2.5 Notulen Gemeente Dordrecht Commissie Sociale Leefomgeving 29 juni 2021.pdf
Tekst van het document
VERSLAG VAN DE OPENBARE VERGADERING VAN DE COMMISSIE SOCIALE LEEFOMGEVING DORDRECHT D.D. 29 JUNI 2021 Digitaal Voorzitter: Dhr. Van Verk Commissiegriffier: Mevr. Van Poppel Verslag: NotuBiz Aanwezig: Dhr. Bosman (ChristenUnie/SGP) Dhr. Burakçin (GroenLinks) Dhr. Van Dam Timmers (CDA) Mevr. Van Eck (Beter Voor Dordt) Dhr. Kwaak (VVD) Dhr. Van der Net (VVD) Mevr. Nijhof (Beter Voor Dordt) Mevr. Stevens (PvdA) Mevr. Stolk (VSP) Dhr. Tiebosch (D66) Portefeuillehouders: wethouder R. van der Linden 1. Opening, mededelingen en vaststellen agenda De voorzitter: Goedenavond iedereen, hartelijk welkom bij deze commissievergadering van 29 juni rondom vooral de kadernota. Ik zal opnoemen wie er op dit moment in de vergadering aanwezig zijn volgens het systeem en dan vervolgens afmelden wie er niet zijn, waarvan we in ieder geval bericht hebben gehad. Aanwezig zijn de heer Bosman van de ChristenUnie-SGP, de heer Van Dam Timmers van het CDA, mevrouw Stevens van de Partij van de Arbeid, de heer Van der Net van de VVD, de heer Van der Linden, wethouder, mevrouw Nijhof van Beter Voor Dordt, mevrouw Stolk van de VSP, mevrouw Van Eck van Beter Voor Dordt, de heer Kwaak van de VVD, mevrouw Van Poppel van de griffie en mijn persoon, de heer Van Verk, als voorzitter.
Afgemeld zijn in ieder geval de heer Boersma van de ChristenUnie-SGP en wethouder Heijkoop, die door persoonlijke omstandigheden niet bij de commissie aanwezig kan zijn. De heer Heijkoop is weer de trotse vader geworden van een dochter, Isabella, die ergens vorige week het licht heeft gezien. Mededelingen. Zijn er nog vanuit de commissie mededelingen te doen? Niet? Dan stellen we de agenda vast. Kan iedereen instemmen met de agenda zoals die is rondgestuurd? Dat betekent dat we feitelijk één bespreekpunt hebben, namelijk de Kadernota 2022. Oké. 2. Vaststellen besluitenlijst Commissie Sociale Leefomgeving 15 juni 2021 De voorzitter: Dan gaan we naar het vaststellen van de besluitenlijst van de commissie Sociale Leefomgeving van 15 juni. Heeft iemand daar op- of aanmerkingen bij? Niet? Dan zijn die ook vastgesteld, onder dankzegging aan de verslaglegger. 3. Vragen aan het college
1
De voorzitter: Vragen aan het college. Zijn er vragen aan het college? Ik zie niemand zich melden. Maar er is wel een vraag binnengekomen van Beter Voor Dordt en de PvdA aan wethouder Van der Linden over de cumulatie van functies bij de Dienst Gezondheid en Jeugd. Mevrouw Nijhof, wilt u die nog nader toelichten? Mevrouw Nijhof: Zegt u dat tegen mij, mijnheer Van Verk? Sorry. Goed, die wil ik … De voorzitter: U bent niet hoorbaar. Mevrouw Nijhof: O, jee. De voorzitter: O, misschien moet ik mijn oortjes in doen. Mevrouw Nijhof: O. De voorzitter: Ja, dat is … Mevrouw Nijhof: Ja, ben ik hoorbaar? De voorzitter: Ja hoor, dat scheelt al een heel stuk. Mevrouw Nijhof: Wat fijn. Goed, deze vraag gaat over de verstrengeling van posities die wij inmiddels constateren bij de Dienst Gezondheid en Jeugd, in ieder geval bij de SOJ. Wij zouden daar graag, laten we zeggen, van de wethouder een antwoord op willen hebben hoe dit zo tot stand is gekomen, omdat wij dit toch een niet aanvaardbare (…) in het jeugddomein, in dit geval. Dat is mijn toelichting. De voorzitter: De wethouder. Ja, helder. De vraag is helder, mevrouw Nijhof. De wethouder. Wethouder Van der Linden: Ja, dank. Even mijn geluid aanzetten. Dank eigenlijk, er werd nu geen vraag gesteld, maar eigenlijk is de vraag: kunnen we het hier eens over hebben? Dat was eigenlijk de gedachte.
