van:
a.de bruikbaarheid van de weg;
b.het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
c.de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
d.de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.
3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement Zuid-Holland.
Artikel 2:12A Nadere regels Het college is bevoegd tot het stellen van nadere regels ten aanzien van het bepaalde in de artikelen 2:10 A, 2:10 B, 2:10 D, 2:11 en 2:12.
Afdeling 6 Veiligheid op de weg Artikel 2:13 [Gereserveerd]
Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1.De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op een openbare plaats achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen.
2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
3.Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als bedoeld in het eerste lid of, indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van dat winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of het weggedeelte, grenzende aan dat bedrijf of dat winkelcomplex en tevens een aan die weg of dat weggedeelte aansluitende parkeerplaats.
4.Het is verboden een winkelwagentje onbeheerd achter te laten anders dan op een daartoe door het betreffende bedrijf aangewezen plaats.
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke Het is aan degene, die daartoe niet bevoegd is, verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting, die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2:17 [Gereserveerd]
Artikel 2:18 Rookverbod in parken, bossen en natuurgebieden 1.Het is verboden te roken in parken, bossen en natuurgebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door het college aangewezen periode.
2.Het is verboden in parken, bossen en natuurgebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
3.Het in het eerste en in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien in artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.
4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte, erven.
Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp 1.Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.
2.Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.
3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
F2:25 [Gereserveerd]
Artikel 2:21 Aanbrenging, verwijdering e.d. van voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een bord of andere voorziening ten behoeve van het openbaar verkeer, de openbare verlichting of de openbare brandbestrijding aan te brengen, te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren.
2.Het in het eerste lid bepaalde blijft buiten toepassing voor zover het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Artikel 2:21 A Gedoogplicht vloedschotten, aanduidingen en dergelijke 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college aanwijsplaten voor brandkranen, vloedschotten en voorzieningen en aansluitingen voor het plaatsen van vloedschotten, straatnaamborden, daarbij behorende onderschriften daaronder begrepen, huisnummers en wijkaanduidingen of andere voorwerpen ten behoeve van o.a. het openbaar verkeer, de openbare verlichting, de gas-, water of elektriciteitsleiding of enig ander openbaar belang worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2.Het college geeft te voren schriftelijk kennis aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid van hun voornemen over te gaan tot het treffen van voorzieningen als in dat lid bedoeld.
Artikel 2:21 B Verwijdering vloedschotten en aanduidingen 1.Het is verboden vloedschotten, en enige aanduiding of voorziening als bedoeld in artikel 2:21 A eerste lid, te verwijderen , wijzigen, beschadigen, verplaatsen of onleesbaar te maken.
2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor de rechthebbende op een bouwwerk die met in achtneming van het door het college vastgestelde huisnummer de aanduiding hiervan in afwijkende vorm wenst aan te leggen.Het college kan ter zake nadere regels bepalen.
Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn
1.Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.
2.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
3.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:23 [Gereserveerd]
Afdeling 7 Evenementen Artikel 2:24 Begripsbepalingen 1.In deze paragraaf wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
a.bioscoopvoorstellingen;
b.markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;
c.kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d.het in een inrichting in de zin van de Drank en HorecawetAlcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
e.betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
f.activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 van deze verordening.
2.Onder evenement wordt mede verstaan:
a.een herdenkingsplechtigheid, niet zijnde een begrafenis of een crematie;
b.een braderie;
c.een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op een openbare plaats;
d.een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op een openbare plaats.
Artikel 2:25 Evenement 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
2.Voor het organiseren van een evenement is geen vergunning vereist, indien
a.het aantal aanwezigen op enig moment niet meer bedraagt dan 250 personen;
b.er geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur en na 23.00 uur;
c.het evenement geen belemmering vormt voor een goede doorstroming van het verkeer en/of de hulpdiensten en geen parkeeroverlast veroorzaakt;
d.er, met uitzondering van één grote partytent en/of kinderspeeltoestel (zoals een springkussen), slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m2 per object;
e.er een organisator is die geldt als aanspreekpunt voor toezichthouders en personeel van hulpdiensten;
f.de organisator uiterlijk 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester;
g.er geen ander evenement in de nabijheid plaatsvindt;
h.het evenement niet geheel of gedeeltelijk plaatsvindt op een zondag voor 13.00 uur;
i.de organisator tijdens het evenement een ontvangstbevestiging van het feit dat hij een melding heeft gedaan kan tonen.
