2a Toelichting - Bijlage 27 Nader onderzoek soorten.pdf
Tekst van het document
Nader onderzoek ecologie Maasterras te Dordrecht Herontwikkeling woonwerkgebied Maasterras
projectnummer 0473236 definitief 16 oktober 2023
www.anteagroup.nl
Nader onderzoek ecologie Maasterras te Dordrecht Herontwikkeling woon-werkgebied Maasterras projectnummer 0473236 definitief 16 oktober 2023
Auteurs T.D. de Boer
Opdrachtgever Gemeente Dordrecht Postbus 8 3300 AA DORDRECHT
Gecontroleerd D. Alberts
Antea Group is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus
datum 16 oktober 2023
beschrijving definitief
vrijgave
datum 16 oktober 2023 projectnummer 466020 betreft Nader onderzoek ecologie
Inhoudsopgave 1.
Inleiding
4
1.1 1.2 1.3
Aanleiding Doel Leeswijzer
4 4 4
2.
Planvoornemen
5
2.1 2.2
Plan- en onderzoeksgebied Planvoornemen
5 6
3.
Methodiek
8
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
Broedvogels met jaarrond beschermde nesten Grondgebonden zoogdieren (steenmarter) Reptielen (muurhagedis) Insecten (teunisbloempijlstaart) Vaatplanten (ruw parelzaad en kleine wolfsmelk) Overzicht veldbezoeken
8 8 9 9 9 9
4.
Resultaten
11
4.1 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.1.4 4.1.5 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
Broedvogels met jaarrond beschermde nesten Boombroedende soorten (buizerd, boomvalk en ransuil) Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Huismus Slechtvalk Grondgebonden zoogdieren (steenmarter) Reptielen (muurhagedis) Insecten (teunisbloempijlstaart) Vaatplanten (ruw parelzaad en kleine wolfsmelk) Overige waarnemingen
11 11 12 13 13 16 16 17 17 18 18
5.
Effectbeoordeling
21
5.1 5.1.1 5.1.2 5.1.3 5.1.4 5.1.5 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7
Broedvogels met jaarrond beschermde nesten Boombroedende soorten (buizerd, boomvalk en ransuil) Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Huismus Slechtvalk Grondgebonden zoogdieren (steenmarter) Reptielen (muurhagedis) Insecten (teunisbloempijlstaart) Vaatplanten (ruw parelzaad en kleine wolfsmelk) Vrijgestelde soorten Invasieve soorten
21 21 21 21 21 22 22 22 22 22 22 23
6.
Conclusie & advies
24
6.1 6.2 6.3 6.4
Conclusie Advies beschermde soorten Advies vrijgestelde soorten Advies invasieve soorten
24 24 25 25
Literatuurlijst
27
Bijlage 1 Wettelijk kader
29
datum 16 oktober 2023 projectnummer 466020 betreft Nader onderzoek ecologie
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding Gemeente Dordrecht is voornemens om diverse terreinen, bekend als het Maasterras, te herontwikkelen tot woon-werkgebied. Het plangebied bevindt zich ten oosten van de Oude Maas en ten zuiden van de Havenstraat te Dordrecht (gemeente Dordrecht, Provincie Zuid-Holland). Dit wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met beschermde planten- en diersoorten. Er dient onderzocht te worden of het planvoornemen effect heeft op beschermde soorten (Wet natuurbescherming [Wnb]). Bijlage 1 bevat een overzicht van de verbodsbepalingen uit de Wnb. In het kader van het planvoornemen zijn twee Natuurtoetsen uitgevoerd (TAUW, 2022; Antea Group, 2023). Uit de Natuurtoetsen is naar voren gekomen dat het plangebied potentieel geschikt is als leefgebied voor beschermde dieren en planten. Het gaat om broedvogels met jaarrond beschermde nesten (boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, huismus, ransuil en slechtvalk), grondgebonden zoogdieren (steenmarter), reptielen (muurhagedis), insecten (teunisbloempijlstaart) en vaatplanten (ruw parelzaad en kleine wolfsmelk). Om te bepalen of er daadwerkelijk beschermde dieren en planten aanwezig zijn, is nader onderzoek uitgevoerd in de periode maart tot en met september 2023.
In voorliggende rapportage zijn de resultaten van het nader onderzoek beschreven, dat aanvullend is op een nader onderzoek dat eerder is uitgevoerd (TAUW, 2023). Het onderzoek is uitsluitend gericht op bovengenoemde soorten, gebaseerd op bestaande Natuurtoetsen.
1.2
Doel Het doel van het nader onderzoek is drieledig: • Er is vastgesteld of er beschermde functies van beschermde dieren en planten aanwezig zijn in het onderzoeksgebied; • Er wordt bepaald of er sprake is van een overtreding van de Wet natuurbescherming als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden; • Advies over vervolgstappen en maatregelen.
1.3
Leeswijzer Het nader onderzoek is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1 bevat de aanleiding voor het nader onderzoek; Hoofdstuk 2 bevat een omschrijving van het planvoornemen; In hoofdstuk 3 staat de gehanteerde methodiek beschreven, inclusief een overzicht van de veldbezoeken; In hoofdstuk 4 staan de resultaten van het nader onderzoek; Hoofdstuk 5 bevat de toetsing van de resultaten ten aanzien van de Wnb; Hoofdstuk 6 bevat de conclusies en een advies over te nemen maatregelen. In bijlage 1 wordt het wettelijk kader beschreven.
blad 4 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 466020 betreft Nader onderzoek ecologie
2.
Planvoornemen In dit hoofdstuk wordt in paragraaf 2.1 ingegaan op het plangebied en in paragraaf 2.2. op de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied.
2.1
Plan- en onderzoeksgebied Het Maasterras is een gebied binnen de bebouwde kom van Dordrecht. Het totale plangebied beslaat circa 50 hectare. Het plangebied heeft verschillende functies zoals bedrijventerreinen met een diversiteit aan panden, kantoorpanden, woonwijk, woonwagenkamp, parkeerterrein, een rangeerterrein en sportvelden. In het plangebied zijn op diverse plekken opgaande begroeiingen aanwezig. Dwars door het plangebied bevindt zich de snelweg A16. De weg is deels ondergronds en grotendeels bovengronds gelegen. De westgrens wordt gedeeltelijk gevormd door de oever en kade van de Oude Maas. Verspreid over het plangebied is vergeleken met de omgeving relatief veel groene structuur aanwezig. Het plangebied is opgedeeld conform de Ontwikkelvisie Spoorzone (Mecanoo architecten, 2021). De herontwikkeling is in deze visie opgedeeld in negen deelgebieden: M1 Maaspark/parkeergarage, M2 Waterfront, M3 Weeskinderdijk West, M4 Weeskinderdijk Oost, M5 Brands Buysstraat, M6 Overkapping A16, M7 De Put, M8 Handelskade en M9 afrit 21. Een dergelijk groot herontwikkelingsproject kan niet op de korte termijn gerealiseerd worden. Daarom wordt fasering toegepast, waarbij een bestemmingsplan wordt opgesteld voor de gebieden M1, M2, M3, M4 en M5.
In lijn met de fasering heeft voorliggend nader onderzoek enkel betrekking op de gebieden M1, M2, M3, M4 en M5, zijnde het onderzoeksgebied van voorliggend nader onderzoek. In figuur 2.1 is de ligging van het plangebied weergegeven. In figuur 2.2 zijn de deelgebieden aangegeven, waaronder M1 t/m M5 zijnde het onderzoeksgebied van voorliggend nader onderzoek.
