CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

2a Toelichting - Bijlage 25 Natuuronderzoek Tauw.pdf

Dordtse Dinsdag – Beeld- en oordeelsvormende commissies 23 januari 2024, gemeente DordrechtBij agendapunt: 5: Raadsinformatiebrief over Ontwerpbestemmingsplan Maasterras 2023 - Raadsinformatiebrief5.680 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Soortgericht ecologisch onderzoek Maasterras Dordrecht Toetsing aan de Wet natuurbescherming 31 januari 2023

Kenmerk

R002-1285173VSX-V02-kzo-NL

Verantwoording Titel

Soortgericht ecologisch onderzoek Maasterras Dordrecht

Opdrachtgever

Gemeente Dordrecht

Projectleider

Tim Vaessen

Auteur

Vincent Sanders

Kwaliteitscontrole

Roel de Greeff

Projectnummer

1285173

Aantal pagina’s

22

Datum

31 januari 2023

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com

2/21

Kenmerk

R002-1285173VSX-V02-kzo-NL

Inhoud 1

2

Inleiding ..................................................................................................................................... 4 1.1

Aanleiding en doel onderzoek ............................................................................................ 4

1.2

Leeswijzer .......................................................................................................................... 4

Plangebied en beoogde ontwikkeling ........................................................................................ 4 2.1

Plangebied ......................................................................................................................... 4

2.2

Beoogde ontwikkeling ........................................................................................................ 5

2.1

Uitgangspunten werkzaamheden en toetsing .................................................................... 7

3

Relevante soorten en mogelijke effecten en verbodsbepalingen .............................................. 8

4

Onderzoeksmethode ................................................................................................................. 9

5

6

7

8

4.1

Protocollen ......................................................................................................................... 9

4.2

Ruw parelzaad en kleine wolfsmelk ................................................................................... 9

4.3

Vleermuizen ..................................................................................................................... 10

4.4

Huismus ........................................................................................................................... 12

4.5

Gierzwaluw ....................................................................................................................... 13

Resultaten en effectbeoordeling .............................................................................................. 14 5.1

Ruw parelzaad en kleine wolfsmelk ................................................................................. 14

5.2

Vleermuizen ..................................................................................................................... 14

5.3

Huismus ........................................................................................................................... 15

5.4

Gierzwaluw ....................................................................................................................... 17

Vervolgstappen........................................................................................................................ 17 6.1

Benodigde vervolgstappen ............................................................................................... 17

6.2

Mitigatie en compensatie ................................................................................................. 19

6.3

Ontheffing ......................................................................................................................... 19

6.4

Overige maatregelen ........................................................................................................ 20

Conclusie ................................................................................................................................. 20 7.1

Aanleiding ........................................................................................................................ 20

7.2

Resultaten ........................................................................................................................ 20

7.3

Conclusie ......................................................................................................................... 21

Literatuur ................................................................................................................................. 21

3/21

Kenmerk

R002-1285173VSX-V02-kzo-NL

1 Inleiding 1.1

Aanleiding en doel onderzoek

Gemeente Dordrecht is van plan het Maasterras in Dordrecht te herontwikkelen tot een nieuwe wijk met gemengde functies en activiteiten. TAUW heeft deze plannen reeds getoetst aan de Wet natuurbescherming in een quickscan (TAUW, 2022). De quickscan concludeert dat negatieve effecten op beschermde soorten niet met zekerheid zijn uitgesloten. TAUW heeft daarom soortgericht onderzoek uitgevoerd om de functie van het plangebied voor de volgende soorten en functies te bepalen:   

Groeiplaatsen van ruw parelzaad en kleine wolfsmelk Verblijfplaatsen en vliegroutes van vleermuizen Vliegroutes van vleermuizen

  

Nest- en rustplaatsen inclusief de functionele leefomgeving van huismus Nestplaatsen van gierzwaluw Voortplantingsplaatsen van teunisbloempijlstaart

Deze rapportage doet verslag van het soortgericht onderzoek en geeft antwoord op de vraag of een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig is. Het onderzoek is alleen uitgevoerd in deelgebied M4 (zie hoofdstuk 2). Overige delen van het plangebied worden in een latere fase onderzocht.

1.2

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 volgt een overzicht van het plangebied en de beoogde ontwikkeling. In de navolgende hoofdstukken staan de details en de resultaten van het ecologisch onderzoek. In hoofdstuk 3 volgt eerst een samenvatting van de conclusies uit de quickscan. In hoofdstuk 4 is de onderzoeksmethode uitgewerkt, waarna in hoofdstuk 5 de resultaten van het onderzoek zijn behandeld. Aan de hand van de resultaten is een effectbeoordeling uitgevoerd. In hoofdstuk 6 ‘vervolgstappen’ is aangegeven of mitigerende maatregelen van toepassing zijn, of een ontheffing nodig is en onder welke voorwaarden een ontheffing redelijkerwijs verleend kan worden. Tot slot vat hoofdstuk 7 alles in een conclusie samen.