3.De burgemeester kan binnen 7 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het tweede lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
4.Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op evenementen in het Dordtse gedeelte van de Biesbosch, aangeduid als rechtsgebied in artikel 1 van de Biesboschverordening Dordrecht.
5.Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.
6.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde.
Artikel 2:25 A Betaald-voetbalwedstrijden 1.Een organisator van een betaald-voetbalwedstrijd is verplicht tenminste vier weken voor de vastgestelde speeldag van een voetbalwedstrijd, daarvan schriftelijke kennisgeving te doen aan de burgemeester.
2.Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving, alsmede de eventueel door de burgemeester gestelde voorschriften zijn vermeld.
3.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het de betaald-voetbalorganisatie FC Dordrecht of haar rechtsopvolger verboden om zonder vergunning een voetbalwedstrijd te organiseren waarbij het eerste elftal van die betaaldvoetbalorganisatie als thuisspelende ploeg is betrokken, tenzij er sprake is van wedstrijden buiten enig competitieverband tegen een amateurvoetbalorganisatie.
4.De betaald-voetbalorganisatie FC Dordrecht of haar rechtsopvolger is verplicht ten minste vier weken voor de aanvang van het voetbalseizoen een vergunning bij de burgemeester aan te vragen.
5.De burgemeester verleent de vergunning als genoemd in lid 3, voor één voetbalseizoen, dat loopt van 1 juli van enig jaar tot 30 juni van het daarop volgende jaar.
6.In aanvulling op het bepaalde in de artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester de vergunning weigeren, wijzigen of intrekken indien hij van oordeel is dat een of meer afspraken, zoals overeengekomen in het tussen FC Dordrecht, Gemeente Dordrecht, Politie Zuid-Holland-Zuid en Openbaar Ministerie arrondissement Dordrecht gesloten “Convenant Betaald Voetbal”, niet worden of kunnen worden nagekomen.
7.De burgemeester kan het doen spelen van een voetbalwedstrijd verbieden of de wedstrijd beëindigen:
a. uit vrees voor het ontstaan van ernstige verstoring van de openbare orde of veiligheid;
b. indien de aan de vergunning verbonden of naar aanleiding van de kennisgeving opgelegde voorschriften niet worden nageleefd;
c. indien geen of niet tijdig schriftelijke kennisgeving is gedaan als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2:26 Ordeverstoring 1.Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2.Het is verboden enig gereedschap, voorwerp of middel te vervoeren of bij zich te hebben met de kennelijke bedoeling daarmee bij een evenement de orde te verstoren. 32.Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen. 4.In afwijking van het bepaalde in artikel 2:24, tweede lid, onder a, wordt voor de toepassing van dit artikel onder evenement mede verstaan een begrafenis of crematie.
Artikel 2:26 A Nadere regels Het college is bevoegd nadere regels te stellen omtrent evenementen.
Afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:27 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder:
1.inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, niet zijnde een seksinrichting als bedoeld in artikel 3:1, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet dranken, rookwaren of spijzen voor gebruik ter plaatse worden verstrekt. Onder een inrichting wordt in ieder geval verstaan: een restaurant, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, kantine of clubhuis. Onder inrichting wordt tevens verstaan een hierbij behorend terras en andere aanhorigheden, tenzij deze expliciet zijn uitgezonderd.
2.terras: een buiten de besloten ruimte liggend deel van de inrichting waar bedrijfsmatig of anders dan om niet dranken of spijzen voor gebruik ter plaatse kunnen worden verstrekt.
3.barvrijwilliger: de natuurlijke persoon, als bedoeld in artikel 1 eerste lid van de Drank- en HorecawetAlcoholwet.
4.exploitant: de natuurlijke perso(o)n(en) of rechtspersoon voor wiens rekening en risico de inrichting wordt gedreven.
5.leidinggevende:
1°. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een inrichting;
2°. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft in een inrichting.
