6.3 Advies toetsing verordening jeugdhulp(21633700.1).pdf
Tekst van het document
MEMO
AAN
Gemeente Dordrecht
VAN TELEFOON
DATUM
28 januari 2022
mr. D.vanTilborg 06-46606420
FAX E-MAIL
dvantilborg@akd.nl
ONS KENMERK KOPIE AAN
ONDERWERP
Toetsing Verordening jeugdhulp
De gemeente heeft AKD gevraagd om een juridische toetsing uit te voeren ten aanzien van het voorstel voor de Verordening jeugdhulp Dordrecht 2022 (hierna: “de verordening”). Meer specifiek heeft de gemeente verzocht om een integrale juridische toetsing van de verordening uit te voeren. Verder heeft de gemeente een aantal specifieke vragen en opmerkingen aan AKD voorgelegd met het verzoek om daarop te reageren. In dit memo worden de belangrijkste bevindingen van de integrale juridische toetsing weergegeven en worden de concreet gestelde vragen beantwoord respectievelijk een aantal opmerkingen over de verordening van een reactie voorzien. A Integrale juridische toetsing van de verordening Wij hebben de verordening integraal getoetst. In de bijlage bij dit advies worden onze bevindingen per artikel toegelicht. Onze belangrijkste conclusies zijn: In artikel 3 lid 5 van de verordening wordt voor het geval waarin het onduidelijk is of een hulpvraag onder de Wet passend onderwijs valt of onder de Jeugdwet volstaan met een inspanningsverplichting voor het college om in samenspraak met het onderwijs te komen tot een passende maatregel. Wij menen dat het college in een dergelijk geval uiteindelijk er voor verantwoordelijk is dat er een voorziening wordt getroffen en dat betekent dat niet kan worden volstaan met een inspanningsverplichting.
In artikel 4 (Wlz) en artikel 5 (Zvw) is de afbakening tussen de Jeugdwet en deze wetten niet op alle punten correct weergegeven. Vaktherapie wordt als voorziening in de verordening te streng geclausuleerd en op voorhand ten onrechte beperkt tot maximaal 30 uur (artikel 5 lid 5). In artikel 10 wordt een melding geïntroduceerd die in het systeem het startpunt vormt van de procedure bij de gemeentelijke toegang. De procedure wijkt volgens ons in zoverre ten onrechte af van de regels uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De in artikel 12 (draaglast en draagkracht) gekozen benaderingen waarbij draaglast en draagkracht bij kortdurende trajecten geacht worden in balans te zijn respectievelijk waarbij het bieden van een beschermende woonomgeving steeds als gebruikelijke hulp wordt aangemerkt laten volgens ons onvoldoende ruimte voor de op grond van artikel 2.3 Jeugdwet en artikel 3:2 Awb steeds door het college te verrichten individuele beoordeling en om daarbij alle relevante factoren in beschouwing te nemen.
AKD N.V. is statutair gevestigd te Rotterdam (ingeschreven in het handelsregister onder nummer 24366820). . Alle diensten en (andere) werkzaamheden worden verricht uit hoofde van een overeenkomst van opdracht met AKD N.V. Op de overeenkomst zijn, onder uitsluiting van enige andere algemene voorwaarden, de Algemene Voorwaarden van toepassing die zijn gedeponeerd ter griffie van de rechtbank te Rotterdam onder nummer 61/2014 en waarin onder meer een beperking van de aansprakelijkheid is opgenomen. Iedere aansprakelijkheid is beperkt tot het bedrag dat in het desbetreffende geval onder de beroepsaansprakelijkheidsverzekering wordt uitbetaald met inbegrip van het bedrag van het eigen risico. Op verzoek worden de algemene voorwaarden kosteloos toegezonden. Zij kunnen ook worden geraadpleegd op www.akd.nl
DATUM
28 januari 2022
ONS KENMERK PAGINA
2 van 8
In artikel 13 is ten onrechte een verplichting voor het college opgenomen om in het kader van de toegangsprocedure de jeugdige en zijn ouders te identificeren aan de hand van een identiteitsbewijs. Een dergelijke verplichting is alleen mogelijk als daar in een wet in formele zin (dus niet een verordening) is voorzien. In de Jeugdwet is bewust van een dergelijke identificatieplicht afgezien vanwege het verplichte laagdrempelige karakter van de jeugdhulp. Het toekennen van de bevoegdheid aan het college om nadere regels te stellen over de voorwaarden waaronder een pgb kan worden verstrekt respectievelijk mag worden ingezet om de hulp te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk houdt volgens ons een niet toegestane vorm van delegatie in (het gaat namelijk om de essentialia van het voorzieningenniveau en die essentialia moeten in de verordening worden geregeld). De verordening voorziet ten onrechte ten opzichte van de wet in twee aanvullende intrekkingsgronden (verblijf in een Wlz-instelling voor meer dan zes weken en het meer dan een half jaar na uitbetaling niet gebruiken van het pgb waarvoor het is bestemd). Aan de aan te wijzen gemeentelijke toezichthouders is ten onrechte de bevoegdheid toegekend om dossiers in te kunnen zien.
