2a Toelichting - Bijlage 29 Verslag inspraakreacties startdocument.pdf
Tekst van het document
In de huidige opzet bieden de plannen voor het Maasterras te weinig perspectief voor collectieve woonvormen voor senioren. Hiermee wijkt de gemeente af van beleid terzake van het rijk en de provincie Zuid-Holland en wensen vanuit de gemeenteraad. 2. Wij adviseren om in het project in beginsel een aantal - twee of drie concrete locaties aan te wijzen voor collectieve woonvormen voor senioren, zodat hiermee ter zijner tijd bij de gronduitgifte rekening kan worden
Zelfredzaamheid is genoemd in het kader van externe veiligheid. Met zelfredzaamheid wordt bedoeld de mate waarin aanwezigen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij dreigend gevaar, bijvoorbeeld door te schuilen, maar ook door te vluchten. Het klopt dat het doel gezondheid niet specifiek is uitgewerkt op sociale criteria zoals eenzaamheid. Dat komt ook omdat sociale criteria in deze fase van de planvorming nog niet concreet te toetsen zijn. Dat is pas mogelijk in de fase hierna als per deelgebied verkavelingsplannen worden opgesteld. Dit wil niet zeggen dat bij de uitwerking van de verkavelingsplannen geen aandacht zal zijn voor dit belangrijke thema. Met name in de aanbesteding van de deelplannen en het nog op te stellen beeldkwaliteitsplan zal dit concreet uitwerking kunnen krijgen.
Het OER is bedoeld om te onderzoeken of er alternatieven of varianten mogelijk zijn die tot minder nadelige effecten leiden. Het is uiteindelijk aan de gemeenteraad om een evenwichtige keuze te maken tussen kwalitatieve doelen en economische doelen.
1. Zie het antwoord bij 9a. 2. Zie het antwoord bij 9a. 3. Dit advies wordt meegenomen in de verdere planuitwerking.
gehouden. Spreek dit uit en leg het expliciet vast. 3. Wij adviseren de gemeente om een apart overleg te starten met initiatieven voor gemeenschappelijke woonvormen voor senioren zoals: onze SLOW woongemeenschap i.o, het Knarrenhof initiatief en eventuele andere initiatieven in Dordrecht. Een dergelijk platform zou als klankbord kunnen fungeren voor de gemeente bij verdere planvorming.
10. NS Regiodirectie Zuid NS regiodirectie Zuid a. Graag willen we meegeven dat voor deelgebied Ml geldt dat deze in gebruik is door en in eigendom is van ProRail (emplacement) en NS (parkeerterrein Weeskinderendijk). Onderzoek moet uitwijzen welke functies (in brede zin) noodzakelijk blijven voor een robuust, goed functionerend spoornetwerk en welke consequenties dit heeft voor mogelijk herinrichting van het gebied. Hierop vooruitlopend kunnen geen conclusies getrokken worden.
Reactie college De plannen voor deelgebied M1 Maasterras zullen in overleg en samenwerking met NS en ProRail worden opgesteld. Op M1 kan geen ontwikkeling plaatsvinden zonder die samenwerking.
11. Eigenaar in het projectgebied Eigenaar in het projectgebied a. Namens de eigenaar van diverse bedrijfspercelen in deelgebied 7 (De Put) wordt deze zienswijze ingediend. Aangeboden wordt kennis en kunde in te brengen om gezamenlijk de ontwikkelingsmogelijkheden van de huidige bedrijfslocatie naar woningbouw te onderzoeken. b. Wanneer wij het startdocument lezen, lezen wij daar uitgangspunten waarover wij graag in overleg gaan. Wij staan positief tegenover de ontwikkeling maar zien andere mogelijkheden dan nu zijn omschreven. Concrete voorbeelden zijn dat wij op onze locatie meer programma/ lees meer volume mogelijk achten en dat er andere
Reactie college Dank voor uw aanbod. Wij treden graag met u in overleg.