Figuur 2.1 Ligging van het plangebied (rood gearceerd). Bron: QGIS, 2023.
blad 5 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 466020 betreft Nader onderzoek ecologie
M2 M1 M3 M4 M6
M8
M5 M7
Figuur 2.2 Deelgebieden binnen het plangebied inclusief M1, M2, M3, M4 en M5 zijnde het onderzoeksgebied. Bron: Mecanoo architecten, 2021.
2.2
Planvoornemen Gemeente Dordrecht is voornemens om diverse terreinen, bekend als het Maasterras, te herontwikkelen tot woon-werkgebied. Het Maasterras is onderdeel van de Dordtse Spoorzone. De komende 10 jaar wil de gemeente tussen het spoor, de A16 en de Oude Maas een compleet nieuwe groene en duurzame woonwijk bouwen1. De nieuwe wijk zal bestaan uit veel woningbouw in het groen en menging van bedrijvigheid. De wijk wordt autoluw. Samengevat komt de ontwikkeling neer op de volgende onderdelen die worden gerealiseerd: • 2.000 tot 4.000 woningen • Verlengen van de tunnel A16 M9 • Parkeergarage onder het Maaspark • Maaspark (dient ook als geluidswering bij spoorlijnen) • Evenemententerrein van circa 1 ha binnen M1 • Diverse voorzieningen in de plinten • Hotel aan de Maas Figuur 2.3 geeft een impressie van de beoogde ontwikkeling weer.
1
Bron: https://cms.dordrecht.nl/Inwoners/Overzicht_Inwoners/Projecten/Ontwikkeling/Maasterras
blad 6 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 466020 betreft Nader onderzoek ecologie
Figuur 2.3 Impressie van het planvoornemen. Bron: Mecanoo architecten, 2023.
blad 7 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 466020 betreft Nader onderzoek ecologie
3.
Methodiek In dit hoofdstuk wordt de methodiek beschreven die gehanteerd is tijdens de inventarisaties om de aanwezigheid van beschermde soorten vast te stellen. Paragrafen 3.1 t/m 3.5 omvatten een beschrijving van de methode per soort(groep). In voorliggend nader onderzoek is uitsluitend onderzoek verricht naar de in deze paragrafen benoemde soorten. In paragraaf 3.6 staat een overzicht van de inventarisaties. Uit dit overzicht kan worden afgeleid in welk(e) deelgebied(en) onderzoek heeft plaatsgevonden naar welke soorten.
3.1
Broedvogels met jaarrond beschermde nesten Boombroedende soorten (buizerd, boomvalk en ransuil) Voor het nader onderzoek naar jaarrond beschermde nesten (JBN) van boombroedende soorten is het Kennisdocument Buizerd aangehouden (BIJ12, 2017a) om de aanwezigheid van buizerd, boomvalk en ransuil te onderzoeken. Het nader onderzoek bestond uit drie tot vier inventarisaties in de broedperiode van de desbetreffende soorten (met een minimale periode van 10 dagen tussen de bezoeken). Tijdens de inventarisaties heeft tenminste één deskundige ecoloog van Antea Group bij de nesten gepost om broedende individuen waar te nemen. Gierzwaluw Het onderzoek ten aanzien van de gierzwaluw is uitgevoerd conform het Soortinventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus (NGB, 2017) evenals het Kennisdocument Gierzwaluw (BIJ12, 2023). De periode waarin het onderzoek is uitgevoerd, betreft 1 juni en 15 juli. In desbetreffende periode zijn drie inventarisaties uitgevoerd, waarvan tenminste één bezoek in de periode 20 juni tot 8 juli. De inventarisaties zijn uitgevoerd door een team van twee deskundige ecologen van Antea Group vanaf circa twee uur voor zonsondergang tot een half uur erna. Grote gele kwikstaart Voor het vaststellen van broedgevallen van de grote gele kwikstaart, is op territorium- en nestindicerend gedrag gelet volgens de BMP-methode, opgesteld door SOVON (Vergeer et al., 2023).
Het gedrag betreft onder andere het vertonen van baltsgedrag, zingende mannetjes, de aanwezigheid van een volwassen individu en het verplaatsen van nestmateriaal richting een nestlocatie. Voor het vaststellen van een territorium zijn drie inventarisaties uitgevoerd, waarvan minimaal één in de periode 10 april - 20 juni, door een deskundige ecoloog van Antea Group. Huismus Voor de huismus is het Soortinventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus gevolgd (Netwerk Groene Bureaus, 2017) en dit is tevens conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2022). Gedurende desbetreffende inventarisaties is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van nestlocaties evenals essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving van de huismus. Het onderzoek is uitgevoerd in de periode van 1 april en 20 juni. In desbetreffende periode zijn drie inventarisaties uitgevoerd door twee deskundige ecologen van Antea Group met een tussenperiode van tenminste tien dagen. Slechtvalk Voor het nader onderzoek naar jaarrond beschermde nesten van de slechtvalk is het Kennisdocument Buizerd aangehouden (BIJ12, 2017a) om de aanwezigheid te onderzoeken. Het nader onderzoek bestond uit twee inventarisaties in de broedperiode (februari t/m mei) met een minimale periode van 10 dagen tussen de bezoeken.
Tijdens deze inventarisaties heeft tenminste één deskundige ecoloog van Antea Group bij de potentiële nestlocaties gepost om broedende individuen waar te nemen.
3.2
Grondgebonden zoogdieren (steenmarter) Er is geen vastgestelde onderzoeksmethode voor de steenmarter. Enkele methoden uit de Handreiking Kleine Marters (Bouwens, 2017) zijn ook effectief voor het aantonen van de aanwezigheid van de steenmarter. Derhalve is de Handreiking aangehouden. Tijdens het onderzoek is gebruik gemaakt van wildcamera’s (i.c.m. struikrovers).
blad 8 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 466020 betreft Nader onderzoek ecologie
Met behulp van losse wildcamera’s kunnen schuwe en nacht-actieve dieren worden waargenomen. Deze methode is met name geschikt voor grotere marters zoals de steenmarter. De struikrover is een pvc buis die aan één kant dicht is en aan de andere kant open. Aan de dichte kant is een wildcamera bevestigd. Naast kleine marters worden ook regelmatig andere marters (zoals de steenmarter) waargenomen met struikrovers. Om de trefkans te vergroten is gebruik gemaakt van lokstoffen (pindakaas, stroop en gekookt ei).
3.3
Reptielen (muurhagedis) Er is geen landelijk of provinciaal onderzoeksprotocol hoe de muurhagedis onderzocht moet worden. Het is gebruikelijk om bij onderzoek naar reptielen te controleren of er individuen zonnend aanwezig zijn in het onderzoeksgebied. Het onderzoek naar de muurhagedis bestond uit vier inventarisaties in de periode van half mei tot eind augustus om te controleren of er individuen aanwezig waren. Tussen de bezoeken zijn steeds minimaal 10 dagen verstreken. Om zonnende individuen waar te kunnen nemen is rekening gehouden met onbewolkt weer met een minimale temperatuur van 12 °C.
3.4
Insecten (teunisbloempijlstaart) Er is geen landelijk of provinciaal onderzoeksprotocol hoe de teunisbloempijlstaart onderzocht moet worden. Het is gebruikelijk om in de bloeiperiode van de waardplanten op en rond de planten te zoeken naar vraatsporen, eitjes, rupsen en imago’s. Daarom is het onderzoek naar de teunisbloempijlstaart gecombineerd met het onderzoek naar beschermde planten. Er is er tijdens vier inventarisatie door twee deskundige ecologen van Antea Group gezocht naar waardplanten en sporen op desbetreffende waardplanten.