2 Plangebied en beoogde ontwikkeling 2.1

Plangebied

Figuur 2.1 toont de ligging van het plangebied. Het Maasterras is een gebied binnen de bebouwde kom van Dordrecht. Het totale plangebied beslaat circa 50 ha. Het plangebied heeft verschillende functies zoals bedrijventerreinen met een diversiteit aan panden. Zo zijn onder andere de volgende elementen aanwezig: kantoorpanden, woonwijk, woonwagenkamp, parkeerterrein, een rangeerterrein en sportvelden. In het plangebied zijn op diverse plekken opgaande begroeiingen aanwezig. Dwars door het plangebied loopt de snelweg A16. Deze weg ligt deels ondergronds en grotendeels bovengronds. De westgrens wordt gedeeltelijk gevormd door de oever en kade van

4/21

Kenmerk

R002-1285173VSX-V02-kzo-NL

de Oude Maas. Op één plek is een grote poel aanwezig die omgeven is met enige rietvegetatie. Verspreid over het plangebied is vergeleken met de omgeving relatief veel groene structuur aanwezig. De omgeving wordt ten westen van het plangebied gekenmerkt door de rivier de Oude Maas en overige bedrijventerreinen. Ten oosten en zuiden van het plangebied zijn voornamelijk grote woonwijken aanwezig. Aan de noordgrens van het plangebied grenzen meerdere spoorlijnen met daarachter wederom grote woonwijken met verspreid een enkel bedrijf.

Figuur 2.1 Ligging van het plangebied in Dordrecht (globaal begrensd)

2.2

Beoogde ontwikkeling

De gemeente Dordrecht wil het plangebied volledig herontwikkelen tot een nieuwe wijk met gemengde activiteiten. Een groot deel van de huidige functies zal uiteindelijk niet in stand blijven of worden verplaatst. Niet op korte termijn, maar in een periode van 10 tot 15 jaar zal Dordrecht een volledig nieuwe entree krijgen. De nieuwe wijk wordt tot ontwikkeling gebracht met veel woningbouw in het groen en veel menging van bedrijvigheid. Figuur 2.2 geeft de beoogde ontwikkeling schematisch weer. De wijk wordt autoluw. Samengevat komt de ontwikkeling neer op de volgende onderdelen die worden gerealiseerd:  2000 tot 5000 woningen   

Grootschalige bedrijven langs de A16 (die ook dienen als geluidswal) Verlengen van de tunnel A16 Parkeergarage onder het Maaspark

5/21

Kenmerk

R002-1285173VSX-V02-kzo-NL

Maaspark (dient ook als geluidswering bij spoorlijnen)

  

Evenemententerrein van circa 1 ha Diverse voorzieningen onder woningen Bedrijvigheid onder brug en verspreid in het gebied

Hotel aan de Maas

Figuur 2.2 De beoogde ontwikkeling

Een dergelijk groot herontwikkelingsproject kan niet op de korte termijn gerealiseerd worden. Daarom wordt fasering toegepast. Het plangebied is verdeeld over vijf fases en deelgebieden. De deelgebieden zijn in figuur 2.3 weergegeven. De fasering is nog niet definitief, maar momenteel wordt aan de volgende verdeling gedacht: Fase 1: Deelgebied M3 en M4 (2024) Fase 2: M1 en M2 (2026/2027) Fase 3: Overige deelgebieden (planning onbekend) Het is nog niet bekend in welke fase deelgebied M6 en het zuidelijk deel van het plangebied ingedeeld worden. Dit wordt in een later stadium besloten.

6/21

Kenmerk

R002-1285173VSX-V02-kzo-NL

Figuur 2.3 Deelgebied van het noordelijk deel van het plangebied. Voor het zuidelijk deel van het plangebied zijn nog geen deelgebieden gedefinieerd

2.1

Uitgangspunten werkzaamheden en toetsing

De volgende uitgangspunten worden gehanteerd bij de toetsing in dit rapport: 

In dit rapport wordt onderscheid gemaakt tussen het plangebied, een deelgebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied betreft het gebied voor de totale ontwikkeling. Een deelgebied betreft een van de deelgebied die gefaseerd worden ontwikkeld. Een onderzoeksgebied betreft het gebied wat onderzocht is op het voorkomen van beschermde soorten. Voor deze rapportage geldt dat dat deelgebied M4 is, exclusief terreinen waar geen terreintoestemming was (zie onder)

Alleen deelgebied M4 (zie figuur 2.4) is onderzocht op beschermde soorten die in de quickscan (TAUW, 2022) niet zijn uitgesloten. Overige delen van het plangebied moeten bij ontwikkeling nog onderzocht worden op beschermde soorten

Binnen deelgebied M4 is een bedrijventerrein aanwezig waar geen onderzoek kon plaatsvinden door het ontbreken van betredingstoestemming (zie figuur 2.4). Voor dit deel binnen M4 dient nog een nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming plaats te vinden. Indien op deze locatie in 2024 werkzaamheden beoogd zijn, is nader onderzoek in 2023 nodig

7/21

Kenmerk

R002-1285173VSX-V02-kzo-NL

Indien in de navolgende hoofdstukken over deelgebied M4 wordt gesproken, dient men dit te interpreteren als het deelgebied M4, exclusief het deel waar geen betredingstoestemming is (zie figuur 2.4)

Figuur 2.4 Ligging van het deel- en onderzoeksgebied M4 (oranje) binnen het plangebied (rood). Ook is het bedrijventerrein (paars) aangegeven waar geen onderzoek is uitgevoerd

3 Relevante soorten en mogelijke effecten en verbodsbepalingen In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante soort, mogelijke effecten en verbodsbepalingen. In de quickscan is op voorhand niet uitgesloten dat beschermde soorten in het plangebied voorkomen en dat negatieve effecten op beschermde soorten tot een overtreding van verbodsbepalingen leidt (TAUW, 2022). Tabel 3.1 geeft in samengevatte vorm weer waar onderzoek naar heeft plaatsgevonden en welk functies niet zijn uitgesloten. Alle andere functies voor beschermde soorten zijn in de quickscan uitgesloten voor deelgebied M4. In tabel 3.1 is ook aangegeven welke verbodsbepalingen mogelijk overtreden worden.

