211125_Groenblauwplan Dordrecht.pdf
Tekst van het document
•
De bescherming van flora en fauna is gericht op de gunstige staat van instandhouding van populaties. Maatregelen die (op één bepaalde plek die van belang is) voor een bepaalde soort een negatief effect hebben kunnen bijvoorbeeld doorgang vinden als voor de populatie op een andere plek positieve maatregelen tot minimaal instandhouding van de populatie worden genomen. De verantwoordelijkheid voor bijvoorbeeld ontheffingen ligt bij de provincies in plaats van de landelijke overheid. De provincie stemt haar regelgeving af op lokale omstandigheden en soorten.
In 2018 is de ‘Uitwerking Gedragscode Stadswerk’ - bestendig beheer en onderhoud soortbescherming in de Drechtsteden - opgesteld. Hierin staat beschreven op welke wijze de Drechtstedengemeenten (Dordrecht, Zwijndrecht, Sliedrecht, Alblasserdam, Hendrik Ido Ambacht, Hardinxveld-Giessendam en Papendrecht) hun beheer- en onderhoudswerk in het stedelijk groen, in lijn met de bepalingen uit de Wet natuurbescherming (Wnb), uit moeten (laten) voeren. De gemeente is aangesloten bij Vereniging Stadswerk Nederland. Deze Vereniging biedt aan alle Nederlandse gemeenten een forum om kennis en ervaring op het terrein van de fysieke buitenruimte uit te wisselen. Op dit moment, 2020, is Stadswerk bezig met het uitwerken van een nieuwe, geactualiseerde Gedragscode. Zodra deze gereed is zal de Gedragscode uit 2018 worden gewijzigd. Natura-2000 netwerk Voor de Natura-2000 gebieden, waaronder de Biesbosch, heeft Nederland specifieke doelen (“instandhoudingsdoelstellingen”) geformuleerd voor het behoud of versterkingen van oppervlak en kwaliteit van habitattypen en leefgebieden van soorten. Het is verboden om zonder vergunning projecten te realiseren die (de kwaliteit van) de instandhoudingsdoelen kunnen aantasten. Ook de vaststelling van plannen is niet mogelijk als dit leidt tot significant negatieve effecten. Ook externe werking is van toepassing.
Voor nieuwe plannen en projecten in- of nabij Natura-2000 gebieden moet een toetsing worden uitgevoerd aan de gestelde doelen. In deze toetsing (ook wel voortoets, natuurtoets of quickscan genoemd) wordt nagegaan in hoeverre sprake is van mogelijke aantasting van beschermde natuurwaarden. Bij projecten die dichtbij de Biesbosch plaatsvinden moet rekening worden gehouden met een natuurlijke inpassing. Zo wordt het Natura-2000 afgeschermd en mogelijk zelfs verder versterkt. Aandachtspunt is hier ook het terugdringen of beperken van stikstofdepositie. Natuurnetwerk Nederland Voor de gebieden uit het Nederlands Natuurnetwerk (het NNN, voorheen EHS) heeft Provincie Zuid-Holland planologische bescherming vastgelegd. De natuur in het NNN is beschermd met een ‘nee, tenzij’-regime. Binnen het NNN zijn nieuwe projecten, plannen en handelingen niet toegestaan als zij negatief effect hebben op kenmerken en waarden van dit netwerk. Tenzij sprake is van een groot belang en er geen andere opties mogelijk zijn. Externe werking is niet van toepassing in Zuid-Holland. Voor nieuwe plannen en projecten in- of nabij deze beschermde gebieden moet een toetsing worden uitgevoerd aan de gestelde doelen. In deze toetsing (ook wel voortoets, natuurtoets of quickscan genoemd) wordt nagegaan in hoeverre sprake is van mogelijke aantasting van beschermde natuurwaarden.
