6.2 Modelverordening VNG.pdf
Tekst van het document
Model Verordening sociaal domein (nieuw model, april 2019) Proeve van een integrale verordening voor het sociaal domein (Jeugdwet, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en Participatiewet) Leeswijzer - […] of (bijvoorbeeld) [tijdstip] = door gemeente in te vullen, zie bijvoorbeeld artikel 4. - [iets OF iets] = door gemeente te kiezen, zie bijvoorbeeld artikel 31, derde lid. - [iets] = facultatief, zie bijvoorbeeld artikel 2. - [… (iets)] = een duiding ter illustratie of uitleg voor gemeente, zie bijvoorbeeld artikel 10, eerste lid, variant 2a. Combinaties zijn ook mogelijk; bijvoorbeeld een bepaling die zowel facultatief is als dat er een keuze gemaakt moet worden, zie bijvoorbeeld artikel 30, derde lid. Ook wordt er gewerkt met varianten waaruit gekozen kan worden. Hierbij kan het voorkomen dat de ene variant uit meer artikelen of artikelleden bestaat dan een andere variant, zie bijvoorbeeld artikel 6 ev. Nadere uitleg is opgenomen in de implementatiehandleiding.
Besluit van de raad van de gemeente [naam gemeente] tot vaststelling van een nieuwe Verordening sociaal domein [naam gemeente en eventueel jaartal] De raad van de gemeente [naam gemeente]; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van [datum en nummer]; gelet op de artikelen gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 [en 8.1.1, derde lid,] van de Jeugdwet, de artikelen 2.1.3, 2.1.4, [eerste, tweede,] derde en zevende lid, [2.1.5, eerste lid,] 2.1.6, [2.1.7, 2.3.6, vierde lid,] en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, [de] artikel[en 3.8, tweede lid, en] 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, de artikelen 6, tweede lid, 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, b, c en d, en het tweede lid, 8a, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, d en e, en tweede lid, 10b, vierde lid, en 47 van de Participatiewet, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; gezien het advies van [naam commissie]; besluit vast te stellen de Verordening sociaal domein [naam gemeente en eventueel jaartal]: Hoofdstuk 1 – algemene bepalingen Toelichting (algemeen deel) Gemeenten hebben de opdracht gekregen om in het sociaal domein te komen tot de – door het Rijk beoogde – integrale uitvoering "over
de wetten heen" (ook wel bekend onder het motto 'Eén gezin, één plan, één regisseur'). Het huidige stelsel regelt echter weinig voor een situatie waarop verschillende afzonderlijke wetten van toepassing zijn. Elke afzonderlijke wet stelt eisen aan de te doorlopen procedures en bevat bepalingen over de verwerking van persoonsgegevens voor de uitvoering van die specifieke wet. Gemeenten moeten de verschillende taken in het sociaal domein in samenhang met elkaar kunnen uitvoeren, maar een bekend signaal is dat deze wetten
Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
onvoldoende voorzien in een regeling voor een integrale taakuitvoering. Een overkoepelende wettelijke regeling ontbreekt. Uitgangspunt van deze ‘geïntegreerde’ verordening sociaal domein Er is gekeken naar de mogelijkheid en wenselijkheid om te komen tot een ‘geïntegreerde’ verordening voor het sociaal domein in brede zin. Wat betreft de mogelijkheid is gebleken dat er weliswaar serieuze belemmeringen bestaan om vergaand te integreren (zie verder hieronder), maar dat er zeker mogelijkheden zijn die – mits goed uitgewerkt – van meerwaarde kunnen zijn in aanvulling op het optimaliseren van de uitvoeringspraktijk. Deze meerwaarde zit dan bijvoorbeeld niet in verdergaandere mogelijkheden om gegevens uit te wisselen, maar in de uitdrukkelijke (erkenning van de) zorgplicht om zo integraal mogelijk te werken (met name bij de ‘toegang’), het waar mogelijk uniformeren van vergelijkbare regels (vergelijkbare regels in de afzonderlijke ‘kolommen’ voor jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning en werk en inkomen) en het waar mogelijk stellen van algemene, kolomoverstijgende regels. In deze verordening zijn daarom in eerste instantie de ‘kolommen’ jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning en werk, inkomen, re-integratie en tegenprestatie uitgewerkt.
Uitwisseling van gegevens ten behoeve van een integrale dienstverlening Gemeenten zijn sinds 1 januari 2015 verantwoordelijk voor een nog groter aantal taken binnen het sociaal domein, met de (verdere) decentralisaties op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en werk en inkomen. Er bestaat (nog steeds) nog steeds de nodige onduidelijkheid, onder andere over hoe de verschillende taken in het sociaal domein het best kunnen worden uitgevoerd. Een terugkerend thema is de uitwisseling van gegevens "over de wetten heen", die nodig wordt geacht in verband met integraliteit van dienstverlening aan gezinnen of personen die op meerdere terreinen hulp en ondersteuning nodig hebben. Als iemand zich meldt bij de gemeente omdat binnen het gezin bijvoorbeeld jeugdhulp nodig is, zou de gemeente breder moeten kijken dan dat ene probleem als er op meerdere terreinen hulp en ondersteuning nodig is. Juist daar biedt huidige wetgeving geen handvat voor. Tegenover de opdracht van de wetgever om voor één gezin één plan op te stellen, staat de praktijk waarin verschillende probleemgebieden in afzonderlijke wetten zijn geregeld. In de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015), de Jeugdwet, en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening zijn regels opgenomen over het verwerken (waaronder uitwisselen) van gegevens voor de uitvoering van (telkens) die wet.
