CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

200928 Totaal_Welstandnota.pdf

Commissie Fysieke Leefomgeving Dordrecht 6 januari 2021, gemeente DordrechtBij agendapunt: 4: Vaststellen geactualiseerde Welstandsnota Dordrecht - Raadsvoorstel29.033 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

•

Uitzonderingen • In geval van een zadeldak met wolfseind is de vaak beperkte maat van het wolfseind ongeschikt voor de toevoeging van een dakvenster. • In geval van een mansardedak is een dakvenster alleen toegestaan in het deel van het dakvlak onder

de knik. InstallaƟe voor de ontvangst of het zenden van beeld en geluid Hiermee wordt bedoeld een in het dakvlak opgenomen en uit dat dakvlak uitstekende voorziening van een bescheiden omvang, uitgevoerd in kunststof of metaal, in de vorm van een schotel of een antenne, ten behoeve van de ontvangst of het verzenden van beeld en geluid. Voor deze voorzieningen zijn door de voortschrijdende techniek voldoende alterna even voorhanden, zodat dergelijke voorzieningen op, in of aan daken niet worden toegestaan. Zonnecollectoren en zonnepanelen Een in het dakvlak opgenomen dan wel op een speciale beugel gemonteerde uit het dakvlak stekende voorziening van een (ten opzichte van het dakvlak) bescheiden omvang, ten behoeve van de verwarming van (tap)water respec evelijk de opwekking van elektriciteit. Ruimtelijke inpassing • De voorzieningen mogen niet op een dakvlak worden aangebracht dat gericht is op of heel goed zichtbaar is vanuit de (semi-)openbare ruimte. Onder (semi-)openbare ruimte worden ook tuinen van openbare voorzieningen met een beperkte openstelling gerekend en havens en rivieren. • Pla e daken of pla e dakdelen zijn doorgaans het meest geschikt om dit soort voorzieningen aan te brengen. • Het aanbrengen van de voorziening dient te geschieden zonder aantas ng van de historische dakbedekking.

• Op daken met leien of rietdekking zijn zonnepanelen of –collectoren niet mogelijk.

•

De voorkeur gaat uit naar plaatsing van de voorziening op het achter- of zijdakvlak als deze zijde en de aan te brengen voorzieningen niet te goed zichtbaar zijn vanaf de weg of het openbaar groen/water.

Op plat dak • Zonnecollector of zonnepaneel zo ver van de dakrand verwijderd plaatsen als de collector of het paneel hoog is. Op schuine dakvlakken • Tussen de nok en de bovenrand van de voorziening dient minimaal één pan te resteren. • Tussen de goot en de onderrand van de voorziening dient minimaal één pan te resteren. • Tussen de hoekkeper of dakrand en de zijkant van de voorziening dienen minimaal 3 pannen te resteren. • Tussen dakkapel of schoorsteen en de randen van de voorziening dient minimaal één pan te resteren. • De voorziening is gelijkvormig aan eerder geplaatste vergelijkbare voorzieningen op het betreffende dakvlak. • De voorziening mag niet ten koste gaan van de karakteris ek van de kapvorm.

5.1.4 Reclame in de historische binnenstad In een aantal gevallen is reclame verboden: aan de rivierzijde van de panden aan de Wolwevershaven; op de gevels aan de Voorstraatshaven. De reclamecriteria voor de binnenstad richten zich op de (historische) winkelstraten, zoals de Voorstraat, Vriesestraat en Grote Spuistraat. In andere straten is

meer bescheiden reclame toegestaan. Criteria voor reclame • Horizontale reclameborden of lichtbakken mogen maximaal twee-derde van de gevelbreedte beslaan en maximaal 0,60 meter hoog zijn. De exacte maten zijn a ankelijk van het pand. Bij de genoemde maximale maten is uitgegaan van een gevelbreedte van niet meer dan 10 meter (binnenstadmaat). Bij bredere gevels is de maximale breedtemaat kleiner dan twee derde. Reclame mag in dergelijke gevallen niet meer dan 8% van het geveloppervlak beslaan en dient uit niet meer dan 3 reclameobjecten per pand te bestaan. Er is dan wel een grotere hoogte dan 0.60 m. mogelijk, a ankelijk van gevelhoogte en de composi e van de gevel. • Reclameborden of lichtbakken zijn niet toegestaan doorlopend over meer dan één gevel, ook al zijn de panden (op de begane grond) samengevoegd. • De maten van lichtbakken die haaks op de gevel staan, mogen in principe niet groter zijn dan 0,80 x 0,80 meter. De afme ngen van de lichtbakken moeten passen bij de afme ngen en de architectuur van de gevel. Bij grote (winkel)gebouwen kunnen daarom eventueel grotere afme ngen worden toegepast, voor zover schaal, maat en architectuur van het gebouw dit toestaan. Een en ander ter beoordeling van de Welstands- en Monumentencommissie. Ook richtlijnen in het bestemmingsplan kunnen leiden tot een kleinere toegestane maximale maat.

• De lichtuitstraling van de reclame of de aanlich ng van de reclame mag qua kleur en lichtsterkte geen overlast geven naar de omgeving. • Reclame-ui ngen met bewegende beelden of le ers zijn niet toegestaan. • Reclame-ui ngen met geluid is niet toegestaan. • Alternerende, bewegende of aan en uit knipperende verlich ng is niet toegestaan. Welstandsnota Dordrecht

55

• LED- of LCD schermen zijn aan gevels in de historische binnenstad niet toegestaan. • LED- of LCD schermen achter glas, maar zichtbaar vanuit de openbare ruimte, dienen tussen 22.00 uur ‘s avonds en 6.00 uur ‘s ochtends uit te zijn. • Lichtstrengen, om bijvoorbeeld de contouren van een gebouw te accentueren, kunnen uitsluitend jdelijk worden toegestaan bij bijzondere fes viteiten. • Reclame-ui ngen moeten zo dicht mogelijk worden geplaatst bij de entree van de commerciële func e waar ze bij horen. daarnaast mogen ze niet boven de onderkant van de vensters van de tweede verdieping uitsteken. • Reclame aan een gebouw is alleen toegestaan aan de entreezijde van de winkel of het (horeca)bedrijf. • Aan panden met het uiterlijk van een winkel wordt uitsluitend toegestaan: één reclame die vlak tegen de gevel is geplaatst en één, maximaal twee, uithangbord(en) of lichtbak(ken) loodrecht op de gevel. • Zonneschermen en markiezen met reclame ui ngen vallen ook onder het reclamebeleid, zie ook voorstel APV 4:14. • Op luifels worden alleen reclames toegestaan die bestaan uit losse le ers of een beschildering. Een lichtbak aan de onderkant van de luifel mag, als deze in verhouding tot de luifel niet te groot is en voetgangers niet hindert. • Er kunnen al jd nadere eisen worden gesteld bij een karakteris eke en/of historische omgeving.

Zo geldt voor de gestelde maximale maten dat deze niet overal automa sch worden toegestaan. Voorop staat dat reclame ondergeschikt moet zijn aan het (historische) pand en de omgeving. • Reclames tegen of achter glas, zichtbaar vanaf de openbare weg, worden ook als reclame aangemerkt en dienen derhalve ook te voldoen aan de gestelde richtlijnen. Ruiten dienen ten minste gedeeltelijk 56

Welstandsnota Dordrecht

doorzich g te blijven. Naar de openbare weg gerichte ruiten mogen voor maximaal 10 % van het oppervlak worden beplakt. • Vervanging van een reclame-ui ng in een bestaande reclame voorziening die niet aan de richtlijnen voldoet is niet toegestaan. Voor jdelijke reclame (maximaal zes maanden) kunnen uitzonderingen op de criteria worden gemaakt.

