CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

2026-0422 Rapport Zuidendijk.pdf

Gemeenteraad Dordrecht 14 juli 2026, gemeente DordrechtBij agendapunt: 15: Raadsinformatiebrief over Onderzoek Essenhof-Zuidendijk - Raadsinformatiebrief15.482 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

2 alinea's met “vrom”: 68 72

In tegenstelling tot het onderzoek Essenhof, is het in dit onderzoek niet gelukt om te achterhalen om welke graven het precies gaat. Uit het dossier, uit de interviews noch uit de administratie is af te leiden welke lichamen zijn verplaatst. Hierdoor kunnen nabestaanden niet gericht worden geïnformeerd. Dit maakt het in onze ogen nog meer urgent om te bepalen hoe om te gaan met de naar Essenhof verplaatste lichamen. 23 / 36 Bijlage I | Geïnterviewde functies In onderstaand overzicht is opgenomen hoeveel (toenmalige) functies zijn geïnterviewd in het kader van het onderzoek. • Zeven huidige medewerkers. • Drie voormalig medewerkers. • Huidige bestuurder. • Huidige directeur. • Eén externe. Eén persoon heeft per e-mail informatie verstrekt. 24 / 36 Bijlage II | Achtergrondkaders In bijlage II zijn de relevante achtergrondkaders voor deze casus geschetst. In deze bijlage wordt ingegaan op vigerende wet- en regelgeving omtrent de lijkbezorging. Vervolgens wordt ingegaan op lokale regelgeving op Essenhof en op richtlijnen vanuit de Inspectie en de Landelijke Organisatie voor Begraafplaatsen. De bijlage biedt relevante kaders die betrekking hebben op de voorliggende casus. De bijlage omvat geen oordeelsvorming over de mate waarin handelingen juridisch correct zijn uitgevoerd.

De bijlage omvat tevens geen oordeelsvorming over de mate waarin (natuurlijk) (rechts)personen aansprakelijk kunnen worden geacht. Deze bijlage is niet bedoeld als een uitputtende studie en beschrijving, maar biedt de lezer context informatie. Context De Wet op de lijkbezorging (verder: Wlb) maakt in artikel 23, lid 2 onderscheid in twee soorten graven: “Begraving geschiedt in een algemeen graf, waarbij de houder van de begraafplaats bepaalt wie daarin wordt begraven, dan wel in een particulier graf, zijnde een graf waarop een uitsluitend recht is gevestigd, waarbij de rechthebbende bepaalt wie daarin wordt begraven.” Bij particuliere graven kan de rechthebbende (meestal een van de nabestaanden) veelal kiezen waar op de begraafplaats de begraving plaatsvindt. Bij een algemeen graf bepaalt de beheerder van de begraafplaats waar de begraving plaatsvindt. Over het algemeen is dit op volgorde in een rij algemene graven. Op Zuidendijk is sprake van zandgraven. Hierbij wordt de kist in grond/zand begraven. De beheerder van de begraafplaats bepaalt de termijnen waarvoor een graf wordt uitgegeven. Dit is ten minste 10 jaar – de wettelijke grafrusttermijn –, maar kan ook eeuwigdurend zijn. Dit is vastgelegd in artikel 28, lid 1 Wlb: “Een uitsluitend recht op een graf, welke vorm aan dit recht ook wordt gegeven, kan uitsluitend schriftelijk worden gevestigd.

Het recht kan voor onbepaalde tijd of voor een bepaalde tijd van ten minste tien jaar worden verleend.” Voorafgaand aan de verstrijking van de termijn wordt de belanghebbende van het graf schriftelijk medegedeeld dat de grafrechten of graftermijn afloopt. Op Zuidendijk is de graftermijn voor algemene graven vastgesteld op 10 of 15 jaar. Dit is vastgelegd in de lokale beheersverordening. Na verloop van de termijn wordt de belanghebbende aangeschreven. De belanghebbende wordt daarbij geïnformeerd dat de optie bestaat tot opgraving met als doel herbegraven in een particulier graf of crematie. Indien niet wordt gekozen voor opgraving met tot doel herbegraving of crematie, kan de beheerder over gaan tot het ruimen van het graf. Wet- en regelgeving Wet op de lijkbezorging In 1991 is de Wlb vastgesteld. In de wet zijn regels omtrent lijkbezorging opgenomen. De wet is sinds de inwerkingtreding in 1991 een aantal keer gewijzigd. De voor deze casus relevante en geldende bepalingen zijn opgenomen in artikel 27a, 29 en 31. Hierbij zijn de artikelen opgenomen zoals geldend vanaf 1 augustus 2018. Deze artikelen zijn geldend ten tijde van de casus. De artikelen zijn hierna opgenomen.

25 / 36 Artikel 27a Ten minste zes maanden en ten hoogste twaalf maanden voor het verstrijken van de termijn van uitgifte van een algemeen graf doet de houder van de begraafplaats daarvan schriftelijk mededeling aan de belanghebbende bij dat graf wiens adres hem bekend is. Artikel 29 1. Een lijk wordt slechts opgegraven met vergunning van de burgemeester van de gemeente waarin het is begraven, en, indien het een particulier graf betreft, met toestemming van de rechthebbende op het graf. 2. Aan de vergunning verbindt de burgemeester de nodige voorschriften betreffende geneeskundig toezicht alsmede vervoer en bestemming van het lijk. 3. Een opgegraven lijk mag worden gecremeerd, wanneer het verzoek daartoe gedaan wordt door de in artikel 18 bedoelde persoon. De paragrafen 1, 2 en 3 van hoofdstuk II zijn ten aanzien van de crematie niet van toepassing. 4. Crematie binnen een jaar na de begraving vindt slechts plaats met schriftelijk verlof van de officier van justitie van de plaats van opgraving. Artikel 31 1. Artikel 29 geldt evenmin bij het ruimen van graven, voorzover dit geschiedt met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens dit artikel. 2.