Groenblauwprogramma Dordrecht
|
feb 2021
|
92
Besluit gewasbeschermingsmiddelen Vanuit de Europese overheid zijn eisen gesteld aan het gebruik van chemische middelen om onkruid in groen en op verhardingen te bestrijden. Sinds 2017 is er een verbod op het professioneel gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de buitenruimte (m.u.z. landbouwgrond). Dit houdt in dat aan onkruidbestrijding op een andere, niet chemische manier uitvoering moet worden gegeven. Alternatieven zijn bijvoorbeeld bestrijding middels borstelen, verbranding of begieten met heet water. Unielijst invasieve exoten Vanuit Europa is een Europese verordening ontwikkeld om de schade die invasieve exoten veroorzaken zo effectief mogelijk aan te pakken. Als we het hebben over invasieve exoten kunnen dit zowel landgebonden als watergebonden planten en dieren zijn. Om schade in de Europese Unie zoveel mogelijk te voorkomen, staan in de verordening een aantal verboden. Onderdeel van de verordening is de Unielijst. Hierop staan soorten die al in delen van de Europese Unie voorkomen en schade toebrengen of dit in de toekomst waarschijnlijk gaan doen. Soorten op deze lijst mogen niet worden gehouden, gekweekt of geteeld. Voortplanting moet worden voorkomen. Ook mogen ze niet worden verhandeld, gebruikt, ingevoerd, uitgevoerd, doorgevoerd of worden vrijgelaten (bron: rvo.nl).
Dordrecht heeft de verplichting om exoten die op de Unielijst staan vermeldt terug te dringen via verwijdering en beheer. Dit gebeurt door preventie, verwijdering en beheersing. Meer hierover in paragraaf 4.6. Waterwet en Waterschapswet De Waterwet is gericht op het beheer van watersystemen (waaronder waterkeringen), oppervlaktewateren grondwaterlichamen. De wet richt zich op voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, de bescherming en verbetering van kwaliteit van watersystemen en de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen (bron: InfoMil.nl, onderdeel Rijkswaterstaat). De Waterwet maakt onderscheid in rijkswateren, die in beheer zijn bij het Rijk, en regionale wateren, die niet in beheer zijn van het Rijk. Middels de Waterschapswet wordt het regionale watersysteembeheer en de zorg voor de zuivering van stedelijk afvalwater aan het Waterschap Hollandse Delta en de gemeente Dordrecht opgedragen. In Dordrecht is er een scheiding gemaakt in watergangen en hoofdwatergangen. Het Waterschap beheerd de hoofdwatergangen en de gemeente de overige watergangen. Ondanks deze taakverdeling wordt er wel samen opgetrokken in de uitvoering van het beheer. Europese Kaderrichtlijn Water Om de waterkwaliteit in Europa te verbeteren is in 2000 de Europese Kaderrichtlijn Water opgesteld (RIVM.nl).
Om het water voldoende gezond en schoon te laten zijn in 2027, zijn in de richtlijn afspraken opgenomen. Deze afspraken gaan onder andere over: • • • •
De bescherming van al het water: rivieren, meren, kustwateren en grondwater De vermindering en beperking van verontreiniging, ongeacht de bron (landbouw, industriële activiteiten, stedelijke gebieden, enzovoort). De verplichting om per stroomgebied een beheerplan op te stellen. Het in evenwicht houden van milieubelangen en de belangen van hen die afhankelijk zijn van het milieu.
Dordtse ambitie is het verder verhogen van de waterkwaliteit én de ecologische waarde van wateren door een flink aantal steile/beschoeide oevers te verflauwen. Om deze natuurlijke oevers te bereiken wordt samen opgetrokken met het waterschap Hollandse Delta in zowel planproces als toekomstig beheer.
