Antwoorden technische vragen GroenLinks voortgang RES en TVW.pdf
Tekst van het document
Vragen n.a.v. RES 1.0 en TVW Dordrecht
Darum: 4 juni 2021
Geacht college, Ter voorbereiding op het debat en de besluitvorming over de RES 1.0 en de TVW Dordrecht zou onze fractie graag antwoord krijgen op de volgende vragen. Besparing 1. In de periode tot 2030 wil de RES 20% minder energie gebruiken in de gebouwde omgeving realiseren. Waar is dit percentage op gebaseerd? Alleen al met waterzijdig inregelen is al 5-10% te realiseren (zie website Energieloket). Een hoger percentage lijkt dus goed mogelijk, zeker als je ook de niet-woningen meeneemt. De doelstelling van 20 % energiebesparing sluit aan op de Klimaat- en Energieverkenning 1 van PBL, en op de Energiesysteemstudie van Provincie Zuid-Holland 2. 2. welke concrete acties worden ondernomen m.b.t. kantoorpanden. Bedrijven worden in het kader van de informatieplicht/energiebesparingsplicht aangeschreven door de OZHZ. Dit is onderdeel van de aanpak e-agenda bedrijven. Verder zijn de kantoren in Dordrecht aangeschreven. Kantoren moeten in januari 2023 een C-label hebben. Nog voor de zomer worden de kantoren voor een 2e maal aangeschreven en bieden we via de OZHZ ondersteuning (rekentool/e-book). 3. wat is de overweging waarom voor de sectorbedrijven alleen naar het gebouwgebonden energiegebruik wordt gekeken en niet naar de energie voor de werkprocessen? Voor besparing bij gebouwgebonden energiegebruik gelden meer generieke maatregelen die ook beter te monitoren zijn.
Het energiegebruik in werkprocessen is erg bedrijfsspecifiek maar besparingen aldaar dragen natuurlijk ook bij aan de vermindering van het totale energiegebruik. Voor bedrijven met een jaarverbruik van meer dan 50.000 kWh aan elektra of meer dan 25.000 m3 aardgas is er een wettelijke energiebesparingsplicht. 4. financiering: hoe groot wordt het fonds voor wooneigenaren? hoe worden corporaties met financieringsproblemen geholpen? is er ondersteuning van bedrijven mogelijk? In Dordrecht realiseren we een fonds voor een verduurzamingslening gericht op huishoudens met een smalle beurs. De omvang bedraagt in aanvang 1 mln euro. Indien het voorstel duurzame stad voor de agenda 2030 wordt gehonoreerd zal er nog 1 mln extra voor zonnepanelen aan dit fonds worden toegevoegd. Daarnaast zijn er ook landelijke regelingen zoals het warmtefonds en 1 2
https://www.pbl.nl/publicaties/klimaat-en-energieverkenning-2020 https://systeemstudie-pzh.hub.arcgis.com/
reguliere verduurzamingsleningen vanuit de commerciële sector. Verder verwachten we dat er vanuit het Rijk met betrekking tot warmte nog wel regelingen zullen worden opgesteld. Voor corporaties geldt dat er diverse regelingen zijn waaronder recent de subsidieregeling aardgasvrije huurwoningen waarin verschillende Drechtstedelijke corporaties gezamenlijk 22mln aan subsidie hebben verkregen. Ook hier geldt dat met name het Rijk aan zet is om corporaties (financieel) te ondersteunen waar nodig. Ook voor bedrijven geldt dat er verschillende regelingen beschikbaar zijn, veelal ook provinciaal. Daarnaast is er recent een regionaal energieloket voor bedrijven geopend en ondersteunen we bedrijven met het realiseren van zonnepanelen door onze bekende rondes 'zon op bedrijfsdaken' waarbij scans en ondersteuning bij de aanvraag van subsidie wordt geboden. Ook zijn we als gemeente met de verschillende BIZ-en in gesprek over het opzetten van een gezamenlijke verduurzamingsagenda. Duurzame opwekking 5. in de RES worden randvoorwaarden en mogelijke locaties voor zon en wind aangegeven. In hoeverre en op welke wijze beschouwt de gemeente zichzelf ook als initiatiefnemer of aanjager om duurzame opwekking te realiseren? Wij zien onszelf als gemeente ook zeker als initiatiefnemer en aanjager, dit doen we reeds in samenwerking met HVC middels de Energiecoöperatie Dordrecht (ECD).
Zo zijn de zonneparken Crayestein en Amstelwijck gerealiseerd en wordt nog gewerkt aan de realisatie van de windmolen op de Krabbegors. Daarnaast is ligt het voorstel Duurzame Stad voor de agenda 2030 middelen ter besluitvorming voor. Zodra dit wordt gehonoreerd ontstaan er meer mogelijkheden op projecten voor duurzame opwek te initiëren of realiseren. 6. Hoeveel klachten zijn er de afgelopen jaren over de bestaande windmolens binnengekomen en wat was de aard van die klachten. We hebben een overzicht opgevraagd bij de OZHZ, zodra we dit binnen hebben zullen we dit nasturen. Warmte 7. Kan voor verschillende technische opties, in ieder geval voor het warmtenet met de huidige voeding, voor het warmtenet bij voeding met geothermie en voor warmtepompen worden aangegeven wat het verwachte elektriciteitsgebruik is. Bij alle alternatieven zal immers gepompt moeten worden. Hierbij zou in feite ook de energie die nodig is om de installaties (en bij het warmtenet ook de infrastructuur) te maken. We verwijzen hiervoor naar figuur 3 op pagina 33 van de bijlage bij de Transitievisie Warmte 2021. 8. Hoe realistisch en hoe zeker is de optie op voeding van het warmtenet met geothermie. Op welke termijn zou dat gerealiseerd kunnen worden? We verwijzen hiervoor naar tabel 11 op pagina 36 en tabel 12 op pagina 38 van de bijlage bij de Transitievisie Warmte 2021. 9.