Het ruimen geschiedt niet dan op last van de houder van de begraafplaats en na verloop van tien jaar nadat in het graf laatstelijk een lijk is geplaatst, en, indien het een particulier graf betreft, met toestemming van de rechthebbende op het graf. 3. De overblijfselen der lijken worden op een begraafplaats ter aarde besteld of, met overeenkomstige toepassing van het gestelde in artikel 29, derde lid, in een crematorium gecremeerd. 4. Gedeputeerde staten kunnen besluiten de in het tweede lid genoemde termijn te verlengen. Het besluit treedt terstond in werking. 5. Ten minste twee maanden voordat een graf van een onbekende wordt geruimd, geeft de houder de burgemeester daarvan kennis. De burgemeester is bevoegd, uitsluitend ten behoeve van de identificatie van de onbekende en opsporing van vermiste personen, van de overblijfselen van de onbekende door of onder verantwoordelijkheid van een arts lichaamsmateriaal af te doen nemen of een gebitsstatus te doen opmaken. Indien de burgemeester van die bevoegdheid gebruik maakt, wordt de ruiming opgeschort, ten minste tot het moment dat de uitslag van de poging tot identificatie bekend is, waarna een nabestaande in de lijkbezorging voorziet dan wel de ruiming kan worden voltooid. Arbeidsomstandighedenwet De Arbeidsomstandighedenwet bevat regels voor werkgevers en werknemers.

Het doel van de wet is om de gezondheid, veiligheid en het welzijn van werknemers en zelfstandig ondernemers te waarborgen. De Arbeidsomstandighedenwet wordt regelmatig gewijzigd. De vigerende wetgeving ten tijde van de start van de onderzoeksperiode in september 2020, gold van 1 januari 2020 tot en met 30 november 2020. In deze casus zijn met name de artikelen 3, 5, 8 en 11 relevant. Deze artikelen zien toe op het beschikbaar stellen en het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, en het inventariseren en evalueren van risico’s. De artikelen zijn hieronder opgenomen. 26 / 36 Artikel 3 1. De werkgever zorgt voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers inzake alle met de arbeid verbonden aspecten en voert daartoe een beleid dat is gericht op zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden, waarbij hij, gelet op de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening, het volgende in acht neemt: a. tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd organiseert de werkgever de arbeid zodanig dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op de veiligheid en de gezondheid van de werknemer; b.

tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd worden de gevaren en risico's voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemer zoveel mogelijk in eerste aanleg bij de bron daarvan voorkomen of beperkt; naar de mate waarin dergelijke gevaren en risico's niet bij de bron kunnen worden voorkomen of beperkt, worden daartoe andere doeltreffende maatregelen getroffen waarbij maatregelen gericht op collectieve bescherming voorrang hebben boven maatregelen gericht op individuele bescherming; slechts indien redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat maatregelen worden getroffen die zijn gericht op individuele bescherming, worden doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen aan de werknemer ter beschikking gesteld; c. de inrichting van de arbeidsplaatsen, de werkmethoden en de bij de arbeid gebruikte arbeidsmiddelen alsmede de arbeidsinhoud worden zoveel als redelijkerwijs kan worden gevergd aan de persoonlijke eigenschappen van werknemers aangepast; d. monotone en tempogebonden arbeid wordt, zoveel als redelijkerwijs kan worden gevergd, vermeden dan wel, indien dat niet mogelijk is, beperkt; e.

doeltreffende maatregelen worden getroffen op het gebied van de eerste hulp bij ongevallen, de brandbestrijding en de evacuatie van werknemers en andere aanwezige personen, en doeltreffende verbindingen worden onderhouden met de desbetreffende externe hulpverleningsorganisaties; f. elke werknemer moet bij ernstig en onmiddellijk gevaar voor zijn eigen veiligheid of die van anderen, rekening houdend met zijn technische kennis en middelen, de nodige passende maatregelen kunnen nemen om de gevolgen van een dergelijk gevaar te voorkomen, waarbij artikel 29, eerste lid, derde zin, van overeenkomstige toepassing is. 2. De werkgever voert, binnen het algemeen arbeidsomstandighedenbeleid, een beleid gericht op voorkoming en indien dat niet mogelijk is beperking van psychosociale arbeidsbelasting. 3. Ter uitvoering van het eerste lid draagt de werkgever zorg voor een goede verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen de bij de werkgever werkzame personen, waarbij hij rekening houdt met de bekwaamheden van de werknemers. 4. De werkgever toetst het arbeidsomstandighedenbeleid regelmatig aan de ervaringen die daarmee zijn opgedaan en past de maatregelen aan zo dikwijls als de daarmee opgedane ervaring daartoe aanleiding geeft. Artikel 5 1.

Bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid legt de werkgever in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vast welke risico's de arbeid voor de werknemers met zich brengt. Deze risico-inventarisatie en - evaluatie bevat tevens een beschrijving van de gevaren en de risico-beperkende maatregelen en de risico's voor bijzondere categorieën van werknemers. 2. In de risico-inventarisatie en -evaluatie wordt aandacht besteed aan de toegang van werknemers tot een deskundige werknemer of persoon, bedoeld in de artikelen 13 en 14, of de arbodienst. 3. Een plan van aanpak, waarin is aangegeven welke maatregelen zullen worden genomen in verband met de bedoelde risico's en de samenhang daartussen, een en ander overeenkomstig artikel 3, maakt deel uit van de risico-inventarisatie en -evaluatie. In het plan van aanpak wordt tevens aangegeven binnen welke termijn deze maatregelen zullen worden genomen. 27 / 36 4. De risico-inventarisatie en -evaluatie wordt aangepast zo dikwijls als de daarmee opgedane ervaring, gewijzigde werkmethoden of werkomstandigheden of de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening daartoe aanleiding geven. 5.

Indien de werkgever arbeid doet verrichten door een werknemer die hem ter beschikking wordt gesteld, verstrekt hij tijdig voor de aanvang van de werkzaamheden aan degene, die de werknemer ter beschikking stelt, de beschrijving uit de risico-inventarisatie en -evaluatie van de gevaren en risicobeperkende maatregelen en van de risico's voor de werknemer op de in te nemen arbeidsplaats, opdat diegene deze beschrijving verstrekt aan de betrokken werknemer. 6. De werkgever zorgt ervoor dat iedere werknemer kennis kan nemen van de risico-inventarisatie en -evaluatie. Artikel 8 1. De werkgever zorgt ervoor dat de werknemers doeltreffend worden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico's, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico's te voorkomen of te beperken. Tevens zorgt de werkgever ervoor dat de werknemers doeltreffend worden ingelicht over de wijze waarop de deskundige bijstand, bedoeld in de artikelen 13, 14, 14a en 15, in zijn bedrijf of inrichting is georganiseerd. 2. De werkgever zorgt ervoor dat aan de werknemers doeltreffend en aan hun onderscheiden taken aangepast onderricht wordt verstrekt met betrekking tot de arbeidsomstandigheden. 3.

Indien persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking van de werknemers worden gesteld en indien op arbeidsmiddelen of anderszins beveiligingen zijn aangebracht, zorgt de werkgever ervoor dat de werknemers op de hoogte zijn van hun doel en werking en de wijze waarop zij deze dienen te gebruiken. 4. De werkgever ziet toe op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de in het eerste lid genoemde risico's alsmede op het juiste gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen. 5. Indien binnen de onderneming werknemers jonger dan 18 jaar werkzaam zijn, houdt de werkgever bij de uitvoering van de in de voorgaande leden genoemde verplichtingen in het bijzonder rekening met de aan de jeugdige leeftijd inherente beperkte werkervaring en onvoltooide lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van deze werknemers. Artikel 11 De werknemer is verplicht om in zijn doen en laten op de arbeidsplaats, overeenkomstig zijn opleiding en de door de werkgever gegeven instructies, naar vermogen zorg te dragen voor zijn eigen veiligheid en gezondheid en die van de andere betrokken personen. Met name is hij verplicht om: a. arbeidsmiddelen en gevaarlijke stoffen op de juiste wijze te gebruiken; b.

de hem ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen op de juiste wijze te gebruiken en na gebruik op de daartoe bestemde plaats op te bergen, een en ander voor zover niet krachtens deze wet is bepaald dat werknemers niet verplicht zijn beschermingsmiddelen als vorenbedoeld te gebruiken; c. de op arbeidsmiddelen of anderszins aangebrachte beveiligingen niet te veranderen of buiten noodzaak weg te halen en deze op de juiste wijze te gebruiken; d. mede te werken aan het voor hem georganiseerde onderricht bedoeld in artikel 8; e. de door hem opgemerkte gevaren voor de veiligheid of de gezondheid terstond ter kennis te brengen aan de werkgever of degene die namens deze ter plaatse met de leiding is belast; f. de werkgever en de werknemers en de andere deskundige personen, bedoeld in artikel 13, eerste tot en met derde lid, de personen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, en de arbodienst, indien nodig bij te staan bij de uitvoering van hun verplichtingen en taken op grond van deze wet. 28 / 36 Arbeidsomstandighedenbesluit Het Arbeidsomstandighedenbesluit is een nadere uitwerking van de Arbeidsomstandighedenwet. De voor deze casus relevante bepalingen zijn opgenomen in artikel 4.1b, 4.1c, 4.2, 4.4 en 4.5. De artikelen zijn hieronder opgenomen. Artikel 4.1b 1.

In alle gevallen waarin werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, zorgt de werkgever voor een doeltreffende bescherming van de gezondheid en veiligheid van de werknemer. 2. Aan het bepaalde in het eerste lid wordt voldaan indien: a. in het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet, de aard, mate en duur van de blootstelling is beoordeeld in overeenstemming met artikel 4.2; b. doeltreffende maatregelen zijn getroffen ter voorkoming of beperking van de blootstelling in overeenstemming met de artikelen 4.1c en 4.4 dan wel in overeenstemming met de artikelen 4.17, 4.18 en 4.19; c. preventieve maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van ongewilde gebeurtenissen in overeenstemming met artikel 4.6. Artikel 4.1c. 1. In alle gevallen waarin arbeid wordt verricht waarbij werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, wordt, in het kader van artikel 3 van de wet, de blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen voorkomen of geminimaliseerd door: a. het ontwerp en de organisatie van de arbeidssystemen op de werkplek; b. gebruik te maken van adequate arbeidsmiddelen; c. gebruik te maken van adequate voorzieningen bij het uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden; d. het aantal werknemers, dat wordt of kan worden blootgesteld te minimaliseren; e.