|
93
Wet milieubeheer De Wet milieubeheer bepaalt welk wettelijk instrument (o.a. milieuprogramma’s, milieukwaliteitseisen, milieuplannen) kan worden ingezet om het milieu te beschermen (Rijkswaterstaat.nl). Ook staat hierin hoe moet worden omgaan met afvalstoffen en afvalwater. Op grond van deze wet zijn gemeenten bijvoorbeeld verplicht om een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) op te stellen. Bestaand gemeentelijk beleid Beleidsplannen die ten grondslag liggen aan het Groenblauwprogramma, of een aanvulling op dit plan vormen zijn: • Nota Dordrecht Kleurrijk groen; gemeente Dordrecht 1995 Het voormalig groenbeleidsplan. Dit Groenblauwprogramma vormt de actualisatie van het groenbeleidsplan. • Omgevingsvisie; gemeente Dordrecht 2020 Zoals vastgelegd in de Omgevingswet volgen hieruit diverse uitwerkingen zoals dit Groenblauwprogramma. • Het groenblauw eiland van Dordrecht; De Urbanisten 2020 Een beknopte ruimtelijke visie op de groen- en blauwe structuren in Dordrecht. • Natuurwaarden op het eiland van Dordrecht; Bureau Stadsnatuur 2020 Een actuele beschrijving en op waarde schatting van de bestaande natuur in Dordrecht. • Boomstructuurplan 2007 en 2020 Het vigerende boomstructuurplan is uit 2007. Door studenten van de Minor Bomen en stedelijke omgeving, Van Hall Larenstein Velp 2020, is een aanzet gemaakt voor een nieuwe versie met een beschrijving van de Dordtse boomstructuren incl.
leidende principes voor toekomstige (her)inrichtingen. De gemeente werkt deze aanzet in 2021 uit tot een overzicht van actuele hoofd- en nevenboomstructuren. • Ontwerphandboek Kwaliteit Openbare Ruimte (KOR) 2020; gemeente Dordrecht 2020 Een actuele leidraad voor alle inrichtings- en beheersingrepen in de openbare ruimte in Dordrecht. • Beheervisie ecologisch beheer; BTL Advies 2018 (tegenwoordig idverde Advies) Een actuele beheervisie voorzien van beheermaatregelen om de doelstellingen uit de SES vorm te geven. • Beleidsplan Stedelijk Ecologische Structuur (SES) 2008-2013 Een (tot uitwerking van Groenblauw structuurkaart) nog steeds geldige beschrijving van de ecologische hoofdstructuur van Dordrecht. • Speelruimtebeleid Dordrecht 2013-2022; sector stadsbeheer Een actuele visie op spelen en speelruimte, concreet vertaald in beleidsuitgangspunten waar rekening mee moet worden gehouden in dit Groenblauwprogramma en uitvoering van dit plan. Kaders met betrekking tot bomen Voor bomen is gemeentelijke en provinciale wetgeving van toepassing. In de algemene Plaatselijke Verordening (APV) zijn gemeentelijke regels vastgesteld. Het is bijvoorbeeld verboden om zonder vergunning bomen of houtopstanden te vellen (kappen) die staan vermeld op de Bomenlijst. Op deze lijst kunnen zowel gemeentelijke als private bomen staan. De lijst wordt iedere vier jaar opnieuw vastgesteld.
Aan de vergunning voor het vellen kan de gemeente voorwaarden stellen zoals het verplichten van herplant. De Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland stelt provinciaal geldige verplichtingen aan het vellen van een houtopstand. Deze regels hebben betrekking op een kapmelding van houtopstanden bij bevoegd gezag en een herplantplicht. Aan deze herplantplicht zijn voorwaarden verbonden, zoals dat de oppervlakte van herplant even groot is als de oppervlakte van kap. Deze regels zijn van toepassing buiten de bebouwde komgrens Wet natuurbescherming. Via bestendig beheer en onderhoud wordt ingezet op het duurzaam in stand houden van de kwantiteit en kwaliteit van het bomenbestand. Dit gaat gepaard met een frequent uitgevoerde veiligheids- en kwaliteitsinspectie. Inspectiegegeven worden geregistreerd en dienen als leidraad voor het onderhoud aan ie bomen.