8/21

Kenmerk

R002-1285173VSX-V02-kzo-NL

Tabel 3.1 Mogelijk voorkomen van beschermde soorten en bijbehorende verbodsbepaling (TAUW, 2022) Soortgroep

Verbodsbepaling

Vervolgstappen

Flora

Mogelijk overtreding

Soortgericht onderzoek naar groeiplaatsen van ruw

artikel 3.10

parelzaad en kleine wolfsmelk.

Mogelijk overtreding

Soortgericht onderzoek naar verblijfplaatsen in gebouwen

artikel 3.5

(gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, ruige

Vleermuizen

dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, watervleermuis en meervleermuis) en vliegroutes (alle soorten die in de omgeving voorkomen). Jaarrond beschermde

Mogelijk overtreding

Soortgericht onderzoek naar nest- en/of rustplaatsen en/of

vogelsoorten

artikel 3.1

bijbehorende functionele leefomgeving van huismus en gierzwaluw.

Overige

Mogelijk overtreding

Soortgericht onderzoek naar voortplantingsplaatsen van

ongewervelden

artikel 3.5

teunisbloempijlstaart.

4 Onderzoeksmethode In dit hoofdstuk is de methode van het uitgevoerde onderzoek per verwachte soort beschreven.

4.1

Protocollen

Het veldwerk voor het ecologisch soortonderzoek is uitgevoerd volgens de meest recente versies van algemeen geaccepteerde onderzoeksprotocollen. In sommige gevallen betreft dit de kennisdocumenten van BIJ12 of de soortinventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus. Indien voor een soort geen onderzoeksprotocol aanwezig is, is het onderzoek afgestemd op basis van trefkans. In deze gevallen is een nadere toelichting gegeven over de gehanteerde onderzoeksopzet. In de volgende paragrafen is per soort(groep) de methode van het onderzoek beschreven.

4.2

Ruw parelzaad en kleine wolfsmelk

Het onderzoek naar ruw parelzaad en kleine wolfsmelk is gecombineerd uitgevoerd. Er is geen landelijk of provinciaal onderzoeksprotocol hoe deze soorten onderzocht moeten worden. De onderzoeksinspanning is daarom op basis van expert judgement bepaald. De bloeiperiode van planten is de optimale periode om een inventarisatie uit te voeren. De planten vallen op dat moment het meest op door de bloeiwijze en zijn daarom makkelijker te vinden. In tabel 4.1 is weergegeven wat de bloeiperiode van de onderzochte planten zijn. Het onderzoek naar ruw parelzaad en kleine wolfsmelk is uitgevoerd op 7 juni 2022 tussen 17:15 en 18:30. Deze dag valt in de periode dat zowel ruw parelzaad als kleine wolfsmelk bloeien. De ecoloog die het veldbezoek heeft uitgevoerd heeft echter ook gelet op eventuele afgestorven exemplaren van ruw parelzaad. Door de droogte dit jaar zijn mogelijk planten eerder bovengronds afgestorven. Tijdens het onderzoek is het plangebied op kansrijke plekken (zoals open plekken op

9/21

Kenmerk

R002-1285173VSX-V02-kzo-NL

braakliggende terreinen en in grasland) systematisch afgelopen en bekeken of ruw parelzaad en kleine wolfsmelk voorkomen. Indien exemplaren zijn aangetroffen is de groeiplaats op kaart gemarkeerd en is genoteerd om hoeveel exemplaren het gaat. Door deze methode toe te passen is een volledig beeld ontstaan wat voor functie het plangebied heeft voor ruw parelzaad en kleine wolfsmelk. Tabel 4.1 Bloeiperiode van de onderzochte planten (FLORON/Verspreidingsatlas.nl, 2022) Soort

Apr

Mei

Jun

Jul

Aug

Sep

Okt

Ruw parelzaad Kleine wolfsmelk

4.3

Vleermuizen

Het vleermuizenonderzoek is uitgevoerd conform het Vleermuizenprotocol 2021 van het Netwerk Groene Bureaus (NGB, 2021). Dit is gedaan met behulp van een batdetector (type: Petterson D240X). Een batdetector is een apparaat dat ultrasone geluiden, die een vleermuis maakt, omzet in voor de mens hoorbare tikkende geluiden. Aan de hand van het ritme en de frequentie kan worden bepaald om welke vleermuissoort het gaat. Voor het determineren van soorten wordt daarnaast gebruik gemaakt van opnameapparatuur en speciale software om vleermuisgeluiden te analyseren. Om verblijfplaatsen en vliegroutes van vleermuizen in kaart te brengen hebben ervaren ecologen door het plangebied gelopen en gepost. Bij het rondlopen is gekeken naar vleermuisactiviteit en vleermuisgedrag. In figuur 4.1 is weergegeven op welke locaties onderzoek is uitgevoerd binnen de begrenzing van deelgebied M4. Het onderzoek was gefocust op gebouwen en de mogelijke vliegroutes aan de noord- en zuidzijde van het deelgebied. In totaal zijn 13 veldbezoeken uitgevoerd in de periode mei tot en met september. Meerdere bezoeken zijn nodig omdat vleermuizen gebruik maken van een netwerk van verblijfplaatsen met bijbehorende foerageergebieden en routes tussen deze plekken.