6.paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon, als bedoeld in artikel 1 eerste lid AlcoholwetDrank- en Horecawet.
7.handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:28 Exploitatievergunning inrichting 1.Het is verboden een inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
2.Het eerste lid geldt niet voor een inrichting, waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de AlcoholwetDrank- en Horecawet is verleend en een inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de exploitatie van deze inrichting ondergeschikt is aan de winkelactiviteit.
3.Voorts geldt het eerste lid niet voor bedrijfskantines en inrichtingen in zorginstellingen, musea, scholen, ziekenhuizen, sportverenigings-, muziekverenigings- en kerkgebouwen, voor zover aan de exploitatie van die inrichtingen geen zelfstandige betekenis toekomt en deze gericht is op de bezoekers/gebruikers van de instelling, sport-, muziekvereniging of kerk waar de inrichting onderdeel van uitmaakt.
4.Indien het verbod, als genoemd in lid 1, op grond van lid 2 of 3 van dit artikel, niet voor een exploitant geldt, is de burgemeester bevoegd om maatwerkvoorschriften te stellen bij het exploiteren van zijn inrichting. Deze strekken slechts tot bescherming van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu.
5.De in de leden 2 en 3 genoemde vrijstelling van de vergunningplicht geldt niet voor de terrassen van:
a.de in lid 2 bedoelde inrichtingen;
b.de in lid 3 bedoelde bedrijfskantines en inrichtingen.
6.Paragraaf 4.1.3.3. Awb is niet van toepassing op de vergunning als genoemd in lid 1 om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde.
Artikel 2:28 A Inhoud exploitatievergunning en aanhangsel vergunning 1.De burgemeester vermeldt in een vergunning:
a.de exploitant;
b.tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt;
c.de plaats waar de inrichting zich bevindt;
d.de situering en de oppervlakte van de inrichting;
e.de voorschriften of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden.
2.De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de leidinggevenden.
3.De vergunning en het daarvan onderdeel uitmakende aanhangsel, of afschriften daarvan, en in voorkomende gevallen een afschrift van de aanvraag, bedoeld in artikel 2:28 B, eerste lid, en de ontvangstbevestiging, bedoeld in artikel 2:28 B, derde lid, of een afschrift daarvan, zijn in de inrichting aanwezig.
Artikel 2:28 B Wijziging aanhangsel exploitatievergunning 1.Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens om een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven;
2.Deze melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel.
3.De burgemeester bevestigt onverwijld schriftelijk of elektronisch de ontvangst van de aanvraag.
4.De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel indien de persoon bedoeld in het eerste lid, niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 2:31 A gestelde eisen.
Artikel 2:28 C Nadere regels en voorschriften 1.De burgemeester kan:
a.bepalen dat het exploiteren van bepaalde categorieën van inrichtingen, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, geheel of gedeeltelijk van de vergunningplicht is vrijgesteld;
b.voor een bepaalde categorie inrichtingen of een bepaald gebied grenzen stellen aan de te hanteren sluitingstijden.
2.Het college kan:
a.nadere regels stellen aan de onder lid 1 sub a genoemde vrijstelling;
b.nadere regels ter zake van de in deze paragraaf bedoelde vergunning vaststellen.
Artikel 2:28 D Weigeringsgronden
1.In aanvulling op het bepaalde van artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning indien
a.de vestiging of exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan;
b.niet voldaan is aan de ingevolge deze afdeling voor de exploitant en leidinggevenden geldende eisen.
2.In aanvulling op artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
3.Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met
a.het karakter van de straat en de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal zijn gelegen;
b.de aard van de inrichting;
c.de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie en
d.de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant en/of leidinggevenden in deze of in andere inrichtingen,
e.alsmede hun antecedenten
4.Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op exploitatievergunningen die louter betrekking hebben op de exploitatie van een terras.
Artikel 2:28 E Beëindiging exploitatie 1.De vergunning vervalt zodra de exploitant de exploitatie van de inrichting heeft beëindigd.
2.Uiterlijk binnen een week na de beëindiging van de exploitatie door de exploitant geeft deze daarvan schriftelijk kennis aan de burgemeester.