Groenblauwprogramma Dordrecht
|
feb 2021
|
94
Bijlage 4 Randvoorwaarden voor natuurvriendelijke oevers De visie beschrijft de opgave om meer steile oevers om te vormen naar natuurvriendelijke, ofwel flauwe, oevers. In deze bijlage is deze opgave nader uitgewerkt. Eerst is benoemd wat de doelen zijn die wij middels natuurvriendelijke oevers willen behalen (1). Hierna is beschreven aan welke randvoorwaarden een natuurvriendelijke oever moet voldoen (2) en aan welke randvoorwaarden een steile(re) oever moet voldoen, om voor omvorming in aanmerking te komen (3). Ook is benoemd wat de basis is voor het beheer van de natuurvriendelijke oevers (4). Aan de hand van deze bijlage kunnen de locaties waar mogelijkheden liggen voor omvorming in een vervolgproject worden geïnventariseerd en kan vervolgens uitvoering plaatsvinden. In dit vervolgproject worden direct verbetermogelijkheden meegenomen met betrekking tot in- en uittreedplaatsen voor fauna bij steile(re) oevers. Doelen die dankzij natuurvriendelijke oevers kunnen worden behaald Hoofddoel van een natuurvriendelijke oever (NVO) is: • Het verhogen van de biodiversiteit doordat natte en droge zones in elkaar overlopen waardoor geschikte omstandigheden ontstaan voor meer soorten flora en fauna en doordat geslaagde migratie van individuen en populaties wordt gestimuleerd.
Subdoelen van een NVO zijn: • Het verhogen van de waterkwaliteit doordat vegetatie op de flauwe oever een natuurlijke filterwerking uitoefent. • Het verhogen van de belevingswaarde en het zichtbaar maken van het water, wat bijdraagt aan Dordts groenblauwe karakter. Inrichtingsvoorwaarden De NVO moet worden ingericht volgens één van de drie varianten: 1. Flauwhellend talud (één in zijn geheeld hellend talud) 2. Plasberm (een diep en een ondiep deel waarbij beide delen onder water staan) 3. Drasberm (een diep en een ondiep deel waarbij alleen het diepe deel onder water staat) Hierbij gaat de voorkeur uit naar variant 1 Flauwhellend talud, omdat de variatie aan verschillende diepten en daarvan profiterende flora en faunasoorten het hoogst is. In geval van weinig ruimte kan worden gekozen voor variant 2 of 3 waarbij de voorkeur uitgaat naar variant 2 Plasberm, omdat de waterbeplanting meer bijdraagt aan het verhogen van de biodiversiteit in het water.
Figuur 30: Typen natuurvriendelijke oevers (Bron: Handreiking natuurvriendelijke oevers Hoogheemraadschap van Rijnland)
|
95
• •
•
• •
Het talud op de grens van water en land heeft een zo flauw mogelijke helling, maximaal een helling hebben van 1:3 (het talud loopt 1 meter in hoogte over een afstand van 3 meter). Een talud van 1:5 of 1:6 is al een grote verbetering, 1:10 tot 1:20 geldt als een taludhelling waarbij de oevernatuur zich optimaal kan ontwikkelen. Hoe breder de watergang, des te breder de flauwe oever moet zijn. Onafhankelijk van of er aan één of twee zijden van de watergang een flauwe oever wordt gerealiseerd, moet iedere flauwe oever minimaal 5-10% van de watergang beslaan. Des te hoger dit percentage, des te meer de biodiversiteit wordt verhoogd. Ook een aangrenzende groenstrook op land verhoogt de ecologische waarde aanvullend. De diepte van de flauwe oever ten opzichte van het zomerpeil is afhankelijk van de breedte van de watergang. Bij watergangen smaller dan 5 meter ligt het flauw talud zo’n 5-7 cm beneden zomerpeil tot op de waterlijn. Bij watergangen van 5-10 meter breed 20 cm beneden zomerpeil tot op de waterlijn en bij bredere watergangen dan 10 meter 30 cm beneden zomerpeil tot net boven de waterlijn. Er is een substraat aanwezig in de oever waarin oeverplanten en waterplanten kunnen wortelen. Dit kan de bestaande bodem zijn of een materiaal (met laag organisch stof gehalte) dat in de oever wordt aangebracht.
Voorkeur gaat uit naar spontane ontwikkeling van vegetatie omdat deze vegetatie de meest waardevolle bijdrage levert aan de lokale biodiversiteit. Wanneer op specifieke locaties (bijv. een druk bezocht centrum) al snel een esthetisch beeld moet ontstaan kan worden gekozen voor aanplant van water- en oeverplanten of inzaaien van oeverplanten en gras/kruidsoorten op het droge deel. Het inzaaien van oeverplanten wordt echter afgeraden omdat dit i.v.m. de specifieke kiemingsomstandigheden vaak weinig succesvol blijkt.