Er zal in de toekomst meer behoefte aan verkoeling zijn. Het warmtenet biedt daar geen oplossing voor, warmtepompen wel. Tot welk additioneel elektriciteitsgebruik en tot welke extra kosten voor de gebruiker die op het warmtenet is aangesloten kan dat leiden? Indien er behoefte is aan koeling is een aanvullend systeem als een airconditioning nodig. De kosten zijn afhankelijk van het type (vast, mobiel), het aantal ruimtes waarvoor koeling wordt gevraagd en het vermogen. 10. Op p. 51 in de RES wordt gesproken over een samenhang tussen de temperatuur van de warmtebron en het isolatieniveau van de woning (geldt nemen we aan ook voor andere gebouwen). Betekent dat dat waar hoge-temperatuurwarmte beschikbaar is, minder aandacht aan isolatie en dus aan besparing wordt besteed? Waarom? In de Transitievisie Warmte 2021 is beschreven dat de eerste stap altijd isolatie is. Ongeacht welk alternatief voor die wijk of buurt de voorkeur heeft. De noodzakelijke isolatiegraad daarentegen
verschilt wel per alternatief. De warmtevraag voor ruimteverwarming van een woning wordt namelijk bepaald door de mate van isolatie, kierdichting en het ventilatiesysteem. Deze is sterk afhankelijk van het bouwjaar. De temperatuur die een woning nodig heeft om op de koudste dag van het jaar comfortabel warm te blijven hangt hier voor een groot deel mee samen. Hoe beter de isolatie, kierdichting en hoe efficiënter het ventilatiesysteem, hoe geschikter de woning is om met een lage temperatuur te kunnen verwarmen. We streven naar om zoveel mogelijk woningen op minimaal het basisniveau geïsoleerd te hebben. 11. Op p. 53 is onder het kopje ‘verduurzaming warmtenetten’ sprake van 50% duurzaamheid in 2030 oplopend tot 80% als geo- en aquathermie kunnen worden gebruikt. Dat lijkt te betekenen dat het warmtenet niet volledig duurzaam wordt. Kunt u aangeven wat op dit moment aan duurzame en wat aan niet-duurzame bronnen wordt gebruikt en op welke bron(nen) in de toekomst de nietduurzame component betrekking heeft? Het warmtenet in Dordrecht wordt gevoed door de restwarmte van de AVI van HVC aan de Baanhoekweg. Een woning aangesloten op het warmtenet heeft al 70% minder CO2-uitstoot voor warmte, in vergelijking met een woning verwarmd op gas.
Op termijn kunnen duurzame bronnen als aardwarmte (warmte uit de aarde, 2-3 km diep) en thermische energie uit oppervlaktewater (bijvoorbeeld de Dordtsche Kil, de Oude Maas en de Beneden Merwede) een belangrijke rol spelen bij het uitbreiden en verder verduurzamen van het warmtenet. De hoeveelheid beschikbare restwarmte is in Dordrecht echter veel groter dan de in potentie beschikbare warmte uit andere bronnen. 12. Aan een warmtenet zitten ook financiële risico’s, bijv. door een verminderde warmtevraag (wegens een warmer klimaat), wegvallen van bronnen, of technologische ontwikkelingen die andere verwarmingsopties mogelijk en goedkoper maken. Waar slaan die risico’s neer? Welke garanties zijn er voor hen die op het warmtenet worden aangesloten over de tarieven in de toekomst? Dit zijn vraagstukken die in de Warmtewet 2 geregeld zullen worden. Het warmtebedrijf wordt verantwoordelijk voor de verduurzaming en de leveringszekerheid van het warmtesysteem. Er gaan ook wettelijke normen gelden voor betaalbaarheid (tarieven). 13. Op dit moment is, begrijpen wij, aansluiting van (goed geïsoleerde) particuliere woningen financieel geen optie.
Is te verwachten dat dat verandert, of is het verstandiger ervan uit te gaan dat deze woningen (wellicht na een hybride fase) all-electric moeten worden verwarmd? In de Transitievisie Warmte 2021 is rekening gehouden met de bouwjaren van de woningen in Dordrecht. Dat bepaalt voor een groot deel de isolatiegraad. Op de perspectiefkaart is daarom goed te zien dat met name in de jongere wijken het keuzealternatief all-electric is. Voor VvE's kan aansluiting op het warmtenet al wel een goed alternatief zijn echter voor particuliere woningeigenaren, al dan niet goed geïsoleerd, is het financieel nog niet aantrekkelijk om aan te sluiten op het warmtenet. Hiervoor zal het Rijk met een goede financiële ondersteuning moeten komen. Tot die tijd zetten we in op een doelgroepenbenadering en dus niet op uitvoering op wijkniveau, waarbij we openstaan voor (bewoners)initiatieven. Met excuses voor de wellicht niet geheel heldere formulering of het mogelijk deels overbodige karakter van de vragen. Er was erg weinig tijd beschikbaar de stukken te bestuderen. In afwachting van uw antwoorden. Hartelijke groet, Frans-Bauke van der Meer fractie GroenLinks