APV VUILE INTEGRALE VERSIE TBV 19e WIJZ 1201.pdf
Tekst van het document
5.De vergunning, als genoemd in het eerste lid, vervalt van rechtswege indien - daags na afloop van de termijn als genoemd in het vorige lid - er geen van gebruik is gemaakt.
6.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 4:12 [Gereserveerd]
Artikel 4.12 A Bestrijding iepziekte 1.Indien iepen naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor de verspreiding van iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkever, kan het college de eigenaar/zakelijk gerechtigde van de desbetreffende boom of degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, verplichten binnen een door hen te stellen termijn die iepen te kappen, ontbasten en de schors te vernietigen danwel de niet ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de ziekte wordt voorkomen.
2.Het is verboden gekapte iepen of delen daarvan zonder ontheffing van het college voorhanden te hebben of te vervoeren, tenzij dit hout geheel ontbast is of de doorsnee kleiner is dan 4 cm.
Artikel 4.12 B Afstand tot erfgrens 1.De afstand tot de erfgrens als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek, wordt voor een boom vastgelegd op 0,5 meter gerekend vanaf het midden van de voet van de stam.
2.De afstand tot heggen en heesters blijft conform artikel 5:42 BW van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 4.12 C Een boomstructuurplan De gemeenteraad stelt een boomstructuurplan vast. In dit plan legt de raad vast welke boomstructuren in het openbaar gebied van de gemeente dienen te zijn.
Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen, enz. 1.Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen om - in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid - buiten een inrichting in de zin van de Wet Milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:
a.onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;
b.bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of
c.mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen
2.Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof:op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.
3.Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen.
4.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke ordening of de Provinciale Verordening.
Artikel 4:14 Verbod hinderlijke, gevaarlijke of ontsierende handelsreclame zonder omgevingsvergunning 1.Het is verboden zonder voorafgaande omgevingsvergunning van het college op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken, te voeren of te wijzigen met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een openbare plaats.
2.In aanvulling op artikel 1:8 kan het college een omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid weigeren:
a.indien de handelsreclame hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan de criteria voor reclame, zoals neergelegd in de Welstandsnota van de gemeente;
b.indien de handelsreclame hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan het reclamebeleid van de gemeente zoals neergelegd in de Reclamenota;
c.in het belang van de verkeersveiligheid;
d.indien de handelsreclame op of aan de onroerende zaak geen directe functionele relatie heeft met de handelsactiviteit die in of vanuit de betreffende onroerende zaak wordt uitgeoefend. Dat houdt in dat alleen de naam van het bedrijf en/of het daar geproduceerde en/of verkochte hoofdproduct mag worden getoond en niet de naam van toeleveranciers of onderdelen van dat hoofdproduct.
3.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hogere regelgeving.
4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de volgende gevallen:
a.Onverlichte opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf een openbare plaats.
b.Overlichte opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en waarvan de langste zijde korter dan 1 meter is, die betrekking hebben op een openbare verkoping of een aanbieding ten verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben en voor zover zij geplaatst zijn in, op, bij, aan de onroerende zaak en zich niet op een openbare plaats bevinden.
c.Onverlichte opschriften en aankondigingen betrekking hebbend op het beroep, de dienst, of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd, zo mede op naamborden, met dien verstande dat de opschriften, aankondigingen of naamborden tezamen niet groter dan 1,0 m2 zijn en geen grotere afmeting hebben dan 1,50 meter en niet op een openbare plaats zijn aangebracht op, aan of bij de onroerende zaak.
d.Onverlichte opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden op de bouwplaats, kleiner dan 6,0 m2 en waarvan de langste zijde korter is dan 3,0 m, bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben en zich niet op een openbare plaats bevinden.
e.Reclame in het openbaar gebied, welke de gemeente via een overeenkomst of concessie vergunt.
f.Het college kan een vrijstelling verlenen voor nader te duiden categorieën verlichte reclame.
5.Het verbod in het eerste lid geldt eveneens niet voor:
a.opschriften en aankondigingen van tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits:
I.van het aanbrengen ervan tevoren een schriftelijke kennisgeving is gedaan aan het college;
II.het college niet binnen twee weken na ontvangst van die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken;
III.deze opschriften of aankondigingen niet langer dan negen weken in, op bij of aan de onroerende aanwezig zijn;
IV.deze opschriften en aankondigingen onverlicht zijn en de afmetingen niet groter zijn dan 0,5 m2 zijn met een afmeting in één richting van maximaal 1,00 meter.