Omvormingsvoorwaarden (om in aanmerking te komen voor een natuurvriendelijke oever) •
• •
• • • • • • •
• • •
De oever bevindt zich niet in agrarisch gebied, de wateren hier zijn namelijk kansarm op het gebied van biodiversiteitsverhoging. Mest vanuit de landbouw zorgt dat het water verrijkt (eutrofiëring), wat biodiversiteitsverhoging in de weg staat. NVO’s in agrarisch gebied zijn ecologisch wel meer waardevol dan steile oevers, maar investeren in omvormingsprojecten wordt afgeraden. Dit ook om ganzen op agrarische gronden niet te stimuleren en overlast daarmee te verergeren. Beter kan geïnvesteerd worden in niet-agrarisch gebied. De oever bevindt zich niet in een dijkbeschermingszones of buitenbeschermingszones, het is op last van het waterschap niet toegestaan om in de beschermingszones te graven. Er is voldoende ruimte in het water en/of op het land met minimaal talud van 1:3, of er kan voldoende ruimte worden gecreëerd voor een NVO, waarbij belangrijke gebruiksfuncties niet verloren gaan. Waar bijvoorbeeld een straat direct tot aan een steil talud loopt is verwezenlijking van een flauwe oever waarschijnlijk niet mogelijk. Er bevindt zich binnen 3 meter van de beambieerde flauwe oever geen bouwwerk, pand, weg, verharding, erf of steiger. De om te vormen oever is langer dan 10 strekkende meters. De oever is stabiel genoeg voor begroeiing of kan stabiel genoeg worden gemaakt. Bergend vermogen en doorstroomcapaciteit bij piekafvoer mogen niet in het geding komen.
De mogelijkheden om de oever te onderhouden zijn voldoende. De oever is bijvoorbeeld goed bereikbaar voor onderhoudsmaterieel. Er liggen al dan niet ambities om het betreffende gebied geschikter te maken voor specifieke natuurdoelsoorten. Indien NVO’s worden aangelegd met oog op stimulering van amfibieën mag de vispopulatie in de watergang niet te groot zijn. Anders blijft gebruik door amfibieën uit. De oever ligt in een ecologische (hoofd)structuur of kan door omvorming een bijdrage gaan leveren aan deze structuur en bijvoorbeeld gebieden met elkaar verbinden of kan lokale biodiversiteit versterken. De oever heeft een zonnige ligging. Het betreft in de meest gunstige situatie de noordelijke oever (waar zon vanuit het zuiden op schijnt). Wanneer beide oevers worden verflauwd en sprake is van weinig ruimte gaat voorkeur ernaar uit om de noordelijke oever flauwer in te richten dan de zuidelijke, zodat daar optimale bezonning plaats kan vinden. Er zijn weinig tot geen objecten zoals bomen en bebouwing die de oever beschaduwen. Binnen 3 meter van de geambieerde flauwe oever is geen bomenrij aanwezig, gedefinieerd als minstens 2 bomen op maximaal 10 meter van elkaar. Dit met het oog op behoud van bomen. De oever bevindt zich niet langs water waarin relatief veel vissoorten voorkomen die een negatieve invloed uitoefenen op de waterkwaliteit.