de mate en duur van de blootstelling te minimaliseren; f. huidcontact te voorkomen of te minimaliseren door het dragen van doelmatige persoonlijke beschermingsmiddelen bij mogelijke blootstelling aan een enkelvoudige of samengestelde stof: 1e. die voldoet aan de criteria voor classificatie met een effect op de huid of ogen, inclusief de classificatie kankerverwekkend voor de huid, volgens Richtlijn 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG 1967, 196) of Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG 1999, L 200); 2e. als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, of artikel 4.16, eerste lid, en waarbij is aangegeven dat die door de huid kan worden opgenomen; g. de grootst mogelijke zorgvuldigheid, ordelijkheid en zindelijkheid in acht te nemen; h. de hoeveelheid gevaarlijke stoffen op de werkplek zoveel mogelijk te beperken; i.

passende werkmethoden in te voeren, met inbegrip van regelingen voor de veilige behandeling, opslag en vervoer op de werkplek van gevaarlijke stoffen en van afvalstoffen die gevaarlijke stoffen bevatten; j. arbeid slechts te laten verrichten door personen die in een zodanige lichamelijke en geestelijke toestand verkeren en op het gebied van die arbeid over een zodanige basiskennis beschikken, dat zij voldoende in staat zijn de daaraan verbonden gevaren te onderkennen en te voorkomen; k. te zorgen dat op plaatsen waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, niet wordt gerookt, gegeten, gedronken, geslapen of voedsel wordt bewaard. 29 / 36 2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn in overeenstemming met de stand van de wetenschap en techniek. Artikel 4.2 1. Indien werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, ongeacht of met deze stoffen daadwerkelijk arbeid wordt of zal worden verricht, worden, in het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet, de aard, de mate en de duur van die blootstelling beoordeeld teneinde de gevaren voor de werknemers te bepalen. 2.

Met betrekking tot de aard van de blootstelling wordt in ieder geval vastgesteld aan welke gevaarlijke stoffen werknemers worden of kunnen worden blootgesteld, wat de gevaren zijn die aan die stoffen zijn verbonden, in welke situaties blootstelling zich kan voordoen en op welke wijze blootstelling kan plaatsvinden. 3. Met betrekking tot de mate van blootstelling aan gevaarlijke stoffen wordt in ieder geval vastgesteld wat het blootstellingniveau is. 4. Voor het doeltreffend vaststellen van het blootstellingniveau wordt gebruik gemaakt van geschikte, genormaliseerde meetmethodes, dan wel andere voor het doel geschikte meetmethodes of kwantitatieve evaluatiemethodes. 5. Bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: a. de informatie over de veiligheid en gezondheid die door de leverancier van een gevaarlijke stof bij of krachtens wettelijk voorschrift moet worden verstrekt, alsmede de voor de risico-evaluatie noodzakelijke aanvullende informatie van de leverancier of uit andere gemakkelijk toegankelijke bronnen; b. de omstandigheden tijdens werkzaamheden waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, waaronder begrepen de hoeveelheid gevaarlijke stoffen waaraan werknemers worden of kunnen worden blootgesteld; c.

de redelijkerwijs voorzienbare gebeurtenissen die kunnen leiden tot een aanzienlijke toename van de mate van blootstelling ook indien er preventieve maatregelen zijn getroffen; d. de effectiviteit van de genomen of te nemen preventiemaatregelen; e. voor zover van toepassing, de resultaten van de arbeidsgezondheidskundige onderzoeken, bedoeld in de artikelen 4.10a en 4.10b. 6. Indien sprake is van verschillende gevaarlijke stoffen, wordt de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, gebaseerd op het risico dat die gevaarlijke stoffen in combinatie opleveren. 7. De in het eerste lid bedoelde mate van blootstelling wordt overeenkomstig het vierde lid getoetst aan de voor de betrokken stof vastgestelde grenswaarde. 8. De beoordeling, bedoeld in het eerste lid, wordt regelmatig herzien, in ieder geval indien wordt aangevangen met nieuwe werkzaamheden waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken en voorts wanneer gewijzigde omstandigheden of de resultaten van de arbeidsgezondheidskundige onderzoeken, bedoeld in de artikelen 4.10a en 4.10b, hiertoe aanleiding geven. 9. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel. Artikel 4.4 1.

Voor zover uit de resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, blijkt dat er gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers bestaat, zijn doeltreffende maatregelen genomen om te voorkomen dat de werknemers bij hun arbeid kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen in zodanige mate, dat hun veiligheid in gevaar kan worden gebracht of dat schade kan worden toegebracht aan hun gezondheid. 2. Voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is, worden bij de toepassing van het eerste lid gevaarlijke stoffen vervangen door stoffen waarbij de werknemers, gelet op de eigenschappen van die stoffen, de aard van de arbeid, de werkmethoden en de werkomstandigheden, niet of minder aan gevaar voor hun veiligheid of gezondheid worden blootgesteld. 30 / 36 3. Indien vervanging redelijkerwijs niet mogelijk is of indien er nog een gevaar voor de veiligheid of gezondheid van de werknemers resteert, worden voor de toepassing van het eerste lid, zodanige technische maatregelen, werkprocessen, uitrustingen en materialen toegepast, dat het vrijkomen van gevaarlijke stoffen is voorkomen of zodanig beperkt, dat gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers is voorkomen of zoveel mogelijk verminderd. 4.