Kijk, het is zo dat de functie van directeur SOJ is tijdelijk ingevuld door de heer Magnee. Ook de functie van manager Veilig Thuis is nu ook tijdelijk ingevuld. Dat hebben we gedaan omdat we bij het vertrek van de vorige directeur SOJ hebben gezegd: oké, daar moeten we eens over nadenken, of we wel – zoals vanaf 2014 al het geval is – twee directeuren willen op de organisatie. Met het vertrek van een manager Veilig Thuis hebben we ook gedacht: daar moeten we ook wat mee doen. Dus dit zijn twee deeltijdfuncties, die hij als externe waarneemt. Maar rond eind van het jaar is het de bedoeling dat er definitieve keuzes worden gemaakt, want in principe is het niet zo dat je, als je deze functies handhaaft, dat je daar dan in principe één persoon voor gaat vragen. Dus als u het verzoek heeft om daar na het reces eens een keer over van gedachten te wisselen kan dat, maar ik voorzie wel dat we tegen die tijd ook wel hebben verzonnen dat we hier een definitieve invulling voor willen gaan organiseren. Tot zover. De voorzitter: Oké. Mevrouw Nijhof. Mevrouw Nijhof: Mag ik daar nog een …
2
De voorzitter: Tuurlijk. Mevrouw Nijhof: … vraag op stellen? Nou, u beantwoordt dit vanuit de zogenaamde efficiëntie en effectiviteit als het gaat om het gemis van een manager in een bepaald gebied. In ieder geval zou ik vanuit Beter Voor Dordt willen zeggen dat we dan maar na het reces in ieder geval daar wel ook nader op in willen gaan. Want dit antwoord wat u nu geeft zegt eigenlijk niets over de verstrengeling van rollen als het gaat over de uitvoering. Daar hebben wij in ieder geval wel echt wel wat vraagtekens bij. Daarnaast is er nog een derde functie, volgens mij, van deze directeur en dat is die van secretaris bij de Dienst Gezondheid en Jeugd. Tenminste, volgens mij is dat zo. Dus het gaat om drie rollen, drie posities, drie functies binnen hetzelfde domein, die wat ons betreft echt onverenigbaar zijn in de uitvoering. Dat is echt een … belangenverstrengeling. Dus goed, daar zouden we echt nader over willen spreken: hoe er tot dit soort keuzes gekomen wordt. Wethouder Van der Linden: Het lijkt me prima om dat na het reces te agenderen, maar even over die rollen: officieel is de directeur van de dienst Gezondheid en Jeugd ook secretaris. Maar goed, dit is dus een tijdelijke invulling en na het reces, ergens dit najaar, gaan we tot een definitief voorstel komen. Ja? De voorzitter: Ik stel vast dat er in ieder geval het verzoek ligt om dat met elkaar te bespreken.