5.1.5 Muurschilderingen In het algemeen kan een goed uitgevoerde muurschildering een gebouw, loca e of buurt verfraaien. Het kan bij voorbijgangers en bewoners zorgen voor verrassing, verwondering, gevoel van binding en trots. Een muurschildering binnen beschermd stadsgezicht betekent in het algemeen een ingrijpende wijziging in het beeld. En is dat vaak binnen beschermd stadsgezicht, waar juist het historische beeld zijn aantrekkingskracht hee , niet al jd gewenst. Om te voorkomen dat een beroep op de excessenregeling wordt gedaan bespreekt de uitvoerder het voorgenomen kunstwerk op basis van zijn ontwerp, vooraf in de Welstands- en Monumentencommissie. Als het kunstwerk meerdere gevels omvat, dienen de ontwerpen in samenhang te worden gepresenteerd, zodat beoordeeld kan worden of ze aan de meeste hieronder gestelde criteria voldoen. De kunstenaar, of zijn vertegenwoordiger, gee daarbij aan waar van de criteria is afgeweken en waarom. • De muurschildering levert een posi eve bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit. • De voorstelling van de muurschildering hee bij voorkeur een rela e met de loca e waar de schildering

wordt aangebracht, met de geschiedenis van de plek of de geschiedenis van Dordrecht. • De muurschildering moet kunnen worden verwijderd zonder schade aan te brengen aan het onderliggende muurwerk, dus niet direct aanbrengen op een gevel van schoon metselwerk of natuursteen. • De muurschildering wordt niet direct aangebracht op de gevels van een pand om gebrek aan onderhoud, dan wel verpaupering te camoufleren. • De muurschildering houdt rekening met de architectuur van het pand en zorgt voor verfraaiing daarvan. • De muurschildering houdt rekening met de uitstraling van gevels in de omgeving. • De muurschildering houdt rekening met uitstraling naar de omgeving. • Wat de kleurstelling en het beeld betreffen zal er per loca e een keuze zijn tussen contrast of harmonie. In het beschermd stadsgezicht ligt op de meeste loca es harmonie meer voor de hand. • De aanvrager/ontwerper zorgt voor een goede communica e met omwonenden. Met name bewoners die direct op het kunstwerk kijken. • De muurschildering is van goede technische kwaliteit qua materiaalgebruik en techniek. • De eigenaar/gebruiker van het gebouw stemt in met de muurschildering. • Het beheer van het kunstwerk dient vooraf te zijn geregeld.

5.1.6 Aanlich ng objecten Objectverlich ng is bedoeld om markante objecten, vooral gebouwen, ’s avonds op een bijzondere manier tot hun recht te laten komen. Dit kan bijvoorbeeld door het verschillend uitlichten van de architectonische onderdelen van het gebouw als daken, torentjes, entree, kozijncontouren en ornamenten.

Samen moeten de uitgelichte onderdelen architectonisch weer één verlicht geheel vormen. Een aantal objecten is uitgelicht naar aanleiding van het Lichtplan Binnenstad, te weten de Grote Kerk, het Stadhuis, het Hof, poortjes Arend Maartenshof, Munt, Catharijnepoort, Groothoofdspoort, Lange IJzerenbrug en steigers en bruggen Voorstraatshaven. Er is een lijst gemaakt van alle markante objecten in de Dordtse binnenstad, die een eigen lichtplan verdienen. Reeds aanwezige verlich ngselementen worden zoveel mogelijk hergebruikt. Alle lichtplannen worden op onderstaande criteria getoetst. Hiervoor kan een lichtdeskundige worden uitgenodigd, of de toets vindt plaats door de Welstands- en Monumentencommissie.

Specifieke criteria Uitgangspunten bij gebouw- en objectverlich ng zijn: • accentuering van de architectuur • het tot uitdrukking brengen van het kleur- en materiaalgebruik • rekening houden met het gebruik in de omgeving • een op male afstemming van schijnwerpers of spots en een juiste posi e ervan. • geen lichtvlekken op de gevels • geen bundels licht die loos de lucht in schijnen • het gebruik van te veel kleuren licht • geen onnatuurlijke weergave van het gebouw • geen overlast voor de omgeving.

Criteria algemeen Objectverlich ng dient zo duurzaam mogelijk te worden uitgevoerd, qua armaturen, lichtkleur en periode van het etmaal dat de verlich ng aan is (Monumentenregime: aan bij zonsondergang, ‘s zomers om 24 uur en ‘s winters om 23 uur uit). Markante objecten voldoen aan tenminste twee van de volgende criteria: • bijzonder object/gebouw • bijzondere func e • bijzondere plek. Dus het gaat niet om individuele monumentale woonpanden in een gevelwand. Bij de uitlich ng van gebouwen en objecten spelen naast de vormgeving, de kleur en eigenschappen van het materiaal dat wordt aangelicht een belangrijke rol.

Welstandsnota Dordrecht

57

Het gebiedstype Historische linten en kernen

58

Welstandsnota Dordrecht

5.2 Historische linten en kernen 5.2.1 Karakterisering Tot de historische linten behoren naast alle dijken de polderontslui ngswegen. Langs deze infrastructuur ontstond (lint)bebouwing. Ook ontstonden er bebouwingskernen rond: • kruispunten van ontslui ngswegen, zoals het voormalige dorp Dubbeldam (Dubbelsteynlaan West en -Oost / Zandweg, Burgemeester Jaslaan / Stevensweg). • kruispunten van ontslui ngswegen met vaarwater en een polderdijk, meestal bij een veerstoep, zoals het dorp Willemsdorp aan de Rijksstraatweg / Hollandsch Diep, het buurtschap Wieldrecht aan de Reeweg Zuid (nu Amstelwijkweg) / ’s-Gravendeelse dijk / Dordtsche Kil en het buurtschap Kop van ‘t Land aan de Provinciale weg / Nieuwe Merwede / zeedijk. • kruispunten van een ontslui ngsweg met een polderdijk, zoals de buurtschappen Smitshoek, 1e en 2e Tol. Verspreid door de stad liggen oorspronkelijke dorpsgebieden, buurtschappen en vroegere landwegen met lintbebouwing. Bij meer verstedelijkte lintbebouwing is de onderlinge afstand tussen de hoofdbebouwing kleiner of staan de panden, meestal per twee, aaneengesloten; bij meer open lintbebouwing bepalen (ruime) doorzichten mede het karakter. De panden staan vaak in één rooilijn. Soms vertonen ze grote varia e, dan weer hebben ze een sterke onderlinge samenhang doordat ze veel overeenkomsten hebben.

Er is een duidelijk verschil tussen openbaar (straten met voorkanten) en privé (tuinen en achterkanten). Vaak is er sprake van ondiepe voortuinen en diepe achtertuinen. De overgang tussen voortuinen en openbaar gebied bestaat uit een hekwerk, een muurtje of anderszins. Het straatprofiel is doorgaans rela ef ruim en voorzien van bomen. Oorspronkelijk had elke dijk en elke ontslui ngsweg minstens één maar meestal twee begeleidende dijk- of bermsloten, waardoor toegang tot de bebouwing alleen mogelijk was via een (heul)brug. Veel van deze oorspronkelijke sloten zijn echter gedempt i.v.m. wegverbreding en/of aanleg van fietspaden of parkeerplaatsen. Kenmerkend is een rijke varia e aan s jlen. De architectuur loopt uiteen van ingetogen tot meer monumentaal; van eenvoud tot ornament. De voorgevels (en in meer open situa es ook de zijgevels) zijn beeldbepalend en grenzen aan de openbare ruimte. De entree bevindt zich aan de voor- of zijgevel. De woningen zijn eenvoudig en compact van hoofdopzet; een rechthoekige pla egrond en een schuine kap, vaak met steile helling of een mansardekap. De gevels hebben vaak smalle, hoge ramen, rondom omgeven door metselwerk. De tussengelegen vlakken zijn smaller dan de ramen, op de hoeken is het muurvlak juist breder.

De materialen zijn tradi oneel en natuurlijk: vooral baksteen, soms stuukwerk, gebakken dakpannen en hout; de kleuren vallen samen met het natuurlijk materiaalgebruik. De kozijnen zijn wit geschilderd. Een

Uitsnede plaƩegrond en luchƞoto

donkerder kleur baksteen komt veel voor; op de daken liggen rode of grijze pannen. Bij de meer monumentale woningen komen ornamenten voor. Aanbouwen in de vorm van erkers en serres zijn ondergeschikt aan de hoofdmassa en vaak redelijk transparant.

Welstandsnota Dordrecht

59

Straten, pleinen en bouwblokken

Voorgevel naar de straat gericht

Varia e in architectuur

Materiaal en kleur

Baksteen, hout en dakpannen

1 of 2 bouwlagen met kap

Hoge ramen

Kappen met steile helling

Beëindigingen en overgangen

Kwaliteit bruggen

Groene tuinen

Verfijnde detaillering

5.2.2 Criteria Historische linten en kernen De welstandszorg is er op gericht individuele bouwini a even de ruimte te geven en toch de dorpse sfeer en de eenheid in verscheidenheid te handhaven. Daarbij is het de bedoeling dat de linten en kernen die minder verzorgd ogen een betere uitstraling krijgen en dat de fraaie linten hun aanzien in ieder geval behouden. Eigen jdse vormgeving is mogelijk, mits passend bij de karakteris ek van het lint of kern. De commissie hanteert bij de welstandstoets naast de vijf basiscriteria de volgende gebiedsgerichte criteria:

•

karakteris ek van het lint of kern. Wijzigingen en toevoegingen zijn in s jl en afwerking afgestemd op het hoofdvolume.