Bijvoorbeeld de bodem omwoelende soort brasem. Er komen geen invasieve (exotische) soorten voor in de oever zoals de Japanse duizendknoop. Om verspreiding van invasieve soorten te voorkomen is het niet wenselijk in de oever te graven. Ook kan een NVO totaal overwoekerd worden door de invasieve soort waardoor het doel om de biodiversiteit te verhogen niet kan worden behaald. Groenblauwprogramma Dordrecht
|
feb 2021
|
96
Beheervoorwaarden • •
•
• • •
•
•
Voor ontwikkelingsbeheer wordt op klei- en veenbodems doorgaans 2 jaar uitgetrokken, op zandbodem 4 jaar. In de ontwikkelingsfase wordt jaarlijks gemaaid en geschoond in het najaar. Bij zeer voedselrijke oevers zelfs tweemaal per jaar waarbij een extra onderhoudsgang nodig is vóór de zomer. In de instandhoudingsfase wordt de natte oever tweejaarlijks gemaaid en twee tot vierjaarlijks geschoond. Wanneer de diversiteit van de oevervegetatie te veel afneemt bij tweejaarlijks maaien kan voortaan jaarlijks worden gemaaid in het najaar. De droge oever of bloemrijke ruigte wordt jaarlijks gemaaid wanneer de grond relatief schraal is, tweejaarlijks wanneer deze voedselrijk is. De watergang wordt zo’n achtjaarlijks gebaggerd om de geleidelijke overgang van land naar water te behouden, verlanding tegen te gaan en het bergend vermogen van de watergang te behouden. Indien nodig wordt de oevervegetatie zo’n tienjaarlijks uitgekrabt. Baggeren gebeurd altijd vanaf een gesloten zijde zoals een oever naar een open watergang, zodat vissen en ander waterleven daarheen kan vluchten. Het is van belang om een eenmaal ingezet beheer consequent door te voeren zodat de oever zich zoals beoogt ontwikkelt. Onderhoud wordt uitgevoerd in de minst kwetsbare periode voor de flora en fauna. Dit is doorgaans in het najaar (september-oktober).
Verdichting van de bodem en beschadiging van bodem en vegetatie moeten worden voorkomen. Werk hierom zoveel mogelijk vanaf de zijkant in plaats van over de vegetatie heen te rijden, of indien mogelijk vanaf het water. Als wel over de vegetatie heen moet worden gereden gaat voorkeur ernaar uit om dit in één werkgang, achteruit te doen, zodat na afmaaien niet meer over deze stukken heen gereden wordt. Voorkeur gaat uit naar een gefaseerde werkwijze waarbij delen van de vegetatie, of alle vegetatie aan één van de twee natuurlijke oeverzijden blijft overstaan. Zo blijft voedselaanbod, veiligheid, verblijfs-en voortplantingsgelegenheid altijd voor fauna behouden. Ook met baggeren gaat voorkeur uit naar een gefaseerde werkwijze. Maaisel en slib worden afgevoerd om te voorkomen dat verrijking van de oevers en het water plaatsvindt.
|
97
Bijlage 5 Onderbouwing biodiversiteitsthema’s Figuur 28 geeft het ambitieblad biodiversiteit, waarop diverse thema’s zijn benoemd die samenhangen met achteruitgang van biodiversiteit stoppen, biodiversiteit behouden en biodiversiteit versterken. In de lopende tekst van paragraaf 4.6 is per thema benoemd waarom het betreffende thema belangrijk is in relatie tot biodiversiteit en wat gemeente Dordrecht gaat of blijft doen om binnen ieder thema bij te dragen aan de biodiversiteitsambities. Deze bijlage geeft meer achtergrondinformatie over de in paragraaf 4.6 benoemde thema’s.
Ziekten en plagen Tabel 12 geeft een overzicht van bekende ziekten en plagen die voorkomen in gemeente Dordrecht. De gevolgen voor biodiversiteit en menselijke gezondheid zijn daarbij benoemd.
Ziekte/Plaag
Verspreiding Dordrecht
Gevolgen biodiversiteit en gezondheid
Essentaksterfte
Verspreid over Dordrecht bij gewone es
Boomsterfte heeft negatieve impact op biodiversiteit
Botulisme
Bijvoorbeeld vijver bij de Troelstraweg (tegen de Zuidendijk), Trompweg, Weizigtpark t.h.v. de Nassauweg.