Aan het eind van deze agenda zullen we kijken hoe we het één en ander gaan inrichten, want er zijn nog wel meer zaken waar we ons mee bezig moeten houden, heb ik vanmiddag vastgesteld. Mevrouw Nijhof: Voorzitter? De voorzitter: Ja? Mevrouw Nijhof: Mijn excuus, ik weet dat wij van tevoren ook alle vragen moeten inleveren eigenlijk, zodat men daarop voorbereid is, maar nu mijnheer Van der Linden hier zit zou ik toch een vraag aan het college hebben waar ik vanmiddag eigenlijk mee geconfronteerd werd. Dat is de volgende, als ik die mag stellen: zoals u weet hebben wij te maken met kwestie rondom de inkomenstoets, die in de negen andere gemeenten wel is ingevoerd en die wij heel bewust – zoals u weet – na veel discussie in Dordrecht uit de verordening zouden hebben gehaald. Vanmiddag kwam ik tot de ontdekking dat dit niet gebeurd is in Dordrecht en dat elementen van de toets nog steeds in de verordening staan, waardoor er inwoners geconfronteerd zijn met het toch toetsen van het inkomen de afgelopen jaren. Nou ja, goed. Mijn vraag is eigenlijk: hoe reageert u hierop, wist u daarvan? Ik schrok zelf heel erg, omdat ik zelf dacht: goh, we hebben toen een bewust besluit genomen.
Hoe kan het dan zijn dat die elementen nog steeds in de verordening aanwezig zijn, waardoor er blijkbaar langs de, laten we zeggen op een wat omslachtige wijze toch nog op inkomen getoetst is bij het verstrekken van jeugdhulp. Wethouder Van der Linden: Deze vraag stelt u nu, ik weet dat niet. Ik weet wel dat we indertijd – en dat is tweeënhalf jaar geleden, denk ik – een andere verordening hebben vastgesteld. Die is ook, dat heeft u zelf gedaan als raad, want u gaat daarover. Als er niet volgens die verordening gehandeld is, dan hebben mensen een probleem. Dat kan een fout zijn van iemand, dat kan, professionals maken ook fouten. Maar dat is natuurlijk
3
in strijd met ons beleid, dus dan gaat dat gecorrigeerd worden, helder. Maar ik beschouw dit nu even als een technische vraag, want ik weet het niet. Ja? Mevrouw Nijhof: Oké. U begrijpt dat wij daar wel verdere vragen over hebben … Wethouder Van der Linden: Ja, mocht dat een feit zijn, dan … Mevrouw Nijhof: … geconstateerd wordt. Wethouder Van der Linden: … dan heb ik dezelfde vragen. Maar we gaan het eerst even uitzoeken. De voorzitter: Laten we afspreken dat u daar volgende week in de commissie even op terug komt, hoe ver u bent gevaren met het uitzoeken van deze vragen. Wethouder Van der Linden: Ja. Mag ik daar even één wedervraag op stellen? Want op zich is die vraag heel simpel. Je hebt een verordening, dat is een Dordtse verordening, die wordt uitgevoerd. Als iemand dat niet doet, dan is er of een fout, dat kan, en dan wordt die gecorrigeerd. Maar u noemde elementen. Dat kan buiten de uitzending, maar dan wil ik graag even horen welke elementen. Dat kan op de mail, maar dat helpt misschien bij het beantwoorden van de vragen. Ja? Mevrouw Nijhof: Zal ik het op de mail doen? Wethouder Van der Linden: Dat lijkt me wel handig. Mevrouw Nijhof: Ik kan het u gewoon direct aanwijzen in de verordening namelijk. Wethouder Van der Linden: Oké, maar doe maar op … Mevrouw Nijhof: Dus ik ga het u mailen, ja. Wethouder Van der Linden: Is goed.