Aanbeveling • Groene tuinen dragen bij aan de dorpse sfeer langs de linten. Hoe meer de ruimte tussen en voor de huizen wordt ingericht als tuin, hoe sterker het effect is. Het hee de voorkeur lage erfafscheidingen in de vorm van bijvoorbeeld hagen te plaatsen die het zicht op de tuinen vrijlaten en het parkeren op eigen terrein aan het zicht ontrekken.

Het gebouw in zijn omgeving • De hoofdbebouwing is met de voorgevel op de straat gericht. • Voorgevelrooilijnen liggen parallel aan de weg, soms verspringend ten opzichte van elkaar. • De gebouwen zijn individueel en afwisselend. • Aan- en bijgebouwen liggen achter de hoofdmassa en zijn er ondergeschikt aan. • De hoofdbebouwing bestaat uit 1 of 2 volledige bouwlagen met een zadeldak of samengesteld dak. • Als er sprake is van waterlopen en heulbruggen, wordt de brug in stand gehouden of hersteld. Het gebouw op zichzelf • Gevels die vanaf de weg goed te zien zijn, hebben een representa eve uitstraling. • De architectonische uitwerking is gevarieerd en zorgvuldig. • Er is sprake van een verfijnde detaillering. • Er is sprake van staande gevelopeningen, op de verdieping wordt ook wel horizontale geleding toegepast. • Het kleur- en materiaalgebruik sluit aan bij de Welstandsnota Dordrecht

61

Het gebiedstype 19e-eeuws stedelijk weefsel (beige) en het beschermd stadsgezicht (arcering)

62

Welstandsnota Dordrecht

5.3 19e-eeuws stedelijk weefsel 5.3.1 Karakterisering Dordrecht hee zich eeuwenlang ontwikkeld binnen de stadmuren, de huidige Spuihaven. Na de ontmanteling werd het gebied buiten de stadsmuren in gebruik genomen als woon- en werkgebied. Deze eerste uitleg van de stad vond geleidelijk plaats vanaf halverwege de 19e eeuw tot en met halverwege de 20e eeuw. In de tweede hel van de 20e eeuw hee op enkele plekken in het 19e-eeuwse stedelijk weefsel stadsvernieuwing plaatsgevonden. Dit gebiedstype hee een gemengd stedelijk karakter met naast het wonen ook werken, voorzieningen en kleinschalige detailhandel. In de randen van het westelijke deel van de Schil rondom de historische binnenstad is in de jaren zes g van de vorige eeuw een aanzienlijk deel van het 19e-eeuwse weefsel gesloopt en vervangen door grootschalige kantoor- en winkelbebouwing. Deze bebouwing wijkt in schaal, func e en architectuur zo sterk af van het oorspronkelijke stedelijk weefsel dat hiervoor een apart gebiedstype is benoemd. Zie hoofdstuk 5.7 Randen van de 19e-eeuwse Schil-west. Het stedelijk weefsel, zoals we dat nu kennen, hee een hiërarchische stedenbouwkundige structuur met radiale verbindingswegen rich ng de binnenstad, onderling verbonden door singels en dwarsstraten. De bebouwing langs de primaire straten bestaat uit gesloten en semigesloten bouwblokken met aaneengebouwde sta ge herenhuizen.

Vrijstaande en geschakelde villa’s langs de straat komen ook voor. De tuinen zijn hier royaal en geven het straatbeeld een groen karakter. Erfafscheidingen vormen een heldere grens tussen privé en openbaar. Op prominente plekken in de stedenbouwkundige structuur liggen stadsvilla’s of bijzondere gebouwen met voorzieningen.

De bebouwing langs de secundaire straten bestaat uit eenvoudige herenhuizen of arbeiderswoningen. In de binnenterreinen zijn complexen met arbeiderswoningen, voorzieningen en/of bedrijvigheid gebouwd. Het stedelijk weefsel kent door zijn geleidelijke ontwikkeling een scala aan architectuurs jlen: van roman ek, neorenaissance, neoclassicisme, eclec cisme, art nouveau tot ver doorgevoerde zakelijkheid. Sommige sta ge herenhuizen langs de belangrijkste straten hebben een souterrain en een bel-etage. Een groot deel van de huizen is aaneengebouwd, waardoor gesloten gevelwanden zijn ontstaan, waarin de dakopbouwen, erkers, gevellijsten en balkons karakteris eke elementen zijn. Net als in het gebiedstype historische binnenstad is het dakenlandschap van het 19e-eeuws stedelijk weefsel waardevol. Hoekpanden aan de straat zijn zorgvuldig vormgegeven en gedetailleerd. Veel hoekpanden hebben een afgeschuinde hoek en een extra accent, bijvoorbeeld in de vorm van een hoektorentje. De herenhuizen zijn wisselend gedecoreerd: van ingetogen langs de secundaire straten tot meer uitbundig en kleurig langs de belangrijkste straten. Toegepast worden siermetselwerk, sierstenen, pilasters, frontons, kroonlijsten en/of ges leerde ornamenten uit de natuur. Er worden natuurlijke materialen toegepast zoals metselwerk, pleisterwerk en natuurstenen elementen. De raamopeningen zijn vaak ver caal gericht.

De kozijnen zijn van hout en geschilderd. Woningbouwverenigingen bouwden aan de secundaire straten en op de binnenterreinen rijen en ho es met arbeiderswoningen. Deze woningen zijn kleiner van maat, de karakteris eke ornamenten zijn eenvoudiger en er is

Uitsnede plaƩegrond en luchƞoto

sprake van een grotere collec viteit in het gevelbeeld. Op de binnenterreinen komen ook (maatschappelijke) voorzieningen voor in een afwijkende, hoogwaardige architectuur en bedrijvigheid in sobere architectuur. Tot het gebiedstype 19e-eeuws stedelijk weefsel behoren een groot gedeelte van de 19e-eeuwse Schil, grote delen van Reeland en enkele buurten in Krispijn. Welstandsnota Dordrecht

63

Pandsgewijze opbouw

Bijzondere gebouwen

Driedeling in de gevel

Oud en nieuw

Ritmiek en dieptewerking

Pandsgewijze opbouw

Straathoeken als verbijzondering

(Semi)gesloten bouwblok

Beeindigingen en overgangen

Sta ge vormgeving

Ingetogen vormgeving

Oud en nieuw

Materiaal, kleur en detaillering

5.3.2 Gebiedsgerichte criteria 19e-eeuws stedelijk weefsel De aanwijzing van een groot gedeelte van de 19e-eeuwse Schil tot beschermd stadsgezicht gee aan dat er veel waardering is voor dit gebiedstype. De welstandszorg is er op gericht individuele bouwini a even de ruimte te geven, mits passend bij de stedenbouwkundige hiërarchie en de oorspronkelijke architectonische kenmerken. Eigen jdse vormgeving wordt daarbij niet uitgesloten. De commissie hanteert bij de welstandstoets naast de vijf basiscriteria de volgende gebiedsgerichte criteria: Het gebouw in zijn omgeving • Er is sprake van gesloten of semigesloten bouwblokken. In een semigesloten bouwblok worden de openingen op de hoeken tussen de hoofdbebouwing gesloten met een aanbouw of een hoogwaardige erfafscheiding. • De straatwand is pandsgewijs en/of uit kleine architectonische eenheden opgebouwd. Hierdoor ontstaat een ver cale geleding. • Er is sprake van een duidelijk onderscheid tussen de straat en het privédomein. Hoogwaardige erfafscheidingen zijn hierbij belangrijk. • De posi e van bijzondere gebouwen in het stedelijk weefsel wordt behouden en waar mogelijk versterkt. • Op binnenterreinen van bouwblokken komen vrijstaande, grotere bouwvolumes voor. • De stedenbouwkundige hiërarchie is van invloed op de vormgeving van het bouwwerk: sta g langs de primaire straten en ingetogen langs de secundaire straten.