6.Het college is bevoegd tot het stellen van nadere regels ten aanzien van het bepaalde in dit artikel en kan delen van de stad vrijstellen van deze regels.
Artikel 4:15 [Gereserveerd]
Artikel 4:16 [Gereserveerd]
Afdeling 5 Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 4:17 Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen, een voertuig of een aanhangwagen waarvoor geen omgevingsvergunning in de zin van artikel 40 van de Woningwet is
vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
Artikel 4:18 recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd.
2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.
3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.
4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:
a. de bescherming van natuur en landschap;
b. de bescherming van een stadsgezicht.
5.Paragraaf 4.1.3.3. Awb is niet van toepassing op de ontheffing als genoemd in lid 3 om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de bescherming van het milieu en het stedelijk milieu.
Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen 1.Het verbod van 4:18, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
2.Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4:18, vierde lid.
Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Afdeling 1 Parkeerexcessen Artikel 5:1 Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder:
a.voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1 onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals, kruiwagens, kinderwagens, en rolstoelen.parkeren:
b.parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990).
Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 1.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:
a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;
b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.
2.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:
a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;
b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.
3.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te slopen, te herstellen, te verhuren of te verhandelen, verboden:
a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;
b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
4.Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.
Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen
1.Het is verboden op een openbare plaats langer dan zeven dagen achtereen een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.
2.Het college kan van het eerste lid bedoelde verbod ontheffing verlenen.
3.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:4 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereen volgende dagen op de weg te parkeren.
Artikel 5:5 Voertuigwrakken 1.Het is verboden een voertuig, dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert, op een openbare plaats te parkeren.
2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.d. 1.Het is verboden een voertuig dat voor de recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt langer dan op drie achtereenvolgende dagen, binnen de bebouwde kom, op de weg te plaatsen en te hebben.
2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening.
4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen
1.Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijke doel daarmee handelsreclame te maken.
2.Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.
3.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing
Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een weg binnen de bebouwde kom.
2.Het college kan een weg aanwijzen waar het verbod als genoemd in lid 1 niet geldt.
3.Het in het eerste lid vermelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.
4.Het verbod in het eerste lid is voorts niet van toepassing voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien in artikel 5:6.
5.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:9 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
2.Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
Artikel 5:10 [Gereserveerd]
Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of op een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.
2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing:
a. op de weg;
b. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid;
c. op voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.
3.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets 1.Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen, brommobielen, snor- of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.
2.Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen, brommobielen, snor- of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.
Afdeling 1 A Commercieel aanbieden deelvoertuigen Artikel 5:12 A Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. Deelvoertuig: een publiek toegankelijk voertuig, niet zijnde een auto, dat voor een korte duur (tijd) en tegen betaling in een netwerk wordt aangeboden door een commerciële aanbieder. b. Deelvoertuigstation: de haltevoorziening of het dockingstation voor de deelvoertuigen inclusief aanverwante infrastructuur, de plaatsen voor de deelvoertuigen en exclusief het bord dat het deelvoertuigstation aanduidt. c. Voertuig: hetgeen hieronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1900 en de Wegenwet of indien deze regelgeving geen uitsluitsel geeft, hetgeen daaronder verstaan wordt in het dagelijks gebruik. d. Voertuigcategorie: een indeling naar zelfde soort deelvoertuigen. e. Voertuigenplafond: het maximum aantal deelvoertuigen van een bepaalde voertuigcategorie waarvoor vergunning(en) wordt verleend. f. Vergunningenplafond: het maximum aantal vergunningen dat wordt verleend voor een voertuigcategorie.