Die wetten regelen echter weinig voor het delen van gegevens tussen verschillende gemeentelijke afdelingen om integrale hulp en ondersteuning over de wetten heen te kunnen bieden.1 Het resultaat: verschillende dossiers op basis van verschillende wetten, terwijl het soms wenselijk is om onderling uit te wisselen, zodat 1
Voor de volledigheid: de Wmo 2015 biedt op papier met artikel 5.1.1, vierde en vijfde lid, ruimte, voor zover betrokkene daarvoor zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend, om voor de uitvoering van de Wmo 2015 gegevens vanuit andere (sociale-domein)wetten te gebruiken. De AP vat ‘ondubbelzinnige toestemming’ op als ondubbelzinnige toestemming in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp), waarbij zij van mening is dat er bij de verwerking van persoonsgegevens in het sociaal domein vaak géén sprake is van vrije toestemming in de zin van de Wbp. Ook de toestemming van artikel 5.1.1 zal naar oordeel van de AP doorgaans niet vrij zijn. Dat betekent dat artikel 5.1.1 op dat punt maar een beperkt toepassingsbereik heeft, aldus de AP in haar rapport Verwerking van persoonsgegevens in het sociaal domein: De rol van toestemming van juli 2016 (zie paragraaf 1.1.3). Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
aangesloten kan worden bij de visie van de wetgever: één gezin, één plan, één regisseur. Dat kan echter niet zomaar, omdat voor de uitwisseling van persoonsgegevens altijd een wettelijke grondslag nodig is. De Jeugdwet, de Participatiewet en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening kennen geen grondslag voor het uitwisselen van gegevens voor integraal werken. De Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) is dus ook kritisch op uitwisseling over de wetten heen. In de uitvoeringspraktijk leidt dit niet enkel tot veel vragen, maar ook tot terughoudendheid bij het delen van informatie tussen verschillende afdelingen. Het probleem is bekend en de discussie wordt ook volop gevoerd. Een wetswijziging zou mogelijk uitkomst kunnen bieden, door te voorzien in rechtsgeldige grondslagen middels ‘spiegelbepalingen’ in de verschillende sociaal-domeinwetten of via de creatie van een (separaat) overkoepelend wettelijk kader. Eén van de grondslagen voor gegevensuitwisseling is toestemming door degene van wie persoonsgegevens worden verwerkt. De toestemming moet aan een aantal eisen voldoen. Zo moet de toestemming in vrijheid worden gegeven en moet deze gericht zijn op een specifieke verwerking voor een specifiek doel door een specifieke partij.
Hierdoor kunnen gemeenten problemen bij het bepalen van de grondslagen voor de verwerking van persoonsgegevens in het sociaal domein veelal niet vermijden door toestemming aan betrokkenen te vragen voor de verwerking van hun persoonsgegevens. Vooral niet als gemeenten die toestemming vragen in situaties waarin de betrokkenen afhankelijk zijn van de gemeente voor hulp, zoals de intake/toegangsverlening. Betrokkenen kunnen daarbij niet in vrijheid toestemming geven. Een ‘onvrije’ toestemming vormt geen grondslag. Gemeenten mogen dan alléén persoonsgegevens verwerken als zij zich kunnen baseren op een van de andere wettelijke verwerkingsgrondslagen.
Verwant aan de discussie over integraal kunnen werken en gegevensuitwisseling zijn de constateringen dat: - gegevensuitwisseling niet alleen speelt bij burgers die hier zelf het belang van (kunnen / willen) zien, maar ook in het kader van vroegsignalering en bemoeizorg; hier is thans onvoldoende ruimte voor; - integraal werken in bepaalde gevallen verder wordt bemoeilijkt door de verschillende toegangsroutes naar de jeugdzorg, waarbij het in de praktijk niet goed mogelijk blijkt voor gemeenten om hun integrale regierol waar te maken in het geval van een rechtstreekse doorverwijzing van een (jeugd) arts of gecertificeerde instelling; naarmate het percentage dat langs deze weg een voorziening krijgt toegewezen groeit, daalt het vermogen van gemeenten om te sturen op een integrale aanpak (één gezin, één plan, één regisseur); - een adequate juridische grondslag ontbreekt voor het uitwisselen van gegevens van gedetineerden in het kader van hun re-integratie. Uniformering van procedures en termijnen Het voornaamste doel van een geïntegreerde gemeentelijke regeling zou zijn het via een integrale toegang komen tot een integrale belangenafweging die de uitvoering van de verschillende socialedomeinwetten omvat, via een zo uniform mogelijke procedure met zoveel mogelijk uniformering van termijnen. Dit maakt de uitvoering makkelijker, transparanter en beter voorspelbaar.