Door de bezoeken te spreiden wordt een beter beeld verkregen van de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied en hiermee van de betekenis van het plangebied voor vleermuizen. In tabel 4.2 zijn de data en weersomstandigheden van de veldbezoeken weergegeven. Het veldwerk is sterk weersafhankelijk en is alleen bij gunstige weersomstandigheden uitgevoerd. Dit houdt voor vleermuizen in dat er geen of weinig neerslag is en niet te veel wind. Het te onderzoeken gebied voor vleermuizen is opgedeeld in drie deelgebieden. Vanwege de omvang van het gebied was het niet mogelijk om gelijktijdig het hele gebied te onderzoeken. Per deelgebied zijn meerdere ecologen ingezet. Het onderzoeksgebied is voor minimaal 75 % overzien geweest tijdens het onderzoek, hier is de inzet van het aantal ecologen op afgestemd. Per deelgebied kan door de (on)overzichtelijkheid en de grootte van het te onderzoeken object een afwijking zitten op het aantal ingezette ecologen. In tabel 4.2 is te zien hoeveel ecologen per deelgebied is ingezet. Afwijkingen op de gevraagde onderzoeksinspanning waren er niet.

10/21

Kenmerk

R002-1285173VSX-V02-kzo-NL

In het najaar zijn minder ecologen ingezet, omdat vleermuizen dan langdurig baltsen. Het langdurig baltsen van een vleermuis wijst op een paarverblijfplaats binnen het gebied waar de vleermuis aan het baltsen is. Er hoeft dan ook niet specifiek op in- en uitvliegers gelet te worden. Hierdoor wordt er met minder ecologen ten opzichte van de onderzoeken in het voorjaar alsnog voldoende inspanning geleverd. Massawinterverblijfplaatsen zijn niet onderzocht, omdat deze niet werden verwacht (TAUW, 2022).

Figuur 4.1 Alle objecten die paars en geel gekleurd zijn binnen deelgebied M4 zijn onderzocht op beschermde functies voor vleermuizen. Alles buiten de oranje begrenzing is niet onderzocht Tabel 4.2 Bezoekgegevens van het onderzoek naar vleermuizen Datum en tijd

Aantal

Focus/doel

Weersomstandigheden

Vaststellen van verblijfplaatsen in

Droog, 15 °C, W3 Beaufort en

gebouwen

bewolkt (>80 %)

Vaststellen van verblijfplaatsen in

Droog, 12 °C, NW3 Beaufort en

gebouwen

half bewolkt (10-80 %)

Vaststellen van verblijfplaatsen in

Droog, 12 °C, NO2 Beaufort en

gebouwen en vliegroutes

onbewolkt (<10 %)

Vaststellen van verblijfplaatsen in

Droog, 20 °C, NO2 Beaufort en

gebouwen

half bewolkt (10-80 %)

Vaststellen van verblijfplaatsen in

Droog, 16 °C, NO3 Beaufort en

gebouwen

half bewolkt (10-80 %)

ecologen 25 mei 2022,

5 (deel 1)

21:20 – 00:15 28/29 mei 2022,

2 (deel 2)

21:45 – 00:15 2/3 juni 2022,

3 (deel 3)

21:50 – 00:20 16/17 juni 2022,

5 (deel 1)

22:00 – 00:35 21/22 juni 2022, 22:00 – 00:30

2 (deel 2)

11/21

Kenmerk

R002-1285173VSX-V02-kzo-NL

Datum en tijd

Aantal

Focus/doel

Weersomstandigheden

Vaststellen van verblijfplaatsen in

Droog, 23 °C, W3 Beaufort en half

gebouwen

bewolkt (10-80 %)

Vaststellen van verblijfplaatsen in

Droog, 14 °C, NW2 Beaufort en

gebouwen

half bewolkt (10-80 %)

Vaststellen van verblijfplaatsen in

Droog, 15 °C, Z2 Beaufort en half

gebouwen

bewolkt (10-80 %)

Vaststellen van verblijfplaatsen in

Droog, 22 °C, Z2 Beaufort en half

gebouwen

bewolkt (>80 %)

Vaststellen van verblijfplaatsen

Droog, 22 °C, NW2 Beaufort en

ecologen 23/24 juni 2022,

3 (deel 3)

22:00 – 00:35 11 juli 2022,

2 (deel 2)

02:30 – 05:35 12 juli 2022,

5 (deel 1)

02:30 – 05:35 13 juli 2022,

3 (deel 3)

02:35 – 05:40 23 augustus 2022,

3 (deel 2

20:45 – 00:00

en 3)

24 augustus 2022,

3 (deel 1)

20:50 – 00:00

onbewolkt (<80 %) Vaststellen van verblijfplaatsen in

Droog, 23 °C, NO2 Beaufort en

gebouwen

onbewolkt (<10 %)

14 september 2022,

3 (deel 2

Vaststellen van verblijfplaatsen in

Droog, 16 °C, NW2 Beaufort en

20:00 – 00:00

en 3)

gebouwen en vliegroutes

half bewolkt (10-80 %)

15 september 2022,

3 (deel 1)

Vaststellen van verblijfplaatsen in

Droog, 14 °C, NW2 Beaufort en

gebouwen

half bewolkt (10-80 %)