De verordening introduceert een te vergaande medewerkingsplicht voor jeugdigen, ouders en bij de individuele voorziening betrokken derden in het kader van het fraudepreventiebeleid van het college. Ten onrechte wordt de bestaande wettelijke bevoegdheid om materiële controles en fraudeonderzoek te kunnen verrichten bij gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders uitgebreid naar niet-gecontracteerde respectievelijk niet-gesubsidieerde aanbieders.
B Reactie op een aantal concrete vragen respectievelijk opmerkingen In deze paragraaf geven wij antwoord op een aantal concreet aan ons voorgelegde vragen respectievelijk reageren wij op een aantal opmerkingen. We nemen hierna steeds eerst de volledige vraagstelling of opmerkingen over en geven direct aansluitend daarop onze reactie. Vraag: Is artikel 9.1 juridisch juist? Mag een jeugdhulpaanbieder de verwijzing van een huisarts, jeugdarts of medisch specialist naar jeugdhulp 'overrulen'? Antwoord: in artikel 9 lid 1 is bepaald dat het college moet zorgen voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. Het artikel bepaalt ook dat de jeugdhulpaanbieder zich bij het beoordelen van de jeugdhulpvraag moet houden aan de daarover in het kader van de contract- of subsidierelatie respectievelijk in de verordening en/of nadere regels gestelde regels.
Het college is er voor verantwoordelijk dat jeugdhulp ook toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts.1 Dat betekent dat als er sprake is van een dergelijke verwijzing het college de toegang tot de jeugdhulpaanbieder niet afhankelijk mag stellen van een tussenstap, zoals een extra (diagnostische) toets of een beschikking.2 Volgens de wetgever is het na de verwijzing aan de jeugdhulpaanbieder om, met toepassing van de professionele standaarden, te beoordelen welke voorziening precies nodig is en welke omvang en duur die voorziening moet hebben. De jeugdhulpaanbieder moet zich bij die beoordeling houden aan de afspraken die daarover zijn gemaakt in
1 Artikel 2.6, eerste lid aanhef en onder e Jeugdwet. 2 Eerste Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 684, F, p. 30-31.
#21633700v1
DATUM
28 januari 2022
ONS KENMERK PAGINA
3 van 8
de overeenkomst of in het kader van de subsidierelatie met de gemeente.3 Wij begrijpen artikel 9 lid 1 zo dat de huisarts, medisch specialist of jeugdarts onverkort kan bepalen dat de jeugdige toegang heeft tot jeugdhulp en dat het college er vervolgens voor moet zorgen dat daadwerkelijk de jeugdhulp wordt ingezet waarvan de jeugdhulpaanbieder heeft geoordeeld dat die nodig is. Dat is (zie hiervoor) in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever. Wij zouden ons overigens wel kunnen voorstellen dat de tekst op dit punt enigszins wordt aangepast omdat het woord ‘of’ en de woorden ‘het beoordelen van de jeugdhulpvraag’ ten onrechte de suggestie kunnen wekken dat de jeugdhulpaanbier ook de toegangsvraag opnieuw zou kunnen beantwoorden. Een alternatieve tekst zou kunnen luiden: “Het college zorgt na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder voor de inzet van de jeugdhulp (vorm, duur, omvang) die de jeugdhulpaanbieder nodig acht.