3.5
Vaatplanten (ruw parelzaad en kleine wolfsmelk) Er is geen landelijk of provinciaal onderzoeksprotocol hoe vaatplanten onderzocht moeten worden. De bloeiperiode is de optimale periode om een inventarisatie uit te voeren. De planten vallen op dat moment het meest op door de bloeiwijze en zijn derhalve makkelijker te vinden. De bloeiperiode van ruw parelzaad is april t/m juni. De bloeiperiode van kleine wolfsmelk is vanaf juni t/m oktober. Tijdens de bloeiperiode van ruw parelzaad en kleine wolfsmelk hebben twee deskundige ecologen van Antea Group in totaal vier inventarisaties uitgevoerd. De inventarisaties in M1 hebben separaat plaatsgevonden vanwege beperkte toegang tot het terrein.
3.6
Overzicht veldbezoeken Er zijn in totaal 27 veldbezoeken uitgevoerd. De veldbezoeken hebben plaats gevonden van maart 2023 tot en met september 2023. In tabel 3.1 zijn de data, tijden en andere gegevens van de veldbezoeken weergegeven. Tabel 3.1 Data en omstandigheden van de veldbezoeken. Datum Tijd Gem. Wind Neerslag temperatuur 29-317.00 – 12 °C 2 Bft Geen 2023 22.30 30-310.00 – 12 °C 4 Bft Geen 2023 18.00 5-419.00 – 10 °C 2 Bft Geen 2023 21.00 17-46.15 – 7 °C 3 Bft Geen 2023 8.30 17-417.00 – 14 °C 3 Bft Geen 2023 23.00 24-418.00 – 9 °C 4 Bft Geen 2023 20.00 27-512.00 – 11 °C 4 Bft Geen 2023 15.00
Soort(groep) JBN buizerd, boomvalk en ransuil
Onderzoeksgebied M2 t/m M5
JBN huismus
M2, M4, M5
JBN huismus
M2, M4, M5
JBN grote gele kwikstaart en slechtvalk JBN buizerd, boomvalk en ransuil
M2 M2 t/m M5
JBN huismus
M2, M4, M5
Vaatplanten, teunisbloempijlstaart en muurhagedis
M1 t/m M3
blad 9 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 466020 betreft Nader onderzoek ecologie
31-52023 14-62023 15-62023 19-62023 20-62023 20-62023 30-62023 5-72023 5-72023 6-72023 13-72023 13-72023 15-72023 15-72023 31-72023 9-82023 21-82023 21-82023 4-92023 20-92023
5.00 – 7.00 20.00 – 22.30 16.00 – 20.00 20.00 – 22.30 5.00 – 8.00 18.00 – 00.00 20.30 – 22.30 20.00 – 22.00 18.00 – 00.00 15.00 – 18.00 14.00 – 20.00 20.15 – 22.15 17.00 – 23.00 20.20 – 22.20 n.v.t.
10 °C
2 Bft
Geen
23 °C
3 Bft
Geen
24 °C
3 Bft
Geen
18 °C
2 Bft
Geen
18 °C
2 Bft
Geen
28 °C
2 Bft
18 °C
JBN grote gele kwikstaart en slechtvalk JBN gierzwaluw, grote gele kwikstaart en slechtvalk JBN buizerd, boomvalk en ransuil JBN gierzwaluw
M2 M2 M2 t/m M5 M5
Geen
JBN grote gele kwikstaart en slechtvalk JBN buizerd, boomvalk en ransuil
M2 M2 t/m M5
4 Bft
Geen
JBN gierzwaluw
M2
18 °C
3 Bft
Geen
JBN gierzwaluw
M5
20 °C
4 Bft
Geen
JBN buizerd, boomvalk en ransuil
M2 t/m M5
19 °C
2 Bft
Geen
M1 t/m M3
23 °C
3 Bft
Geen
21 °C
4 Bft
Geen
Vaatplanten, teunisbloempijlstaart en muurhagedis Vaatplanten, teunisbloempijlstaart en muurhagedis JBN gierzwaluw
22 °C
4 Bft
Geen
JBN buizerd, boomvalk en ransuil
M2 t/m M5
20 °C
3 Bft
Geen
JBN gierzwaluw
M5
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
Steenmarter
M4
18.00 – 21.30 15.00 – 17.00 n.v.t.
20 °C
2 Bft
Geen
JBN buizerd, boomvalk en ransuil
M2 t/m M5
26 °C
3 Bft
Geen
M1 t/m M3
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
Vaatplanten, teunisbloempijlstaart en muurhagedis Steenmarter
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
Steenmarter
M4
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
Steenmarter
M4
M1 M2
M4
blad 10 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 0473236 betreft Nader onderzoek ecologie Maasterras te Dordrecht
4.
Resultaten In dit hoofdstuk worden de resultaten van de inventarisaties per soort beschreven. Paragraaf 4.1 t/m 4.5 bevatten de resultaten van de onderzochte soorten. In paragraaf 4.6 wordt een opsomming gegeven van waarnemingen van overige soorten.
4.1
Broedvogels met jaarrond beschermde nesten
4.1.1
Boombroedende soorten (buizerd, boomvalk en ransuil) In (de directe omgeving van) van het onderzoeksgebied zijn zes nesten in bomen aangetroffen die kunnen toebehoren aan boombroedende soorten met een jaarrond beschermd nest. Deze nesten zijn nader onderzocht op de aanwezigheid van boombroedende soorten. De locaties van de nesten zijn weergegeven in figuur 4.1.
Figuur 4.1 Aangetroffen potentieel jaarrond beschermde boomnesten (blauwe stippen) in (de omgeving van) het onderzoeksgebied (rood gemarkeerd). Bron: QGIS, 2023.
Er zijn inventarisaties uitgevoerd in de periode van maart tot en met augustus om de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten vast te stellen. De nesten in M2, M3, M4 en M5 waren bezet door eksters en zwarte kraaien. De nesten waar bezetting door eksters en zwarte kraaien is vastgesteld, zijn daarna buiten beschouwing gelaten. Bij de nesten waar in eerste instantie geen activiteit was, is vervolgens gepost. Op en ronde de overige drie nesten is gedurende de inventarisaties geen activiteit waargenomen. Wel is er een boomvalk overvliegend waargenomen; deze vloog richting deelgebied M8 dat buiten de scope van voorliggend onderzoek valt. Concluderend kan gesteld worden dat de buizerd, boomvalk en ransuil niet zijn waargenomen in het onderzoeksgebied.
blad 11 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 0473236 betreft Nader onderzoek ecologie Maasterras te Dordrecht
4.1.2
Gierzwaluw Een deel van de bebouwing in het onderzoeksgebied is geschikt als broedplaats voor de gierzwaluw. De gierzwaluw kan broeden in gebouwen in M2 en M5. Deze gebouwen zijn nader onderzocht op aanwezigheid van de gierzwaluw. De locaties van de gebouwen zijn weergegeven in figuur 4.2.
Figuur 4.2 Gebouwen die geschikt zijn als nestlocatie voor de gierzwaluw (blauw omkaderd) in (de directe omgeving van) het onderzoeksgebied (rood omkaderd). Bron: QGIS, 2023.