19:55 – 00:00

4.4

Huismus

De inventarisatie van huismussen richt zich op het waarnemen van een volwassen individu, een paar in broedbiotoop, nesten, zang van een mannetje en op gedrag dat een territorium of nest indiceert. Het ecologisch onderzoek is uitgevoerd conform de alternatieve onderzoeksinspanning zoals benoemd in het kennisdocument huismus (BIJ12, 2022). Dit omdat het onderzoek te laat was opgestart en daardoor in een suboptimale inventarisatieperiode plaatsvond. Hiervoor zijn vier inventarisatiemomenten uitgevoerd in de periode 10 maart 2022 tot en met 20 juni 2022, met minimaal één bezoek in de optimale periode van 1 april 2022 tot en met 15 mei 2022. Tussen de onderlinge bezoeken is een tussenperiode aangehouden van minimaal tien dagen. Het onderzoek heeft overdag plaatsgevonden tussen twee uur na zonsopkomst en twee uur voor zonsondergang, bij de juiste weersomstandigheden (droog, weinig wind). Elk bezoek is door één ecoloog uitgevoerd. De inzet van één ecoloog is voldoende, omdat de duur van het onderzoek is afgestemd op de grootte van het plangebied en huismus gedurende een langere periode te inventariseren is. Ook andere functies van het leefgebied (onder andere foerageergebied en schuilmogelijkheden) zijn onderzocht. De exacte data en weersomstandigheden zijn opgenomen in tabel 4.3. In figuur 4.2 is op kaart weergegeven waar onderzoek is gedaan naar huismus.

Afwijkingen op de gevraagde onderzoeksinspanning waren er niet. Tabel 4.3 Bezoekgegevens van het onderzoek naar huismus Datum en tijd

Focus/doel

Weersomstandigheden

10 mei 2022,

Vaststellen van nest- en rustlocaties en de functionele

Droog, 20 °C, ZW3 Beaufort en

10:30 – 13:30

leefomgeving

bewolkt (>80 %)

24 mei 2022,

Vaststellen van nest- en rustlocaties en de functionele

Droog, 18 °C, W3 Beaufort en half

14:15 – 17:15

leefomgeving

bewolkt (10-80 %)

12/21

Kenmerk

R002-1285173VSX-V02-kzo-NL

Datum en tijd

Focus/doel

Weersomstandigheden

7 juni 2022,

Vaststellen van nest- en rustlocaties en de functionele

Droog, 17 °C, NW2 Beaufort en

18:45 – 21:10

leefomgeving

half bewolkt (10-80 %)

17 juni 2022,

Vaststellen van nest- en rustlocaties en de functionele

Droog, 26 °C, ZW2 Beaufort en

17:45 – 20:50

leefomgeving

half bewolkt (10-80 %)

Figuur 4.2 Locaties waar onderzoek heeft plaatsgevonden naar huismus en gierzwaluw. Alleen de onderdelen binnen de begrenzing van het deelgebied M4 zijn onderzocht. De woningen ten oosten van het deelgebied M4 aan de Weeskinderendijk en het gebouw wat geel gemarkeerd is in het noordwestelijk deel van de kaart is niet onderzocht

4.5

Gierzwaluw

Het onderzoek naar gierzwaluw is uitgevoerd conform het Kennisdocument Gierzwaluw (BIJ12, 2017). Om nestlocaties in kaart te brengen is door een ervaren ecoloog onderzoek gedaan. Tijdens het onderzoek is het plangebied doorlopen en gelet op activiteit van gierzwaluw. Aanwijzingen (bijvoorbeeld in- en uitvliegers of laagvliegende, roepende gierzwaluwen) van een nestlocatie zijn indien waargenomen, genoteerd op kaart. In totaal zijn er drie veldbezoeken gebracht aan het plangebied in de periode 1 juni 2022 tot 15 juli 2022. Door de veldbezoeken te spreiden wordt een beter beeld verkregen van de aanwezigheid van gierzwaluw in het plangebied en de betekenis van het plangebied voor gierzwaluw. Als periode tussen de bezoeken is minimaal tien dagen aangehouden. De bezoeken zijn uitgevoerd

13/21

Kenmerk

R002-1285173VSX-V02-kzo-NL

tijdens gunstige weersomstandigheden. Dit houdt voor gierzwaluw in dat het droog moet zijn. In de periode tussen 20 juni 2022 en 7 juli 2022 is de grootste kans dat er jongen aanwezig zijn in het nest. Daarom heeft één bezoek in deze periode plaatsgevonden. Het onderzoek is door drie ecologen die door het plangebied hebben rondgelopen uitgevoerd. Door het strategische verdeling van het aantal ecologen is het plangebied te allen tijde voldoende overzichtelijk geweest om in- en uitvliegende gierzwaluwen vast te stellen. In tabel 4.4 zijn de bezoekgegevens weergegeven. Alle bezoeken zijn vanaf twee uur voor zonsondergang, tot zonsondergang uitgevoerd. In figuur 4.2 is op kaart weergegeven op welke locaties onderzoek is gedaan naar gierzwaluw. Tabel 4.4 Bezoekgegevens van het onderzoek naar gierzwaluw Datum en tijd

Focus/doel

Weersomstandigheden

2 juni 2022,

Vaststellen van nestplaatsen

Droog, 16 °C, NO2 Beaufort en onbewolkt (<10 %)

Vaststellen van nestplaatsen

Droog, 26 °C, ZW2 Beaufort en half bewolkt (10-80 %)

Vaststellen van nestplaatsen

Droog, 17 °C, W2 Beaufort en onbewolkt (<10 %)

Vaststellen van nestplaatsen

Droog, 16 °C, NW3 Beaufort en half bewolkt (10-80 %)

19:45 – 21:45 23 juni 2022, 20:00 – 22:05 4 juli 2022, 20:00 – 22:00 7 juli 2022, 20:00 – 22:05

5 Resultaten en effectbeoordeling In dit hoofdstuk zijn de resultaten van het uitgevoerde onderzoek uitgewerkt. Tevens is bepaald wat de effecten van de beoogde ontwikkeling zijn op de aangetroffen soorten en functies en of/welke verbodsbepalingen (mogelijk) worden overtreden.

