Aanvullend advies Verordening jeugdhulp Dordrecht.pdf
Tekst van het document
info@adviesraadwmojeugddordrecht.nl
ouderszhz@gmail.com
Aan het College van B &W van de gemeente Dordrecht t.a.v. de heer R. van der Linden Postbus 8 3300 AA DORDRECHT
Datum: Betreft:
1 februari 2022 Aanvullend advies verordening jeugdhulp
Geachte heer Van der Linden, beste Rik De Adviesraad Wmo & Jeugd en het Ouderplatform Zuid-Holland Zuid maken graag gebruik van de gelegenheid een aanvullend advies uit te brengen over de Verordening Jeugdhulp die ter bespreking is voorgelegd aan de commissie Sociale Leefomgeving. Ter voorbereiding op ons advies hebben we de verordening van de gemeente Dordrecht inhoudelijk beoordeeld, waar nodig getoetst aan de Jeugdwet en de Regeling Jeugdwet, en vergeleken met de modelverordening van de VNG en de modelverordening Zuid-Holland Zuid. Onze inhoudelijke opmerkingen en het advies staan in deze brief. In bijlage 1 hebben we de afwijkingen van de modelverordeningen en de Jeugdwet waarnaar in ons advies wordt verwezen in beeld gebracht. Dit advies is een aanvulling op het eerder uitgebrachte advies en moet dus in samenhang hiermee worden gelezen. Zaken die in het eerste advies aan de orde zijn gesteld blijven in dit advies achterwege. Inhoudelijke opmerkingen 1. In artikel 1 zijn een aantal definities opgenomen. Een deel van deze definities is afkomstig uit de Jeugdwet, een verwijzing hiernaar is echter niet bij elk artikel opgenomen. U kiest er bovendien voor om slechts een deel van de wettelijke definities op te nemen. Het opnemen van definities uit het wettelijk kader komt de leesbaarheid en begrijpelijkheid van de verordening voor de inwoner niet ten goede.
Maar als u er toch voor kiest om definities op te nemen dan adviseren wij, vanuit het perspectief van de aanvrager, alle voor de verordening relevante wettelijke definities naar de letter van de wet op te nemen en te voorzien van een duidelijke verwijzing. Hierbij denken we in ieder geval aan het toevoegen van de definitie woonplaats. De begrippen draaglast en draagkracht komen niet voor in de Jeugdwet. De invoering van deze begrippen kan consequenties hebben voor ouders en verzorgers. Er zijn echter nog geen nadere
regels gesteld, daarom kunnen we niet beoordelen of en zo ja welke consequenties er zullen optreden. We vernemen graag van u welk referentiekader ten grondslag ligt aan deze begrippen alvorens wij ons hierover uitspreken, en verzoeken u met klem ons tijdig bij het opstellen van de nadere regels te betrekken. In artikel 1 lid 3 wordt een definitie gegeven van het begrip jeugdige. Deze definitie komt niet overeen met de wettelijke definitie, de zin bij het laatste aandachtsstreepje: - en die woonachtig is in de gemeente, komt niet voor in de wettelijke definitie. Vanwege de leesbaarheid van dit advies hebben we de wettelijke definitie opgenomen in bijlage 1. 2. Artikel 4. Afbakening Jeugdwet en de Wet langdurige zorg (Wlz): Het artikel houdt geen rekening met het gegeven dat de ontwikkelbaarheid van een kind doorslaggevend is bij de beoordeling van het recht op Wlz. Met andere woorden: zolang niet duidelijk vaststaat dat een kind uitontwikkeld is, is er geen toegang tot de Wlz. Ook niet als aan alle andere voorwaarden wordt voldaan. Voorkomen moet worden dat ouders in een dergelijke situatie gedwongen worden tot het onnodig (herhaaldelijk) doen van een aanvraag. Wij adviseren u hiermee bij het afgeven van een beschikking rekening te houden en denken graag mee over de wijze waarop dit kan.
In lid 3 staat als voorbeeld voor een weigeringsgrond (van een aanvraag in het kader van de Jeugdwet) de noodzaak tot meer dan 4 dagdelen dagbesteding benoemt. Dit is echter geen rechtsgrond voor toetreding tot de Wlz op het moment dat er nog sprake is van ontwikkelbaarheid van de jeugdige. 3. Artikel 10. Toegang jeugdhulp via de gemeente: Lid 2 geeft aan dat ouders de mogelijkheid hebben om binnen 2 weken een familiegroepsplan op te stellen. We stellen voor dit explicieter te omschrijven: binnen 2 weken na ontvangst van bevestiging van de schriftelijke melding van de jeugdhulpvraag. 4. Artikel 11. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren: Lid 5 luidt: De jeugdige of zijn ouders verschaffen het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. Wij adviseren u na het woord ouders toe te voegen: dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger, zoals dit ook staat in de overige bepalingen van dit artikel. 5. Artikel 12. Draagkracht en draaglast: In lid 3 wordt een onderscheid gemaakt tussen kortdurende en langdurende situaties. We missen op welke wijze wordt voorkomen dat ouders in een langdurende situatie overbelast raken en op welke voorzieningen zij op dat moment een beroep kunnen doen.
Dit beroep moet onzes inziens snel, dus administratief luw, geëffectueerd kunnen worden ter voorkoming van onnodige escalaties. 6. Artikel 16. Criteria voor een individuele voorziening: In lid 3 eerste zin wordt gesteld dat het college als een individuele voorziening noodzakelijk is altijd de goedkoopst adequate tijdig beschikbare voorziening verstrekt. In het vervolg van lid 3 wordt gesproken over een passende voorziening. Hierdoor wordt, wellicht onbedoeld, de indruk gewekt dat adequaat en passend twee verschillende begrippen zijn. We adviseren u voor een begrip te kiezen.