De jeugdhulpaanbieder dient zich bij het beoordelen van de in te zetten jeugdhulp na een verwijzing te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie en met de regels die daarover zijn neergelegd in de Verordening en/of nadere regels.” Vraag: In artikel 19.2C staat: "bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare individuele voorziening in natura." Is deze zin niet in betere begrijpbare taal te krijgen? Het woord 'adequate' wordt meestal gebruikt om de handeling van een persoon te beoordelen. Is dat hier ook zo bedoeld? Zou 'passend' hier niet beter kunnen worden gebruikt? Antwoord: ‘passend’ en ‘adequaat’ lijken hier een vergelijkbare betekenis te hebben en aan te geven dat moet worden vergeleken met de kosten van de goedkoopste individuele voorziening die geschikt/toereikend is voor de betreffende jeugdige. Van belang is om onderscheid te maken tussen de individuele voorziening en de leveringsvorm waarin deze voorziening wordt toegekend (in natura of door middel van een pgb). Als de vraag naar (de hoogte van) een pgb in beeld komt is – binnen het systeem van de Jeugdwet – reeds vastgesteld op welke individuele voorziening de jeugdige is aangewezen.
Het is in zoverre zuiverder om de hoogte van het pgb te vergelijken met de kosten van de levering in natura van de individuele voorziening waar de jeudigde op is aangewezen. De bepaling zou dan als volgt kunnen worden geherformuleerd en vereenvoudigd: “bedraagt niet meer dan de kostprijs van de levering van de individuele voorziening in natura. De kostprijs kan nooit hoger zijn dan het laagste tarief (overeenkomst) dat de gemeente betaalt of bekostigingseenheid (subsidiebeschikking) die de gemeente vergoedt aan jeugdhulpaanbieders voor het leveren van de individuele voorziening in natura.” Begrijpelijk is dat de gemeente in voorkomend geval wenst te kunnen kiezen voor de goedkoopste adquate of passende individuele voorziening. Dit is echter al gewaarborgd met artikel 16 lid 3. Vraag: Artikel 19.3. Is het juridisch mogelijk om dezelfde kwaliteitseisen te stellen aan PGB als aan Zorg in Natura? Antwoord: Eerst moet de voorvraag worden beantwoord of de Jeugdwet ruimte laat om (aanvullende) kwaliteitseisen te stellen. Het CDA heeft in het kader van de totstandkoming van de Jeugdwet expliciet de vraag gesteld of de Jeugdwet een verbod inhoudt op het stellen van aanvullende kwaliteitseisen door de gemeente. Daarop is door de regering het volgende antwoord gegeven: “De gemeente dient zorg te
3 Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 684, nr. 45, p. 4 en 36. Eerste Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 684, D, p. 4.
#21633700v1
DATUM
28 januari 2022
ONS KENMERK PAGINA
4 van 8
dragen voor een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod. De Jeugdwet vraagt van de gemeenteraad om zicht te hebben en te houden op de effecten van het beleid op maatschappelijk en individueel niveau. Op basis van deze informatie kan de gemeente beleid maken en dit vastleggen in een beleidsplan. Gemeenten kunnen aan de contractering eigen eisen verbinden die passen bij de lokale situatie. Door de VNG, VWS en VenJ wordt hiervoor een handreiking ontwikkeld. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat dit leidt tot een lappendeken aan aanvullende kwaliteitseisen en verantwoording.”4 Uit dit antwoord lijkt te moeten worden afgeleid dat de gemeente(raad) de ruimte heeft om aanvullende kwaliteitseisen te stellen. De volgende vraag is of dit uitsluitend mogelijk is met betrekking tot jeugdhulp die wordt geleverd krachtens een met de gemeente gesloten overeenkomst of een met de gemeente bestaande subsidierelatie (jeugdhulp in natura) of ook met betrekking tot jeugdhulp die wordt bekostigd door middel van een pgb. Wij menen dat ook met betrekking tot de levering van jeugdhulp die wordt bekostigd door middel van een pgb (dezelfde) aanvullende kwaliteitseisen kunnen worden gesteld.