5.1

Ruw parelzaad en kleine wolfsmelk

Tijdens het onderzoek is geen ruw parelzaad en geen kleine wolfsmelk aangetroffen in deelgebied M4. Ook zijn er geen andere beschermde plantsoorten aangetroffen. Vanwege de afwezigheid van beschermde planten in het deelgebied worden met betrekking tot die soortgroep bij ontwikkeling van dit deel geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden. Het nemen van vervolgstappen inclusief het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming is voor ruw parelzaad en kleine wolfsmelk niet nodig.

5.2

Vleermuizen

Tijdens alle vleermuisbezoeken is weinig activiteit van vleermuizen vastgesteld. Zo bestond de activiteit van vleermuizen vooral uit een incidentele waarneming van een foeragerende of passerende gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Er is slechts eenmaal een paarterritorium van gewone dwergvleermuis vastgesteld tijdens het avondbezoek op 14 september 2022. Dit paarterritorium liep langs de woningen aan de noordkant van deelgebied M4, vanaf de brug tot aan de bocht in de noordoostkant van het deelgebied. De betreffende gewone dwergvleermuis tikte vroeg op de avond nabij open stootvoegen een voorgevel aan.

14/21

Kenmerk

R002-1285173VSX-V02-kzo-NL

Aangenomen wordt dat ook daar het paarverblijf aanwezig is. Later was de gewone dwergvleermuis immers frequent aan het baltsen op deze locatie. Er is geen verblijfplaats vastgesteld van ruige dwergvleermuis. Bij uitvoering van de beoogde ontwikkeling wordt de verblijfplaats van gewone dwergvleermuis vernietigd. Dit is in strijd met de Wet natuurbescherming, artikel 3.5, lid 2 en 4. Hiervoor is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Ook dienen maatregelen getroffen te worden om het doden van gewone dwergvleermuis te voorkomen (anders overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 3.5, lid 1). Tijdens de bezoeken zijn geen vliegroutes van vleermuizen vastgesteld. Hooguit incidenteel is er een gewone dwergvleermuis gepasseerd langs de bomenrij ten noorden van deelgebied M4, of langs de woningen aan de noordkant van deelgebied M4. Gelet op de zeer lage aantallen is er geen essentiële vliegroute van vleermuizen aanwezig langs de noordkant van deelgebied M4. Aangaande vliegroutes van vleermuizen is er geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Het nemen van vervolgstappen is aangaande dit onderwerp dan ook niet nodig.

Figuur 5.1 Beschermde functies van vleermuizen in deelgebied M4

5.3

Huismus

Tijdens het onderzoek zijn op zes locaties in deelgebied M4 en drie locaties buiten het deelgebied nest- en/of rustplaatsen van huismus aangetroffen. De huismussen hebben rond de nest- en/of

15/21

Kenmerk

R002-1285173VSX-V02-kzo-NL

rustplaatsen hun functionele leefomgeving, die essentieel is voor het functioneren van de nesten/of rustplaatsen. Op deze locaties wordt naar voedsel gezocht en kan gescholen worden in dichte vegetatie. Het foerageergebied bestaat voornamelijk uit de tuinen van de woningen langs de Weeskinderendijk, binnen deelgebied M4. Op deze locatie zijn ook klimplanten aanwezig waar dekking in gezocht wordt. Langs de oostkant van het deelgebied is ook nog foerageergebied aanwezig in de vorm van braamstruweel en enkele opkomende bomen. Hier is ook een schuilplaats aanwezig door de dichte groeiwijze van het braamstruweel. De huismussen in dit braamstruweel zijn vermoedelijk van buiten deelgebied M4 afkomstig. De aantallen huismussen in het braamstruweel liepen op tot circa acht individuen, inclusief jongen. In figuur 5.2 is op kaart weergegeven waar in deelgebied M4 de beschermde functies van huismus aanwezig zijn. Bij uitvoering van de beoogde ontwikkeling gaan de zes nest- en rustplaatsen van huismus en op twee plaatsen de functionele leefomgeving van huismussen, die in én buiten het plangebied verblijfplaatsen hebben, verloren. Wanneer de functionele leefomgeving aan de oostkant van het plangebied verdwijnt moet men ook rekening houden met indirecte effecten op nest- en rustplaatsen van huismus buiten deelgebied M4.

Tijdens het onderzoek zijn drie huismusnesten vlak buiten het deelgebied aangetroffen, echter is deze rij woningen langs de Weeskinderendijk niet volledig onderzocht op nest- en rustlocaties van huismus. Indirecte effecten door het wegnemen van het braamstruweel dienen dan ook geïnterpreteerd te worden als een indirect effect op ten minste drie nest- en rustplaatsen van huismus in de omgeving, maar het daadwerkelijke aantal kan hoger zijn. Het direct of indirect aantasten/wegnemen van nest- en rustplaatsen van huismus is in strijd met de Wet natuurbescherming, artikel 3.1. lid 2 en 4. Hiervoor dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Ook dienen maatregelen getroffen te worden om het doden van huismus te voorkomen (anders overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 3.1, lid 3).

16/21

Kenmerk

R002-1285173VSX-V02-kzo-NL

Figuur 5.2 Beschermde functies van huismus in deelgebied M4

5.4

Gierzwaluw

Tijdens het onderzoek zijn geen nestplaatsen van gierzwaluw aangetroffen in deelgebied M4. Wel zijn er boven het plangebied passerende en foeragerende gierzwaluwen waargenomen tijdens de verschillende bezoeken. Er zijn geen gierzwaluwen nabij daken in het deelgebied M4 waargenomen. Ook is er geen giergedrag waargenomen in het deelgebied M4. Geconcludeerd kan dan ook worden dat geen nestplaatsen aanwezig zijn binnen het gebied. Gelet op de afwezigheid van nestlocaties van gierzwaluw wordt bij uitvoering van de beoogde ontwikkeling in deelgebied M4 geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden. Het nemen van vervolgstappen inclusief het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming is voor gierzwaluw niet nodig.