Zie antwoord bij a.
c.
parkeeroplossingen mogelijk zijn (geen ondergronds parkeren). Allereerst willen wij benadrukken dat er een prettig en constructief contact met uw projectleider is. Met hem is afgesproken dat wij als eigenaar op de hoogte zouden worden gehouden. Het verraste zowel ons dat wij de aankondiging van de m.e.r.procedure niet hebben ontvangen. Het verzoek dan ook om ons per E-mail op de hoogte te houden.
Excuus, blijkbaar is er bij de verzending naar alle ons bekende eigenaren iets fout gegaan. Wij begrijpen dat er intussen contact is geweest om dit te corrigeren.
12. Raadsfractie GroenLinks (Artikel 40 vragen) GroenLinks Dordrecht a. M.b.t. luchtkwaliteit (blad 31) geeft de leefomgevingsfoto aan dat aan de wettelijke eisen wordt voldaan, maar niet aan de WHOnormen. U verwacht dat dat zo blijft. U geeft wel als ambitie aan om in de richting van de WHO-normen 2021 te gaan en stelt als minimumeis te voldoen aan de WHOadvieswaarden van 2005. 1. Hoe verhoudt de huidige luchtkwaliteit zich tot de WHOadvieswaarden van 2005? 2. Bent u bereid de ambitie en de minimale kwaliteit zodanig bij te stellen dat een verbetering van de luchtkwaliteit t.o.v. de huidige situatie gegarandeerd is?
b.
De cumulatieve geluidsbelasting ligt nu in een groot deel van het gebied boven de 70 dB. U streeft ernaar dat tot maximaal 68 dB te verlagen; u beschouwt maximaal 65 dB als optimaal (blad 33). Dat is beide ver boven de voorkeursnorm. Bent u 1. bereid hier t.b.v. de leefbaarheid hogere eisen te stellen en vast te leggen dat u ook hier de WHO-normen nastreeft? In de analyse van de basis variant geeft u aan dat de minimale kwaliteit m.b.t. geluid daarin niet wordt gehaald (blad 52). 2. Welk effect verwacht u per saldo van de genoemde aanpak?
Reactie college 1. De huidige luchtkwaliteit in het Maasterras ten opzichte van de WHOadvieswaarde 2005 is als volgt (μg/m3): Stof Stikstofdioxide NO2 Fijn stof PM10 Fijn PM2,5
Huidig 20 tot 30 18 tot 21 9 tot 10
Advies 2005 40 20 10
2. Als het gaat om de bereidheid de minimale ambitie aan te scherpen dan is dit juist een onderwerp dat in het OER uitwerking moet krijgen. Het OER is immers bedoeld om binnen de ruimte die de raad ons geboden heeft (vanuit de omgevingsvisie) alternatieven uit te werken. In die alternatieven zoeken we de uitersten op zodat inzichtelijk wordt binnen welke bandbreedte de raad keuzes kan maken. Het is uiteindelijk aan de raad om in de voorkeursvariant vast te leggen welke kwaliteit minimaal behaald moet worden. Zie in dit verband ook de beantwoording op zienswijze 8 onder c. 1. Onder verwijzing naar de beantwoording onder a2 zal het OER de informatie moeten opleveren die antwoord geeft op de vraag of het mogelijk is een eis te stellen dichter bij de WHO-normen. 2. Op voorhand is duidelijk dat het geen eenvoudige opgave zal worden om de geluidbelasting terug te dringen. De geluidbelasting is vanwege de ligging en de aanwezige geluidbronnen hoog. De zoektocht is om middels het OER zodanige maatregelen te nemen en de invulling van het gebied zodanig te ontwerpen dat een goed woon- en leefmilieu gaat ontstaan. De OER zal uiteindelijk – via de drie
c.
M.b.t. externe veiligheid geeft u aan dat het groepsrisico niet groter mag worden dan in de Omgevingsvisie vastgelegd. Er is in de stad de nodige zorg over de risico’s van gevaarlijke stoffen via het spoor. Bent u bereid vast te leggen dat het groepsrisico niet mag toenemen t.o.v. de huidige situatie?
d.