Het college is er namelijk zowel voor verantwoordelijk dat het gecontracteerde aanbod kwalitatief toereikend is5 als dat is gewaarborgd dat de jeugdhulp die de jeugdige of zijn ouders van een pgb willen betrekken van goede kwaliteit is.6 Opmerking: Deze verordening is geen afgeleide van bovenliggende wetgeving met de volgorde IVRK, EVRM die bovenliggend zijn voor de jeugdwet en de verordening die de kern van deze wetgeving zou moeten dragen. Reactie: De voorliggende verordening betreft een verplichte verordening op grond van artikel 2.9, 2.10 en 2.12 van de Jeugdwet. De verordening strekt tot uitvoering van de Jeugdwet. In zoverre is het logisch dat de verordening primair een afgeleide is van de Jeugdwet. Uiteraard zijn bij het stellen van regels over jeugdhulp ook het IVRK en het EVRM van belang. Daarbij moet worden opgemerkt dat de wetgever het IVRK als richtsnoer heeft gehanteerd voor het stelsel van jeudghulp zoals dat in de Jeugdwet is neergelegd. Meer precies heeft de wetgever met de Jeugdwet aan het IVRK op tal van manieren invulling gegeven, waaronder het introduceren van een verplichting voor de gemeente om jeugdhulp op maat te treffen voor alle jeugdigen die dat nodig hebben.7 In zoverre kan gesteld worden dat de verordening wel degelijk een afgeleide (of nadere invulling) betreft van het IVRK.
Het EVRM is met name van belang in gevallen waarin een jeugdige wordt beperkt in zijn vrijheidsrechten.8 De verordening voorziet niet in regels over het treffen van voorzieningen waarbij de vrijheid van de jeugdige wordt beperkt of ontnomen, zodat in zoverre het EVRM slechts beperkt relevant lijkt voor deze verordening. Opmerking: Het kind staat niet centraal, draagkracht en draaglast gaat in het concept over ouders en gaat in de wet juist over het kind.
4 Nota naar aanleiding van het verslag, pagina 74 en 75. 5 Artikel 2.6 Jeugdwet. 6 Artikel 8.1 lid 2 aanhef en onder c. 7 Zie voor een overzicht van de wijze waarop er met de Jeugdwet invulling is gegeven aan het IVRK pagina 54 en 55 van de memorie
van toelichting. 8 Memorie van toelichting, p. 55 en 56.
#21633700v1
DATUM
28 januari 2022
ONS KENMERK PAGINA
5 van 8
Reactie: Verwezen wordt naar de begrippen draaglast en draagkracht in de verordening. Die begrippen worden – zoals wij de verordening begrijpen – specifiek gehanteerd om bij het toepassen van artikel 2.3 van de Jeugdwet te beoordelen of het eigen vermogen en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en de sociale omgeving toereikend zijn om de noodzakelijke hulp te kunnen bieden.9 In zoverre is het logisch dat in de verordening de begrippen draaglast en draagkracht betrekking hebben op de ouder(s) en de sociale omgeving. Opmerking: De vanuit een duidelijke uitspraak vanuit de CRvB voorgeschreven stappen en manier van toewijzen van jeugdhulp is niet terug te vinden. Het indiceren van jeugdhulp gaat over het in kaart brengen van de zorgbehoefte van het kind, dat is in deze verordening geenszins het geval. Reactie: het bedoelde stappenplan is (voor het eerst) geformuleerd in een uitspraak van de CRvB van 1 mei 201710 en omvat de volgende stappen: 1. Vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of de ouder(s) is. 2. Vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn. 3.
Bepalen welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. 4. Onderzoeken of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Deze stappen zijn in de verordening opgenomen en meer precies in artikel 11 lid 1 sub a (stap 1) en sub b onder 1, 2 en 3 (stappen 2-4). Opmerking: PGB wordt opnieuw fout geduid. Het is een manier van financieren en geen product. Er zijn ook voorgeschreven regels hoe je tot een indicatie pgb gefinancierd komt. ZIN en PGB zijn manieren van financieren, een kind heeft recht op de best passende vorm van zorg. PGB laat ouders de regie houden. Daarbij is informele zorg, dus zorg uitgevoerd door niet-professionals, dus door ouders of netwerk soms te prefereren boven formele zorg. Dit zit gewoon in de formele voorgeschreven wijze van indiceren en hoort ten allen tijde een overweging te zijn.