Het gebouw op zichzelf • De voorgevel kent een (horizontale) driedeling: plint, middendeel, gevelbeëindiging. • De gevels worden gekenmerkt door een composi e van ver cale elementen (gevelopeningen) en horizontale elementen (lijstwerk en dergelijke). • (Kop)gevels op straathoeken worden architectonisch verbijzonderd. • In- en uitspringende delen van de gevel (balkons, erkers en loggia’s) dragen bij aan de plas ek (dieptewerking in het gevelvlak). • Er is sprake van een hoogwaardige materialisering en detaillering. • Eigen jdse architectuur is mogelijk, mits er sprake is van hoogwaardige architectuur en een goede verhouding met de historische karakteris ek van de omgeving. • Bij (maatschappelijke) voorzieningen op een binnenterrein is ruimte voor een eigen jdse, hoogwaardige architectuur. Aanbeveling • Evenals in de historische binnenstad dient het te gebruiken materiaal voor nieuwbouw te passen in de omgeving. Er is onderzoek verricht naar het kleurgebruik op houtwerk en gevels van 19e-eeuwse panden. Dit onderzoek hee geleid tot een kleurenstrip met 11 nieuwe kleuren. Aanbevolen wordt bij nieuwbouw die Dordtse kleuren ten minste ter inspira e te gebruiken voor schilderwerk. Gezien het belang van het zorgvuldig omgaan met het unieke dakenlandschap is er voor gekozen om meer gedetailleerde criteria met betrekking tot het dakenlandschap op te nemen in de hieropvolgende paragraaf.

5.3.3 Dakenlandschap in het beschermd stadsgezicht Beleid ter bescherming van het dakenlandschap Het historische dakenlandschap in de binnenstad van Dordrecht is beeldbepalend voor het beschermd stadsgezicht en verdient bescherming. Voor het voortbestaan van panden is het in gebruik zijn en blijven van groot belang. Leegstand leidt tot een versnelde achteruitgang van de bouwtechnische staat. Behoe e aan buitenruimte, het creëren van een bruikbare zolder en wensen ten aanzien van duurzaamheid, zoals het deels voorzien in de eigen energievoorziening, zijn reële gebruikerswensen. De gemeente komt daarom eigenaren en gebruikers hierin zoveel mogelijk tegemoet. Jaarlijks worden vele vergunningverzoeken tot wijziging van panden in de binnenstad behandeld. Om gewenste voorzieningen in het dakenlandschap eenduidig en transparant te kunnen toetsen zijn er criteria opgesteld. Niet elke ingreep is vooraf in te kaderen, de beschreven criteria zijn daarom kaders waarbinnen ingrepen moeten passen. Daarbij is het mogelijk om vanuit een oogpunt van monumentenzorg en/of welstand in een specifiek geval de kaders te nuanceren. Bij de toetsing wordt de ingreep in het dakenlandschap beoordeeld vanuit de omgeving en op de gevolgen voor het individuele pand, maar ook in rela e tot hoeveel en welke dakingrepen al hebben plaatsgevonden.

Een eigenaar moet afwegen welke ingrepen hij het belangrijkste vindt voor zijn gebruiksgenot. De welstandstoets is erop gericht te beoordelen in hoeverre het dakvlak nog belee aar in tact blij . Welstandsnota Dordrecht

65

En let wel: een ingreep in een (historisch) dak is al jd maatwerk. Stedenbouwkundige betekenis dakenlandschap in de negen ende-eeuwse schil Net als de historische binnenstad kenmerkt de negen ende-eeuwse schil zich door een grote diversiteit aan architectuurs jlen, bebouwingstypologieën en func es. Het op sommige plekken fragmentarische karakter als gevolg van grootschalige ingrepen en de samenhang in stratenpatroon en rooilijnen geven de Schil zijn specifieke iden teit en maken het gebied uniek in de stad. In de Schil staat kleinschalige en grootschalige bebouwing. Bij de kleinschalige bebouwing is er sprake van duidelijke straatwanden, waarbij de panden samen één geheel vormen, maar die tegelijk individueel afleesbaar zijn, onder andere omdat ze individueel zijn voorzien van een kap; de grootschalige bebouwing staat vaker los naast elkaar geposi oneerd, met verspringingen in de rooilijn van een enigszins toevallig karakter. De Schil kent een scala aan s jlopva ngen: van romanek tot ver doorgevoerde zakelijkheid. De woonbebouwing kent verschillende verschijningsvormen: van herenhuizen tot arbeiderswoningen, van vrijstaand tot geschakeld, laagbouw en gestapeld, voornaam en uitermate bescheiden. Dit wordt weerspiegeld in het dakenlandschap.

De Schil onderscheidt zich van de historische binnenstad – waar overwegend individuele panden zijn gebouwd – door grotere eenheden zoals ensembles herenhuizen, rijtjes middenstands- en arbeiderswoningen en soms 66

Welstandsnota Dordrecht

buurtjes. Verder is er in de Schil minder oranjerode en meer grijsbruine dakbedekking, zijn er minder zadel- en meer schilddaken en zijn er meer verbijzonderingen in de vorm van kerk- en schoolgebouwen en vrijstaande villa’s. En vooral meer grootschalige nieuwe kantoorgebouwen. In de Schil bevinden zich talrijke monumenten en een beschermd stadsgezicht waarbinnen o.a. het Park Merwestein, de Rozenhof en de Singel liggen. Drie gebieden in de Schil maken onderdeel uit van het beschermde stadsgezicht binnenstad: het Vrieseplein, het gebied Achterhakkers/Sluisweg en de Sint Jorisbrug. Criteria algemeen • Ingrepen in het historische dakenlandschap zijn alleen mogelijk, indien dit gebeurt met respect voor de kwaliteiten van het historisch gegroeide beeld. • Handhaven van monumentale (kap)structuren en de bouwhistorische waarde van de kapconstruc e zijn uitgangspunten bij wijzigingen. • De ingreep moet een passende maat hebben ten opzichte van het dakvlak/de dakvlakken waarin deze wordt gedaan. • Bij het maken van een voorziening dient vanuit de openbare ruimte een aantrekkelijk beeld te blijven bestaan dat zich naadloos voegt in het historisch gegroeide harmonische beeld. • Wijziging van een kapconstruc e alleen ten behoeve van de beloopbaarheid van de zolder of vliering is in principe niet toegestaan.

• Vanwege de verschillen per pand en ligging kunnen in overleg met monumentenzorg en de Welstandsen Monumentencommissie uitzonderingen worden gemaakt, maar in dit hoofdstuk staan de algemene regels.

Criteria specifiek De criteria geven richtlijnen waaraan de gevraagde ingreep wordt getoetst. De bestaande toestand, de bouwhistorische waarde van de kap en de invloed van de ingreep op het beeld vanuit de openbare ruimte zijn hierbij belangrijke aanvullende toetsingscriteria, waarbij openbare ruimte ruim geïnterpreteerd dient te worden. Voor een toetsing aan de bouwhistorische waarde is tenminste een bouwhistorische opname noodzakelijk. Afvoer, ontluchƟng, beluchƟng Een voorziening voor de afvoer van (rook)gassen of voor de aanvoer van verse buitenlucht hee een bescheiden omvang, wordt in het dakvlak opgenomen en steekt uit dat dakvlak. Van oorsprong zijn deze voorzieningen meestal in metselwerk uitgevoerd, tegenwoordig ook in kunststof of metaal. Ruimtelijke inpassing • Een voorziening ten behoeve van rookgasafvoer, ven la e etc. moet als regel worden opgenomen in bestaande schoorstenen. • De voorkeur gaat uit naar plaatsing in het achter- of zijdakvlak als die zijde niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen. • De voorziening moet een ondergeschikte toevoeging zijn aan een dakvlak en nimmer ten koste gaan van de karakteris ek van de kapvorm en nooit domineren in het silhouet van het dak. • Voorzieningen voor verschillende func es dienen, voor zover technisch mogelijk en we elijk toegestaan, te worden gecombineerd in één allesomva ende voorziening.

• De voorziening moet tussen de spanten en gordingen worden aangebracht. • De voorziening mag niet boven vlieringniveau worden aangebracht.

•

De voorziening is gelijkvormig aan eerder geplaatste gelijksoor ge voorzieningen op het betreffende dakvlak.

•

Verschijningsvorm • Indien opnemen in bestaande schoorstenen onmogelijk is, moeten voor deze voorzieningen nieuwe toevoegingen worden gemaakt die passen bij het karakter van het gebouw.