Tijdens de inventarisaties in M2 en M5 zijn gierzwaluwen waargenomen in de omgeving van het deelgebied. In M2 vloog één individu richting het noordoosten, richting de stadskern van Dordrecht, die geen binding met het plangebied had. In M5 vlogen tijdens één inventarisatie 10 gierzwaluwen over van noord naar zuid en tijdens een andere inventarisatie verzamelden zich groepen gierzwaluwen boven het onderzoeksgebied, maar vlogen richting het noordoosten en het zuiden, weg van het onderzoeksgebied. Er zijn zowel in M2 als in M5 geen gierzwaluwen in de gebouwen waargenomen. Concluderend wordt gesteld dat er geen nestlocaties van de gierzwaluw aanwezig zijn in het onderzoeksgebied.
blad 12 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 0473236 betreft Nader onderzoek ecologie Maasterras te Dordrecht
4.1.3
Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart nestelt langs snelstromende beken in natuurlijke oevers of onder bruggen en aan gebouwen. De golfslagwering in M2 is geschikt als nestlocatie voor de grote gele kwikstaart (zie figuur 4.3).
Figuur 4.3 Golfslagwering in M2 die geschikt is als nestlocatie voor de grote gele kwikstaart.
De golfslagwering en de directe omgeving binnen M2 zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van de grote gele kwikstaart. De soort is niet aangetroffen, waarmee gesteld wordt dat de grote gele kwikstaart binnen het onderzoeksgebied geen nestlocatie heeft en dat zich daar geen essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving bevinden. Tijdens de inventarisaties zijn wel overige vogelsoorten waargenomen: meerkoet (broedend) en witte kwikstaart (foeragerend).
4.1.4
Huismus Een deel van de bebouwing in het onderzoeksgebied is geschikt voor de huismus. De huismus kan broeden in de woningen in M2, M4 en M5. Daarnaast is het struweel in M1 geschikt als broedplaats of als foerageer-of rustgebied. Deze gebouwen en struweel zijn tijdens twee inventarisaties nader onderzocht op aanwezigheid van de huismus. De locaties van de gebouwen en het struweel zijn weergegeven in figuur 4.4.
blad 13 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 0473236 betreft Nader onderzoek ecologie Maasterras te Dordrecht
Figuur 4.4 Gebouwen die geschikt zijn als nestlocatie voor de huismus (blauw omkaderd) in (de directe omgeving van) het onderzoeksgebied (rood omkaderd). Bron: QGIS, 2023.
Tijdens het nader onderzoek zijn de woningen in M2, M4 en M5 onderzocht. Er is tijdens de inventarisaties in M2 en M5 geen activiteit van de huismus waargenomen, waardoor de aanwezigheid van nestlocaties en essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving in desbetreffende deelgebieden kan worden uitgesloten. De woningen in M4 zijn eveneens onderzocht. Uit de Natuurtoets (Antea Group, 2023) bleek dat dit functioneel leefgebied voor de huismus betrof. Dit is bevestigd tijdens de inventarisaties van voorliggend nader onderzoek. Er zijn in totaal zes nestlocaties geïdentificeerd op basis van zingende, parende of in- en uitvliegende individuen van de huismus. De nesten bevinden zich onder dakpannen en daklijsten, en in struweel op of rondom de woningen. Naast nesten zijn ook essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving van de huismus vastgesteld in M4. Het gaat specifiek om struiken, hagen klimop en bomen. Tijdens de inventarisaties zijn in totaal vier essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving geïdentificeerd. In figuur 4.5 zijn voorbeelden van nestlocaties en essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving van de huismus weergegeven. In figuur 4.6 zijn de aangetroffen nestlocaties en essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving op kaart weergegeven.
blad 14 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 0473236 betreft Nader onderzoek ecologie Maasterras te Dordrecht
Nest in klimop Weeskinderdijk 49
Braamstruik in M1, ten noorden van Weeskinderdijk 97
Nest onder dakpan Weeskinderdijk 83
Boom en haag in tuin van Weeskinderdijk 57
Figuur 4.5 Voorbeelden van nestlocaties en essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving van de huismus in het onderzoeksgebied.
Figuur 4.6 Nestlocaties (blauwe stippen) en essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving van de huismus (gele stippen) in (de directe omgeving van) het onderzoeksgebied (rood omkaderd).
blad 15 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 0473236 betreft Nader onderzoek ecologie Maasterras te Dordrecht
4.1.5
Slechtvalk De brug over de Oude Maas ten noordwesten en een kantoorgebouw ten zuiden van het onderzoeksgebied kunnen fungeren als nestlocatie van de slechtvalk. In dat geval kan het onderzoeksgebied dienen als foerageergebied voor de slechtvalk. Tijdens drie inventarisaties is M2 gelijktijdig met het onderzoek naar de grote gele kwikstaart gecontroleerd op aanwezigheid van de slechtvalk. In figuur 4.7 is de locatie van de desbetreffende brug en het kantoorgebouw weergegeven.
Figuur 4.7 Potentiële nestlocaties van de slechtvalk (blauw omkaderd) in (de directe omgeving van) het onderzoeksgebied (rood omkaderd).
(De directe omgeving van) het deelgebied M2 is gecontroleerd op de aanwezigheid van de slechtvalk. De soort is niet waargenomen, waarmee de aanwezigheid van een nestlocatie of essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving van de slechtvalk in het onderzoeksgebied wordt uitgesloten.
4.2
Grondgebonden zoogdieren (steenmarter) De groenstrook ten zuiden van M4 is geschikt als rustplaats en/of lijnvormig element ten behoeve van verbinding met andere leefgebieden voor de steenmarter. Daarnaast kunnen verlaten en vervallen gebouwen binnen M4 dienen als verblijfplaats van de steenmarter. In figuur 4.8 zijn de locaties waar het onderzoeksmateriaal is geplaatst, weergegeven. Voor de plaatsing van het veldmateriaal is aan de volgende punten gedacht: 1. De ecologie van de steenmarter; 2. Potentieel geschikte verblijfplaatsen; 3. Diefstalgevoeligheid; 4. Gevoeligheid voor waterschade.
blad 16 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 0473236 betreft Nader onderzoek ecologie Maasterras te Dordrecht
Figuur 4.8 Locaties van het onderzoeksmateriaal voor de steenmarter (blauwe stippen) in (de directe omgeving van) het onderzoeksgebied (rood omkaderd). Bron: QGIS, 2023.
Gedurende een onderzoeksperiode van ruim zes weken, lopend van augustus tot en met september, zijn geen steenmarters vastgelegd op de wildcamera’s. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het onderzoeksgebied niet tot het functioneel leefgebied van de steenmarter behoort. Tijdens de inventarisaties is wel de aanwezigheid van overige grondgebonden zoogdieren vastgesteld: gewone bosmuis, bruine rat, bunzing, huiskat en huisspitsmuis (foeragerend in M4) en vos (verblijfplaats in M5).
4.3
Reptielen (muurhagedis) Tijdens twee inventarisaties is in M1 gezocht naar individuen van de muurhagedis. De bezoeken zijn uitgevoerd in combinatie met het onderzoek naar de teunisbloempijlstaart en beschermde planten in M1 t/m M3. Tijdens de inventarisaties zijn geen individuen van de muurhagedis waargenomen. Derhalve zijn de aanwezigheid van beschermde functies van de muurhagedis uitgesloten in het onderzoeksgebied.
4.4
Insecten (teunisbloempijlstaart) Er zijn exemplaren van waardplanten van de nachtvlinder teunisbloempijlstaart aangetroffen in de deelgebieden M1, M2 en M3 (zie figuur 4.9). Tot de waardplanten behoren de teunisbloem, kattenstaart, bastaardwederik en harig wilgenroosje. Om de aanwezigheid van de teunisbloempijlstaart aan te tonen, zijn drie inventarisaties uitgevoerd tussen mei en september.
blad 17 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 0473236 betreft Nader onderzoek ecologie Maasterras te Dordrecht
Figuur 4.9 Exemplaren van de teunisbloem en harig wilgenroosje in het onderzoeksgebied.