De voorzitter: Oké, goede afspraak: volgende week komen we hierop terug. Stukken ter bespreking 4. Vaststellen Kadernota 2022 - Raadsvoorstel De voorzitter: Dan zijn wij nu toegekomen aan de hoofdmaaltijd, het raadsvoorstel vaststellen Kadernota 2022. De politieke bespreking richt zich op aangedragen onderwerpen uit de kadernota uit het blokkenschema, is op maandagmiddag verspreid door de griffie. De onderwerpen zijn voor deze commissie geclusterd in het sociaal domein en inclusiviteit. Moet ik heel even dat blokkenschema erbij gaan pakken. Heb jij het? Ik heb het inmiddels gevonden, dankzij Denise. Het sociale domein. Een viertal zaken staan daar benoemd als zijnde zaken die naar ons gevoel meer vragen zijn in de richting van het ambtelijk apparaat om te beantwoorden. Die beantwoording is, voor zover gereed, toegevoegd aan de stukken. De eerste drie onderwerpen zijn door Beter Voor Dordt geduid met een politieke vraag. De eerste drie onderwerpen zijn: de
4
afwikkeling van de Toeslagenaffaire, de PGB Gefinancierde Jeugdhulp en de Inkomenstoetsverordening Jeugd, we hadden het er net al even over. We zouden kunnen starten met deze zaak en dan zou Beter Voor Dordt nu het woord krijgen. We kunnen ook eerst even aandacht besteden aan de moties die zijn ingediend. Er zijn er twee voor ons onderdeel, namelijk de motie ‘Stagediscriminatie’ van GroenLinks en de motie ‘Bloedserieus’ van GroenLinks en de Partij van de Arbeid. Ik stel voor die laatste twee eerst te behandelen en dan de andere punten even te verkennen en de politieke vraag te horen van de fractie van Beter Voor Dordt. Aan de heer Van Dam Timmers mijn voorstel hoe we het gaan afhandelen. Eerst de moties. De eerste motie is de motie ‘Inclusiviteit’, ik meen dat u … Sorry, niet inclusiviteit, maar motie ‘Stagediscriminatie’. Ik meen dat die van GroenLinks is, maar ik zou me kunnen vergissen. De heer Burakçin is inmiddels aangeschoven, dat hebben wij gezien. Goedenavond, de heer Burakçin. De heer Burakçin: Ja, goedenavond. De voorzitter: U kunt de motie toelichten als dat nog nodig is. De heer Burakçin: Dank u wel. Ja, precies. Volgens mij spreekt de motie voor zich, maar zoals wellicht natuurlijk bij iedereen bekend: stagediscriminatie is gewoon een maatschappelijk serieus probleem.
Dat is het natuurlijk al langer, maar het is nu ook wetenschappelijk aangetoond, dat bij MBO-studenten met een migratie-achtergrond stagediscriminatie voorkomt. Wij missen binnen het beleid van onze gemeente toch wel een beetje het fundament om dit probleem aan te pakken, dus wij zouden graag willen zien en verzoeken het college dan ook om samen met jongeren, onderwijsinstellingen en werkgevers een plan van aanpak te maken om stagediscriminatie tegen te gaan en de gemeenteraad hierover uiterlijk voor 2022 te informeren. Dat in het kort, voorzitter. De voorzitter: Dat was een helder en kort betoog, mijnheer Burakçin. Zijn er leden van de commissie die naar aanleiding van de heer Burakçin vragen, opmerkingen, opvattingen hebben? De heer Van Dam Timmers en daarna de heer Van der Net. De heer Van Dam Timmers: Dank, voorzitter. Allereerst goedenavond ook. Dank ook voor de motie. Stagediscriminatie is niet iets waar denk ik iemand voor is, aangezien het aantoonbaar inderdaad een probleem vormt. Waar ik wel benieuwd ben naar, de directe aanleiding voor deze motie, of de heer Burakçin ook voorbeelden uit Dordrecht heeft van de lokale situatie. De voorzitter: De heer Burakçin. De heer Burakçin: Ja, die zijn er zeker. We hebben recentelijk natuurlijk ook cijfers van RADAR gekregen. Ook daarin komen dus cijfers naar voren, dat stagediscriminatie voorkomt binnen onze gemeente.