•

Tot slot wordt ook waarde gehecht aan het bewaren van historische afvoeren of voorzieningen hiervoor, zoals gemetselde schoorstenen die soms zelfs expliciet onderdeel uitmaken van de architectuur. Dakkapel Een dakkapel is een klein uitspringend venster dat het dakvlak onderbreekt, waarbij de hoofdvorm van het dakvlak grotendeels behouden blij en waarbij de dakbedekking bij voorkeur rondom aanwezig is, bedoeld om de lich oetreding te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Ruimtelijke inpassing • De voorkeur gaat uit naar plaatsing van een dakkapel op het achter- of zijdakvlak als die zijde niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen. • Na realisa e van de dakkapel moet de noklijn van het dak waarin de dakkapel is aangebracht, a ankelijk van het straatprofiel, vanaf de weg zichtbaar blijven. • De dakkapel moet tussen de spanten en liefst ook tussen de gordingen worden aangebracht. • De dakkapel mag niet boven vlieringniveau worden aangebracht. • Bij meerdere dakkapellen dient er een tussenruimte van minimaal 50 cm te zijn.

•

•

•

•

Tussen de nok en de bovenrand van de dakkapel moet minimaal een afstand van 70 cm. worden aangehouden, a ankelijk van de groo e van het dakvlak. De dakkapel is in principe gelijkvormig en van gelijke hoogte als eerder geplaatste dakkapellen op het betreffende dakvlak. De dakkapel moet een ondergeschikte toevoeging zijn aan een dakvlak en nimmer ten koste gaan van de karakteris ek van de kapvorm en nooit domineren in het silhouet van het dak. Het totaal van de aanwezige en gewenste voorzieningen mag, a ankelijk van de groo e van het dakvlak, maximaal 1/3 van de lengterich ng van het dakvlak beslaan. De dakkapel dient, gerekend ter hoogte van de bovenrand van de dakkapel, een kwart van de lengterich ng van het dakvlak uit de dakranden te blijven. Bij meerdere voorzieningen in hetzelfde dakvlak dient een regelma ge rangschikking op horizontale lijn te worden toegepast, dus niet boven elkaar gerangschikt.

Verschijningsvorm • De dakvorm van de dakkapel is plat of afgeleid van het dak van een oorspronkelijke dakkapel. • De indeling van kozijnen refereert aan die van de gevelramen en kozijnen van het hoofdgebouw. • Bij meer dakkapellen op het dakvlak van één bouwblok (rijenwoningen) aan de voorzijde is er sprake van eenzelfde maatvoering en detaillering voor alle dakranden van de dakkapellen. • Geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten. • Materiaal- en kleurgebruik van de gevels en kozijnen zijn in harmonie met de gevels en kozijnen van het

•

• •

hoofdgebouw. Materiaal- en kleurgebruik van de kap bij een aangekapte dakkapel is gelijk aan de kap van het hoofdgebouw. De voorkant van de dakkapel bestaat uit kozijnen gevuld met doorzich g glas. Zijwanden van de dakkapel worden uitgevoerd in een passende kleur en materiaal.

Uitzonderingen • In geval van een zadel- of lessenaardak met hellingshoek kleiner dan 30° is een dakkapel ongewenst, omdat het dakvlak en het silhouet te sterk worden aangetast. • Een voor- en/of achterschild van een schilddak kan te beperkte afme ngen hebben om een dakkapel te plaatsen. • In geval van een zadeldak met wolfseind is de vaak beperkte maat van het wolfseind ongeschikt voor de toevoeging van een dakkapel en het tast het silhouet van het dak te veel aan. • In geval van een mansardedak is een dakkapel alleen toegestaan in het onderste deel van het dakvlak. Hierbij is onderscheid te maken tussen een schuin afgedekte dakkapel en een dakkapel met plat dak. In geval van een schuin afgedekte dakkapel moet de bovenaanslui ng met het dakvlak op de knik van het dakvlak plaatsvinden. Dakopbouwen Een dakopbouw is een uitbouw in de kap van doorgaans forse afme ngen ten opzichte van de afme ngen van de kap zelf, bedoeld om het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. De monumentale opzet van een bouwwerk kan hierdoor erns g worden aangetast en is dan ook niet mogelijk. Dakopbouwen zijn in overleg met monumentenzorg en Welstandsnota Dordrecht

67

de Welstands- en Monumentencommissie wel mogelijk op een plat dak, door het toevoegen van een tot maximaal volwaardige bouwlaag. Dakterras Een dakterras is een buitenruimte op een plat dak, dan wel een voorziening aan, op of in een hellend dak, om te voorzien in een beloopbare buitenruimte van enige afme ng ten behoeve van de in het pand opgenomen woning(en). Ruimtelijke inpassing • Een dakterras moet een ondergeschikte toevoeging zijn aan en eveneens een ondergeschikte aantas ng zijn van een dakvlak en nimmer ten koste gaan van de karakteris ek van de kapvorm en nooit domineren in het beeld van het dak. • De voorkeur gaat uit naar situering van een dakterras aan de achter- of zijkant van een pand, als die zijde niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen. • Indien het dakterras aan, op of in een hellend vlak wordt geplaatst moet het tussen de spanten worden aangebracht. • Situering in een zone tot 2 meter achter de voorgevel is niet toegestaan, om het dakterras vanuit de openbare ruimte zo min mogelijk zichtbaar te maken. • De begrenzing van het dakterras op een plat dak dient ten minste zo ver van de gevels terug te liggen als de we elijk vereiste doorvalbeveiliging hoog is. Verschijningsvorm • Het dakterras hee doorgaans een rechthoekige vorm in harmonie met de pla egrond van het pand.

• De begrenzing wordt gevormd door een kwalita ef hoogwaardige doorvalbeveiliging of afrastering in een neutrale kleur en materiaal. 68

Welstandsnota Dordrecht

Dakvenster Een dakvenster is een in het dakvlak opgenomen en niet of nauwelijks uit het dakvlak uitstekende voorziening, bedoeld om de lich oetreding te verbeteren, waarbij de hoofdvorm van het dakvlak behouden blij en doorgaans dakbedekking rondom aanwezig is. Ruimtelijke inpassing • De voorkeur gaat uit naar plaatsing van het dakvenster op het achter- of zijdakvlak als die zijde niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen. • Het dakvenster moet tussen de spanten en gordingen worden aangebracht. • Het dakvenster mag niet boven vlieringniveau worden aangebracht. • Tussen de nok en de bovenrand van het dakvenster dient minimaal een pan te resteren, a ankelijk van de groo e van het dakvlak. • Bij meerdere dakvensters dient er een tussenruimte van minimaal 50 cm te zijn. • Het dakvenster moet een ondergeschikte toevoeging zijn aan een dakvlak en nimmer ten koste gaan van de karakteris ek van de kapvorm en nooit domineren in beeld van het dak. • Het totaal van de aanwezige en gewenste voorzieningen mag, a ankelijk van de groo e van het dakvlak, maximaal 1/3 van de lengterich ng van het dakvlak beslaan. • Het dakvenster dient een kwart van de lengterich ng van het dakvlak uit de dakranden te blijven. • Oppervlakte maximaal 1,30 m2 per dakvenster. • Bij meerdere dakvensters bij voorkeur één, maximaal twee verschillende modellen toepassen.

• Bij meerdere voorzieningen in hetzelfde dakvlak een regelma ge rangschikking op horizontale lijn, dus niet boven elkaar gerangschikt.

Verschijningsvorm • Het dakvenster hee een rechthoekige ver kaal gerichte vorm. • Bij meer dakvensters op het dakvlak van één bouwblok (rijenwoningen) is er sprake van één model, maximaal twee. • Eenvoudige vormgeving, geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden kozijn en profielen. • Onopvallend en niet contrasterend kleurgebruik. Gebruik van natuurlijke materialen. Uitzonderingen • In geval van een zadeldak met wolfseind is de vaak beperkte maat van het wolfseind ongeschikt voor de toevoeging van een dakvenster. • In geval van een mansardedak is een dakvenster alleen toegestaan in het deel van het dakvlak onder de knik. InstallaƟe voor de ontvangst of het zenden van beeld en geluid Hiermee wordt bedoeld een in het dakvlak opgenomen en uit dat dakvlak uitstekende voorziening van een bescheiden omvang, uitgevoerd in kunststof of metaal, in de vorm van een schotel of een antenne, ten behoeve van de ontvangst of het verzenden van beeld en geluid. Voor deze voorzieningen zijn door de voortschrijdende techniek voldoende alterna even voorhanden, zodat dergelijke voorzieningen op, in of aan daken niet worden toegestaan.