Voor zover de maatregelen, genoemd in het tweede en derde lid, redelijkerwijs niet mogelijk zijn of het gevaar voor de veiligheid of de gezondheid niet volledig wegnemen, worden voor de toepassing van het eerste lid collectieve beschermingsmaatregelen bij de bron of organisatorische maatregelen getroffen, zodanig dat gevaar voor de veiligheid of de gezondheid wordt voorkomen. 5. Voor zover de maatregelen zoals genoemd in het tweede, derde en vierde lid, redelijkerwijs niet mogelijk zijn of het gevaar voor de veiligheid of de gezondheid niet volledig wegnemen, worden voor de toepassing van het eerste lid, daarvoor geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld. 6. De duur van het dragen van de persoonlijke beschermingsmiddelen, bedoeld in het vijfde lid, wordt voor ieder van de werknemers tot het strikt noodzakelijke beperkt. Artikel 4.5 1. Indien verontreinigde lucht wordt afgevoerd, is gelijktijdig voldoende toevoer van niet-verontreinigde lucht gewaarborgd. 2. Het is verboden lucht die een gevaarlijke stof bevat, opnieuw in circulatie te brengen naar een arbeidsplaats waar de betreffende stof niet aanwezig is. 3.

Het is verboden de lucht, die een stof bevat als bedoeld in het vierde lid opnieuw op dezelfde arbeidsplaats in circulatie te brengen, tenzij de werkgever aantoont dat de concentratie van een stof als bedoeld in het vierde lid in de lucht die wordt toegevoerd aan die arbeidsplaats, ten hoogste één tiende deel van de voor die stof vastgestelde grenswaarde bedraagt. 4. Dit artikel is van toepassing op de volgende stoffen: a. kankerverwekkende en mutagene stoffen als bedoeld in artikel 4.11, onderdelen b en d; b. een stof die vrijkomt bij een kankerverwekkend proces als bedoeld in artikel 4.11, onderdeel c; c. stoffen die voldoen aan de criteria, vastgesteld op grond van artikel 9.2.3.1, derde lid, van de Wet milieubeheer voor toekenning van de R-zin «kan overgevoeligheid veroorzaken bij inademing (R42)». Beheersverordening Essenhof De beheersverordening Essenhof bevat lokale regelgeving voor het beheer en gebruik van de begraafplaats Essenhof en begraafplaats Zuidendijk. De beheersverordening is in werking sinds 1 januari 2015 en vigeert daarmee voor de onderzoeksperiode. De voor deze casus relevante bepaling is opgenomen in artikel 2, artikel 5 en artikel 13. Artikel 2 1. Het beheer van de Essenhof omvat het onderhouden en exploiteren van de terreinen en de gebouwen en het bieden van faciliteiten voor lijkbezorging en voor de herdenking van overledenen. 2.

De beheerder houdt een, niet openbaar, register bij van alle rechthebbenden en gebruikers van de graven en urnenplaatsen, met hun namen en adressen en aantekening van hun relatie tot de overledene. 3. De rechthebbenden en gebruikers zijn verplicht de wijziging van hun adres aan de Essenhof door te geven. 4. Rechthebbenden van particuliere graven die voorheen voor onbepaalde tijd zijn uitgegeven en waarvan de onderhoudsrechten voor onbepaalde tijd zijn afgekocht, zijn verplicht de Essenhof eens in de tien jaar te laten weten of men het graf nog wil laten voortbestaan. 31 / 36 Artikel 5 1. Algemene zandgraven zijn bestemd voor het begraven van maximaal twee lijken. 2. Algemene keldergraven op de begraafplaats aan de Nassauweg zijn bestemd voor het begraven van maximaal vier lijken. 3. Algemene kindergraven zijn bestemd voor het begraven van maximaal twee lijken. 4. In algemene graven worden geen asbussen bijgezet. 5. Plaatsen in algemene graven worden uitgegeven voor een termijn van tien of vijftien jaar. Plaatsen in algemene kindergraven worden uitgegeven voor een termijn van vijftien jaar. 6. Het gebruik van plaatsen in algemene graven wordt niet verlengd. Artikel 13 Bij de opgraving van lijken en ruiming van graven zijn geen andere personen aanwezig dan degenen die door de beheerder met deze werkzaamheden zijn belast.

Richtlijnen Inspectierichtlijn Lijkbezorging (1999) In 1999 heeft de Inspectie van het toenmalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) de derde druk van de Inspectierichtlijn Lijkbezorging uitgebracht. De Inspectierichtlijn bevat onder andere richtlijnen voor hoe om te gaan met de inrichting, het technisch beheer en het onderhoud van begraafplaatsen, crematoria en opbaargelegenheden. De richtlijn heeft sinds 2010 geen formele status meer, doordat de Inspectie is komen te vervallen. De Inspectierichtlijn doet nog wel dienst als bron voor antwoorden in de praktijk. De inspectierichtlijn geeft de volgende definitie van ruimen: “Onder ruimen wordt verstaan het leegmaken van een graf. Schudden is een vorm van ruimen waarbij in een graf de skeletdelen op de bodem van het graf worden geplaatst. Onder ter aardebestellen wordt verstaan het op piëteitvolle wijze opnieuw begraven van stoffelijke resten waarbij geen gebruik behoeft te worden gemaakt van een lijkkist of ander lijkomhulsel.” De inspectierichtlijn maakt binnen ruimen het onderscheid tussen incidentele ruimingen en grootschalige ruimingen. Incidentele ruimingen vinden daarbij met name plaats bij eigen graven. Grootschalige ruimingen zijn vooral van toepassing op algemene graven.