Reactie: het is juist dat een pgb een vorm van financiering van de jeugdhulp die tot een individuele voorziening behoort betreft (ten einde de ouders of jeugdigde in de gelegenheid die stellen de jeugdhulp te kunnen betrekken van een niet door de gemeente gecontracteerde of gesubsidieerde derde). In de verordening is dat volgens ons ook onderkend. Wij wijzen in dat verband op de definitie van pgb die in artikel 1 van de verordening is opgenomen en duidelijk het karakter van het pgb omschrijft: zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige, dat de jeugdige in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken. Dit laat onverlet (zie ook het antwoord op de 9 CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362. 10 CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477.
#21633700v1
DATUM
28 januari 2022
ONS KENMERK PAGINA
6 van 8
vraag over artikel 19.C 2 hiervoor) dat in artikel 19 dit karakter niet op alle plaatsen even consequent in de gekozen formulering tot uitdrukking komt. Wij hebben dienaangaande voorstellen tot verduidelijking van de tekst gedaan. Opmerking: Opvallend is ook dat het wettelijk voorgeschreven Familiegroepsplan ergens tussen gefrommeld wordt en dit eigenlijk altijd uitgangspunt dient te zijn vanuit de gedachte dat het gezin leidend is en een kind recht heeft op een gezinsleven. De wettelijk verwijzer dient hier actief op de mogelijkheid te wijzen. Daarnaast is de cliëntondersteuning een wettelijke verplichting. Cliënten dienen hier altijd actief op gewezen te worden. Reactie: Een familiegroepsplan betreft een hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren.11 Het gaat derhalve niet om een door de gemeente verplicht op te stellen plan.
Het is primair de jeugdhulpaanbieder die de jeugdige en zijn ouders moet aanbieden om een familiegroepsplan op te stellen.12 Het beleid van de gemeente dient erop gericht te zijn dat familiegroepsplannen tot stand worden gebracht en worden uitgevoerd en dat jeugdhulp wordt verleend op basis van familiegroepsplannen.13 Daartoe voorziet de verordening erin dat reeds na de melding de jeugdige en zijn ouders worden gewezen op de mogelijkheid om een familiegroepsplan op te stellen en zij bij het opstellen daarvan ondersteuning kunnen ontvangen vanuit het college. Als er vervolgens een familiegroepsplan wordt opgesteld dan moet het college dat verplicht betrekken bij het onderzoek en bij de beoordeling van de aanvraag. In zoverre is de verordening erop gericht dat er in een zo vroeg mogelijk stadium een familiegroepsplan wordt opgesteld zodat dit plan vervolgens mede de basis kan vormen voor het bepalen van de eventueel in te zetten jeugdhulp. In het kader van een melding worden de jeugdige en zijn ouders tevens gewezen op de mogelijkheid om gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning (artikel 10 lid 2 van de verordening). Opmerking: Er worden daarnaast bevoegdheden door elkaar gehaald. Het college geeft geen machtiging gesloten jeugdzorg af bijv.
plus dat de verwijzingstaak die in de jeugdwet staat alleen voorbehouden is aan een huisarts, kinderarts en een jeugdprofessional in de gemeentelijke toegang. Reactie: Het is juist dat het college geen machtiging voor gesloten jeugdhulp afgeeft. Die bevoegdheid berust bij de kinderrechter. In de verordening is dit ook onderkend. In artikel 10 wordt gesproken van de mogelijkheid om een machtiging aan te vragen (hetgeen een bevoegdheid betreft die het college heeft) en niet van de bevoegdheid om een dergelijke machtiging ook af te geven. Verwijzing naar niet-vrij toegankelijke vormen van jeugdhulp is op grond van de wet mogelijk via een beschikking van het college (de toegang van de gemeente met betrokkenheid van een jeugdprofessional)