Zonnecollectoren en zonnepanelen Een in het dakvlak opgenomen dan wel op een speciale beugel gemonteerde uit het dakvlak stekende voorziening van een (ten opzichte van het dakvlak) bescheiden omvang, ten behoeve van de verwarming van (tap)water respec evelijk de opwekking van

elektriciteit. Ruimtelijke inpassing • De voorzieningen mogen niet op een dakvlak worden aangebracht dat gericht is op of heel goed zichtbaar is vanuit de (semi-)openbare ruimte. Onder (semi-)openbare ruimte worden ook tuinen van openbare voorzieningen met een beperkte openstelling gerekend en havens en rivieren. • Pla e daken of pla e dakdelen zijn doorgaans het meest geschikt om dit soort voorzieningen aan te brengen. • Het aanbrengen van de voorziening dient te geschieden zonder aantas ng van de historische dakbedekking. • Op daken met leien of rietdekking zijn zonnepanelen of –collectoren niet mogelijk. • De voorkeur gaat uit naar plaatsing van de voorziening op het achter- of zijdakvlak als deze zijde en de aan te brengen voorzieningen niet te goed zichtbaar zijn vanaf de weg of het openbaar groen/water.

•

•

De voorziening is gelijkvormig aan eerder geplaatste vergelijkbare voorzieningen op het betreffende dakvlak. De voorziening mag niet ten koste gaan van de karakteris ek van de kapvorm.

Op plat dak • Zonnecollector of zonnepaneel zo ver van de dakrand verwijderd plaatsen als de collector of het paneel hoog is. Op schuine dakvlakken • Tussen de nok en de bovenrand van de voorziening dient minimaal één pan te resteren. • Tussen de goot en de onderrand van de voorziening dient minimaal één pan te resteren. • Tussen de hoekkeper of dakrand en de zijkant van de voorziening dienen minimaal 3 pannen te resteren. • Tussen dakkapel of schoorsteen en de randen van de voorziening dient minimaal één pan te resteren. Welstandsnota Dordrecht

69

Het gebiedstype Tuinwijken

70

Welstandsnota Dordrecht

5.4 Tuinwijken 5.4.1 Karakterisering De tuindorpgedachte is ontstaan aan het begin van de 20e eeuw als reac e op de slechte woonomstandigheden van de arbeidersklasse in 19e eeuw. In de tuindorpgedachte stonden het gezin, gezondheid, veiligheid, orde en een dorpse, rus ge woonomgeving centraal. Daarmee was het zowel een ruimtelijk als een sociaal concept. Onder het gebiedstype Tuinwijk vallen zowel de klassieke tuindorpen uit het begin van de jaren twin g - waarin structuur, bebouwing en groen een afgerond geheel vormen - als de woongebieden van na 1930, waarin het tuindorpkarakter is gereduceerd tot een rela ef ruime opzet en de eengezinswoning met voor- en achtertuin de dominante woonvorm is. Kenmerkend voor het gebiedstype Tuinwijken is de samenhangende structuur. Het ruimtelijke principe kent een hiërarchische en rechtlijnige, soms beweeglijke opzet van lanen, straten, singels, pleinen, zichtassen en accenten. Er valt een duidelijk onderscheid te maken tussen verkeerswegen en woonstraten. De bebouwing bestaat voornamelijk uit twee tot vier lagen hoge (semi) gesloten bouwblokken met bebouwing aan alle vier de zijden van het bouwblok, waarbij de woningen langs de lange straten zijn ingesloten door de woningen langs de korte zijden van het bouwblok. De hoeken van het bouwblok zijn open. In een aantal gevallen is het bouwblok aan de korte zijde open.

De bouwhoogtes zijn gekoppeld aan de breedte van het straatprofiel en aan de hiërarchie van de straten. Er is een duidelijke scheiding tussen de openbare voorkant aan de straat en de privétuinen aan de achterzijde.

Veel aandacht is besteed aan de openbare ruimte. De ruimte direct rond het woonblok is duidelijk deel van het ontwerp, bijvoorbeeld de voortuinen, stoepen en erfafscheidingen. Een archetypische erfafscheiding die veel voorkomt in de oudere delen van de tuinwijken is de haag. Ook in recente nieuwbouwprojecten in de tuinwijken is dit groene type erfafscheiding toegepast. Typerend voor het klassieke tuindorp is de samenhang tussen stedenbouw en architectuur. De (semi)gesloten bouwblokken zijn vaak architectonische eenheden naar één ontwerp die een ensemble vormen. Qua maat en schaal vormt de bebouwing een geheel. Beeldbepalend zijn de grote vlakken metselwerk, met daarin in een evenwich g ritme, openingen, erkers, balkons en andere elementen. Binnen de blokken is er sprake van herhaling. De gevelwanden zijn vaak symmetrisch van opzet, ten opzichte van elkaar gespiegeld en met accenten op de hoeken Lange, horizontale en ambachtelijk gedetailleerde vensteropeningen bepalen het beeld in hoge mate. De dakhellingen zijn steil. Het gebruik van bruine en rode baksteen overheerst, waarbij een verregaande detaillering en verbijzondering voorkomt. Verschillende baksteensoorten, verschillende metselverbanden en reliëf vallen daarbij op. Kozijnen en vensters zijn veelal (gebroken) wit, de deuren donker van kleur. Dakpannen zijn over het algemeen rood.

De kappen hebben uitstekende houten gootlijsten op klossen.

Uitsnede plaƩegrond en luchƞoto

De bijzondere func es als schoolgebouwen, buurtcentra of kerken zijn erg belangrijk voor het totaalbeeld. Door afwijkende maat, schaal en vorm zijn zij de accenten van de gehele wijk. Welstandsnota Dordrecht

71

Hoekverbijzondering

Beëindigingen en overgangen

Architectuur als ensemble ontworpen

Daken en dakranden

Hagen als erfscheiding

Hagen als erfscheiding

Voortuinen als overgang openbaar-privé

Bouwhoogte gekoppeld aan straatprofiel

Spiegeling, ritmiek en reliëf

Materiaal, kleur en detaillering

Detaillering

Hoekverbijzondering

Gevelreliëf

5.4.2 Criteria Tuinwijken De welstandszorg is erop gericht de stedenbouwkundige hiërarchie van de wijk en de architectonische samenhang in de ensembles en straten te behouden. De commissie hanteert bij de welstandstoets naast de vijf basiscriteria de volgende gebiedsgerichte criteria: Het gebouw in zijn omgeving • Het (semi)gesloten bouwblok met een openbare voorzijde en een privé-achterzijde, de strakke voorgevelrooilijn en de open hoeken vormen het uitgangspunt voor dit gebiedstype. • Bouwini a even passen binnen de architectonische eenheid van het ensemble. • Accenten in de bouwblokken dragen bij aan de scenische opzet van de wijk en zijn sub el uitgewerkt. Bijvoorbeeld in de vorm van een verhoogde of juist verlaagde kap, een kap haaks op de andere kappen, een bijzondere poort, een afwijkende beukmaat of een hogere gootlijn. • De hoeken worden zorgvuldig ontworpen en verbijzonderd ten opzichte van de rest van het bouwblok. • De maat en schaal van gestapelde bouw sluit aan bij de overwegend voorkomende eengezinswoningen. • Galerijen van gestapelde bouw mogen niet aan de straatzijde gesitueerd worden. • Bijzondere aandacht met architectonische verbijzondering is nodig voor de gemeenschappelijke ruimtes van gestapelde bouw zoals s jgpunten en entrees. • Dakopbouwen op daken met kleine hellingshoek worden in principe alleen aan de achterzijde geplaatst.

Door het dakvlak aan de voorzijde van de woningen te verlengen (de nok te verschuiven) is

• •

aan de achterzijde een opbouw mogelijk. De eerste dakopbouw op een rij woningen is maatgevend voor de volgende opbouwen. De dakopbouw wordt in principe over de gehele breedte van de woning geplaatst.