In de richtlijn wordt ingegaan op de wijze waarop bij grootschalige ruimingen, na 10 jaar grafrust, om kan worden gegaan met onvolledige vertering: “Hoewel het principe hoe om te gaan met onverteerde resten in beide gevallen (red. incidentele ruimingen en grootschalige ruimingen) fundamenteel hetzelfde is, zal het duidelijk zijn dat bij grootschalige ruimingen de voorzieningen veel meer omvattend zullen zijn dan bij individuele het geval zal zijn Als gevolg van de wijze van begraven of door een niet-optimale bodemsituatie kan men behalve verteerde, ook gedeeltelijk verteerde of zelfs geheel onverteerde stoffelijke overschotten terug vinden. Voordat definitief besloten wordt tot ruiming zal onderzoek moeten plaatsvinden naar de (algemene) toestand van het betreffende gedeelte van de begraafplaats. Hierbij kan een register van de wijze van begraving, zoals bedoeld in bijlage 2 onder 6, van dienst zijn. Als onvolledig verteerde overschotten worden aangetroffen of de kans op aanwezigheid daarvan groot is, moet men ernstig overwegen voorlopig van ruiming af te zien. De inspecteur zal in dergelijke gevallen dan ook niet zonder meer positief adviseren, doch eventueel, op grond van Wlb art. 31, lid 4, bevorderen dat de grafrusttermijn wordt verlengd.

Ingeval men vanwege zwaarwegende argumenten (zoals acuut ruimtegebrek) toch tot ruiming overgaat moeten soortgelijke maatregelen, maar dan op grote schaal, worden getroffen als die bij de opgraving van lijken (zie bijlage 3).” 32 / 36 De richtlijn schetst vervolgens maatregelen die na tien jaar grafrust kunnen worden genomen om de oorzaak van de slechte vertering op te lossen na constatering daarvan bij ruimingen: “Indien men voorlopig van ruiming afziet, moet de oorzaak van de slechte vertering worden vastgesteld, opdat alsnog maatregelen kunnen worden getroffen om het verteringsproces beter te laten verlopen. Uitstel van ruiming heeft anders meestal weinig zin. De te treffen maatregelen komen overeen met voorzieningen ter verbetering van bestaande begraafplaatsen. Ook als de oorzaak niet in de bodemsituatie ligt, maar in de wijze van begraven (zoals in een lijkwade van kunststof of een luchtdichte kist), ontstaat een dilemma: enerzijds zou men van ruiming af moeten zien, maar anderzijds kan slechts ruiming (in dit geval is het beter van opgraving te spreken) ertoe leiden dat het verteringsproces weer op gang wordt gebracht. Hier prevaleren de voordelen van ruiming (opgraving), mits vervolgens herbegraving (of crematie conform de Wlb art. 29, lid 3) plaatsvindt.

Bij herbegraving zal de omhulling die de zuurstoftoetreding belemmert, dienen te worden verwijderd, maar als dit niet mogelijk is in elk geval luchtdoorlatend moeten worden gemaakt en het verteringsproces wellicht ook anderszins weer op gang moeten worden gebracht. Arbo-technische begeleiding kan hierbij niet worden gemist. De hier besproken problematiek kan ernstige gevolgen hebben voor de beschikbaarheid van voldoende vrije begraafruimte. De planning dient daarom voldoende in het beleid van de begraafplaats te zijn opgenomen, opdat tijdig alternatieven kunnen worden ontwikkeld om bij tegenvallende ruimingen niet in een dwangpositie te geraken.” De inspectie geeft aan dat de voorkeur ligt bij het “ruimen en ter aarde bestellen van adipocire lijken”, boven het laten liggen. Afhankelijk van de situatie kan worden gekozen voor ter aardebestelling zo dicht mogelijk onder het maaiveld in een afzonderlijke, goed doorlatende strook. Tevens kan worden besloten tot het begraven in grafkelders met geforceerde ventilatie. In de inspectierichtlijn zijn geen adviezen opgenomen ten aanzien van de locatie van de herbegraving van onverteerde lichamen bij grootschalige ruimingen.

In 2014 zijn twee bijlagen uit de Inspectierichtlijn Lijkbezorging geactualiseerd.1 Over ruimingen, na tien jaar grafrust, wordt het volgende aangegeven: “Uit hygiënische en psychohygiënische overwegingen dienen menselijke resten uit een graf op de begraafplaats ter aarde te worden besteld. Overige resten zoals die van de kleding of van de kist kunnen op zorgvuldige wijze worden aangeboden aan een erkende vuilverbrandingsinstallatie.” Handboek Opgraven en Ruimen (2010) In 2011 zijn de VROM-inspecties opgehouden te bestaan. Met het vervallen van de inspectie, is meer ruimte gekomen voor zelfregulering door de sector. In 2010 is een model-beheersverordening begraafplaatsen uitgebracht door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). In de model-beheersverordening wordt uitgegaan van een zorgplicht voor begraafplaatsen. Deze zorgplicht omvat dat de beheerder “er zorg voor [draagt]dat met de menselijke resten die bij de ruiming van een graf worden aangetroffen te allen tijde respectvol wordt omgegaan. Er dienen bovendien maatregelen te worden getroffen om te voorkomen dat bezoekers van de begraafplaats met de menselijke resten worden geconfronteerd.” In 2010 is een handleiding opgraven en ruimen uitgebracht door de Landelijke Organisatie van Begraafplaatsen (LOB), dat richtlijnen biedt voor het omgaan met opgraven en ruimen. Deze handleiding volgt op een eerdere versie uit 2001.