Het uitgangspunt dat altijd de goedkoopst adequate voorziening wordt verstrekt laat echter onverlet dat er zich situaties kunnen voordoen waarin dit niet volstaat. In dat geval moet het college alsnog de adequate maar duurdere voorziening verstrekken. 7. Artikel 19. Regels voor PGB: In lid 1 van dit artikel staat: Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de Jeugdwet. Wij adviseren u hieraan toe te voegen: en artikel 8 Regeling Jeugdwet, omdat in deze regeling voor het PGB belangrijke bepalingen zijn opgenomen. In lid 3 sub a wordt gesproken over jeugdhulp verleend door een derde, niet zijnde op onverplichte basis verleende jeugdhulp. Een definitie van op onverplichte basis verleende jeugdhulp ontbreekt. Op grond van art. 8ab lid 1 Regeling Jeugdwet denken we dat hiermee wordt bedoeld een persoon uit het sociaal netwerk die zonder dienstbetrekking hulp verleent. Wij vernemen graag van u of onze aanname klopt. Artikel 8ab lid 1 Regeling Jeugdwet en Artikel 12, lid 3 sub b (Regels voor PGB) van de modelverordening VNG, zie bijlage 1, (artikel 12 VNG is gelijk aan 19 in de Verordening Jeugdhulp Dordrecht) bieden de mogelijkheid onverplichte jeugdhulp een vergoeding toe te kennen. Wat is de overweging om wel het begrip onverplichte jeugdhulp op te nemen maar niet de bepaling inzake de vergoeding? Artikel 19 Lid 4 a.
Geeft aan dat het college nadere regels kan stellen onder welke voorwaarden een individuele voorziening in de vorm van een PGB wordt verstrekt. Deze bepaling komt niet voor in de modelverordening van de VNG. Wij verzoeken u toe te lichten wat uw overweging is om deze optie toe te voegen, met name omdat de voorwaarden waaronder PGB kan worden verstrekt zowel in de Jeugdwet als in de regeling Jeugdwet zijn vastgelegd. 8. In de modelverordening Zuid-Holland Zuid zijn de artikelen 26 Cliëntenraad en 27 Evaluatie Cliëntenparticipatie opgenomen, zie bijlage 1. Deze artikelen zijn overgenomen uit de modelverordening van de VNG. In de verordening Jeugdhulp Dordrecht zijn deze artikelen niet overgenomen en vervangen door artikel 26 Inspraak en Medezeggenschap en artikel 27 Evaluatie en monitoring. Wij hadden graag met u van gedachten gewisseld over de voor- en nadelen van beide varianten van cliëntparticipatie en vernemen graag waarom u voor deze variant heeft gekozen. Publieksvriendelijke versie voor jeugdigen en ouders/verzorgers In het voorstel ‘Vaststellen Verordening jeugdhulp Dordrecht’ van 11 januari jl. staat onder het kopje ‘Wat zijn per beslispunt de argumenten en wat is hierop de toelichting? Meer duidelijkheid voor inwoners en de toegang.
De nieuwe verordening geeft inwoners meer duidelijkheid op welke jeugdhulp zij kunnen rekenen en waarop zij zelf en maatschappelijke partners (zoals onderwijs) kunnen worden aangesproken bij het opvoeden en laten opgroeien van hun kinderen. Wat kan er van opvoeders zelf verwacht worden (gebruikelijke zorg) en wanneer overstijgt dit de “normale” opvoeding (boven gebruikelijke zorg)?’ Jeugdigen en hun ouders willen inderdaad graag duidelijkheid. De verordening geeft dit echter niet. Een deel van de begrippen, zoals draagkracht en -last, moet nog uitgewerkt worden. Bovendien is de verordening niet goed leesbaar voor de gemiddelde inwoner. We hebben begrepen dat er een publieksvriendelijke versie komt op B1-niveau. We juichten dit toe. We adviseren de doelgroep hierbij te betrekken. Zij kunnen als geen ander beoordelen of het goed leesbaar is en of de informatie toereikend is.
Tot slot Dit advies staat los van vigerende jurisprudentie die verwerkt behoort te worden in de (lokale) weten regelgeving. Over een aantal zaken die niet in de verordening worden genoemd, willen we met u en andere betrokkenen in gesprek. We hebben de kans nog onvoldoende benut om meedoen naar vermogen voor de jeugdige mogelijk te maken. We denken aan de noodzaak om te komen tot één verordening en een daarop afgestemd integraal beleid voor het sociaal domein, het invulling geven aan het uitgangspunt dat jeugdhulp dichtbij en het liefst in de eigen omgeving wordt geboden, het zorgdragen voor een goede afstemming tussen gemeenten, het behouden van een toereikend (boven)regionaal gecontracteerd aanbod, het verlagen van de administratieve last en de noodzaak tot het verkrijgen van zicht op de factoren die de kosten in de uitvoering van de jeugdhulp opdrijven.
Met vriendelijke groet,
Jannie Storm Interim-voorzitter Adviesraad Wmo & Jeugd Dordrecht
Anke-Elze de Jong-Rietstap Voorzitter Ouderplatform Zuid-Holland Zuid
cc. Commissie Sociale Leefomgeving en Susan van Oostrom