Het gebouw op zich • Detaillering is ambachtelijk en benadrukt het kleinschalige karakter van de bebouwing. • Ritmerende of gespiegelde elementen zoals voordeuren, vensters, schoorstenen en balkons zijn bij vervanging per architectonische eenheid gelijk of krijgen tenminste dezelfde vormentaal. • Bij een dakopbouw op een eindwoning dient de zijgevel van de opbouw te worden opgetrokken in hetzelfde materiaal als dat van de bestaande zijgevel van de woning. Aanbeveling • Voortuinen leveren een bijdrage aan de groene uitstraling van de straat en hebben bij voorkeur een groene erfcheiding in de vorm van een haag.

Welstandsnota Dordrecht

73

Het gebiedstype Wederopbouw Stempelwijken

74

Welstandsnota Dordrecht

5.5 Wederopbouw - Stempelwijken 5.5.1 Karakterisering Na de Tweede Wereldoorlog was de woningnood groot. In het nieuwe modernis sche ideaal was ‘lucht, licht en ruimte’ het credo als reac e op de benauwde en soms ongezonde tradi onele woningbouw van voor de oorlog. Dit hee geresulteerd in wederopbouwwijken waarin een ontworpen ‘stempel’, opgebouwd uit bouwblokken die verschillen in bouwhoogte en typologie, in een orthogonale composi e een aantal keren wordt herhaald. De bouwblokken staan in een open verkaveling in een parkach ge ruimte met bomen. Winkels zijn geconcentreerd in een winkelcentrum; andere voorzieningen, zoals scholen, staan meestal als losse bouwvolumes in het groen. Strokenverkaveling van (middel)hoge woningblokken aan de randen van de wijken horen ook bij het gebiedstype Stempelwijken. In het algemeen zijn de woningblokken in drie maten onder te verdelen: hoogbouw (galerijflats), middelhoog (por ekflats) en laagbouw (grondgebonden woningen). De hoge en middelhoge woningblokken zijn van alle kanten zichtbaar. Er is in architectuur geen verschil tussen voorkant en achterkant. Een doorlopend landschap van collec eve tuinen en openbare plantsoenen verbindt de gebouwen onderling. De voetpaden zijn belangrijke, informele ontslui ngsroutes. De achtertuinen van grondgebonden woningen zijn vanaf het openbaar gebied vaak goed zichtbaar.

Voortuinen dragen bij aan de groene uitstraling van de wijk.

tot een groter geheel (de rij of het blok). De collec viteit van het (middel)hoge woningblok wordt benadrukt door een plat dak met een daklijst. De (middel)hoge woningblokken kennen vaak een anonieme plint met bergingen en garages op de begane grond. Hier is de wisselwerking met de openbare ruimte beperkt, wat leidt tot (gevoelens van) sociale onveiligheid. Een zadeldak met de nok parallel aan de straat gee uitdrukking aan de collec viteit van het woningblok met grondgebonden woningen. Oorspronkelijke materialen voor de gevels zijn baksteen, betonnen banden en houten puien of kozijnen. Veel por ekflats en grondgebonden woningen zijn in de loop van de jd gerenoveerd. De gevels zijn daarbij aan de buitenzijde voorzien van stucwerk en kunststof kozijnen. Hierdoor is de oorspronkelijke dieptewerking in de gevels sterk verminderd. Op meerdere plekken is inmiddels nieuwbouw gerealiseerd na sloop van de oorspronkelijke bebouwing. Ook is nieuwbouw toegevoegd op onbebouwde (vaak groene) terreinen in de wijk. De na 1990 toegevoegde nieuwbouw in de wijk onderscheidt zich in architectuur doordat meer ruimte is gegeven aan de expressie van de individuele woning. Tot het gebiedstype Stempelwijk behoren de wijken Wielwijk, Crabbehof, Vogelbuurt en delen van Sterrenburg en de Staart.

Uitsnede plaƩegrond en luchƞoto

Karakteris ek voor het gevelbeeld binnen het collec eve ideaal is de herhaling van een kleine eenheid (de woning) Welstandsnota Dordrecht

75

Ritmiek en dieptewerking

Open verkaveling in het groen

Gebouwen aanbeeldbepalend groen

Ritmiek en dieptewerking

(middel)hoogbouw aan de randen

Open verkaveling: alle gevels representa ef

Bijzondere gebouwen op markante posi e

Herhaling van een kleine eenheid (de woning)

Beëindigingen en overgangen

Levendige plint

Nieuwbouw

Materiaal, kleur en detaillering

Gebouwen aan beeldbepalend groen

5.5.2 Criteria Stempelwijken

Wederopbouw

In de wijken die bij dit gebiedstype horen, zullen in de toekomst veel verouderde woningen, die in het bezit zijn van een woningcorpora e, worden gerenoveerd of worden vervangen door nieuwbouw. Het doel van welstandszorg in Stempelwijken is om bij alle veranderingen aan de gebouwde omgeving het collec eve ideaal te beschermen, maar wel ruimte te bieden voor meer individuele expressie. Er wordt gestreefd naar een goede aanslui ng van gebouwen op het omringende maaiveld om de sociale veiligheid in de openbare ruimte te verbeteren. Een levendige plint is daarbij essen eel. Behoud van het beeldbepalend groen in de wijken is belangrijk voor de kwaliteit van de woonomgeving. De commissie hanteert bij de welstandstoets naast de vijf basiscriteria de volgende gebiedsgerichte criteria: Het gebouw in zijn omgeving • Er is sprake van een open verkaveling met een herkenbaar ensemble van vrijstaande woningblokken in een groene se ng of er is sprake van een halfopen verkaveling met rechthoekige bouwvelden. Hoeken tussen de woningblokken zijn open. • De stedenbouwkundige hiërarchie van de wijk (as, stempel, rand, kern of andere eenheid) bepaalt de architectonische eenheid. Bouwini a even passen binnen deze eenheid. • De centrale posi e van bijzondere gebouwen in de stedenbouwkundige hiërarchie wordt behouden en waar mogelijk versterkt.

• De typologie van de bouwblokblokken, de erfafscheidingen en de buitenruimte vormen een

• • •

•

samenhangend geheel met een sterke collec eve beeldtaal en beeldbepalende groenstructuur. De (orthogonale) verkavelingsrich ng van de wijk is leidend voor de rich ng van nieuwe bouwwerken. De eerste dakopbouw op een rij woningen is maatgevend voor de volgende opbouwen. Dakopbouwen op daken met een kleine hellingshoek worden in principe alleen aan de achterzijde geplaatst door het dakvlak aan de voorzijde van de woningen te verlengen (de nok te verschuiven). De dakopbouw wordt in principe over de gehele breedte van de woning geplaatst.

basiscriteria en bovenstaande gebiedsgerichte criteria. Het beeldkwaliteitplan Herstructurering Wielwijk kan worden gedownload via de website: www.dordrecht.nl/welstandsnota

Het gebouw op zichzelf • Het woningblok ontstaat door een herhaling van een kleinere eenheid (de woning) tot een groter geheel (het blok). • Individuele expressie per woning is mogelijk, maar is duidelijk ondergeschikt aan het collec ef. • Bij een open verkaveling krijgen alle gevels een representa eve uitstraling. • De gevel bestaat uit een ritmische herhaling van elementen, zoals puien, entrees, ramen en balkons met een sub ele plas ek (dieptewerking in het gevelvlak). • Bij voorzieningen, die op een markante posi e in de wijk of ‘vrij’ in het groen zijn gelegen, is ruimte voor een hoogwaardige, eigen jdse architectuur. Op basis van de Wijkvisie ‘Wielwijk sterk en weerbaar’ (mei 2007) is in Wielwijk gestart met herstructurering. Voor nieuwbouw in het kader van die herstructurering geldt het Beeldkwaliteitplan Herstructurering Wielwijk (november 2009) als toetsingskader. Dit is een afspraak tussen de gemeente en de woningcorpora e. Voor grotere bouwwerken elders in de wijk gelden de Welstandsnota Dordrecht

77

Het gebiedstype wederopbouw stratenwijken

78

Welstandsnota Dordrecht

5.6 Wederopbouw - Stratenwijken 5.6.1 Karakterisering Deze wijken en buurten zijn in de jaren zes g en zeven g van de vorige eeuw gebouwd. De overheid liet op grote schaal sobere, doelma ge eengezinswoningen bouwen. De wijken of buurten bestaan over het algemeen uit een orthogonaal stratenpatroon van rechte straten met aan beide zijden rijen eengezinswoningen. Dat resulteerde in overwegend langwerpige bouwvelden met een (half) open verkaveling. De hoeken tussen woningblokken zijn al jd open. Op enkele plekken komen ook vrijstaande en geschakelde woningen aan de straat voor. Er is een helder onderscheid tussen de openbare straat en de privétuinen aan de achterzijde. Soms is er sprake van verspringende rooilijnen per woningblok. De grondgebonden woningen liggen met de voordeur aan de straat. Voortuinen dragen bij aan de levendigheid en een groene uitstraling van de straat. Achtertuinen grenzen aan een achterpad. Langs de randen van de wijk komen in een landschappelijke se ng woongebouwen met appartementen voor, al dan niet in een strokenbouwverkaveling. Verspreid door de wijk liggen voorzieningengebouwen, zoals scholen en buurthuizen. In delen van Nieuw-Krispijn zijn de bouwvelden tussen de straten bebouwd met 3-laagse por ekflats. De appartementen op de begane grond zorgen voor toezicht op de openbare ruimte. Deze appartementen hebben tevens een achtertuin.