De volgende definitie wordt gehanteerd voor ruimen: “Onder ruimen wordt verstaan het leegmaken van een graf, waarbij de resten van een overledene opnieuw op een begraafplaats ter aarde worden besteld. Ruimen kan alleen gebeuren als de grafrechten van het particuliere graf zijn vervallen en er dus geen sprake meer is van een rechthebbende. 1 Technische adviezen voor inrichting van begraafplaatsen en graven, https://www.begraafplaats.nl/wp-content/uploads/2016/08/14- modelvoorschr_asvertrooiing_techn_adviezen_inrichting_begraafpl_en_graven -2014.pdf. 33 / 36 Bij algemene graven vindt ruiming plaats na het verstrijken van de wettelijke grafrusttermijn van tenminste tienjaar.” De definitie gehanteerd voor opgravingen is als volgt: “We spreken van opgraven als het de bedoeling is een stoffelijk overschot of stoffelijke resten individueel te herbegraven in een ander graf (op dezelfde of op een andere begraafplaats) of te cremeren.” Over verzamelgraven is het volgende opgenomen: “De Wlb schrijft voor dat de overblijfselen op een begraafplaats ter aarde moeten worden besteld. Dit ter aarde bestellen kan op twee manieren gebeuren: door herbegraving van de resten onder het graf (het eerder behandelde schudden) of door deze anoniem in een verzamelgraf of verzamelkelder te bergen.

Verzamelgraven liggen meestal in de randen en overhoeken van een begraafplaats, buiten het zicht van bezoekers. Voor de inrichting van verzamelgraven zijn geen wettelijke bepalingen opgesteld. Gesteld kan worden dat dezelfde technische voorschriften gehanteerd moeten worden als voor graven in het Besluit op de lijkbezorging: Artikel 5.2. Boven de kist of omhulsel bevindt zich een laag grond van tenminste 65 centimeter. Artikel 5.4. De graven bevinden zich tenminste 30 centimeter boven het hoogste niveau van de gemiddeld hoogste grondwaterstand. Deze artikelen zijn eveneens toepasbaar voor een verzamelgraf. Dit interpreterend is er een afdekking van 65 centimeter grond, is er geen maximale diepte, maar is er wel een drooglegging van 30 centimeter tot de hoogste gemiddelde grondwaterstand. Het verteringsproces van de beenderen kan zo op een verantwoorde wijze doorgaan. De vertering van de beenderen zal vele malen langer duren dan de skelettering van het stoffelijk overschot. Er is echter geen enkele reden aan te voeren waarom dit proces onder slechtere omstandigheden mag plaatsvinden dan het verteringsproces in het oorspronkelijke graf. Resten worden alleen in een biologisch afbreekbaar omhulsel gedeponeerd in een verzamelgraf. Op zich is dit onttrekken aan het zicht van een verzamelgraf vaak helemaal niet nodig, afhankelijk van onder andere het beeld.

Vaak hoeft deze locatie maar eens in een decennium te worden open gegraven. Waarom dan van deze plaats geen representatieve plek van bezinning maken?! Het terrein kan worden ingezaaid met al of niet een wilde plantenmengsel en voorzien van een toelichtend informatiebord of zelfs een monument. Op het moment dat een verzamelgraf weer geopend wordt, moeten natuurlijk wel weer alle voorzieningen getroffen worden - zoals eerder omschreven- om deze werkzaamheden uit het zicht te onttrekken.” Over verzamelkelders is het volgende opgenomen: “Vaak is het praktisch om naast een maar zelden te gebruiken verzamelgraf een verzamelkelder aan te brengen voor het frequent kunnen bergen van stoffelijke resten. Vooral bij weinig beschikbare ruimte of bij een slecht door latende bodemstructuur kan een verzamelkelder een oplossing bieden. Ook voor een verzamelkelder zijn geen wettelijke bepalingen opgesteld en is een link te leggen naar het Besluit op lijkbezorging: Artikel 7. De constructie van grafkelders is zodanig dat lucht tot de grafruimte kan toetreden en hier uit ook afgevoerd kan worden. De afvoer van lucht uit de grafruimte geschiedt op zodanige wijze dat daarvan geen hinder kan worden ondervonden. Een verzamelkelder dient een bouwkundig verantwoorde constructie te zijn, bijvoorbeeld een betonnen put of een constructie, bestaande uit betonnen elementen.

De drooglegging dient gewaarborgd te zijn, zo nodig door een drainagesysteem. De kelder moet voorzien zijn van een of meerdere (verschuifbare) afneembare en afsluitbare deksels. Deze constructie dient natuurlijk bouwkundig verantwoord te zijn. De beluchting is, net als bij grafkelders, een belangrijk onderdeel. Zuurstoftoetreding is ook hier essentieel. Geurhinder zal niet of nauwelijks optreden bij volledig geskeletteerde stoffelijke resten, maar verdient wel de nodige aandacht. Een dergelijke regelmatig te gebruiken technische voorziening dient afgescheiden te worden voor het publiek. Een duurzame dichte afscheiding, met een degelijk slot is noodzakelijk. Eens in de 5 jaar of langer zal de verzamel kelder geleegd moeten worden en de nog over zijnde resten alsnog worden overgeplaatst in een verzamelgraf. Bij volledig geskeletteerde resten kan als inhoud voor een verzamelkelder ongeveer 1 m3 voor 30 - 40 stoffelijke resten worden gehanteerd. Resten worden alleen in een omhulsel gedeponeerd in een verzamelkelder. Belangrijk is dat het verteringsproces op een natuurlijke manier geschiedt en niet wordt bevorderd door welke onnatuurlijke toevoeging (ongebluste kalk, e.d.) dan ook.