11 Artikel 1.1 Jeugdwet. 12 Artikel 4.1.2 Jeugdwet. 13 Artikel 2.1 Jeugdwet.
#21633700v1
DATUM
28 januari 2022
ONS KENMERK PAGINA
7 van 8
of via een huisarts, medisch specialist of jeugdarts. De toegang via de gemeente is in de verordening geregeld in artikel 10 en verder en de toegang via het medisch domein is geregeld in artikel 9 van de verordening. Opmerking: Bij de afbakening Jeugdwet en Wet passend onderwijs, artikel 3, bij onduidelijkheid over het van toepassing zijnde regime, is de inzet van hulp voor de jeugdige niet gewaarborgd. Artikel 3 lid 5 spreekt immers over een inspanningsverplichting, wat niet hetzelfde is als een garantie. Een jeugdige mag echter nooit de dupe zijn van onduidelijkheid in wet en regelgeving of van welke aansluitende problematiek dan ook. Reactie: Deze opmerking is volgens ons terecht. Wij menen dat uit de Jeugdwet volgt dat als er sprake is van onduidelijkheid of de hulp onder de reikwijdte van de Jeugdwet valt en er vervolgens geen gezamenlijke oplossing met het onderwijs wordt bereikt, het college uiteindelijk verplicht is om een individuele voorziening te treffen. Wij stellen voor om artikel 3 lid 5 in die zin aan te passen dat het woord inspanningsverplichting wordt vervangen door verplichting. Voor een nadere toelichting verwijzen wij naar ons commentaar bij artikel 3 in de bijlage. Opmerking: Daarnaast is het voor ons onduidelijk wat artikel 12 betekent voor de mogelijkheid om de inzet van ouders vanuit een PGB mogelijk te maken.
We begrijpen dat de regels hieromtrent aangescherpt moeten worden, alsook dat je van ouders inzet mag en moet verwachten. Het helemaal onmogelijk maken van deze inzet bekostigd vanuit een PGB zal er onzes inziens echter toe leiden dat er meer jeugdigen, al dan niet tijdelijk, opgenomen worden in een instelling of een beroep doen op (duurdere) professionele hulp. Reactie: Artikel 12 heeft – zoals wij dat artikel begrijpen – betrekking op het bepalen van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en de sociale omgeving. Uit artikel 2.3 van de Jeugdwet volgt dat een individuele voorziening niet verleend behoeft te worden voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en de sociale omgeving toereikend zijn om de benodigde hulp zelf te bieden. Het verband tussen artikel 12 en de mogelijkheden om een pgb te kunnen verkrijgen voor de inzet van ouders bestaat uit de koppeling tussen het recht op een individuele voorziening en de mogelijkheid om voor de financiering van de jeugdhulp die onderdeel uitmaakt van die voorziening een pgb te verkrijgen.
Als toepassing van artikel 12 ertoe leidt dat (een deel van) de geïndiceerde hulp tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en de sociale omgeving wordt gerekend, heeft dat als consequentie dat er in zoverre geen individuele voorziening behoeft te worden getroffen en dat er reeds daarom geen recht op een pgb bestaat. Toepassing van artikel 12 leidt er naar onze inschatting overigens niet toe dat alle hulp die ouders feitelijk verlenen aan hun kinderen moet worden gerekend tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders. In gevallen waarin de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn zal nog steeds een individuele voorziening getroffen moeten worden en kan voor de (financiering van de) hulpverlening door de ouders (mits aan de overige voorwaarden uit de Jeugdwet en de verordening wordt voldaan) een pgb worden verstrekt.
#21633700v1
DATUM
28 januari 2022
ONS KENMERK PAGINA
8 van 8
Opmerking: Er dient een overgangsrecht (artikel 29. Lid 1) te worden vastgesteld dat in strijd is met het zorgvuldigheids- en gelijkheidsbeginsel. Uit de formulering van lid 1 begrijpen wij dat voor iedereen het overgangsrecht blijft gelden totdat er een nieuw besluit is genomen. Het lid maakt geen onderscheid tussen de hoogte en duur van de huidig lopende voorziening. Evenmin wordt er melding gemaakt van een minimale en maximale overgangstermijn. Reactie: Wij begrijpen artikel 29 lid 1 aldus dat daar staat dat rechten die op grond van de vorige verordening zijn toegekend gehandhaafd blijven totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee die voorziening is verstrekt wordt ingetrokken. Het artikellid bepaalt voor de goede orde niet dat het college verplicht is om dergelijke besluiten in te trekken. Het stelt uitsluitend buiten twijfel dat de nieuwe verordening de eerder genomen besluiten niet aantast. Intrekking van dergelijke besluiten is overigens uitsluitend mogelijk met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het genoemde zorgvuldigheids- en gelijkheidsbeginsel. Dit zal echter in het individuele geval moeten worden beoordeeld indien het college zou besluiten om tot intrekking over te gaan. Het overgangsrecht als zodanig is derhalve niet in strijd met het zorgvuldigheids- en het gelijkheidsbeginsel. AKD
Bijlagen
#21633700v1