Artikel 5:12 B Vergunningplicht deelvoertuigen 1. Het is verboden zonder vergunning van het college deelvoertuigen op een openbare plaats ter gebruik aan derden aan te bieden tegen betaling of anderszins met commerciële doeleinden. 2. Een vergunning, als bedoeld in het eerste lid, wordt voor maximaal 2 jaar verleend. 3. Het college wijst voertuigcategorieën aan waarvoor een vergunning als bedoeld in het eerste lid verleend kan worden. 4. Het college kan bij het gebruik van de bevoegdheid, als bedoeld in het vorige lid, voor een voertuigcategorie een vergunningenplafond en/of een voertuigenplafond vaststellen. 5. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor de concessiehouder die in Dordrecht op grond van de Wet Personenvervoer 2000 openbaar vervoer met een bus aanbiedt.
Artikel 5:12 C Deelvoertuigstations Het college kan plekken voor het plaatsen van deelvoertuigstations aanwijzen.
Artikel 5:12 D Weigerings – en intrekkingsgronden 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, wordt een vergunning geweigerd, indien: a. het door het college vastgesteld vergunningenplafond of voertuigenplafond door het verlenen van een vergunning wordt overschreden; b. de aanvrager onderdeel uitmaakt van hetzelfde concern waarvan een onderneming die reeds voor dezelfde voertuigcategorie een vergunning heeft, onderdeel uitmaakt. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 en 1:8 wordt de vergunning in ieder geval geweigerd cq. ingetrokken, indien de aanvrager c.q. de vergunninghouder niet voldoet aan het bepaalde in de nadere regels, als bedoeld in artikel 5:12 B lid 5.
Artikel 5:12 E Nadere regels Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van het bepaalde in deze afdeling.
Afdeling 2 Collecteren Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen
1.Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden
2.Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook geschreven of gedrukte stukken worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.
4.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Afdeling 3 Venten Artikel 5:14 Begripsbepaling 1.In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis;
2.Onder venten wordt niet verstaan:
a.het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;
b.het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5:22;
c.het te koop aanbieden verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.
Artikel 5:15 Ventverbod zonder vergunning 1.Het is verboden te venten zonder vergunning van het college.
2.Paragraaf 4.1.3.3. Awb is van toepassing op de vergunning als genoemd in lid 1.
Artikel 5:16 Venten met gedrukte of geschreven stukken 1.Het verbod als genoemd in artikel 5:15, eerste lid geldt niet voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.
Afdeling 4 Standplaatsen Artikel 5:17 Begripsbepaling 1.In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, aanprijzen, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een voertuig of een tafel, waarbij de aanbieder in afwachting van klanten op die plaats - al dan niet tijdelijk - stilstaat.
2.Onder standplaats wordt niet verstaan:
a.een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;
b.een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.
Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.
2.De aanvrager voegt in ieder geval de volgende zaken bij zijn aanvraag.
a.een geldig uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel
b.een geldige WA-verzekering voor ambulante handel
3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd:
a.gelet op de grootte of uiterlijk van de verkoopinrichting;
b.wegens strijd met een geldend bestemmingsplan.
c.indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;
d.indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.
Artikel 5:18 B Ontruiming standplaats 1.De vergunninghouder dient de standplaats volledig te hebben ontruimd binnen een uur nadat de verkoop dient te zijn beëindigd.
2.Voor standplaatsen voor de verkoop van oliebollen en kerstbomen, alsmede voor standplaatsen waarop zogenoemde ‘kiosken’ zijn geplaatst, kan het college, onder nader te stellen voorwaarden, van deze eis ontheffing verlenen.
Artikel 5:18 C Standplaatsen en maximum stelsel 1.Er zijn de volgende standplaatsen in Dordrecht:
a.Algemene standplaatsen
Algemene standplaatsen
Aantal algemene standplaatsen
Blaauwweg (eerste parkeerplaats vanaf Galileïlaan)
2
Dalmeyerplein
3
Damplein
3
J.P. Heijeplein
3
Nassauplein
3
Nolensweg (trottoir)
2
Eemsteynplein
1
Oldenbarneveltplein, Van
1
Rivierenplein
1
Stadspolder Winkelcentrum Pearl Buck-erf
3
Vogelplein
2
Totaal
24
b.Verkoopinrichting standplaatsen:
Verkoopinrichting standplaatsen
Aantal verkoopinrichting standplaatsen
Dubbeldamseweg (NS-terrein)
1 (snacks/frituur)
Groenekruislaan 79a
1 (snacks/frituur)
J. Marisstraat
1 (snacks/frituur)
Leeuwstraat 4a
1 (snacks/frituur)
Slangenburg 7a
1 (bloemen/planten)
Vogelplein
1 (snacks/frituur)
Volkerakplein
1 (snacks/frituur)
Totaal
7
c.Avondvierdaagse standplaatsen:
Avondvierdaagse standplaatsen
Aantal avondvierdaagse standplaatsen
Halmaheiraplein
3
Totaal
3
d.IJsverkoop/haring standplaatsen voor de volgende perioden:
-ijsverkoop: 1 maart tot en met 31 oktober;
-haring: juni tot 3 weken na vlaggetjesdag.