6 Vervolgstappen In dit hoofdstuk is aangegeven of mitigerende maatregelen van toepassing zijn, of een ontheffing nodig is en onder welke voorwaarden een eventuele ontheffing redelijkerwijs verleend kan worden.

6.1

Benodigde vervolgstappen

Uit nader onderzoek blijkt dat het voorkomen van beschermde functies van ruw parelzaad, kleine wolfsmelk, gierzwaluw, kleine dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis,

17/21

Kenmerk

R002-1285173VSX-V02-kzo-NL

laatvlieger, watervleermuis, meervleermuis, vliegroutes van vleermuizen is uitgesloten. Negatieve effecten en vervolgstappen zoals het treffen van mitigerende maatregelen en het aanvragen van een ontheffing is voor deze soorten niet nodig. Negatieve effecten op huismus (nest- en rustplaatsen en de bijbehorende functionele leefomgeving) en gewone dwergvleermuis (paarverblijfplaats) kunnen niet met zekerheid worden uitgesloten. Negatieve effecten leiden tot het overtreden van de Wet natuurbescherming artikel 3.1, lid 2 en 4 (huismus) en artikel 3.5, lid 2 en 4 (gewone dwergvleermuis). Er zijn mitigerende maatregelen nodig en er moet een ontheffing worden aangevraagd. Een ontheffing kan alleen worden verkregen als:  Het belang van het voornemen een overtreding rechtvaardigt  De staan van instandhouding niet verslechterd 

Uit een alternatievenafweging blijkt dat er ten aanzien van bijvoorbeeld de locatie, planning, inrichting en ontwerp en werkwijze geen reële opties zijn die gunstiger uitpakken voor benadeelde soorten

Huismus is beschermd via artikel 3.1. Een ontheffing kan redelijkerwijs worden verkregen als kan worden onderbouwd dat het voornemen minstens één van de volgende belangen dient:   

Volksgezondheid of openbare veiligheid Veiligheid van luchtverkeer Ter voorkomen van schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren

 

Bescherming van flora- en fauna Onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor daarmee samenhangende teelt

Om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan

Gewone dwergvleermuis is beschermd via artikel 3.5. Een ontheffing kan redelijkerwijs worden verkregen als kan worden onderbouwd dat het voornemen minstens één van de volgende belangen dient:   

Volksgezondheid of de openbare veiligheid Andere dwingende redenen van groot openbaar belang Ter voorkomen van schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren of andere vormen

 

van eigendom Bescherming van flora- en fauna of voor de instandhouding van natuurlijke habitats Onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie

Om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt aantal - bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld - van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt aantal - bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld - van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben

18/21

Kenmerk

R002-1285173VSX-V02-kzo-NL

Indien aan een van deze wettelijke belangen voldaan kan worden, er geen verslechtering van de staat van instandhouding van de aangetroffen soorten optreedt én de alternatievenafweging voldoende wordt onderbouwt is een ontheffing redelijkerwijs verleenbaar. Voor de beoogde ontwikkeling kan waarschijnlijk alleen het belang ‘volksgezondheid of de openbare veiligheid’ (artikel 3.1 en 3.5) en/of ‘andere dwingende redenen van groot openbaar belang’ (artikel 3.5) worden aangedragen.

6.2

Mitigatie en compensatie

De staat van instandhouding van de aangetroffen soorten kan gewaarborgd worden door het nemen van mitigerende maatregelen. In de eerste plaats moet voorkomen worden dat er individuen gedood worden en de werkzaamheden buiten kwetsbare periodes te laten plaatsvinden. Op de tweede plaats is het noodzakelijk om voor de functies die verdwijnen alternatieven aan te bieden in zowel de tijdelijke als permanente situatie. Voor huismus betreft dat het aanbieden van nest- en rustplaatsen en voldoende elementen van de functionele leefomgeving (zoals foerageer- en schuilmogelijkheden). Voor gewone dwergvleermuis betekent dat het aanbieden van verblijfplaatsen in de vorm van vleermuiskasten. Permanente alternatieve verblijfplaatsen kunnen ingebouwd worden in de nieuwbouw die plaatsvindt in het plangebied. Om de tijdelijke situatie te overbruggen is vaak het aanbieden van tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen noodzakelijk. Dit betreffen nestkasten en vleermuiskasten die aan gevels opgehangen kunnen worden. Deze dienen zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke nest- of verblijfplaats opgehangen te worden, maar buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Als zoekgebieden voor het treffen van tijdelijke compensatie/mitigatie kunnen de naastgelegen wijken aangewezen worden.

Ook zijn enkele woningen aan de Weeskinderendijk in het plangebied die mogelijk behouden blijven geschikt voor het ophangen van tijdelijke kasten.