Maar wat ik wel wil benadrukken is dat de cijfers natuurlijk echt een topje van de ijsberg is. U kunt dat zelf ook in dat document lezen van RADAR, die naar iedereen is toegestuurd. Daarin staat gewoon nadrukkelijk dat het echt een topje van de ijsberg is, want er wordt gewoon niet gemeld en er is gewoon geen vertrouwen over de afwikkeling. Dat kan ik me nog voorstellen ook, want als je bijvoorbeeld kijkt naar de politiecijfers: de veroordelingen van honderden meldingen die gedaan worden, wordt er maar bij een enkeling tot een veroordeling gekomen. Dus wel degelijk komt het ook binnen onze gemeente dat voor.
5
De voorzitter: De heer Van Dam Timmers, is dat voldoende? De heer Van Dam Timmers: Op zich, dat is dan denk ik helder inderdaad. Ik vroeg me nog wel af, u vraagt in deze motie om een plan van aanpak. Het is natuurlijk altijd goed om een plan van aanpak, om daar mee te komen. Ik denk dat het goed is om daar eventueel aan toe te voegen om ook te kijken wat andere gemeentes doen, omdat ik denk dat wij niet de eersten zijn die hiermee komen. Dat lijkt me wel een goede toevoeging, zodat het wiel ook niet opnieuw uitgevonden gaat worden, want dat lijkt me een universeel probleem. De heer Burakçin: Absoluut, absoluut. De voorzitter: Dank u. Mevrouw Nijhof wil het woord, maar die komt na de heer Van der Net. De heer Van der Net: Ja, want anders had ik natuurlijk ernstig protest aangetekend, voorzitter. Dat begrijpt u wel. De heer Burakçin, ik bedoel, laten we wel wezen, u kent mij ook wel: discriminatie moeten wij niet hebben en zoveel mogelijk bestrijden. Maar je moet ook altijd wel even kijken naar: wat speelt er dan? Ik heb natuurlijk dat onderzoek ook wel even goed doorgelezen en het is niet echt te grijpen af en toe. Het is een gevoel, het is een ervaring. Ik zeg wel eens: als een meisje of een jongen met een buitenlandse achternaam wordt afgewezen, dan bestaat al snel de neiging om dan te zeggen: dat zal wel komen door mijn buitenlandse achternaam.
Maar zeker weten doen we dat niet. Daar zit natuurlijk ook wel, denk ik, ook het probleem: hoe maak je nou echt hard dat er echt sprake is van discriminatie en hoe pak je dat dan aan? Aan de andere kant heb ik ook natuurlijk gelezen dat er wel ook sprake is van omgekeerde discriminatie, want bij zorg en welzijn blijkt opeens dat daar dusdanig verschil wordt gemaakt dat mensen met een allochtone achternaam zelfs eerder een stageplek krijgen. Dat is ook iets wat ik ook liever niet heb, want ik vind ook gewoon dat je uiteindelijk moet gaan kijken: is iemand geschikt en kan ik hem een plek aanbieden? Bijvoorbeeld ook weer vrouwen, staat ook in dat onderzoek. Vrouwen, blijkbaar hebben het gevoel of in ieder geval, daar blijkt uit de cijfers dat daar minder gediscrimineerd wordt. Waar ligt dat aan? Laten we dat nou eens proberen te begrijpen. De motie roept op tot een plan van aanpak, maar in dat onderzoek zelf staat eigenlijk al wat je moet doen. Als je het wil verminderen moet je er onderwijsprofessionals, werkgevers en beleidsmakers bij betrekken en mensen meer bewust maken van misschien soms zelfs onbewuste discriminatie.