De afzonderlijke wetten stellen echter verschillende bindende kaders en bieden een verschillende mate van ruimte om het lokaal in te vullen. In bepaalde gevallen worden de verschillen verklaard door het onderwerp, in andere gevallen – in het bijzonder waar het betreft de Jeugdwet en de Wmo 2015 –
Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
zijn de verschillen minder goed te verklaren. Los hiervan, door de van elkaar verschillende wettelijke kaders blijkt een noemenswaardige uniformering op gemeentelijk niveau onmogelijk. Voor zover hier zaken bij zitten die bij verordening geregeld moeten of kunnen worden, daar kan uiteraard ingezet worden op uniformering. Dit betekent echter wel telkens aansluiten bij het meest strenge wettelijke regime; iets dat in bepaalde gevallen als onwenselijk wordt gezien. Ook hier zou een wetswijziging mogelijk uitkomst kunnen bieden, door te voorzien in en uniforme procedure voor in ieder geval de uitvoering van de Jeugdwet en de Wmo 2015. De insteek hiervan zou aan moeten sluiten bij het gedachtengoed dat ten grondslag ligt aan de met de decentralisatie beoogde transitie en transformatie: geen recht op compensatie (zoals er bijvoorbeeld bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo), waar dit in bepaalde situaties leidde tot ‘claimgedrag’), maar recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure die bij een goede uitvoering telkens zal leiden tot een juist eindoordeel: ondersteuning waar ondersteuning nodig is, in de mate die nodig is en in een vorm die passend is.
In lijn daarmee ligt het voor de hand om bij uniformering te kiezen voor een procedure waarbij – na een melding – eerst verkend wordt wat de (eigen) mogelijkheden en behoeften zijn, voordat een specifieke voorziening wordt aangevraagd. Artikel 1. Zorgplicht college voor integrale toegang en intake 1. Het college zorgt er in ieder geval voor dat ingezetenen die daar om verzoeken: a. kosteloos en op laagdrempelige wijze worden ondersteund bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte; b. kosteloos worden voorzien van relevante informatie in begrijpelijke vorm ten aanzien van: 1°. het gemeentelijk beleid en de wijze waarop uitvoering wordt geven aan de wettelijke taken in het sociaal domein, en 2°. hoe de toegang tot de diverse voorzieningen is georganiseerd; c. worden doorverwezen en -geleid naar de passende instanties voor verdere ondersteuning, en d. dat degene die een melding, aanvraag of verzoek indient wordt gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning. 2. In het kader van de uitvoering van het eerste lid vindt geen verwerking van persoonsgegevens plaats. Op verzoek van de betrokkene kunnen de relevante bevindingen op schrift worden gesteld en aan hem of haar ter beschikking worden gesteld.
Toelichting Eerste lid De afzonderlijke wetten die het sociaal domein bestrijken voorzien niet in een wettelijke basis voor een uniforme en integrale, domeinbrede taakuitoefening met een uniforme en integrale, domeinbrede procedure. Om toch tegemoet te komen aan het beleidsvoornemen van de gemeente om zo veel mogelijk integraal te werken is het college hier de zorgplicht opgelegd om te zorgen voor een integrale toegang en intake. Deze integrale intake moet onderscheiden worden van de gesprekken die gevoerd worden in het kader van een onderzoek dat uitgevoerd wordt als er een meer concrete ondersteuningsbehoefte blijkt te zijn en duidelijk is binnen welk domein in de eerste plaats een oplossing gevonden kan worden. Het is aan het college om te bepalen hoe aan deze zorgplicht precies invulling gegeven wordt. In ieder geval moet bereikt worden dat inwoners op laagdrempelige wijze – en onafhankelijk van hun Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
specifieke ondersteuningsbehoefte – bij de gemeente aan kunnen kloppen. Zowel voor informatie als voor hulp bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte. Zodra de ondersteuningsbehoefte duidelijk is worden ze doorgeleidt naar de passende instantie voor het verdere ondersteuningstraject. In die fase scheiden de wegen; er zijn aparte wettelijke kaders en daarom aparte trajecten met een eigen toegang voor jeugdhulp (hoofdstuk 2), maatschappelijke ondersteuning (hoofdstuk 3) en werk, inkomen, re-integratie en tegenprestatie (hoofdstuk 4). Tweede lid De gemeente vindt het belangrijk om onrechtmatige en bovenmatige of niet noodzakelijke verwerking van persoonsgegevens bij de uitvoering van taken in het sociaal domein te voorkomen. Deze risico’s zijn er in het bijzonder als er tijdens de integrale intake gesprekken gevoerd worden in het kader van het “verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte”. Daarbij vindt vaak een brede uitvraag plaats, terwijl niet zonder meer duidelijk is voor welk domein persoonsgegevens van betrokkene zouden worden verzameld en er bovendien geen wettelijke basis is voor gegevensverwerking in het kader van een domeinbrede taakuitoefening. Dat informatie aan de orde is gekomen of wel eens handig zou kunnen zijn voor de toekomst, betekent op zichzelf immers niet dat deze informatie geregistreerd mag worden.
Het is in deze fase echter ook niet noodzakelijk om al persoonsgegevens te registeren. Dat wordt pas nodig als er een meer concrete ondersteuningsbehoefte blijkt te zijn en duidelijk is binnen welk domein in de eerste plaats een oplossing gevonden kan worden. Het verzamelen van informatie en persoonsgegevens zal dan gebeuren in het kader van het onderzoek of ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag. Steeds ter uitvoering van één van de domeinen afzonderlijk. Waarbij uiteraard nog steeds geldt dat er niet meer gegevens worden verzameld dan noodzakelijk is. Omdat het als onnodig belastend wordt gezien om betrokken te verplichten meermaals hetzelfde verhaal te vertellen, in de verschillende fases aan verschillende vertegenwoordigers van de gemeente, worden de relevante bevindingen van de integrale intake op verzoek aan de betrokkene ter beschikking gesteld. De gemeente zelf registreert geen gegevens en bewaart geen kopieën van de bevindingen. Als daar later aanleiding toe is kan de betrokkene deze desgewenst zelf delen met de gemeente. Het kan dan bijvoorbeeld als startpunt dienen voor het gesprek in het kader van het onderzoek binnen een specifiek domein. Implementatiehandleiding: De verwerking van persoonsgegevens in het sociaal domein heeft al geruime tijd de bijzondere aandacht van de AP.
