20231214 Concept convenant Ondernemersfonds Dordrecht - def (003).pdf
Tekst van het document
Convenant ondernemersfonds Dordrecht
December 2023
De ondergetekenden
De Gemeente Dordrecht, daartoe op grond van artikel 171, lid 2 Gemeentewet gemachtigd door de burgemeester, vertegenwoordigd door mw. C.C. van Benschop, wethouder Economische Zaken, verder te noemen "de gemeente", en De Stichting Ondernemersfonds Dordrecht, vertegenwoordigd door dhr. P.F. van den Brink, voorzitter, en dhr J. Weeber, penningmeester verder te noemen "het fonds",
Overwegende 1. Dat de gemeenteraad van Dordrecht in 2023 heeft ingestemd met de komst van het fonds, naar voorbeeld van andere steden, waaronder Leiden en Utrecht en op basis van een verzoek daartoe van het georganiseerde bedrijfsleven.
2. Dat het ondernemersfonds Dordrecht wordt gevoed met een bijdrage uit de algemene middelen van de gemeente.
3. Dat de algemene middelen verruimd zijn met een aan die bijdrage gerelateerde verhoging van de onroerend zaak belastingen voor niet-woningen (voor zowel eigenaren als gebruikers).
4. Dat het publieke karakter van het fonds verplicht tot eisen van transparantie en verantwoording.
5. Dat de formule van het fonds als een financiële positie ‘voor en door ondernemers’ met een inhoudelijk terughoudende rol van de gemeente het uitgangspunt is.
6. Dat met ‘ondernemers’ met grote nadruk ook non-profit organisaties worden bedoeld die prestaties in het economisch verkeer verrichten of die een (bedrijfs) onroerende zaak exploiteren in de sectoren cultuur, sport, onderwijs, zorg en overige maatschappelijke domeinen.
7. Dat de verwachting is dat het organiserend vermogen van het bedrijfsleven in Dordrecht, inclusief het vermogen om voor de eigen belangen op te komen en een visie op (gebieden in) Dordrecht te formuleren, met een fonds sterk vergroot zal worden.
Komen hierbij overeen als volgt Hoofdstuk 1: financiële grondslag 1. De gemeente zal jaarlijks aan het ondernemersfonds een financiële bijdrage verstrekken. Deze bijdrage bestaat uit de meeropbrengst bij een ozb-tariefsverhoging ter hoogte van 75 euro per 100.000 woz-waarde. Het tarief voor de ozb niet-woningen zal op dit bedrag worden aangepast met de verdeling 60% gebruiker en 40% eigenaar. Het in 2024 te verstrekken bedrag bedraagt € 2.387.000,-. 2. Het onder 1. genoemde bedrag zal worden herberekend als percentage van de ozbopbrengst niet-woningen voor 2024. Voor de jaren 2025 en verder zal niet het bedrag van € 75,- per € 100.000,- OZB-capaciteit leidend zijn, maar wordt dit bedrag omgerekend tot een percentage van de totale opbrengst van de OZB niet-woningen. Deze methodiek zorgt voor een automatisch meebewegen van het fonds met de inflatie en de areaal wijzigingen. Eventuele meer of minderopbrengsten van de OZB zijn voor rekening en risico van de gemeente en worden niet na-gecalculeerd op de subsidie. 3. Op basis van een jaarlijks door de gemeente aan te leveren overzicht van WOZ-objecten zal het fonds de trekkingsgebieden bepalen, waarna vervolgens door de gemeente de trekkingsrechten per gebied zullen worden berekend. Deze calculatie geschiedt op basis van het WOZ-bestand op 1 januari van het voorgaande jaar, met uitzondering van het eerste jaar. 4.