Dan is mijn vraag ook: moeten wij dan daar als politiek ook wat mee of is het toch in de eerste instantie wel gewoon ook aan het onderwijs en aan de werkgevers om daar meer bewustzijn te creëren en die discriminatie zoveel mogelijk te voorkomen? Tot zover, voorzitter. De vraag aan mijnheer Burakçin natuurlijk, hè? De voorzitter: Dat begrijp ik, mijnheer Van der Net. De heer Burakçin heeft het woord. De heer Burakçin: Dank u wel voor deze vraag. Laat ik dit stellen: als de overheid zich ergens mee moet bemoeien dan is het wel om discriminatie en racisme tegen te gaan, laat ik dat vooropstellen. Dus of dit iets is voor de gemeente, voor de overheid, zoals de heer Van der Net daarnet ook vroeg. Ik denk wel degelijk dat dat het geval is, want we hebben namelijk ook de onderwijsvisies vastgesteld en daarin geven wij ook duidelijke opdrachten mee aan het onderwijsveld. Ook de onderwijsinstellingen committeren zich
6
hieraan. Kijk, wij kunnen de onderwijsinstelling hier ook heel erg mee helpen. Wij hebben zelf bijvoorbeeld allerlei relaties met bepaalde bedrijven, subsidierelaties. We kunnen bijvoorbeeld daarin ook bepaalde voorstellen inzetten, wat bijvoorbeeld ten goede komt voor bepaalde groepen mensen. Dat ze bijvoorbeeld gemakkelijker aangenomen worden, dat ze niet vier keer vaker moeten solliciteren als iemand van autochtone afkomst. Dus we kunnen ze wel degelijk een handje helpen daarmee. Dus ik denk dat we wel degelijk daarin moeten voorzien en dat dat echt wel een taak kan zijn voor de overheid. De heer Van der Net: Ik bedoel, de wortel en de stok, die begrijp ik natuurlijk, mijnheer Burakçin. Maar dan nog, ik bedoel: als iemand wordt afgewezen is het niet automatisch zo natuurlijk dat dat te maken kan hebben met discriminatie. Ik kan u vertellen: in mijn leven heb ik ook vaak gesolliciteerd, ik ben ook afgewezen. Soms ook dat ik dacht: nou ja, ze willen toch per se een vrouw hebben. Dat vond ik niet leuk. Maar je moet wel natuurlijk die zekerheid hebben dat dat te maken heeft met discriminatie. Eigenlijk moet je dan ook die bewustwording bij werkgevers gaan aanpakken om ze duidelijk te maken dat dat geen goede zaak is. Nogmaals, wat kan dan vanuit de gemeentelijke overheid, wat kunnen we daar dan nog meer aan doen? De heer Burakçin: Voorzitter, even voor de duidelijkheid.
Kijk, ik denk dat we niet meer het moeten hebben of er nou stagediscriminatie of discriminatie op de arbeidsmarkt voorkomt, de ja of de nee. Ik denk dat we dat station echt gepasseerd zijn. Het is inderdaad heel lastig te bewijzen, als je bijvoorbeeld solliciteert: ligt het nou echt, of dat je bijvoorbeeld man/vrouw bent, allochtoon bent of wat dan ook. Dat is gewoon heel lastig te bewijzen. Maar er wordt wel keer op keer bij allerlei onderzoeken gewoon bewezen dat er gewoon is en nu ook het geval, van het Verwey Jonker-Instituut, het is gewoon wetenschappelijk aangetoond dat er sprake is van stagediscriminatie/arbeidsdiscriminatie. Dus ik denk dat we echt dat station zijn gepasseerd. Als je bijvoorbeeld ook kijkt, de heer Van Dam Timmers zei het al: kijk eens bijvoorbeeld naar andere gemeenten, hoe zij dit aanpakken. Dan lopen wij denk ik echt behoorlijk achter, want wat je daar natuurlijk ziet is dat zij al zoveel beleidsstukken hebben om dit tegen te gaan. We hebben daar nog geeneens een begin van gemaakt. Ik noem maar wat, als je bijvoorbeeld kijkt naar ook bijvoorbeeld de RADAR, die geeft daar ook bepaalde tips voor, die anti-discriminatieraad. Wat we eventueel kunnen doen bijvoorbeeld met die subsidiekaders, met aanbestedingen. Daar kunnen we al aardig wat mee doen.