Zo heeft de AP verschillende malen gewezen op risico’s van bovenmatige dan wel niet noodzakelijke verwerking van persoonsgegevens bij de uitvoering van taken in het sociaal domein. Deze risico’s zijn er in het bijzonder als taken domeinoverstijgend of integraal worden uitgevoerd. Bijvoorbeeld als niet vooraf duidelijk is voor welk domein (doel) persoonsgegevens worden verwerkt. Dit is onder meer het geval bij een “integrale intake” waarbij niet vooraf duidelijk is voor welk domein persoonsgegevens van betrokkene worden verzameld. De AP heeft verschillende malen gewezen op het belang dat er een grondslag is voor de verwerking van gegevens in het sociaal domein én dat er niet meer gegevens worden verzameld dan noodzakelijk. Daarbij heeft de AP over het integraal verwerken van gegevens onder meer opgemerkt “dat er in de materiewetten geen wettelijke taak is vastgelegd voor gemeenten om de taken op het gebied van jeugdzorg, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen en gemeentelijke schuldhulpverlening in onderlinge samenhang uit te voeren. De afzonderlijke wetten voorzien dus niet Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
in een wettelijke basis voor een domeinbrede taakuitoefening in het gedecentraliseerde sociale domein.” Het (beleids)voornemen daartoe in de memories van toelichting lijkt dan verderstrekkend dan de wetgeving toestaat. Als er gesprekken gevoerd worden in het kader van het “verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte”, dan vindt er vaak een brede uitvraag plaats en is er in beginsel sprake van zo’n “integrale intake”. Dit betekent niet dat er in dit stadium al persoonsgegevens geregistreerd hoeven te worden. Gegevens mogen niet worden geregistreerd omdat “informatie nou eenmaal aan de orde is gekomen” of omdat “het handig zou kunnen zijn voor de toekomst”, aldus de AP. Het registreren van gegevens wordt pas nodig als er een meer concrete ondersteuningsbehoefte blijkt te zijn en duidelijk is binnen welk domein in de eerste plaats een oplossing gevonden kan worden. Dit zal dan gebeuren in het kader van het onderzoek of ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag, waarbij nog steeds geldt dat er niet meer gegevens worden verzameld dan noodzakelijk is. [Artikel 2.
Klachtregeling Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten die betrekking hebben de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Participatiewet en deze verordening.] [Toelichting Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht in het kader van het sociaal domein. De gemeente is al op grond van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan. In de regel zal eerst de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v. van de Jeugdwet, waar het betreft jeugdhulp, en artikel 42, waar het betreft maatschappelijke ondersteuning.
Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, of niet logisch, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, dan komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht.] Implementatiehandleiding: Deze bepaling is als facultatief aangemerkt vanwege het feit dat het inhoudelijk niets toevoegt aan de regeling van dit onderwerp in de afzonderlijke wetten die het sociaal domein bestrijken en de Awb. Een reden om het desondanks toch op te nemen kan gevonden worden in een in deze verordening meer volledig beeld willen schetsen van de rechten van de cliënt. Hoofdstuk 2 – Jeugdhulp Toelichting (algemeen deel) Dit hoofdstuk geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Deze wet maakt onderdeel uit van de in 2015 ingezette bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
jeugdigen. Een van de uitgangspunten hierbij was dat een omslag gemaakt zou worden van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wmo. Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg zijn vervangen door een voorzieningenplicht, waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken. Dit hoofdstuk kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet eveneens dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Vrij toegankelijk In dit hoofdstuk is onderscheid gemaakt tussen overige (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrijtoegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp (zie artikel 4, eerste, respectievelijk tweede lid).
Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. Toegang jeugdhulp via de gemeente Ook kan een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder binnenkomen bij de gemeente (in sommige gevallen nadat zij naar de gemeente zijn doorverwezen door het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AMHK)). De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand op basis van het onderzoek dat namens het college in samenspraak met die jeugdige en zijn ouders wordt uitgevoerd. Veelal zal op basis van één of meerdere gesprekken tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouders gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet vrij-toegankelijke voorziening.
Is het laatste het geval dan neemt het college een besluit tot verstrekking van de voorziening en worden de jeugdige en zijn ouders doorverwezen naar een jeugdhulpaanbieder die in staat is om de betreffende problematiek aan te pakken. Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld. Dit hoofdstuk regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is (zie artikel 4). Omdat de gemeente verder geen nadrukkelijke rol speelt in bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist, regelt deze slechts een enkel aspect met betrekking tot het proces (zie artikel 5). Artikel 13 en verder zijn wel van overeenkomstige toepassing.
Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren.
Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in dit hoofdstuk. Paragraaf 1 – Algemene bepalingen jeugdhulp Artikel 3. Definities In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
- andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; - individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 4, tweede lid; - overige voorziening: overige voorziening als bedoeld in artikel 4, eerste lid; - pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken.
Toelichting Onder het begrip ‘andere voorziening’ wordt in dit hoofdstuk verstaan een voorziening die niet op grond van de Jeugdwet wordt getroffen, maar in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk en inkomen of zorg. Zie ook artikel 2.9, onder b, van de Jeugdwet. De verschillende beschikbare vormen van jeugdhulp zijn opgenomen in artikel 4 (overige voorzieningen in het eerste lid, individuele voorzieningen in het tweede lid). Hoe individuele voorzieningen verkregen kunnen worden, is nader geregeld in paragraaf 2. De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting pgb in het spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden budget’. Het aantal definities van artikel 3 is beperkt aangezien de Jeugdwet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor dit hoofdstuk. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’, ‘jeugdige’ en ‘ouder’. In dit hoofdstuk gebruiken we de begrippen jeugdige en ouder overeenkomstig de Jeugdwet. Indien mogelijk aangeduid algemeen als ‘jeugdigen en ouders’ en specifiek veelal als ‘de jeugdige of zijn ouders’. Gebruik van ‘of’ impliceert ook de betekenis ‘en’.
Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouders’ bedoelen we dus: de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder) zelfstandig, de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de wet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder) (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar), of de ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar). In artikel 1.1 van de Jeugdwet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd: 1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen; 2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en 3°.
het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht. Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
Ook de Awb kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb). Artikel 4. Vormen van jeugdhulp 1. De volgende vormen van overige voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. […]; b. […]; c. […]. 2. De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. […]; b. […]; c. […]. Toelichting Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, op grond waarvan de gemeente verplicht is bij verordening regels te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige jeugdhulpvoorzieningen. Los van deze verplichting vindt de gemeente het belangrijk dat voor iedereen duidelijk is wat het gemeentelijke aanbod aan jeugdhulpvoorzieningen is. Ook vindt de gemeente het belangrijk dat op voorhand duidelijk is – uitgaande van toegang tot de jeugdhulp via de gemeente (zie artikel 6) – welke vormen van voorzieningen alleen toegankelijk zijn na een besluit van de gemeente (de ‘individuele voorzieningen’) en welke in beginsel vrij toegankelijk zijn voor iedereen waarvoor ze bedoeld zijn (de ‘overige voorzieningen’). Daarom zijn in dit artikel de vormen van jeugdhulp die door de gemeente worden geboden opgesomd. Van verschillende van de hier genoemde vormen van jeugdhulp bestaan diverse varianten.
De inzet van een specifieke variant zal steeds afhankelijk zijn van de uitkomst van het onderzoek en de betreffende situatie en de specifieke behoeften van de jeugdige en zijn ouders. NB Individuele gemeenten kunnen uiteindelijk naar aanleiding van de uiteindelijke invulling deze toelichting zelf aanvullen. Implementatiehandleiding: Artikel 4 geeft uitvoering aan artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, op grond waarvan de gemeente verplicht is bij verordening regels te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige jeugdhulpvoorzieningen. Uit de memorie van toelichting op de wet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) valt op te maken dat hiermee onder meer voor de burger inzichtelijk gemaakt moet worden welke vormen van jeugdhulp – uitgaande van toegang tot de jeugdhulp via de gemeente (zie artikel 4 en verder) – alleen toegankelijk zijn na een besluit van de gemeente (de ‘individuele voorzieningen’) en welke in beginsel vrij toegankelijk zijn voor iedereen waarvoor ze bedoeld zijn (de ‘overige voorzieningen’). Van verschillende van de hier te noemen vormen van jeugdhulp zullen diverse varianten bestaan. De inzet van een specifieke variant (een concrete voorziening) zal steeds afhankelijk zijn van de uitkomst van het onderzoek en de betreffende situatie en de specifieke behoeften van de jeugdige en zijn ouders.
Eerste lid: Hoe overige voorzieningen genoemd worden verschilt lokaal vaak sterk. Gedacht wordt aan voorzieningen zoals welzijnswerk, het consultatiebureau, coaching of een ‘maatjesproject’. Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
Tweede lid: Voor de opsomming van de vormen van beschikbare individuele voorzieningen kan bijvoorbeeld aangesloten worden bij de iStandaarden in de Zorg en Ondersteuning en de 'productcategorieën' waarvoor standaardproductcodes zijn zoals: persoonlijke verzorging, dagbehandeling, dagbesteding, vervoerdiensten, jeugdhulp verblijf (incl. beh.), jeugdhulp verblijf (excl. beh.), jeugdhulp ambulant, generalistische Basis GGZ, specialistische GGZ, jeugd-ggz, etc. Er zijn ook gemeenten die kiezen voor een hoger abstractieniveau: begeleiding, behandeling, verblijf, pleegzorg, vervoer. Paragraaf 2 – Toegang tot jeugdhulp Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. -variant 1 – college legt op verzoek jeugdige/ouders individuele voorziening bij beschikking vast 2. Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking. -variant 2 – college legt individuele voorziening bij beschikking vast 2. Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking.