Bacteriën hebben negatieve impact op ecologische waterkwaliteit en menselijke gezondheid (ziekte), sterfte onder met name watervogels
Invasieve exoten
Verspreid over Dordrecht, zie tabel 13
Invasieve karakter van exoten heeft een negatieve impact op biodiversiteit en soort specifiek ook op menselijke gezondheid (irritatie, huidklachten)
Blauwalgen
Diverse locaties, varieert per jaar en moment
Negatieve impact op ecologische waterkwaliteit en menselijke gezondheid (ziekte)
Tabel 12. Bekende locaties van ziekten en plagen in gemeente Dordrecht
Gemeente Dordrecht hanteert een aanpak van signaleren, beheren en actief ingrijpen in het geval van ziekten en plagen. Signaleren Via een monitoring onderzoekt de gemeente het beheergebied periodiek bij een vermoeden van een ziekte of een plaag. Zo worden bijvoorbeeld elk jaar alle essen via een VTA-inspectie gemonitord op symptomen van essentaksterfte. Via deze gerichte monitoring weet de gemeente bijtijds of verder ingrijpen (de bron wegnemen of actief beheer) nodig is. Beheren Beheer is nodig om (de verspreiding van) ziekten en plagen onder controle te houden. De aanpak is afhankelijk van de soort ziekte/plaag, het verspreidingsvermogen en de besmettingsgraad. Het volstaat soms om lokaal de bron te beheren (waarmee verspreiding voorkomen wordt), andere situaties vergen een gemeente brede aanpak. Tevens is de benodigde intensiteit van aanpak per soort verschillend. Actief ingrijpen Het actief ingrijpen is nodig wanneer ziekten en plagen met beheer niet (meer) onder controle zijn te houden. Dit is vooral nodig wanneer de ziekten of plagen zich verder dreigen te verspreiden, de kans op besmettingen hoger is of wanneer de veiligheid en gezondheid van Dortenaren in het geding komt. De aanpak is soortspecifiek.
Groenblauwprogramma Dordrecht
|
feb 2021
|
98
Invasieve exoten Tabel 13 geeft bekende waarnemingen weer van invasieve exoten over de periode 2015-2020 in gemeente Dordrecht. De vaakst genoemde soorten hebben een (potentieel) grote impact op de Dordtse biodiversiteit. Bij de incidenteel waargenomen soorten, wasbeerhond, zonnebaars en rosse stekelstaart, is de ecologische impact (momenteel) nog gering.
Soort(en)
Aantal locaties
Impact
Aanpak
Nijlgans
898
Groot
Preventie*
Reuzenbalsemien
151
Groot
Preventie, verwijdering en beheersing
Smalle waterpest
115
Groot
Preventie, beheersing**
Geelbuikschildpad, roodwangschildpad, Lettersierschildpad
86
Klein***
Preventie
Muskus- en beverrat
81
Groot
Preventie, verwijdering en beheersing****
Reuzenberenklauw
75
Groot
Preventie, verwijdering en beheersing
Japanse, Sachalinse en Boheemse duizendknoop*****
46
Zeer groot
Preventie, verwijdering en beheersing
Eikenprocessierups*****
33
Groot
Preventie, verwijdering en beheersing
Gevlekte en rode Amerikaanse rivierkreeft, Chinese wolhandkrab
27
Groot
Preventie
Ongelijkbladig vederkruid, verspreidbladig waterpest, waterwaaier
3
Groot
Preventie, verwijdering en beheersing
Ongelijkbladig vederkruid, verspreidbladig waterpest, waterwaaier
3
Groot
Preventie, verwijdering en beheersing
Hemelboom
3
Groot
Preventie, verwijdering en beheersing
*Verwijdering en beheersing verloopt via het provinciaal vastgesteld Faunabeheerplan. ** Smalle waterpest komt al lang voor in Nederland en heeft zich veel verspreid. Het actief verwijderen heeft weinig zin omdat de soort in staat is weer snel terug te groeien. *** Schildpadden kunnen zich niet voortplanten in Nederland. Daarom is de negatieve impact beperkt. **** Waterschappen voeren de actieve verwijdering en beheersing hoofdzakelijk uit voor wat betreft ratten. ***** Deze soorten staan niet op de unielijst invasieve exoten. Toch is de overlast zo hinderlijk, dat direct handelen nodig blijkt.