Artikel 2:28 F Intrekkings-, wijzigings- en schorsingsgronden In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning intrekken, wijzigen of schorsen indien:
a.de exploitant en/of leidinggevenden de bepalingen in deze afdeling overtreden;
b.aannemelijk is dat de exploitant en/of leidinggevenden betrokken zijn, of hun ernstige nalatigheid kan worden verweten, bij activiteiten in of vanuit de inrichting die een gevaar opleveren voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging vormen voor het woonof leefklimaat in de omgeving van de inrichting;
c.de exploitant en/of leidinggevenden toestaan of gedogen dat in de inrichting strafbare feiten worden gepleegd;
d.de exploitant en/of leidinggevenden zich schuldig maken aan discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of welke grond dan ook;
e.zich in of vanuit de inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het (ongewijzigd) geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting.
f.een vergunninghouder in een periode van twee jaar ten minste drie maal op grond van artikel 2:28 B, eerste lid om bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel ten minste driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 2:28 B, vierde lid.
Artikel 2:28 G Vrijstelling inrichtingen 1.De burgemeester verleent op verzoek vrijstelling van het bepaalde in artikel 2:28 A, tweede lid, artikel 2:28 B en artikel 2:31 A, tweede lid, van de APV aan de exploitant van een inrichting, indien zich in de 36 maanden voorafgaand aan de dag waarop het verzoek om vrijstelling is ontvangen, geen incidenten gepaard gaande met geweld, geluidsoverlast, overlast op straat of drugsgebruik en handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting.
2.De vrijstelling kan ingetrokken worden wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2:29 Sluitingstijd 1.Het is de exploitant verboden de inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven: op maandag tot en met vrijdag tussen 00.00 uur en 06.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur.
2.Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing tijdens de nacht van 31 december op 1 januari en gedurende carnaval vanaf de nacht van vrijdag op zaterdag tot en met de nacht van maandag op dinsdag.
3.In afwijking van het in het eerste en tweede lid bepaalde, gelden voor een inrichting als bedoeld in artikel 2:28, tweede lid, dezelfde sluitingstijden als voor de winkel waarin de inrichting zich bevindt.
4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid bepaalde:
a.voor de exploitatie van een individuele inrichting gelegen in het gebied dat wordt begrensd door de Oude Maas, de Kalkhaven, de Spuihaven, de Riedijkshaven en de Beneden Merwede en waarvoor de exploitant beschikt over een door de politie goedgekeurd veiligheidsplan;
b.voor de exploitatie van een multi-uitgaanscentrum of mega-discotheek buiten het gebied aangeduid onder a en waarvoor de exploitant beschikt over een door de politie goedgekeurd veiligheidsplan;
c.voor de exploitatie van een individuele inrichting die onderdeel uitmaakt van multiuitgaanscentrum of mega-discotheek buiten het gebied aangeduid onder a en waarvoor de exploitant van de individuele inrichting beschikt over een door de politie goedgekeurd veiligheidsplan;
d.tot uiterlijk 03.00 uur voor de exploitatie van een individuele inrichting gelegen buiten het gebied dat wordt begrensd door de Oude Maas, de Kalkhaven, de Spuihaven, de Riedijkshaven en de Beneden Merwede – zelf niet zijnde een inrichting als bedoeld onder b en c - en waarvoor de exploitant beschikt over een door de politie goedgekeurd veiligheidsplan;
e.voor een individuele inrichting ten behoeve van een incidentele festiviteit, met een maximum van vijf ontheffingen per jaar, met dien verstande dat een dergelijke ontheffing geen betrekking heeft op een terras en andere aanhorigheden.
5.Een ontheffing als bedoeld in het vorige lid vervalt van rechtswege zodra de op de inrichting betrekking hebbende exploitatievergunning, als bedoeld in artikel 2:28 lid 1
a. door de burgemeester wordt ingetrokken of
b. van rechtswege vervalt, als bedoeld in artikel 2:28 E lid 1.
6.De burgemeester verleent geen ontheffing voor een exploitatie van een inrichting als bedoeld in het vierde lid sub a, b, c en d indien er sprake is van de exploitatie van club- en/of buurthuis, kantine van een sportvereniging of een andere eet- of drinkgelegenheid, welke onderdeel vormt van een paracommerciële rechtspersoon.