Toelichting Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp (zie hierna), bestaat ook nog steeds de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp (artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet). Dit laatste geldt zowel voor de vrijtoegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Uiteraard is de aanbieder hierbij gehouden aan hetgeen volgt uit de contract- of subsidierelatie met de gemeente en uit deze verordening (bijvoorbeeld ten aanzien van welke voorzieningen vrij toegankelijk zijn en welke alleen met een besluit van de gemeente).
Het college maakt verder afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing plaatsvindt (artikel 2.7, vierde lid, van de Jeugdwet). Deze afspraken dienen ertoe dat de gemeente haar regierol kan waarmaken en de omvang van het voorzieningenpakket beheersbaar kan houden. De afspraken zullen ook ingaan op hoe de verwijzende artsen en degenen die namens de gemeente betrokken zijn bij de gemeentelijke toegang (zie artikel 6 en verder) op passende wijze van elkaar op de hoogte blijven met betrekking tot verwijzingen en behandelingen, zodat het streven van Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
een integrale benadering en het uitgangspunt van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, in het bijzonder bij multiproblematiek, zo goed mogelijk verwezenlijkt kan worden. Nadere toelichting als voor variant 1 wordt gekozen Als de jeugdige of zijn ouders dit wensen òf in het uitzonderlijke geval dat het college een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking aan de jeugdige of zijn ouders. Op die manier wordt de jeugdige en zijn ouders de benodigde rechtsbescherming geboden en wordt voorkomen dat het college talloze beschikkingen moet afgeven die hetzelfde luiden als hetgeen de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van de jeugdhulpaanbieder nodig hebben. Nadere toelichting als voor variant 2 wordt gekozen Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, in alle gevallen vast in een beschikking aan de jeugdige of zijn ouders. Implementatiehandleiding: Juridisch is het niet noodzakelijk dat, als gebruik wordt gemaakt van de route via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, de gemeente in alle gevallen het oordeel van de jeugdhulpaanbieder in een schriftelijke beschikking vastlegt voor de jeugdige of zijn ouders.
Zolang de gemeente maar regelt dat de jeugdige of zijn ouders de naar het oordeel van de jeugdhulpaanbieder benodigde voorziening daadwerkelijk ontvangt. Er kan ook voor gekozen worden om, in plaats van het geven van een beschikking in alle gevallen, alleen een beschikking af te geven als de jeugdige of zijn ouders dit wensen òf in het uitzonderlijke geval dat de gemeente een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder. Op die manier wordt de jeugdige en zijn ouders nog steeds de benodigde rechtsbescherming geboden en wordt voorkomen dat de gemeente talloze beschikkingen moet afgeven die hetzelfde luiden als hetgeen de jeugdige naar het oordeel van de jeugdhulpaanbieder nodig heeft. Met het oog hierop zijn van het tweede lid twee varianten uitgewerkt. Bij de variant 1 wordt de te verlenen individuele voorziening, of het afwijzen daarvan, alleen op verzoek vastgelegd in een beschikking. Bij variant 2 wordt de te verlenen individuele voorziening, of het afwijzen daarvan, altijd vastgelegd in een beschikking. NB Overwogen is variant 1 te schrappen. Dit in het licht van onder meer het Rapport Eerste evaluatie Jeugdwet (zie o.a.
pagina 46) en de gedachte dat het standaard werken met beschikkingen mogelijk aanvullende mogelijkheden zouden kunnen bieden in het kader van sturing, toezicht en handhaving door of vanwege de gemeente (bijvoorbeeld bij terugvordering, maar ook de mogelijkheid van de jeugdige en zijn ouders om te signaleren of de verleende jeugdhulp overeenkomt met hetgeen is toegekend wordt vergroot als dit duidelijk is vastgelegd in een beschikking). Hier is echter vanaf gezien in verband met een mogelijke wetswijziging, waarmee juist aangestuurd zou gaan worden op het (vaker) werken zonder beschikkingen.2 Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de gemeente Toelichting (algemeen deel) Deze en volgende bepalingen [– en in aanvulling daarop de nadere regeling van het college –] regelen de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Zijn opgenomen om een zorgvuldige procedure te 2
Over deze mogelijke wetswijziging is op dit moment nog geen nadere informatie beschikbaar.
Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
waarborgen. Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de Jeugdwet. In de praktijk zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet zelf uitvoeren, maar mandateren aan deskundigen. Ook op andere plaatsen in dit hoofdstuk en in de Jeugdwet waar “het college” staat, kan het college deze bevoegdheid mandateren. Implementatiehandleiding: Op grond van artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet moeten gemeenten onder meer regelen: de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Ter uitvoering hiervan zijn drie varianten uitgewerkt. Variant 1: De raad delegeert het vaststellen van de procedure aan het college. Voordeel van deze variant is dat de procedure sneller gewijzigd kan worden. Nadeel is dat de raad hier verder weinig directe controle over heeft. Voor de uitwerking door het college kan aansluiting gezocht worden bij de artikelen van variant 2a of 2b. Dat het college de procedure vaststelt, hoeft immers niet te betekenen dat een inhoudelijk andere procedure voor de hand ligt. Varianten 2a en 2b: De raad legt de procedure zelf vast in de verordening.