Het bestuur van het fonds dient via het gemeentelijk subsidieportaal jaarlijks voor 1 oktober bij het college het activiteitenplan en een begroting in voor het volgende kalenderjaar, op basis van de begrote financiële bijdrage van de gemeente. De begroting bevat de globale trekkingsrechten van gebieden en sectoren, budgetten voor eventuele gemeentebrede activiteiten, kosten en andere gevolgen van gemaakte keuzes. De begroting is compact en dient om trekkingsgerechtigden en het college inzicht te geven in de financiële stand van zaken. 5. De gemeentelijke subsidieverstrekking vindt plaatst op basis van 100% bevoorschotting, met uitkering in 4 termijnen van 25%, bij de start van ieder kwartaal. 6. De gemeente neemt als privaatrechtelijke partij financieel deel aan het fonds als eigenaar en/of gebruiker van zakelijk vastgoed. Evenwel zal de gemeente die positie niet gebruiken om vanuit politiek perspectief mee te praten over bestedingen of organisatie van het fonds (zie ook hoofdstuk 4). Waar mogelijk worden de maatschappelijke partijen die gebruik maken van gemeentelijk vastgoed wel betrokken in de trekkingsrechten (bv. scholen, sportorganisaties, cultuurinstellingen). Ook kunnen beheerders van gemeentelijke panden op gebiedsniveau meepraten over ‘facilitaire belangen’ (schoon, heel, veilig) zolang er geen sprake is van politieke sturing.
7. De vorming van reserves, dan wel spaartegoeden in het fonds door het bestuur dan wel door partijen met trekkingsrecht, is toegestaan. Partijen onderschrijven, dat reservevorming alleen plausibel is, wanneer er zicht is op concrete bestedingen en spaardoelen. 8. Gezien de meerjarige verplichtingen die ondernemersorganisaties aangaan wordt een onverhoopte beëindiging van de voeding van het fonds door de gemeente tijdig aangekondigd. De partijen dragen in dergelijk geval een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een goede afwikkeling van het fonds. Het bestuur van het fonds blijft verantwoordelijk voor de bestemming van de resterende gelden.
Hoofdstuk 2: rekening en verantwoording 1. Na afloop van een jaar dient het fonds voor 1 mei van het jaar volgend op het heffingsjaar een jaarverslag in bij de gemeente, met daarin: Een jaarrekening met balans, voorzien van een samenstellende accountantsverklaring. Een overzicht van de bestede en gereserveerde gelden, verdeeld naar geografisch gebied dan wel naar sector, dan wel gemeentebrede projecten. Een verslag van het Bestuur van de Stichting met betrekking tot de activiteiten van de Stichting. De gemeente heeft te allen tijde het recht om aanvullend onderzoek te (laten) doen naar de jaarrekening. 2. Los van de rekening en verantwoording, streven beide partijen naar een goede informatieuitwisseling.
Hoofdstuk 3: looptijd en evaluatie 1. Het convenant treedt in werking op de datum van ondertekening door beide partijen en eindigt van rechtswege op 31 december 2028, tenzij partijen schriftelijk vastleggen dat de looptijd van het convenant wordt verlengd. Het fonds heeft dus een looptijd tot en met 31 december 2028. In 2028 wordt een evaluatie van het fonds uitgevoerd. Bij continuering van het fonds wordt dit convenant voor een alsdan te bepalen periode schriftelijk verlengd. Mocht in 2028 onverhoopt besloten worden het fonds weer op te heffen dan treedt lid 8uit hoofdstuk 1 in werking.
2. Uiterlijk 1 september 2028 biedt de stichting aan het College van B&W de evaluatie aan ter beoordeling met daarin een verslag van inhoud, organisatie en draagvlak. Het bestuur neemt initiatief tot de evaluatie en voert de regie, het staat de gemeente vrij aanvullende vragen mee te geven.
3. Het initiatief om het convenant te wijzigen, aan te vullen of te moderniseren, kan van elke partij uit gaan. Wijzigingen van het convenant worden schriftelijk vastgelegd en gelden slechts wanneer deze door beide partijen zijn ondertekend.