7.Het bepaalde in artikel 2:28 D, leden 1, 2 en 3 en het bepaalde in artikel 2:28 F is van overeenkomstige toepassing op een ontheffing.
8.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer inrichtingen en/of daartoe horende terrassen andere dan de krachtens lid 1 en 2 geldende sluitingstijden vaststellen.
9.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.
10.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de ontheffing om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde.
Artikel 2:30 Tijdelijke sluiting 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer inrichtingen tijdelijke sluiting bevelen. Deze bevoegdheid komt hem in elk geval toe indien:
a. sprake is van een van de in artikel 2:28 F genoemde situaties waarin intrekking of wijziging van de vergunning mogelijk is;
b. een door de burgemeester gesteld maatwerkvoorschrift, als bedoeld in artikel 2:28 lid 4, niet in acht is genomen.
2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.
Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten inrichting 1.Het is bezoekers verboden zich in een inrichting te bevinden gedurende de tijd dat het bedrijf krachtens artikel 2:29 of ingevolge een op grond van artikel 2:30 genomen besluit gesloten dient te zijn.
2.Het is de exploitant en leidinggevenden verboden bezoekers tot de inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven gedurende de tijd dat het bedrijf krachtens artikel 2:29 of ingevolge een op grond van artikel 2:30 genomen besluit gesloten dient te zijn.
Artikel 2:31 A Eisen aan exploitant en leidinggevenden 1.De exploitant en leidinggevenden voldoen aan de volgende eisen:
a. zij hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt;
b. zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
c. zij staan niet onder curatele en zijn evenmin uit het ouderlijk gezag of de voogdij ontzet.
2.Het is verboden een inrichting voor het publiek geopend te houden indien in de inrichting niet aanwezig is:
-een op de vergunning vermelde leidinggevende, of - indien de inrichting wordt geëxploiteerd door een paracommerciële rechtspersoon - een barvrijwilliger;
-een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 2:28 A, eerste lid, is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist.
3.Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op exploitatievergunningen die louter betrekking hebben op de exploitatie van een terras.
Artikel 2:32 Handel in horecabedrijven De exploitant van een inrichting laat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Artikel 2:33 Ordeverstoring Het is verboden in een inrichting de orde te verstoren.
Artikel 2:34 [Gereserveerd]
Artikel 2:34 A Terrassen 1.Indien een aanvraag om een exploitatievergunning mede of uitsluitend betrekking heeft op een bij de inrichting behorend terras, kan de burgemeester aan de ingebruikname van het terras voorschriften verbinden, onder andere ten aanzien van:
a.de inrichting, situering en het gebruik van het terras;
b.gedragsregels die op het terras in acht moeten worden genomen;
c.de aanwezigheid en inrichting van tappunten op het terras;
d.de brandveiligheid.
2.Onverminderd het bepaalde in artikel 2:28 D kan de burgemeester de ingebruikname van het terras weigeren:
a.als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;
b.als dat gebruik een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer, gebruik en onderhoud van de weg;
c.als dat gebruik afbreuk doet aan een publieke functie van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.
3.Alle voorzieningen ten behoeve van het terras moeten semi-permanent zijn. Als voor het uitvoeren van openbare werken of om enigerlei andere reden verwijdering van het terras noodzakelijk is, zijn de exploitant en de leidinggevenden verplicht dit terstond of binnen de door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn, op eigen kosten te verwijderen.
4.Het is verboden op of in de omgeving van een terras dranken en/of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken buiten dat deel van de weg waarvan het gebruik ingevolge het bepaalde in het eerste en tweede lid is toegestaan.
5.Buiten de openingstijden van het terras zoals bepaald in artikel 2:29 lid 1 en bedoeld in lid 6, dient al het meubilair van het terras verwijderd te zijn, dan wel op zodanige wijze onderling met elkaar verbonden dat het niet te verplaatsen is.
6.Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het stellen van nadere regels ten aanzien van het bepaalde in dit artikel.
Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 [Gereserveerd]
Artikel 2:36 [Gereserveerd]
Artikel 2:37 [Gereserveerd]
Artikel 2:38 [Gereserveerd]
Afdeling 10 Speelautomatenhallen en kansspelautomaten komt als volgt te luiden:
Afdeling 10 Speelautomatenhallen en kansspelautomaten
Paragraaf 1 Algemene bepalingen Artikel 2:39 A — Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a.
Wet: de Wet op de kansspelen;
b.
speelautomatenhal: een inrichting als bedoeld in artikel 30c lid 1 onder b van de Wet;
c. exploitant: de natuurlijke pers(o)on(en) of rechtspersoon voor wiens rekening en risico een speelautomatenhal wordt gedreven (beheerder als genoemd in artikel 4 van het Speelautomatenbesluit 2000); d.
aanwezigheidsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 30b van de Wet;
e. exploitatievergunning: vergunning als bedoeld in artikel 2:39D, eerste lid van deze verordening; f.
leidinggevende: de natuurlijke persoon:
-
die algemene leiding geeft aan een speelautomatenhal;
die onmiddellijk leiding geeft in een speelautomatenhal (beheerder als genoemd in artikel 4 van het Speelautomatenbesluit 2000); g.
speelautomaat: een automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van de Wet;
h.
behendigheidsautomaat: een speelautomaat als bedoeld in artikel 30, onder b, van de Wet;
i.
kansspelautomaat: een speelautomaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet;
j. meerspeler: speelautomaat met één spelgenerator, waarop meerdere mensen tegelijk kunnen spelen; k. spelersplaatsen: het aantal plaatsen dat per kansspelautomaat of voor de hal als geheel voor spelers beschikbaar is. Dat aantal varieert, afhankelijk van het soort automaat; l. gekoppeld jackpotsysteem: een voorziening als omschreven in artikel 1 onder d van het Speelautomatenbesluit 2000; m.
hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet.
Paragraaf 2 Bepalingen over de aanwezigheidsvergunning Artikel 2:39 B Aanwezigheidsvergunning, als bedoeld in artikel 30b van de Wet 1.
De aanwezigheidsvergunning kan uitsluitend op naam van de exploitant worden gesteld.
2.
In de aanwezigheidsvergunning wordt het adres van de speelautomatenhal vermeld.
3. De aanwezigheidsvergunning wordt uitsluitend verleend ten behoeve van de plaatsing van speelautomaten die in eigendom toebehoren aan personen die in het bezit zijn van een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 30h van de Wet en die voorzien zijn van een merkteken als bedoeld in artikel 30r van de Wet. 4.
De geldigheidsduur van de vergunning bedraagt vijftien jaar.
Artikel 2:39 C Aanvraag aanwezigheidsvergunning Voor het verkrijgen van een aanwezigheidsvergunning, als bedoeld in artikel 30b van de Wet, wordt een aanvraag ingediend bij de burgemeester door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld aanvraagformulier.
Paragraaf 3 De exploitatievergunning voor een speelautomatenhal Artikel 2:39 D Vergunningplicht voor exploitatie speelautomatenhallen 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal te exploiteren of te doen exploiteren. 2.
De burgemeester kan vergunning verlenen voor maximaal vier speelautomatenhallen.
3.
De geldigheidsduur van de vergunning bedraagt vijftien jaar.
Artikel 2:39 E Aanvraag exploitatievergunning 1. Voor het verkrijgen van een exploitatievergunning wordt een aanvraag ingediend bij de burgemeester door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld aanvraagformulier. 2. In het geval dat een exploitatievergunning beschikbaar komt, kondigt de burgemeester door middel van een openbare bekendmaking de mogelijkheid aan om binnen een bepaald tijdvak een aanvraag in te dienen. 3. De aanvragen dienen te zijn voorzien van alle gegevens en bescheiden die vereist zijn voor de beoordeling daarvan. 4. Gedurende de looptijd van de vergunning kan de exploitant éénmalig een verzoek doen om de speelautomatenhal op een andere locatie te mogen exploiteren en hierop de vergunning te wijzigen. Op dit verzoek zijn alle artikelen uit deze verordening van toepassing, behoudens het tweede lid van dit artikel.