Voordeel hiervan is dat de regeling minder snel aangepast zal worden, waardoor burgers uit kunnen gaan van een bestendige procedure. Doordat de procedure in de verordening van de raad vastgelegd wordt, kennen deze varianten meerdere artikelen. -variant 1 – delegatie vaststellen procedureregels aan college van B&W Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de gemeente Het college stelt bij nadere regeling regels met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Het college geeft daarbij aan op welke wijze hij jeugdigen en ouders informeert over de mogelijkheid en het belang om in bepaalde gevallen een beroep op jeugdhulp te doen. -variant 2 – procedureregels in raadsverordening -variant 2a – start met melding Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de gemeente 1. Jeugdigen en ouders kunnen een behoefte aan jeugdhulp melden bij het college. Als de jeugdige of zijn ouders daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het verhelderen van de ondersteuningsbehoefte. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en wijst de jeugdige en zijn ouders voor het onderzoek, bedoeld in artikel 7, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning [en op de mogelijkheid om binnen [… (bijvoorbeeld twee)] weken een familiegroepsplan op te stellen.
Als de jeugdige of zijn ouders daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan]. 3. In spoedeisende gevallen beslist het college na een melding onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke individuele voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van de jeugdige of zijn ouders of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet. Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
4. Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een overige voorziening. Toelichting Voor het verkrijgen van een individuele voorziening geldt de in artikelen 6 tot en met 12 (of 13, als betrokkene een pgb wenst) beschreven procedure. Bij het onderzoek ter beoordeling van een aangemelde hulpvraag (artikel 7) zal in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger in de eerste plaats gekeken worden naar hun behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een overige jeugdhulpvoorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een individuele voorziening. De jeugdige of zijn ouders die een beroep willen doen op een overige voorziening kunnen hier ook direct naartoe, zonder de meldingsprocedure te doorlopen (vierde lid). Implementatiehandleiding: Gezien de beperkte relevantie voor de praktijk is de verwijzing naar het familiegroepsplan telkens facultatief gemaakt. Gemeenten die positieve ervaringen hebben met het al opstellen van familiegroepsplannen in deze fase kunnen ervoor kiezen om de bepaling over te nemen en uit te werken.
Het wel of niet overnemen doet niets af aan hetgeen is bepaald in artikel 2.1, aanhef en onder g, van de Jeugdwet: Het gemeentelijke beleid inzake preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering en de uitvoering van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering is gericht op het tot stand brengen en uitvoeren van familiegroepsplannen en het verlenen van hulp op basis van familiegroepsplannen, ter uitvoering van artikel 4.1.2 en indien sprake is van vroege signalering van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Artikel 7. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1. Het college onderzoekt in samenspraak met de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen [… (bijvoorbeeld zes)] weken na ontvangst van de melding: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouders, de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie; b. of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja: 1°. welke problemen of stoornissen dat zijn; 2°.
welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; 3°. of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders en de personen die tot hun sociale omgeving behoren toereikend zijn om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden, en 4°. voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg;
Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
c. hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, en d. indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. [2. Als de jeugdige of zijn ouders een familiegroepsplan hebben opgesteld, betrekt het college dat bij het onderzoek.] 3. Het college informeert de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. 4. Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een pgb. De jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze. 5. De jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger verschaffen het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen.
Toelichting Bij het onderzoek ter beoordeling van een aanvraag zal in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger in de eerste plaats gekeken worden naar hun behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een overige jeugdhulpvoorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een individuele voorziening. Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger. Een zorgvuldig onderzoek vereist het op enigerlei doorlopen van de volgende stappen3: Stap 1 - inventariseer de vraag Wat is eigenlijk de jeugdhulpvraag van de jeugdige of zijn ouders? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1 van de Jeugdwet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp.
Stap 2 - breng de onderliggende problematiek minutieus en onderbouwd in kaart Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er?
3
Dit volgt uit onder andere de uitspraak van de CRvB van 1 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1477).
Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast Welke hulp is noodzakelijk, en in welke omvang? Deze vraag moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren. Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de toereikendheid van de eigen kracht. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul.
Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht die uiteindelijk de jeugdhulpplicht concretiseert, welke op het college rust? Ten aanzien van de afstemmingsplicht in onderdeel d valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de Wmo 2015, de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) of de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) en een voorziening op het gebied van passend onderwijs. Implementatiehandleiding: In het eerste lid moet een termijn worden ingevuld waarbinnen – na de melding – het onderzoek moet zijn uitgevoerd. In artikel 10 moet bovendien een termijn worden opgenomen waarbinnen het college vervolgens de beschikking moet geven. Dit om duidelijkheid voor de jeugdige en zijn ouders te creëren en om te voorkomen dat er een te lange tijd overheen gaat. Door de suggestie van zes en twee weken te volgen, wordt aangesloten bij de meldingsprocedure van de Wmo 2015 en – in zekere zin – bij de redelijke termijn van acht weken van de Awb. Artikel 8. Identificatie Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouders vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Artikel 9.
Verslag Binnen […] werkdagen na het onderzoek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek (het verslag). Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders worden aan het verslag toegevoegd. Toelichting Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure. Hierbij is een voorbeeld genomen aan de praktijk van de Wmo, waar het gebruikelijk is Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
dat het college een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om de cliënt in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening (vergelijkbaar met een individuele voorziening in deze context). Een verslag bevat echter geen volledige weergave van de in het kader van het onderzoek gevoerde gesprekken. Alleen gegevens die noodzakelijk zijn voor om te kunnen voorzien in de behoefte van de jeugdige of zijn ouders worden opgenomen. Een goede weergave hiervan maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de jeugdige en zijn ouders. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek anders zijn naar gelang de uitkomsten van het onderzoek variëren. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de jeugdige of zijn ouders van mening zijn goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een individuele voorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Implementatiehandleiding: De termijn waarbinnen het college het verslag moet verstrekken moet nog ingevuld worden. Artikel 10. Aanvraag 1. Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college.