Tijdens de inventarisaties zijn enkele exemplaren van de grote teunisbloem langs de spoorzone in M1 aangetroffen. Er zijn geen vraatsporen, eitjes, rupsen en imago’s aangetroffen. Tijdens de inventarisatie van 6 juli en 21 augustus zijn enkele exemplaren van het harig wilgenroosje langs het zandstrandje in M2 aangetroffen. Er zijn geen vraatsporen, eitjes, rupsen of imago’s aangetroffen. Concluderend wordt gesteld dat het onderzoeksgebied niet tot het functioneel leefgebied van de teunisbloempijlstaart behoort.
4.5
Vaatplanten (ruw parelzaad en kleine wolfsmelk) De bermen en groenstroken in M1 t/m M3 zijn gecontroleerd op het voorkomen van ruw parelzaad en kleine wolfsmelk. Er is gekeken of de soorten voorkomen en of er indicatorplanten zijn die duiden op de juiste standplaatsfactoren voor het voorkomen van ruw parelzaad of kleine wolfsmelk. In het algemeen kan gesteld worden dat de aanwezige vegetatie duidt op ruderale grond met verschillende omstandigheden (vochtig en droog). Langs de spoorzone in M1 is een variatie aan planten wisselend van soorten van droge zandgrond, ruderale gronden en nattere voedselrijke bodems. M2 en M3 kennen ruderale vegetatie met verschillende soorten van zowel natte als droge omstandigheden. Tijdens de inventarisaties zijn geen exemplaren van ruw parelzaad en kleine wolfsmelk aangetroffen. Dit betekent dat deze soorten geen groeiplaats hebben binnen het onderzoeksgebied. Een noemenswaardige vondst is de van een groeiplaats van de invasieve exoot de reuzenberenklauw in M1.
4.6
Overige waarnemingen Overige diersoorten die in M4 door de wildcamera’s zijn vastgelegd zijn de gewone bosmuis, bruine rat, bunzing, huiskat en huisspitsmuis (zie figuur 4.10). In M4 vogels zijn individuen van de heggenmus waargenomen. Op de onderzochte horsten zijn broedende eksters en zwarte kraaien waargenomen. Daarnaast is een broedende meerkoet waargenomen op de golfslagwering in M2 (zie figuur 4.10). In een bosschage in M5 is een vossenburcht aangetroffen.
blad 18 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 0473236 betreft Nader onderzoek ecologie Maasterras te Dordrecht
Figuur 4.10 Foto’s van de aangetroffen bunzing en broedende meerkoet in het onderzoeksgebied.
Plantensoorten die tijdens de inventarisaties zijn waargenomen, zijn weergegeven in tabel 4.1. In figuur 4.11 zijn voorbeelden van de aangetroffen exemplaren klein glaskruid, brede wespenorchis en reuzenberenklauw weergegeven. In figuur 4.12 is de locatie van de reuzenberenklauw inzichtelijk gemaakt. Tabel 4.1 Lijst met overige soorten van waargenomen planten Deelgebied Soorten M1 Robertskruid, reuzenberenklauw, kruipertje, klaproos, gewone raket, veldsla, glanshaver, akkervergeet-me-niet., braam spec., klein streepzaad, akkerdistel, gewone melkdistel, gewone hoornbloem, heermoes, speerdistel, bezemkruiskruid, boterbloem, madelief, gewone ereprijs, sint jacobskruiskruid, duizendblad en kleine klaver, grote teunisbloem, klein glaskruid M2 Grasvelden Grote zandkool, kruipertje, gewoon biggenkruid, smalle weegbree, klaver, madelief, akkerhoornbloem, paardenbloem, herderstasje, duizendblad, brede weegbree, hertshoornweegbree, akkerereprijs, paarse dovenetel, ooievaarsbek, reigersbek, kleine leeuwentand, klein streepzaad, gewoon biggenkruid, brede wespenorchis, muskuskaasjeskruid, zachte vetmuur Kade Grote brandnetel, braamsoorten, kleefkruid, hazelnoot, hondsdraf, bosrank, smalle weegbree, zachte dravik, haver, ijle dravik, margriet, klaproos, voederwikke Overig Gewone brunel, klaver, winterpostelein, kleefkruid, klit, boerenwormkruid, dovenetel, gewone raket, robertskruid, gewone
akkermelkdistel, vetmuur, vogelmuur, ridderzuring, raapzaad, duizendblad, jacobskruiskruid, akkerdistel, pinksterbloem, slipbladige ooievaarsbek, mosterdzaad, zilverschoon, koolzaad, wilde peen, braam spec., esdoorn liguster, populier, robertskruid, distel, boterbloem, paardenbloem, weegbree, gewoon hoornblad, madelief, boerenwormkruid, rode klaver, scherpe boterbloem, muurpeper, grote engelwortel, moerasandoorn, watereppe, harig wilgenroosje M3 Paardenkastanje, madelief, paardenbloem, gewoon biggenkruid, kruipende boterbloem, grassoorten, madelief, duizendblad, bezemkruiskruid, hertshoornweegbree, Oosterse morgenster, vogelmuur, ooievaarsbek, kleine klaver, gewoon hoornblad, kaasjeskruid
Opmerking Reuzenberenklauw is Europees bestempeld als een invasieve exoot. Klein glaskruid is een vrij zeldzame soort. Brede wespenorchis is een algemene orchidee. Orchideeën zijn echter als soort gevoelig, vanwege hun typisch voedingsarme groeiplaatsen.
blad 19 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 0473236 betreft Nader onderzoek ecologie Maasterras te Dordrecht
Figuur 4.11 Exemplaren van klein glaskruid (linksboven), wespenorchis (rechtsboven) en reuzenberenklauw (linksonder) in het onderzoeksgebied.
Figuur 4.12 Groeiplaats van de reuzenberenklauw (blauw omkaderd) in (de directe omgeving van) het onderzoeksgebied (rood omkaderd). Bron: QGIS, 2023.
blad 20 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 0473236 betreft Nader onderzoek ecologie Maasterras te Dordrecht
5.
Effectbeoordeling In dit hoofdstuk worden de resultaten uit het vorige hoofdstuk getoetst aan de Wet natuurbescherming (Wnb) en wordt aangegeven of er een noodzaak is om een ontheffing in het kader van de Wnb aan te vragen. Paragraaf 5.1 t/m 5.5 bevatten de toetsing van de onderzochte soorten. In paragraaf 5.6 wordt ingegaan op soorten die vallen onder de Zorgplicht en in paragraaf 5.7 op invasieve soorten.
5.1
Broedvogels met jaarrond beschermde nesten
5.1.1
Boombroedende soorten (buizerd, boomvalk en ransuil) In (de directe omgeving van) van het onderzoeksgebied zijn zes nesten in bomen aangetroffen die kunnen toebehoren aan boombroedende soorten met een jaarrond beschermd nest. Tijdens de inventarisaties is gebleken dat een aantal bezet werd door eksters en zwarte kraaien, maar niet door de buizerd, boomvalk of ransuil. De ekster en de zwarte kraai zijn categorie-5-soorten. Nesten van de categorie-5-soorten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In de directe omgeving van het plangebied zijn voldoende uitwijkmogelijkheden aanwezig. In de nieuwe situatie wordt bovendien veel nieuwe vegetatie aangeplant; het plangebied wordt groener dan nu het geval is. Derhalve zijn er geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die jaarronde bescherming rechtvaardigen. Er zijn geen jaarrond beschermde nesten in (de directe omgeving van) het onderzoeksgebied. In dergelijk geval is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van jaarrond beschermde nesten van de buizerd, boomvalk en ransuil.