IJsverkoop/haring standplaatsen
Aantal ijsverkoop/haring standplaatsen
Achterom/hoek Bagijnhof
1
Kop van 't land (Provincialeweg/Zeedijk)
1
Wantijpark (ingang Baden Powellaan)
1
Totaal
3
e.Oliebollenstandplaatsen voor de periode van 15 oktober tot en met 31 januari van het daarop volgende jaar:
Oliebollen standplaatsen
Aantal oliebollen standplaatsen
Winkelcentrum Crabbehof
1(parkeervak)
Winkelcentrum Sterrenburg P.A. de Kokplein
1 (ingang parkeerdak Chinees restaurant)
Heijeplein
1 (op het pleintje tussen de parkeervakken)
Winkelcentrum Bieshof
1 (tegenover Chinees restaurant op het trottoir)
Merwedestraat
1(op het parkeerterrein bij Jumbo/Aldi)
Spuiboulevard
1 (ter hoogte van Rabobank)
Totaal
6
f.Kerstboomstandplaatsen voor de periode van 6 tot en met 24 december:
Kerstboom standplaatsen
Aantal kerstboom standplaatsen
Slangenburg
1
Van Eesterenplein (parkeerterrein)
1
Totaal
2
g.Sampling standplaatsen:
Sampling standplaatsen
Aantal sampling standplaatsen
Voorstraat 317/319
1
kruispunt Sisarijs- of Sarisgang/Vriesestraat (m.u.v. marktdagen)
1
Achterom (m.u.v. marktdagen);
1
kruispunt Vriesestraat/Lenghestraat
1
Totaal
4
2.Vergunningen voor algemene standplaatsen, als bedoeld in het eerste lid onder a, kunnen worden verstrekt voor een ochtenddeel (08.00–13.00 uur), een middagdeel (13.00–18.00 uur) of voor een hele dag.
3.Per week worden er voor de algemene standplaatsen, als genoemd in het eerste lid onder a, maximaal 10 dagdelen per branche vergund.
4.Een aanvrager van een sampling standplaatsvergunning kan:
-maximaal één vergunning per dag
-en niet meer dan tien vergunningen per kalenderjaar
aanvragen.
Artikel 5:18 D Tijdstippen inname standplaats en afwezigheid wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden 1.De vergunninghouder kan de strandplaats innemen van maandag tot en met zaterdag met uitzondering van de officiële feestdagen.
2.De vergunninghouder van een standplaats die wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden verhinderd is zijn standplaats in te nemen, deelt dit aan het college mee op de wijze zoals in de vergunning is opgenomen. Bij vakantie geeft de vergunninghouder aan hoe lang zijn afwezigheid duurt.
3.De schriftelijke mededeling wordt tijdig voor de desbetreffende marktdag gedaan. Plotselinge verhindering wordt mondeling of telefonisch aan de marktmeester gemeld, gevolgd door een schriftelijke bevestiging daarvan aan het college.
Artikel 5:18 E Vrijstelling en vervanging 1.In geval van ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden kan het college - op aanvraag van de vergunninghouder van een vaste standplaats - deze tijdelijk vrijstellen van zijn verplichtingen.
2.Het college kan - op aanvraag van de vergunninghouder van een vaste standplaats - deze toestemming verlenen zich op zijn standplaats tijdelijk te laten vervangen door een met name genoemde persoon.
Artikel 5:18 F Nadere regels Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde in deze afdeling.
Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.
Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 1.Het verbod van artikel 5:18, eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.
2.De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken.
Artikel 5:21 [Gereserveerd]
Afdeling 5 Snuffelmarkten Artikel 5:22 Begripsbepaling 1.In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats.