Artikel 2:39 F Beslistermijn op aanvraag exploitatievergunning speelautomatenhal 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid van deze verordening beslist de burgemeester binnen twaalf weken na de datum waarop hij de aanvraag met de in artikel 2:39 E, derde lid bedoelde bescheiden heeft ontvangen. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, tweede lid van deze verordening kan de burgemeester de beslissing eenmaal voor ten hoogste twaalf weken verdagen.
Artikel 2:39 G Weigeringsgronden exploitatievergunning speelautomatenhal Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 van deze verordening, wordt een exploitatievergunning geweigerd, indien:
a.
het maximum aantal af te geven vergunningen voor speelautomatenhallen is bereikt;
b. de exploitant en/of leidinggevende(n), dan wel degene(n) die de rechtspersoon krachtens de statuten vertegenwoordig(t)(en), niet minstens de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt; c. de exploitant en/of leidinggevende(n) van de speelautomatenhal niet voldoet/voldoen aan de eisen gesteld in artikel 4 van het Speelautomatenbesluit; d. de exploitant en/of leidinggevende(n) niet voldoet aan hetgeen is gesteld bij of krachtens Titel VA van de Wet; e. naar het oordeel van de burgemeester door de aanwezigheid van de speelautomatenhal de woon- en leefsituatie in de naaste omgeving of het karakter van de winkelstraat of winkelbuurt onevenredig nadelig wordt beïnvloed; f.
de feitelijke situatie afwijkt van hetgeen in de aanvraag is vermeld;
g. de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan zonder dat concreet zicht bestaat op de vereiste planologische toestemming voor het ter plaatse vestigen van een speelautomatenhal.
Artikel 2:39 H Intrekkings-, wijzigings- en schorsingsgronden exploitatievergunning speelautomatenhal 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 van deze verordening kan een exploitatievergunning worden ingetrokken, gewijzigd of geschorst, indien: a. de exploitant of leidinggevende niet voldoet aan hetgeen is gesteld bij of krachtens Titel VA van de Wet; b. naar het oordeel van de burgemeester door de aanwezigheid en/of het functioneren van de speelautomatenhal de woon- en leefsituatie in de naaste omgeving of het karakter van de winkelstraat of winkelbuurt onevenredig nadelig wordt beïnvloed; c. indien de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal strijd oplevert met het geldende bestemmingsplan of naar het oordeel van de burgemeester voldoende aannemelijk is dat die strijdigheid niet zal worden opgeheven, behoudens de in Titel VA van de Wet genoemde gronden; d. meer dan zes maanden achtereen na het onherroepelijk worden van de exploitatievergunning geen speelautomatenhal in het pand is geëxploiteerd. 2.
Het bepaalde in artikel 2:28 F van deze verordening is van overeenkomstige toepassing.
3. Lid 1 onder c van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de aanwezigheidsvergunning.
Artikel 2:39 I Verval- en beëindigingsgronden exploitatievergunning speelautomatenhal 1.
De exploitatievergunning vervalt, indien:
a.
de vergunninghouder de hoedanigheid van exploitant heeft verloren;
b.
de exploitant de exploitatie van de vergunde speelautomatenhal heeft beëindigd.
2. Voor het beëindigen van de speelautomatenhal als bedoeld in het vorige lid onder b geeft de exploitant uiterlijk binnen een week na de beëindiging van de exploitatie daarvan schriftelijk kennis aan de burgemeester. 3. Indien een exploitant komt te overlijden, dan wel, indien de exploitant een rechtspersoon is, wordt ontbonden, komt de vergunning uiterlijk twaalf weken na het overlijden te vervallen. 4. Zolang op een tijdig ingediende aanvraag niet is beslist, is voortzetting van de exploitatie toegestaan, met inachtneming van de voorschriften en beperkingen, verbonden aan de van rechtswege vervallen vergunning.
Artikel 2:39 J Aanhangsel exploitatievergunning speelautomatenhal 1. De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de exploitatievergunning de leidinggevende(n). 2. De exploitatievergunning en het daarvan onderdeel uitmakende aanhangsel, of afschriften daarvan, en in voorkomende gevallen een afschrift van de melding en de ontvangstbevestiging, bedoeld in het vierde en vijfde lid, zijn in de speelautomatenhal aanwezig. 3. Een exploitant meldt aan de burgemeester zijn wens om een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven. 4. De melding, als bedoeld in het derde lid van dit artikel, geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel. 5.