6.3

Ontheffing

Om een ontheffing aan te vragen moet een activiteitenplan opgesteld worden. In het activiteitenplan moet ingegaan worden op de volgende onderdelen:  De beoogde ontwikkeling en de planning hiervan   

De aanwezige soorten, de beschermde ecologische functies en hoe die zijn onderzocht De te overtreden verbodsbepalingen De mitigerende en compenserende maatregelen

  

Het wettelijk belang van de ontwikkeling De staat van instandhouding van de soort Een alternatievenafweging

Als het bevoegd gezag akkoord gaat met de alternatievenafweging, het wettelijk belang en de maatregelen die getroffen worden om negatieve effecten te verzachten of te voorkomen, verleent deze een ontheffing. In dat geval zijn er vaak in de verleende ontheffing voorwaarden beschreven. Meestal is één van die voorwaarden het opstellen van een werkprotocol waarin de mitigerende en

19/21

Kenmerk

R002-1285173VSX-V02-kzo-NL

compenserende maatregelen uitgewerkt worden en wordt de aanwezigheid van ecologische begeleiding vereist. Bij formele ontheffingsaanvragen dient rekening gehouden te worden met een proceduretijd. De wettelijk vastgestelde proceduretermijn voor de behandeling van een ontheffingsaanvraag bedraagt dertien weken. Het bevoegd gezag kan deze termijn eenmalig met zeven weken verlengen tot een maximale proceduretermijn van twintig weken.

6.4

Overige maatregelen

In de quickscan (TAUW, 2022) zijn reeds enkele algemene maatregelen voor het totale plangebied beschreven (onder andere voortkomend uit de zorgplicht). Voor de volledigheid worden de maatregelen hier herhaald, mits deze van toepassing zijn voor deelgebied M4. De maatregelen bestaan uit:  

Neem ruim voorafgaand aan de werkzaamheden contact op met een ecoloog die bepaald of een broedvogelcontrole nodig is Voordat de werkzaamheden starten dient een controle op holtes van konijn, vos en haas plaats te vinden. Indien nodig dienen deze zoogdieren op een verantwoorde manier verplaatst te worden naar alternatief leefgebied. De verplaatsing dient niet plaats te vinden in de voortplantingstijd van de genoemde soorten

7 Conclusie In dit hoofdstuk zijn de conclusies en gevolgen voor de beoogde ontwikkeling samengevat.

7.1

Aanleiding

Gemeente Dordrecht is van plan het Maasterras in Dordrecht te herontwikkelen tot een nieuwe wijk met gemengde activiteiten. TAUW heeft een quickscan (TAUW, 2022) uitgevoerd, gevolgd door een soortgericht ecologisch onderzoek naar beschermde functies van ruw parelzaad, kleine wolfsmelk, vleermuizen (verblijfplaatsen en vliegroutes), huismus en gierzwaluw. Deze rapportage doet verslag van het soortgericht ecologisch onderzoek en de consequenties die de soorten op de beoogde ontwikkeling hebben. Er is alleen onderzoek uitgevoerd in deelgebied M4, exclusief een bedrijventerrein waar geen terreintoestemming aanwezig was (zie figuur 2.4).

7.2

Resultaten

In deelgebied M4 zijn beschermde functies van huismus en gewone dwergvleermuis aangetroffen. Van huismus zijn er zes nest- en rustplaatsen binnen het deelgebied M4 en drie buiten het deelgebied vastgesteld. Ook is er op twee locaties de functionele leefomgeving van huismussen binnen én buiten het deelgebied M4 vastgesteld. Van gewone dwergvleermuis is één paarverblijfplaats/-territorium vastgesteld. Er zijn geen beschermde functies van ruw parelzaad, kleine wolfsmelk, vliegroutes van vleermuizen en gierzwaluwen aangetroffen. Voor deze soorten zijn geen vervolgstappen zoals het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig.

20/21

Kenmerk

7.3

R002-1285173VSX-V02-kzo-NL

Conclusie

De beoogde ontwikkeling heeft negatieve effecten op huismus en gewone dwergvleermuis. De aanwezige functies van deze soorten verdwijnen bij uitvoering van de beoogde ontwikkeling. Dit is in strijd met de Wet natuurbescherming, artikel 3.1, lid 2 en 4 én artikel 3.5, lid 2 en 4. Voor het uitvoeren van de beoogde ontwikkeling is dan ook een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Om een ontheffing aan te vragen is het opstellen van een activiteitenplan nodig. Het activiteitenplan dient als onderbouwing van de ontheffingsaanvraag en gaat onder andere in op de staat van instandhouding, het wettelijk belang en een alternatievenafweging. Wanneer dit goed onderbouwd wordt verleent het bevoegd gezag een ontheffing. De proceduretermijn van een ontheffingsaanvraag kan oplopen tot twintig weken. De resultaten van het soortgericht onderzoek in het plangebied zijn samengevat in tabel 7.1. Tabel 7.1 Samenvatting resultaten soortgericht onderzoek Soort

Aanwezig in het plangebied?

Ontheffing nodig?

Ruw parelzaad

Nee

Nee

Kleine wolfsmelk

Nee

Nee

Verblijfplaatsen van vleermuizen

Ja, één paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis

Ja

Vliegroutes van vleermuizen

Nee

Nee

Huismus

Ja, nest- en rustplaats en bijbehorende functionele

Ja

leefomgeving Gierzwaluw

Ja, alleen hoog in de lucht passerend

Nee

8 Literatuur TAUW (Sanders, V.) 2022. Quickscan Maasterras Dordrecht. Rapportage met kenmerk R001-1285173VSX-V02-mdg-NL, d.d. 8 juni 2022. BIJ12 2022. Kennisdocument Huismus Passer domesticus. Versie 2.0, juni 2022. BIJ12 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus. Versie 1.0, juli 2017. Netwerk Groene Bureaus, 2021. Vleermuisprotocol 2021. Geraadpleegde websites: www.verspreidingsatlas.nl

21/21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/743/documents/29555