[Een aanvraag wordt ingediend door middel van: a. een door het college vastgesteld formulier, of b. een door de jeugdige of zijn ouders ondertekend verslag als bedoeld in artikel 9.] 2. Het college geeft de beschikking binnen [… (bijvoorbeeld twee)] weken na ontvangst van de aanvraag. Implementatiehandleiding: Gemeenten die de voorkeur geven om te werken met een aanvraagformulier kunnen de facultatieve toevoeging aan het eerste lid overnemen. Aangeraden wordt om het aanvraagformulier dan summier te houden, opdat er niet standaard onnodig persoonsgegevens verwerkt worden. Een voordeel van het werken met een formulier is dat aanvragen die langs andere weg binnenkomen niet in behandeling genomen hoeven te worden. Dit kan gelijk ook het nadeel zijn. Ook als er gekozen wordt om wel met een formulier te werken, kan er nog bepaald worden dat een aanvraag (daarnaast) gedaan kan worden door een ondertekend gespreksverslag aan te merken als aanvraag (zie het tweede deel van de facultatieve bepaling). In het tweede lid moet de beslistermijn ingevuld worden. Zie daarvoor verder wat hierover bij artikel 7 is opgemerkt.
-variant 2b – start met aanvraag Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de gemeente 1. Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college. Als de jeugdige of zijn ouders daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het verhelderen van de ondersteuningsbehoefte. [Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld formulier.]
Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
2. Het college geeft de beschikking binnen [… (bijvoorbeeld acht)] weken na ontvangst van de aanvraag. In spoedeisende gevallen beslist het college na een aanvraag onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke individuele voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 6, of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet. 3. Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een overige voorziening. Toelichting Voor het verkrijgen van een individuele voorziening geldt de in artikelen 6 tot en met 8 (of 9, als betrokkene een pgb wenst) beschreven procedure. Bij het onderzoek ter beoordeling van een aangemelde hulpvraag (artikel 7) zal in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger in de eerste plaats gekeken worden naar hun behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een overige jeugdhulpvoorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een individuele voorziening. De jeugdige of zijn ouders die een beroep willen doen op een overige voorziening kunnen hier ook direct naartoe, zonder de meldingsprocedure te doorlopen (derde lid). In deze verordening – een wettelijk voorschrift – is de beslistermijn op uiterlijk […] weken na indiening van de aanvraag gesteld.
In veel andere gevallen bedraagt de beslistermijn acht weken. Dat is dan uitdrukkelijk bepaald of het volgt uit artikel 4:13, tweede lid, van de Awb. In die bepaling is bepaald dat de ‘redelijke termijn’ om een beschikking te geven acht weken bedraagt. Die ‘redelijke termijn’ geldt echter alleen als niet in een wettelijke voorschrift een andere termijn is bepaald. Deze bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn moet uiteraard ook redelijk zijn; redelijk in relatie tot de (tijds)inspanning die nodig is voor een zorgvuldige behandeling van de aanvraag. In dit geval wordt […] weken redelijk geacht. Jeugdigen en ouders hebben namelijk de gelegenheid om tot [… (bijvoorbeeld twee)] weken na de aanvraag een familiegroepsplan in te dienen. Dit plan betrekt het college vervolgens bij het onderzoek. Om dit onderzoek zorgvuldig uit te kunnen voeren én het plan hierbij te kunnen betrekken[, is bepaald dat het onderzoek uiterlijk […] weken na ontvangst van de aanvraag uitgevoerd moet zijn. Vervolgens heeft het college dan nog twee om de beschikking te geven. Zodoende] wordt een totale doorlooptijd van […] weken redelijk geacht. Implementatiehandleiding: Eerste lid: Gemeenten die de voorkeur geven om te werken met een aanvraagformulier kunnen de facultatieve toevoeging overnemen. Zie verder wat hierboven bij artikel 10 is opgemerkt (variant 2a).
Tweede lid: Hier moet de beslistermijn ingevuld worden. In veel gevallen bedraagt de beslistermijn acht weken. Dat is dan uitdrukkelijk bepaald of het volgt uit artikel 4:13, tweede lid, van de Awb. In die bepaling is bepaald dat de ‘redelijke termijn’ om een beschikking te geven (maximaal) acht weken bedraagt. Die ‘redelijke termijn’ geldt echter alleen als niet in een wettelijke voorschrift een andere termijn is bepaald. Deze bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn moet uiteraard ook redelijk zijn; redelijk in relatie tot de (tijds)inspanning die nodig is voor een zorgvuldige behandeling van de aanvraag. Als jeugdigen en ouders de gelegenheid krijgen om tot bijvoorbeeld twee weken na de aanvraag een familiegroepsplan in te dienen (zie artikel 7, tweede lid), dan zou aan langere termijn redelijk geacht kunnen worden. Het familiegroepsplan dient het college namelijk bij het onderzoek te betrekken (als die mogelijkheid geboden wordt); dat onderzoek kan in beginsel dus niet eerder Bijlage 1/9 bij VNG ledenbrief, april 2019