Tabel 13 Waarnemingen van invasieve exoten tussen 2015-2020 (Bron: Nationale Database Flora en Fauna, NDFF)
|
99
Gemeente Dordrecht hanteert een aanpak van preventie, verwijdering en beheer in het geval van invasieve exoten. Preventie Preventie is een belangrijk middel om verspreiding van invasieve exoten te voorkomen. Dordrecht onderzoekt daarom vóór de start van een werk de projectlocatie op aanwezigheid van invasieve exoten. In het geval dat invaiseve exoten voorkomen in de omgeving van een plangebied, wordt verdere verspreiding voorkomen. Bijvoorbeeld door rijroutes van werkverkeer aan te passen. Verwijdering Als invasieve exoten op een projctlocatie worden waargenomen wordt eerst een specifiek werkprotocol opgesteld. De begeleiding van de werkzaamheden gebeurt door een deskundige op het gebied van invasieve exoten. Het werkprotocol bevat een duidelijke werkwijze voor het actief verwijderen van groeiplaatsen van invasieve planten en leefgebieden van invasieve fauna. De soort specifieke aanpak varieert van het wegvangen van dieren (kreeften) tot een sanering (in geval van de Japanse duizendknoop). Beheer De derde stap is toepassing van actief beheer op bekende overlastlocaties van invasieve exoten. De aanpak varieert per soort. Zo voorkomt het cyclisch verwijderen van soorten, zoals verspreidbladige waterpest en ongelijkbladig vederkruid, een verdere verspreiding in het watersysteem.
Ook zijn hardnekkige locaties van reuzenberenklauw met aanvullende beheersmaatregelen in toom te houden.
Bijen In Dordrecht komen, zover bekend, 101 bijensoorten voor. Hiervan zijn 15 soorten zeldzaam en staan op de Nationale Rode Lijst. In tabel 14 zijn deze soorten benoemd.
Groep bijen
Soorten
Hommels
Zandhommel, wilgenhommel, rode koekoekshommel
Zandbijen
Roodrandzandbij, donkere klaverzandbij, weidebij
Wespbijen
Roodsprietwespbij, vroege wespbij
Groefbijen
Breedbandgroefbij, roodharige groefbij
Overige bijen
Knautiabij, bruine rouwbij, andoornbij, klimopbij, distelbehangersbij
Tabel 14. Bekende waarnemingen van hommels en bijen in gemeente Dordrecht tussen 2010-2020 (Bron: NDFF). Alleen de zeldzame soorten (vermelding Rode lijst of bekend als zeldzame soort) staan in deze lijst
Er geldt een landelijke zorgplicht als het gaat om (zeldzame) bijen en hommels. Om bijen in hun voortbestaan goed te kunnen helpen past Dordrecht het beheer aan en creërt de gemeente meer nestgelegenheid. Het bijvriendelijker beheer is vooral gericht op het aanpassen van het maaibeleid. Beheer wordt aangepast op overgangen tussen gras en bos, omdat de bijen hier bloemen ofwel voedsel, rust en zonlicht vinden. Beheer wordt aangepast bij bekende nestplaatsen, zodat meer nesten tijdens onderhoudswerkzaamheden worden gespaard. Over het algemeen blijven vaker bloemrijke grasstroken staan, zodat bijen hier voedsel en schuilgelegenheid kunnen vinden. Er worden meer bloemrijke bermen (waaronder bloemenlinten) gerealiseerd, zodat bijen en hommels makkelijker op inheemse bloemen voedsel kunnen vinden. De bermen vormen daarnaast een belangrijke, beschutte verbindingsweg door de gemeente voor insecten en andere dieren. Nestgelegenheid wordt gecreërd door insectenhotels en andere geschikte nestplaatsen te facciliteren. De gemeente zoekt naar een natuurlijke balans tussen gebruiks- (honingbij) en biodiversiteitsdoelen (wilde bij). Het onderzoeksrapport van Naturalis, Bijen en balsemien: concurrentie tussen honingbijen en wilde bestuivers in de Biesbosch 2021, vormt de basis voor deze balans.
Groenblauwprogramma Dordrecht
|
feb 2021
|
100