2.Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:
a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet.
Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren.
2.Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.
3.De burgemeester kan de vergunning weigeren wegens strijd met een geldend bestemmingsplan.
4.Het college kan nadere regels stellen omtrent het organiseren van snuffelmarkten.
5.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de vergunning als genoemd in het eerste lid.
Afdeling 6 Openbaar water Artikel 5:24 Voorwerpen in, op of boven openbaar water 1.Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.
2.Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.
3.De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.
4.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht , de Scheepvaartverkeerswet , het Binnenvaartpolitiereglement , de Wet beheer rijkswaterstaatswerken , de Provinciale vaarwegenverordening, de Havenverordening Dordrecht, de Telecommunicatiewet, of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.
Artikel 5:25 [Gereserveerd]
Artikel 5:26 [Gereserveerd]
Artikel 5:27 [Gereserveerd]
Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken 1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.
2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening Zuid-Holland.
Artikel 5:29 Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.
Artikel 5:30 Veiligheid op het water 1.Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.
2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening
Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen 1.Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.
2.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.
Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 5:32 Crossterreinen 1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z , en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van dezen terreinen:
a.in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;
b.in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;
c.in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.
3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren.
Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden 1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als
bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 , een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.
2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:
a.in het belang van het voorkomen van overlast;
b.in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;
c.in het belang van de veiligheid van het publiek.
3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:
a.ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;
b.die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;
c.die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;
d.van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;
e.voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.
4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:
a.op wegen;
b.binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening 'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.
5.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 8 Verbod vuur te stoken Artikel 5.34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
2.Het verbod geldt niet voor zover het betreft:
a. verlichting door middel van kaarsen en fakkels en dergelijke of
b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand en deze vuren op eigen terrein zonder openbaar karakter branden of
c. vuur voor koken, bakken en braden,
voor zover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.
3.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.
5.Het verbod geldt niet voor zover het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.
Afdeling 9 Verstrooiing van as Artikel 5:35 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.
Artikel 5:36 Verboden plaatsen 1.Incidentele asverstrooiing is verboden op:
a. verharde delen van de weg;
b. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.
2.Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.
3.Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.
4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:37 Hinder of overlast Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.
Afdeling 10 ROKEN Artikel 5:37 A Roken op openbare plaatsen 1. Het is verboden te roken op een openbare plaats die op minder dan 10 meter afstand is gelegen van:
a.
het terrein van een speeltuin of van een school;
b.
een door het college aangewezen overheidsgebouw.
2.
Dit verbod is niet van toepassing op gevallen waarin de Tabaks- en rookwarenwet voorziet.
Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen Artikel 6:1 Strafbepaling 1.Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
2.Van het bepaalde in het eerste lid wordt uitgezonderd de overtreding van het bepaalde in de artikelen 2:10 A eerste lid, 2:11, eerste lid onder a, 2:12 en 4:9 A eerste lid, 4:11 en 5:37 A.
3.Overtreding van het bepaalde in de artikelen 4:9 A eerste lid en 5:37 A wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie.
Artikel 6:2 Toezichthouders 1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de gemeentelijke buitengewoon opsporingsambtenaar en de politieambtenaren werkzaam voor de Nationale Politie, eenheid Rotterdam, bedoeld in artikel 141, onder b van het Wetboek van Strafvordering.
2.Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.
Artikel 6:3 Betreden van woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner.
Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening 1.De algemene plaatselijke verordening Dordrecht laatstelijk vastgesteld op 26 mei 2009 wordt ingetrokken.
2.Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die waarop zij is bekendgemaakt.
Artikel 6:5 Overgangsbepalingen 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 5:18 A, gelden besluiten, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, als besluiten genomen krachtens deze verordening.
2.Onverminderd het bepaalde in het vorige lid worden aanvragen om een vergunning als bedoeld in de artikelen 2:11 tweede lid onder a, 2:12 en 4:11 eerste lid, die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van artikel 2.2. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht worden afgehandeld volgens het recht zoals dat gold vóór het tijdstip waarop artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking is getreden.
Artikel 6:6 Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als "Algemene plaatselijke verordening Dordrecht”.
Ondertekening Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 21 december 2010.
De griffier,
De voorzitter