5.1.2
Gierzwaluw Tijdens de inventarisaties zijn er geen gierzwaluwen waargenomen die een binding hadden met de gebouwen in M2 en M5. Er zijn enkel overvliegende individuen waargenomen die geen binding met het onderzoeksgebied hadden. Als gevolg van het planvoornemen worden geen nestlocaties van de gierzwaluw beschadigd of vernield noch vindt er verstoring in de vorm van aantasting van essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving plaats. In dergelijk geval is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de gierzwaluw.
5.1.3
Grote gele kwikstaart Tijdens de inventarisaties is de grote gele kwikstaart in M2 niet waargenomen in M2. Op basis van dit gegeven kan geconcludeerd dat het onderzoeksgebied niet tot het functioneel leefgebied van de grote gele kwikstaart behoort. Er vindt geen beschadiging of vernieling plaats van nesten van de grote gele kwikstaart noch verstoring in de vorm van aantasting van essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving. In dergelijk geval is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de grote gele kwikstaart.
5.1.4
Huismus Er zijn zes nesten en vier essentiële onderdelen van de functionele van de huismus vastgesteld. De nesten bevinden zich onder dakpannen en daklijsten, en in struweel behorende bij de woningen in deelgebied M4. Essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving bevinden zich in struweel en bomen in de tuinen van de woningen in M4 alsook in het struweel langs de spoorzone in M1.
blad 21 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 0473236 betreft Nader onderzoek ecologie Maasterras te Dordrecht
De huismus en gierzwaluw vallen onder de bescherming van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1), welke is verwerkt in de Wnb. Als gevolg van het planvoornemen worden de woningen gesloopt, en het struweel en de bomen gerooid. Hiermee worden nestlocaties en essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving van de huismus vernield. Uitvoering van het planvoornemen leidt daarmee tot een overtreding van de gestelde verbodsbepalingen uit de Wnb (artikel 3.1). Er dient een ontheffing aangevraagd te worden. Voor het verkrijgen van een ontheffing zullen nader te specificeren mitigerende en compenserende maatregelen getroffen dienen te worden.
5.1.5
Slechtvalk Tijdens de inventarisaties is de slechtvalk niet waargenomen in de directe omgeving van M2. Op basis van dit gegeven kan geconcludeerd dat M2 niet tot het functioneel leefgebied van de slechtvalk behoort. Er vindt geen beschadiging of vernieling plaats van nesten van de slechtvalk noch verstoring in de vorm van aantasting van essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving. In dergelijk geval is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de slechtvalk.
5.2
Grondgebonden zoogdieren (steenmarter) Gedurende de onderzoeksperiode zijn geen steenmarters vastgelegd in M4. Op basis van dit gegeven kan geconcludeerd worden dat M4 niet tot het functioneel leefgebied van de steenmarter behoort. Er vindt geen vernieling of verstoring plaats van verblijfplaatsen of essentieel leefgebied van de steenmarter. Uitvoering van het planvoornemen leidt op dit punt niet tot een overtreding van een van de verbodsbepalingen uit de Wnb.
5.3
Reptielen (muurhagedis) Tijdens de inventarisaties zijn muurhagedissen in M1. Op basis van dit gegeven kan geconcludeerd worden dat M1 niet tot het leefgebied van de muurhagedis behoort. Er vindt geen doding of verstoring van de muurhagedis plaats. Uitvoering van het planvoornemen leidt op dit punt niet tot een overtreding van een van de verbodsbepalingen uit de Wnb.
5.4
Insecten (teunisbloempijlstaart) Tijdens de inventarisaties zijn geen vraatsporen, eitjes, rupsen of imago’s van de teunisbloempijlstaart aangetroffen op de aanwezige waardplanten in M1, M2 en M3. Op basis van dit gegeven kan geconcludeerd worden dat het onderzoeksgebied niet tot het leefgebied van de teunisbloempijlstaart behoort. Er vindt geen doding of verstoring van de teunisbloempijlstaart plaats. Uitvoering van het planvoornemen leidt op dit punt niet tot een overtreding van een van de verbodsbepalingen uit de Wnb.
5.5
Vaatplanten (ruw parelzaad en kleine wolfsmelk) Tijdens de inventarisaties zijn geen exemplaren van ruw parelzaad en kleine wolfsmelk aangetroffen. Ook zijn er geen overige beschermde planten aangetroffen. Er vindt geen vernieling of verstoring van standplaatsen van beschermde planten plaats. Uitvoering van het planvoornemen leidt op dit punt niet tot een overtreding van een van de verbodsbepalingen uit de Wnb.
5.6
Vrijgestelde soorten In het onderzoeksgebied zijn algemene grondgebonden zoogdieren en broedvogels waargenomen.
blad 22 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 0473236 betreft Nader onderzoek ecologie Maasterras te Dordrecht
Er is binnen het onderzoeksgebied biotoop aanwezig voor grondgebonden zoogdieren, zoals grasland en struweel. Als gevolg van het planvoornemen kunnen negatieve effecten op deze soorten optreden. Binnen de provincie Zuid-Holland geldt een vrijstelling voor deze algemene soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is voor deze soorten de zorgplicht van toepassing. Maatregelen ten aanzien van de bunzing en de vos verdienen extra aandacht vanwege het feit dat vernietiging of verstoring van verblijfplaatsen in het plangebied zal leiden tot een substantieel effect op de staat van instandhouding van deze soorten in het plangebied. Bovendien staat de bunzing vermeld op de Rode lijst met de status “kwetsbaar”. In de Wnb (artikel 1.12 [lid 1c]) staat vermeld dat Provincies zorgdragen voor het behoud of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van soorten op de Rode lijst. Er is binnen het onderzoeksgebied biotoop aanwezig voor algemene broedvogels, zoals bomen en struweel. Als gevolg van het planvoornemen kunnen negatieve effecten op deze soorten optreden. Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (artikel 3.1). Indien nesten aanwezig zijn mogen deze tijdens de broedperiode (en wanneer deze in gebruik zijn) niet verwijderd of verstoord worden.
5.7
Invasieve soorten Binnen het onderzoeksgebied is de plantensoort reuzenberenklauw aangetroffen. De reuzenberenklauw is een invasieve exoot. Dit houdt in dat soort niet van nature voorkomt in Nederland en schadelijk is voor de inheemse natuur. De reuzenberenklauw staat op de Unielijst invasieve exoten. Daarmee geldt er een Europees verbod op bezit, handel, kweek, transport en import van de reuzenberenklauw. Opzettelijke verspreiding van de reuzenberenklauw is in strijd met de Wnb (artikel 3.19). Om verdere verspreiding van de reuzenberenklauw te voorkomen zijn passende maatregelen nodig wanneer er in M1 gewerkt wordt.
blad 23 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 0473236 betreft Nader onderzoek ecologie Maasterras te Dordrecht
6.
Conclusie & advies In dit hoofdstuk worden conclusies en adviezen gegeven gebaseerd op het nader onderzoek en bedoeld om overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb te voorkomen. Paragraaf 6.1 bevat de conclusie. In paragraaf 6.2 worden maatregelen aangedragen voor respectievelijk beschermde, vrijgestelde en invasieve soorten.