De burgemeester bevestigt onverwijld de ontvangst van de aanvraag.
6. De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel indien de persoon bedoeld in het eerste lid, niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 2:39G en artikel 3:5 van deze verordening gestelde eisen.
Artikel 2:39 K Inrichtingseisen speelautomatenhal Een speelautomatenhal waar zowel kansspelautomaten als behendigheidsautomaten worden opgesteld, moet zodanig zijn ingedeeld dat de kansspelautomaten in een afgescheiden ruimte zijn geplaatst. Het gedeelte van de hal waar behendigheidsautomaten zijn opgesteld, moet zodanig zijn gesitueerd dat bezoekers van de hal dat gedeelte kunnen binnengaan en verlaten, zonder het gedeelte waar de kansspelautomaten zijn opgesteld te moeten betreden.
Artikel 2:39 L Productdifferentiatie bij een speelautomatenhal 1. Het maximaal aantal spelersplaatsen is 200 waarbij rekening gehouden dient te worden met de zgn. ideale mix. 2. Per 100 m2 vloeroppervlakte van de speelautomatenhal mag één gekoppeld jackpotsysteem worden geplaatst. De prijs die door dit systeem wordt toegekend mag niet meer bedragen dan € 2.500,--.
3. Indien toepassing van tweede lid van dit artikel wordt gevraagd, dient daarbij door de exploitant van de speelautomatenhal te worden aangegeven op welke wijze door of namens hem toezicht op het gebruik van deze speelautomaten wordt gehouden.
Artikel 2:39 M Toezicht in de speelautomatenhal Het is verboden een speelautomatenhal voor het publiek geopend te hebben zonder dat: a. een op het aanhangsel, als bedoeld in artikel 2:39 J van deze verordening, vermelde leidinggevende aanwezig is; b.
de toegangscontrole op de leeftijd van de bezoekers afdoende is geregeld.
Artikel 2:40 [Gereserveerd]
Paragraaf 4 Maximum aantal kansspelautomaten Artikel 2:40 A Maximum aantal kansspelautomaten 1. Per speelautomatenhal kan een aanwezigheidsvergunning, als bedoeld in artikel 30b lid 1 van de Wet worden verleend voor maximaal 100 kansspelautomaten. 2.
In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan.
3. De vergunning, als bedoeld in artikel 30b lid 1 van de Wet, wordt verleend voor de duur van vijftien jaar.
Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1.Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning of lokaal, dan wel een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
3.De in het eerste en tweede lid bedoelde verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.
4.De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.
Artikel 2:41 A Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen 1.De burgemeester kan, indien de openbare orde dit naar zijn oordeel vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw, niet zijnde een inrichting als bedoeld in artikel 2:27 en artikel 3:1, of een bij dat gebouw behorend erf.
2.De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van zijn bevel op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaand gebouw of het bij dat gebouw beherende erf.
3.Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft zolang de sluiting van kracht is.
4.Het is de rechthebbende op en de beheerder van het gebouw of waarvoor een bevel als bedoeld in het eerste lid geldt, verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is.
5.Het is verboden een gebouw of erf waarvoor een bevel als bedoeld in het eerste lid geldt, als bezoeker te betreden of daarin als bezoeker te verblijven.
6.Een sluiting voor onbepaalde tijd kan op aanvraag van een belanghebbende door de burgemeester worden opgeheven, wanneer naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
Artikel 2:41 B Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1.In dit artikel wordt verstaan onder:
a.exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
b.beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;
c.bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
2.De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.
3.Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:
a.in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of
b.indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.
4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:
a.in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
b.indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
c.de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
d.indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
e.indien niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;
f.indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
g.indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer.
5.De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:
a.de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;
b.het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
c.het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;
d.indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;
e.een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;
f.een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.
6.Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.
7.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien:
a.door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of
b.door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of
c.de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of
d.de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of
e.de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of
f.er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of
g.er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of
h.de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd danwel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of