Hoofdstuk 4: verantwoordelijkheden gemeente 1. De gemeente zal het non-interventiebeginsel – geen invloed op de bestedingen uit het fonds – respecteren. Het staat de gemeente vrij om voorstellen voor cofinanciering voor te leggen. 2. Partijen onderkennen dat de gemeente verantwoordelijk is voor het handhaven van de basiskwaliteit van het openbaar gebied (schoon, heel en veilig). Partijen zijn beide verantwoordelijk voor eventuele extra investeringen in voorzieningen en activiteiten die bijdragen aan het realiseren van een hogere kwaliteit van het openbaar gebied en de beleving daarvan. Het bestuur van het fonds is zich ervan bewust dat de gemeente gebonden is aan wet- en regelgeving die de mogelijkheden van de gemeente tot het doen van extra investeringen kan inperken.
3. De bepaling onder 2. laat onverlet dat verenigingen of allianties van bedrijven kunnen besluiten om middelen uit het fonds te gebruiken om een extra kwaliteit toe te voegen aan de gemeentelijke taken. De bepaling laat eveneens onverlet dat verenigingen met de gemeente kunnen overleggen over het overnemen van de regie over gemeentelijke taken, met inbegrip van het gemeentelijk budget daarvoor.
Hoofdstuk 5: verantwoordelijkheden bestuur van de Stichting 1. Het bestuur bewaakt de algemene doelstellingen van het fonds, te weten het versterken van het ondernemingsklimaat in Dordrecht voor commerciële bedrijven en ‘non-profit’ ondernemingen, het financieren van collectieve ambities en het versterken van het organiserend vermogen. 2. Het bestuur is verantwoordelijk voor een doelmatige en transparante inzet van de middelen en voor een tijdige en afdoende rekening en verantwoording naar de gemeente. 3. Het bestuur is verder verantwoordelijk voor adequate dienstverlening en informatievoorziening voor de partijen die werken met financiering uit het ondernemersfonds, te weten de partijen met trekkingsrecht. 4. Het bestuur streeft naar een hoge participatie van ondernemers in de besluitvorming over koers en bestedingen. 5. Het bestuur kan een eigen rol spelen in het agenderen van nieuwe onderwerpen bij de ondernemers in de stad, zoals bijvoorbeeld marketing, duurzaamheid en circulariteit, jongeren en techniek, onderwijs en arbeidsmarkt, kennis & kunde & belangenbehartiging. Het bestuur streeft naar een goede balans tussen ‘consolideren’ en ‘innoveren’ in de bestedingen.
6. Het bestuur is er verantwoordelijk voor dat georganiseerde ondernemers in Dordrecht over kennis en toegang tot de mogelijkheden van het fonds beschikken. Het bestuur houdt toezicht op een transparante en democratisch georiënteerde besluitvorming over de bestedingen door de partijen met trekkingsrecht. Bij twijfels over de legitimiteit en de doelmatigheid van een besteding kan het bestuur een bestedingsvoorstel afwijzen, zonder aantasting van de financiële positie van de aanvrager. 7. Het bestuur streeft naar een representatieve vertegenwoordiging van profit en non-profit, in het bestuur van de Stichting, als ook in de besturen van de verschillende trekkingsgebieden.
Hoofdstuk 6: geschillenbeslechting 1. In geval partijen over enig onderwerp van deze overeenkomst van mening verschillen, zowel naar aanleiding van de interpretatie daarvan, dan wel de uitvoering van deze overeenkomst en ter zake een geschil dreigt te ontstaan, zullen partijen steeds trachten, in goed overleg en gehoord de door hen aan de orde gestelde argumenten, tot een gemeenschappelijk standpunt te komen. 2. Indien, ondanks serieuze pogingen van partijen om tot een oplossing te geraken, er geen oplossing wordt bereikt, zal het betreffende geschil ter beslechting worden voorgelegd aan de bevoegde rechter te Rotterdam.
Ondertekening Plaats
Datum
Stichting Ondernemersfonds Dordrecht
Gemeente Dordrecht
P.F. van den Brink
C.C. van Benschop
Voorzitter
Wethouder
J. Weeber Penningmeester