6.1
Conclusie Gemeente Dordrecht is voornemens om diverse terreinen, bekend als het Maasterras, te herontwikkelen tot woon-werkgebied. Het Maasterras is onderdeel van de Dordtse Spoorzone. De komende 10 jaar wil men tussen het spoor, de A16 en de Oude Maas een compleet nieuwe groene en duurzame woonwijk bouwen. Het plangebied ligt ten oosten van de Oude Maas en ten zuiden van de Havenstraat te Dordrecht (gemeente Dordrecht, Provincie Zuid-Holland). Binnen het onderzoeksgebied (zie figuur 2.2) is geschikt biotoop aangetroffen voor beschermde soorten (Wnb) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om de huismus en alle soorten algemene broedvogels. In tabel 5.1 zijn de conclusies ten aanzien van deze beschermde soorten opgenomen. De onderbouwing van de conclusies zijn beschreven in hoofdstuk 4. Voor de overige soort(groepen), waaronder grondgebonden zoogdieren (bunzing en vos) en invasieve soorten (reuzenberenklauw), is beoordeeld dat vervolgstappen niet aan de orde zijn. Voor deze soorten geldt wel respectievelijk de zorgplicht en een algemene maatregel van bestuur. Tabel 5.1 Overzicht conclusies en vervolgstappen soortbescherming. Soort(groep) Essentieel leefgebied in (directe omgeving van) onderzoeksgebied? Broedvogels met een jaarrond Ja, zes nestlocaties en vier essentiële beschermd nest (huismus) onderdelen van de functionele leefomgeving in M1 en M4.
Broedvogels (alle soorten)
Vrijgestelde soorten (bunzing en vos) Invasieve soorten (reuzenberenklauw)
6.2
Ja, grasland en struweel in het onderzoeksgebied dienen als nestlocatie of foerageergebied. Ja, grasland en struweel in het onderzoeksgebied dienen als verblijfplaats en foerageergebied. Ja, groeiplaats aangetroffen in M1.
Maatregelen? Nader te bepalen.
Ontheffing Wnb aan de orde? Ja
Ja, zie paragraaf 6.3.
Nee
Ja, zie paragraaf 6.3.
Nee
Ja, zie paragraaf 6.4.
Nee
Advies beschermde soorten In tabel 5.1 is aangegeven dat een overtreding van de Wnb voor een aantal soorten niet kan worden voorkomen en dat er een ontheffing Wnb aan de orde is. Voor het opstellen van een ontheffingsaanvraag is een activiteitenplan nodig. In het activiteitenplan moeten de volgende onderwerpen worden behandeld: • Essentiële functies van de beschermde soort; • Belang van het voornemen; • Alternatieven voor het verwijderen van de verblijfplaats; • Mitigerende maatregelen; • Compenserende maatregelen; • Toetsing aan de gunstige staat van instandhouding. Geadviseerd wordt om tijdig te starten met het opstellen van een activiteitenplan. Een ontheffingsprocedure neemt circa 20 weken in beslag (exclusief 6 weken ter inzage) en moet worden ingediend bij het bevoegd gezag (Omgevingsdienst Haaglanden). Wanneer het bevoegd gezag akkoord is met de werkwijze, wordt een ontheffing (vaak onder voorwaarden) verleend.
blad 24 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 0473236 betreft Nader onderzoek ecologie Maasterras te Dordrecht
Voor de uitvoering van de werkzaamheden uit het planvoornemen dient aanvullend een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld. In een ecologisch werkprotocol staat omschreven welke maatregelen getroffen worden om effecten op de beschermde soorten te voorkomen. Ook staat erin hoe te handelen als deze effecten toch optreden. Er staat onder andere in vermeld: • In welke periode gewerkt moet worden; • Welke activiteiten op welke locaties en op welk moment plaatsvinden; • Welke maatregelen worden genomen en wat daarmee wordt gerealiseerd; • Wanneer begeleiding door een soortendeskundige noodzakelijk is; • Wie de soortendeskundige is en wat de deskundige exact gaat doen.
6.3
Advies vrijgestelde soorten In tabel 5.1 is ook aangegeven dat een overtreding van de Wnb voor een aantal soorten kan worden voorkomen wanneer wordt voldaan aan de zorgplicht. Dit houdt in de negatieve effecten zo veel als mogelijk dienen te worden voorkomen dan wel beperkt. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren niet mogen worden uitgevoerd. Wanneer dergelijke handelingen toch uitgevoerd moeten worden, moeten maatregelen, voor zover dit in redelijkheid kan, worden genomen om de nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Grondgebonden zoogdieren Bij uitvoering van het planvoornemen kan de zorgplicht voor reptielen en grondgebonden zoogdieren in acht worden genomen door het treffen van eenvoudige maatregelen, zoals: Werken in één richting, waarbij de richting wordt bepaald door mogelijke vluchtroutes voor dieren. Hiermee wordt voorkomen dat dieren worden ingesloten tijdens de werkzaamheden; Zoveel mogelijk werken vanaf bestaande infrastructuur en stapvoets rijden, zodat dieren kunnen wegvluchten; Te allen tijde zorgvuldig te handelen en bij het aantreffen van dieren ze de kans geven om rustig weg te vluchten.
Maatregelen ten aanzien van de bunzing en de vos verdienen extra aandacht vanwege het feit dat vernietiging of verstoring van verblijfplaatsen in het plangebied zal leiden tot een substantieel effect op de staat van instandhouding van deze soorten in het plangebied. Bovendien staat de bunzing vermeld op de Rode lijst met de status “kwetsbaar”. In de Wnb (artikel 1.12 [lid 1c]) staat vermeld dat Provincies zorgdragen voor het behoud of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van soorten op de Rode lijst. Broedvogels Er kan eenvoudig rekening worden gehouden met broedvogels door (kap/snoei)werkzaamheden buiten het broedseizoen (circa maart tot en met juli2) uit te voeren. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dan dient het onderzoeksgebied (waar de werkzaamheden plaatsvinden) vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor (broed)vogels. Mocht dit niet mogelijk zijn dan dient vooraf aan de werkzaamheden het onderzoeksgebied gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels door een erkend ecoloog. Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het onderzoeksgebied dan worden locatie-specifieke maatregelen voorgesteld en/of wordt het onderzoeksgebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden totdat het nest niet meer in gebruik is.
Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Wet natuurbescherming aan de orde.
6.4
Advies invasieve soorten In hoofdstuk 5 is aangegeven dat een overtreding van de Wnb voor invasieve soorten kan worden voorkomen wanneer er passende maatregelen worden genomen. Om passende maatregelen te bepalen, is het belangrijk om voorafgaand aan de werkzaamheden en in de bloeiperiode van de reuzenberenklauw (juli t/m september) een nieuwe inventarisatie uit te voeren om de groeiplaatsen en de omvang van de populatie reuzenberenklauw vast te stellen.
blad 25 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 0473236 betreft Nader onderzoek ecologie Maasterras te Dordrecht
De provincie is verantwoordelijk voor invasieve exoten welke zijn benoemd in bijlage 10 van de Regeling natuurbescherming. Daarom wordt geadviseerd om in contact te treden met de Gedeputeerde Staten van ZuidHolland om passende maatregelen af te stemmen.
blad 26 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 0473236 betreft Nader onderzoek ecologie Maasterras te Dordrecht
Literatuurlijst Antea Group, 2023. Natuurtoets Maasterras Dordrecht ten behoeve van een M.E.R. Gepubliceerd op 11 mei 2023. Bouwens, S., 2017. Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Provincie Noord-Brabant. BIJ12, 2017a. Kennisdocument buizerd (Buteo buteo). Versie 1.0, juli 2017. BIJ12, 2022. Kennisdocument huismus (Passer domesticus). Versie 2.0, juni 2022. BIJ12, 2023. Kennisdocument gierzwaluw (Apus apus). Versie 2.0, juli 2023. Mecanoo architecten, 2021. De Dordtse Spoorzone. Publicatiedatum onbekend. Mecanoo architecten, 2023. Maasterras Profielenboek. Gepubliceerd op 25 augustus 2023. Netwerk Groene Bureaus, 2017. Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017). Netwerk Groene Bureaus (NGB), 2021. Vleermuisprotocol 2021. TAUW, 2022. Quickscan Maasterras Dordrecht: Toetsing aan de Wet natuurbescherming. Gepubliceerd op 8 juni 2022. TAUW, 2023. Soortgericht ecologisch onderzoek Maasterras Dordrecht: Toetsing aan de Wet natuurbescherming. Gepubliceerd op 31 januari 2023. Vergeer J.W., Boele A., van Bruggen J. & van Turnhout C., 2023. Handleiding Sovon Broedvogelmonitoring: Broedvogel Monitoring Project en kolonievogels. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.