De architectuur is te omschrijven als zakelijk. Karakteris ek voor het gevelbeeld is de herhaling van een kleine eenheid (de woning) tot een groter geheel (de

rij of het blok). De (eengezins)woningen in een rij zien er daardoor hetzelfde uit. De woningen bestaan uit twee lagen met een kap. Een zadeldak met de nok parallel aan de straat zorgt voor de samenhang van het woningblok. Er is vaak aandacht besteed aan de vormgeving van de kopgevels, die zichtbaar zijn vanaf het openbaar gebied. De architectonische uitwerking van de vrijstaande en geschakelde woningen is gevarieerder. Deze woningen zijn gebouwd op grotere kavels en kennen een bouwhoogte van één of twee bouwlagen met of zonder kap. Oorspronkelijke materialen voor de gevels van de vrijstaande en geschakelde woningen en de rijwoningen zijn baksteen en hout gecombineerd met een (keramisch) pannendak. De por ekflats en sommige buurten met eengezinswoningen zijn in de loop van de jd gerenoveerd. De gevels zijn daarbij aan de buitenzijde voorzien van wit stucwerk en kunststof kozijnen. Hierdoor is de oorspronkelijke dieptewerking in de gevels sterk verminderd. Op meerdere plekken is inmiddels nieuwbouw gerealiseerd na sloop van oorspronkelijke bebouwing. Ook is nieuwbouw toegevoegd op onbebouwde (vaak groene) terreinen in de wijk. Veel bewoners hebben hun huis iets eigens gegevens, bijvoorbeeld met een dakkapel, een uitbouw of een opvallende kleur van de voordeur en kozijnen.

Daardoor is de zakelijke architectuur van de rijtjes enigszins doorbroken zonder dat de collec viteit van de rijtjes verloren is gegaan.

Uitsnede plaƩegrond en luchƞoto

Tot het gebiedstype Stratenwijk behoren: Zuidhoven, grote delen van Dubbeldam, Nieuw Krispijn, delen van Sterrenburg en de Wan jbuurt. Welstandsnota Dordrecht

79

Nieuwbouw

Ritmiek en plas ek

Wonen aan de straat

Halfopen verkaveling

Materiaal, kleur en detaillering

Voortuinen als intermediair

Herhaling van een kleine eenheid (de woning)

Entrees aan de straat

Ritmiek en dieptewerking

Halfopen verkaveling

Oud- en nieuwbouw

Representa eve kopgevel

Materiaal, kleur en detaillering

5.6.2 Criteria Wederopbouw stratenwijken In enkele wijken die bij dit gebiedstype horen, is sprake van verouderde huurwoningen. De verwach ng is dat deze woningen in de toekomst zullen worden gerenoveerd of zullen worden vervangen door nieuwbouw. Het doel van welstandszorg in het gebiedstype Stratenwijken is om ruimte te bieden aan individuele expressie per woning met behoud van de collec viteit van het woningblok. Het behoud van een samenhangend en aangenaam straatbeeld is belangrijk. Daarnaast is het belangrijk dat er sprake blij van een directe wisselwerking tussen woning en openbare ruimte. Een voortuin vormt daarbij de onmisbare intermediair. De commissie hanteert bij de welstandstoets naast de vijf basiscriteria de volgende gebiedsgerichte criteria: Het gebouw in zijn omgeving • Er is sprake van een halfopen verkaveling met rechthoekige bouwvelden, die zijn bebouwd met gelijkvormige woningblokken. Hoeken tussen de woningblokken zijn open. • Bouwini a even passen binnen de architectonische eenheid van de buurt en/of de straat. • Er is sprake van een duidelijk onderscheid tussen de straat en het privé-domein; goede erfafscheidingen zijn hierbij belangrijk. • Voortuinen dragen bij aan de groene uitstraling van de straat. • De eerste dakopbouw op een rij woningen is maatgevend voor de volgende opbouwen.

• Dakopbouwen op daken met een kleine hellingshoek worden in principe alleen aan de achterzijde geplaatst door het dakvlak aan de voorzijde van de woningen te verlengen (de nok te verschuiven).

•

De dakopbouw wordt in principe over de gehele breedte van de woning geplaatst.

Het gebouw op zichzelf • Het woningblok ontstaat door een herhaling van een kleinere eenheid (de woning) tot een groter geheel (het blok). • Individuele expressie per woning is mogelijk, maar is duidelijk ondergeschikt aan het collec ef. • De voorgevel bestaat uit een ritmische herhaling van elementen, zoals puien, entrees, ramen en balkons met een sub ele plas ek (dieptewerking in het gevelvlak). • Kopgevels, die grenzen aan openbaar gebied, krijgen een representa eve uitstraling. • Bij woongebouwen, die ‘vrij’ in het groen zijn gelegen en bij voorzieningen is ruimte voor een hoogwaardige, onderscheidende architectuur.

Welstandsnota Dordrecht

81

Het gebiedstype Randen van de 19e-eeuwse Schil-west

82

Welstandsnota Dordrecht

5.7 Randen van de 19e-eeuwse Schil-west 5.7.1 Karakterisering Na de Tweede Wereldoorlog hadden veel binnensteden in Nederland te maken met verpaupering en verkro ng van het woningaanbod. Daarnaast kregen steeds meer mensen een auto. Voor veel binnensteden werden plannen gemaakt, waarin de bereikbaarheid voor de auto en grootschalige saneringen centraal stonden. In mei 1949 nam het gemeentebestuur van Dordrecht de beslissing om naast een herzien uitbreidingsplan ook de binnenstad daadkrach g te gaan saneren. De gemeente beschouwde de binnenstad als centrum van de snelgroeiende stad en van het Drechtstedengebied. Om deze ambi e waar te maken, waren betere verkeersverbindingen en nieuwbouw van winkels en kantoren nodig. In de terminologie van toen: de binnenstad moest een cityfunc e krijgen. Op basis van het Saneringsplan (1962) zijn de doorgaande autowegen via Achterhakkers, Spuiboulevard, Johan de Wi straat en Burgemeester de Raadtsingel aangelegd. Veel oorspronkelijke bebouwing langs de nieuwe doorbraken is gesloopt en vervangen door grootschalige kantoor- en winkelpanden en enkele bovengrondse parkeergarages. In de loop van de jd werden hier ook enkele grootschalige appartementengebouwen gerealiseerd.

De randen van het westelijk deel van de 19e-eeuwse Schil wijken door de schaal, func e en uiterlijk van de gebouwen sterk af van het stedelijk weefsel in de rest van dit stadsdeel. Func oneel is het een gemengd stedelijk gebied. De meeste gebouwen zijn gerealiseerd in de tweede hel van de vorige eeuw. Enkele gebouwen zijn in de 21e eeuw gebouwd. De gebouwen verschillen van elkaar in

architectuur, materiaalgebruik, hoogte en oriënta e. Samen vormen ze een staalkaart van vij ig jaar eigen jdse opva ngen over architectuur van grote, los van elkaar staande gebouwen. Langs de Spuiboulevard is sprake van stedenbouwkundige samenhang doordat plaatselijk in de rooilijn is gebouwd en de plint is uitgevoerd als arcade. Door de schaal en de vrijliggende posi e van de gebouwen zijn alle gevels vanuit de openbare ruimte goed zichtbaar. Tot het gebiedstype Randen van de 19e-eeuwse Schil -west behoren: de bebouwing langs de Spuiboulevard, Johan de Wi straat, Burgemeester de Raadtsingel, Havenstraat, Korte Parallelweg en Achterhakkers.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/216/documents/6323