34 / 36 Toevoeging van organische middelen die het verteringsproces versnellen is bespreekbaar, mits een dergelijk middel wordt gekeurd voor dit doel bij een gerenommeerd onderzoeksbureau en ook door de LOB is erkend. Een dergelijk middel is bij het opstellen van dit boek nog niet bekend.” In de handleiding is opgenomen dat er sprake kan zijn van onverteerde lichamen bij ruimingen. Ten aanzien van de bestemming van de resten is het volgende opgenomen: “Het is raadzaam om voor onverteerde stoffelijke resten zo mogelijk een apart deel, bij voorkeur bij het verzamelgraf of verzamelkelder te reserveren. De zuurstoftoetreding moet geoptimaliseerd zijn. Kortom, de bodemstructuur en de waterhuishouding moet goed zijn. Ook verdient het de voorkeur deze stoffelijke resten op 1-diep te plaatsen: niet dieper dan circa 100 centimeter en niet ondieper dan 65 centimeter. Omdat niet iedere voor de hand liggende maatregel een verbetering zal zijn, is het verstandig hiervoor een erkend gespecialiseerd bedrijf te benaderen.” Over het onderscheid tussen herbegraving en ruiming wordt het volgende aangegeven: “Zo lang er sprake is van een individueel stoffelijk overschot dat niet overgeplaatst wordt naar een verzamelgraf of -kelder, is er sprake van een opgraving en moet dit worden aangevraagd.

De plaats waar het stoffelijk overschot vervolgens opnieuw wordt begraven moet dan ook conform artikel 27, lid 1, Wlb nauwkeurig vermeld worden in de registers van de begraafplaats waar het stoffelijk overschot heen gaat. Daarnaast is het aan te bevelen dat ook in het register van de begraafplaats vanwaar het stoffelijk overschot komt nauwkeurig wordt bijgehouden wanneer en waarheen het is gebracht. […] In het voorbeeld van de grootschalige ruiming betekent dit dat voor de ruiming niet en voor de opgravingen die worden herbegraven wel verlof aan de burgemeester moet worden gevraagd.” Hierbij wordt de volgende definitie van opgraven gehanteerd: “We spreken van opgraven als het de bedoeling is een stoffelijk overschot of stoffelijke resten individueel te herbegraven in een ander graf (op dezelfde of op een andere begraafplaats) of te cremeren.” Veilig en gezond werken op begraafplaatsen (2024) In 2007 heeft IPC Groene Ruimte de eerste versie van het boek ‘veilig en gezond werken op begraafplaatsen’. In 2024 is deze versie gecorrigeerd en geactualiseerd. Het boek wordt uitgegeven in samenwerking met de LOB. Het boek geeft praktische handvatten voor het invullen van de Arbowetgeving, specifiek op begraafplaatsen.

Hierbij gaat het met name over de feitelijke werkzaamheden op de begraafplaats en de risico’s en veiligheidsmaatregelen die volgen uit de werkzaamheden.2 Het boek gaat eerst in op de Arbowetgeving, de verantwoordelijkheden en verplichting die hieruit volgen en de belangrijkste aandachtspunten vanuit de wetgeving. Denk aan de RI&E, ziekteverzuim, bhv, preventiemedewerkers, voorlichting en scholing, toezicht en bedrijfsongevallen. Vervolgens wordt ingegaan op persoonlijke beschermingsmiddelen, fysieke belasting, grafdelving, ruimingen en opgravingen, biologische agentia en het welzijn van medewerkers. Voor dit onderzoek is vooral het hoofdstuk omtrent ruimingen en opgravingen relevant. In het boek worden de volgende definities gebruikt: - Ruimingen: oude graven vrij maken van de verteerde stoffelijke resten, zodat daar weer nieuwe graven uitgegeven kunnen worden. - Opgravingen: het op enig moment opgraven van stoffelijke resten. Dit kan gebeuren om de stoffelijke resten op een andere plek te herbegraven of te cremeren, of in het kader van een gerechtelijk onderzoek van de stoffelijke resten. 2 Veilig en gezond werken op begraafplaatsen, IPC Groene Ruimte (2024).

35 / 36 Bij ruimingen en opgravingen heeft de werkgever als verantwoordelijkheden om zorg te dragen voor werkomstandigheden, waarbij de gevaren op veiligheids-, gezondheids- en PSA-gebied voor de medewerkers aanvaardbaar zijn, en het voorlichten van medewerkers over mogelijke schadelijke gevolgen en de voorgeschreven maatregelen. De werknemer heeft de verantwoordelijkheid om de voorlichtingen te volgen en de interne voorschriften tijdens de werkzaamheden uit te voeren. In het boekje wordt aangegeven dat men bij het ruimen van individuele graven of grafvelden geconfronteerd kan worden met onverteerde lichamen. Hier dient rekening mee te worden gehouden bij de start van de ruiming. Daarbij wordt in het boekje gewezen op zowel de lichamelijke als psychische belasting voor medewerkers die kan optreden bij het ruimen van graven. Werken met TwynstraGudde betekent samen maatschappelijke transities werkend krijgen. Met advies, management en opleidingen helpen we mensen en organisaties bij duurzame veranderingen. Denk aan energie en klimaat, wonen, veiligheid, landbouw, mobiliteit, zorg en onderwijs. Onze kracht ligt in daadkracht. In het creëren van oplossingen die werkbaar zijn én werkbaar blijven. Samen met onze opdrachtgevers - en alle belanghebbenden daaromheen - werken we aan een samenleving die weerbaar is. Zo maken we blijvend impact op morgen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/1109/documents/49281