Overig NDFF Street Smart AERIUS-calculator, versie 2022. www.ravon.nl www.sovon.nl www.zoogdiervereniging.nl
blad 27 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 0473236 betreft Nader onderzoek ecologie Maasterras te Dordrecht
Bijlage 1 Wettelijk kader
blad 28 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 0473236 betreft Nader onderzoek ecologie Maasterras te Dordrecht
Bijlage 1 Wettelijk kader In deze bijlage staat een beschrijving van de relevante wet- en regelgeving en het beleidskader. Wnb - Algemeen De Wet natuurbescherming (Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Wnb beschermt: • De Natura 2000-gebieden die aangewezen zijn in het kader van het Europees natuurbeleid (gebiedsbescherming) • De planten- en diersoorten (onderdeel soortbescherming) • Bos en houtopstanden (onderdeel houtopstanden). Veel verantwoordelijkheden en bevoegdheden liggen bij de provincies. Er zijn hierop wel uitzonderingen waarvoor het ministerie van LNV bevoegd gezag is. Dit betreft onder andere de aanleg en uitbreiding van hoofdwegen, landelijke spoorwegen, hoofdvaarwegen, primaire waterkeringen, militaire terreinen en oefengebieden, militaire luchthavens, Schiphol en overige burgerluchthavens, het landelijke gastransportnet, hoogspanningsverbindingen van tenminste 220 kV, activiteiten van buitenlandse mogendheden en activiteiten namens een lid van het Koninklijk Huis. LNV is ook bevoegd gezag voor ruimtelijke ingrepen in de Exclusieve Economische Zone (EEZ) en voor Windenergie op zee (kavelbesluiten). Gemeenten hebben een loketfunctie. Het is mogelijk om een natuurvergunning ‘aan te haken’ bij de omgevingsvergunning, maar dit hoeft niet. De Wnb richt zicht op bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden.
Wnb - Soortbescherming In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1) soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb); 2) soorten van de Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb); 3) ‘andere soorten’(onderdeel A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’) (artikel 3.10 e.v. Wnb). Soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb) Het beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn is vastgelegd in artikel 3.1 e.v. 1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Het is mogelijk om ontheffing aan te vragen voor de overtreding van de verbodsbepalingen. De ontheffing kan worden verleend indien voldaan wordt aan de volgende criteria: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Vogelrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 1: ‘in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid’ (dit is dus strenger dan voor soorten van de Habitatrichtlijn en de andere soorten); - Er is geen verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Soorten van de Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en/of Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb) Deze categorie bestaat uit Europees beschermde soorten. De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.5 e.v.:
blad 29 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 0473236 betreft Nader onderzoek ecologie Maasterras te Dordrecht
1.
2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Onder de Wnb is het mogelijk om voor streng beschermde soorten zoals opgenomen in artikel 3.5 bij ruimtelijke ontwikkelingen te werken volgens een door de Minister goedgekeurde gedragscode. Hierbij geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit artikel 3.5. Naast het werken volgens een goedgekeurde gedragscode kan voor soorten zoals opgenomen in artikel 3.5 van de Wnb bij overtreding van de verbodsbepalingen een ontheffing worden aangevraagd. De ontheffing kan worden verleend indien voldaan wordt aan de volgende criteria: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Habitatrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 3: ‘in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten’; - Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Andere soorten (artikel 3.10 e.v. Wnb) De categorie ‘andere soorten’ bestaat uit soorten zoals opgenomen in bijlage A en B van de wettekst. Dit zijn nationaal beschermde soorten.
De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.10 e.v.. Het is verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor deze soorten geldt een vrijstelling wanneer aantoonbaar gewerkt wordt volgens een door de Minister van LNV goedgekeurde gedragscode. Daarnaast geldt ook vrijstelling bij ruimtelijke projecten voor soorten die staan op besluit vrijgestelde soorten. Het hangt per provincie af welke soort is vrijgesteld van de verbodsbepalingen in artikel 3.10, ook de grond waarvoor een vrijstelling geldt kan ook variëren tussen provincies. Wel dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Deze zorgplicht is verder in deze bijlage nog toegelicht. Indien de ‘andere soorten’ niet zijn vrijgesteld en daarmee het voornemen de gestelde verboden in artikel 3.10 overtreedt, dient een ontheffing aangevraagd te worden bij de provincie waarin het voornemen plaatsvindt.
blad 30 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 0473236 betreft Nader onderzoek ecologie Maasterras te Dordrecht
Naast het werken volgens een goedgekeurde gedragscode kan voor soorten uit de categorie ‘andere soorten’ van de Wnb bij overtreding van de verbodsbepalingen een ontheffing worden aangevraagd. De ontheffing kan worden verleend indien voldaan wordt aan de volgende criteria: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang h ‘in het algemeen belang’; - Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Samenvatting gronden waarop een ontheffing verleend mag worden per categorie beschermde soorten (artikel 3.1, 3.5 en 3.10). Ontheffingsgronden Artikel 3.1 Artikel 3.5 Artikel 3.10 Soorten van de Vogelrichtlijn 1 2 3
Er bestaat geen andere bevredigende oplossing Leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding volksgezondheid en openbare veiligheid veiligheid van luchtverkeer ter voorkoming van schade aan gewassen, vee, bossen, visserij ter bescherming van Flora en Fauna voor onderzoek, onderwijs, uitzetten en herinvoeren van soorten / teelt dwingende reden van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor milieuwezenlijke gunstige effecten ruimtelijke inrichting of ontwikkeling schade en overlast, ter beperking omvang populatie, ter bestrijding van lijden en ziekte, bestendig beheer en onderhoud (ook natuurbeheer), algemeen belang, bestendig gebruik
Andere soorten
Ja
Soorten van de Habitatrichtlijn, Bonn & Bern Ja
Ja
Ja
Ja
Ja Ja Ja
Ja Nee Ja
Ja Ja Ja
Ja Ja
Ja Ja
Ja Ja
Nee
Ja
Ja
Nee Nee
Nee Nee
Ja Ja
Ja
Zorgplicht Er dient te allen tijde rekening te worden gehouden met de zorgplicht zoals vastgelegd in artikel 1.11 van de Wnb. Deze zorgplicht houdt o.a. in dat als een activiteit wordt ondernomen waarvan kan worden vermoed dat deze nadelig kan zijn voor in het wild levende dieren en planten, deze activiteit niet plaats mag vinden. Ook moeten alle maatregelen worden genomen om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Deze zorgplicht heeft betrekking op de gebieds- en op de soortbescherming. In het tekstkader hieronder staat het wetsartikel uitgeschreven.
blad 31 van 33
datum 16 oktober 2023 projectnummer 0473236 betreft Nader onderzoek ecologie Maasterras te Dordrecht
Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 1. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Er dient bijvoorbeeld zo gewerkt te worden dat dieren kunnen ontsnappen en het kan nodig zijn om soorten te verplaatsen (bijvoorbeeld planten en amfibieën). Deze algemene zorgplicht geldt voor elke soort en elk individu in Nederland.