Bij de minimale kwaliteit voor hittestress (blad 36) wordt niets over schaduw gezegd. Bent u het met ons eens dat dat in deze tijd voor een woon- en leefomgeving een omissie is? Bent u bereid hier alsnog een minimumeis te formuleren? Zo je, welke? U zet in op (de mogelijkheid van) circulariteit (blad 37). Als minimale en optimale kwaliteit geeft u resp. 0,8 en 0,5 MPG aan. Wat betekent MPG? Bent u bereid de ambitie meer SMART te formuleren?
e.
alternatieven – inzichtelijk maken welke aanpak het meeste effect oplevert. Ons beleid ten aanzien van groepsrisico is vastgelegd in de Omgevingsvisie 1.0. Dit doen we gebiedsgericht. Het uitgangspunt hierbij is het vinden van een balans tussen veiligheid en andere maatschappelijke doelen. Hiervoor zijn gedifferentieerde veiligheidsniveaus per gebiedstype ontwikkeld die zijn afgestemd op de beoogde gebruiksintensiteit en sociaaleconomische functies. Het Maasterras moet zich ontwikkelen tot een gebied met een hoge gebruiksintensiteit vergelijkbaar met het gebiedstype centrum. Voor dit gebiedstype is in de omgevingsvisie een maximum groepsrisico van 4 maal de oriëntatiewaarde vastgesteld. De doelstelling is om een zo veilig mogelijk gebied met een hoge gebruiksintensiteit te ontwikkelen waarbij een eventuele stijging van het groepsrisico zodanig wordt beperkt dat de maximale waarde voor het groepsrisico zoals vastgesteld in de omgevingsvisie niet wordt overschreden. Als het gaat om de vraag of we willen vastleggen dat het groepsrisico niet kan toenemen dan geldt ook hier, net als onder a2, dat dit uiteindelijk de keuze is die de raad in de voorkeursvariant moet maken. Binnen de eis 40% groenblauw hoort ook een kwalitatieve inrichting met voldoende schaduwplekken. We zullen dit in het OER nader aanscherpen.
MPG staat voor Milieu Prestatie Gebouwen. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het is een instrument dat inmiddels wettelijk verplicht is bij elk bouwproject van meer dan 100m2. De wettelijke minimale norm is 0,8 euro/m2 BVO/jaar. De milieubelasting wordt bepaald aan de hand van een levenscyclusanalyse (LCA) van een materiaal. Hier komt een getal uit die de schaduwkosten (schade aan het milieu) van een product laat zien. De MPG is dan de som van de schaduwkosten van alle toegepaste materialen. Deze som wordt gedeeld door
f.
U constateert dat in de basisvariant in relatie tot de ambities problemen zijn m.b.t. het aantal woningen, verkeersafwikkeling, plekken voor spelen en bewegen, en ruimte voor kantoren en bedrijvigheid. Al met al lijken de ruimteclaims t.o.v. de basisvariant nogal fors. Kunt u aangeven wat de oplossing van die knelpunten zou betekenen voor de kwantiteit en kwaliteit van de openbare ruimte en voor de (al laag scorende) biodiversiteit? Hoe denkt u daarmee om te gaan?
de levensduur en bruto vloeroppervlak (bvo) van een gebouw, waarna de MPG uitgedrukt kan worden in de schaduwkosten per vierkante meter bvo, per jaar. De doelstelling is op dit moment SMART geformuleerd door een concreet meetsysteem te hanteren dat wettelijk verplicht is en daar een specifiek, meetbaar getal aan te hangen. Dit vraagstuk van stapeling van ruimteclaims zal in de OER uitgebreid aan de orde komen. De drie uit te werken alternatieven moeten inzichtelijk maken welke kansen er liggen om verschillende ruimteclaims te combineren. In de uit te werken voorkeursvariant zal dat uiteindelijk een (stedenbouwkundige) vertaling krijgen. Zie hiervoor ook de beantwoording onder a2.