Maar ook bijvoorbeeld aanbevelingen van Verwey Jonker-Instituut, die zegt gewoon: ga met MBO-instellingen in gesprek om te stimuleren, om in hun contact met werkgevers actief te vragen naar antidiscriminatiebeleid. Bijvoorbeeld een routekaart ontwikkelen voor studenten en onderwijsprofessionals met de stappen die ondernomen kunnen worden wanneer er een vermoeden van discriminatie bestaat. Maar zo staat er bijvoorbeeld een hele riedel die wij zo kunnen overnemen en een bijdrage kunnen leveren om stagediscriminatie tegen te gaan. De voorzitter: Goed, helder. Ik denk dat de heer Van der Net misschien ook deze riedel wel of niet kent, maar volgens mij is uw antwoord … De heer Van der Net: Ja …
7
De voorzitter: Nee, mijnheer Van der Net, volgens mij heeft u nu wel antwoord op de vraag: wat zou je als gemeente kunnen doen? De heer Burakçin heeft het nu tot twee keer toe vrij uitgebreid beantwoord. De heer Van der Net: Ik vond het niet duidelijk genoeg, voorzitter, maar dat is aan u dan. De voorzitter: Ik wil nog één keer een derde poging wagen, maar dan stoppen we er echt mee. Dus de heer Burakçin krijgt nog één keer de gelegenheid om iets … De heer Van der Net: Oké, nog één keer. Even het voorbeeld van de heer Burakçin: een antidiscriminatiebeleid. Dat kan je op papier zetten, maar papier is geduldig, zoals mijnheer Burakçin ook heel goed weet. Wat bereik je daarmee? Het gaat om bewustwording, om gewoon mensen bewust te maken dat ze soms zelfs onbewust soms discrimineren. Met beleid en dat soort zaken, volgens mij bereik je niet wat je wil bereiken, maar tot zover, voorzitter. De voorzitter: Oké, dat is een verschil van opvatting inderdaad. De heer Burakçin: Ik weet niet of ik hier nog een antwoord op moet geven. De voorzitter: Nou, ik heb geen vraag gehoord. De heer Burakçin: Ik heb echt hier een hele riedel … De voorzitter: Nee, dat zou ik niet doen. De heer Burakçin: … in te verdiepen hoe andere gemeentes dit doen. Want er staan volgens mij echt talloze voorbeelden hoe andere gemeentes dit oppakken, dus dat kan zo ingelezen worden.
De voorzitter: Mevrouw Nijhof zag ik snel verschijnen en moest toen weer weg, vanwege de heer Van der Net. Mevrouw Nijhof, gaat uw gang. Mevrouw Nijhof: Ik word wel enigszins getriggerd door deze motie. Ik heb zelf een zoon die van buitenlandse afkomst is, die ook een buitenlandse achternaam heeft en die eigenlijk – hij is nu 23 – die tot nu toe heel veel problemen heeft met die achternaam en in ieder geval het gevoel heeft ook om achtergesteld te worden als het gaat om sollicitaties en op school. Dus ik zit wat dat betreft wel in een soort midden. Mijnheer Van der Net zegt steeds: het moet bewezen worden. Nou ja, dan denk ik: er zijn, zelfs sinds kort nog, is er een groot onderzoek van volgens mij het Cultureel Planbureau verschenen, waarin er dus duidelijk wordt gemaakt dat er een zeer ernstige vorm van onderwijsachterstanden en dat er ongelijkheden binnen het onderwijs zijn. Ook dat er ongelijkheden zijn als het gaat over de arbeidsmarkt. Dus dat is een gegeven, dat kun je wat mij betreft ook niet nu nog gaan bestrijden. Aan de andere kant denk ik: het is dus een landelijk probleem, van dat onderwijs. Wij mogen ons als gemeente volgens mij nooit bemoeien, daar hebben we ook al heel vaak discussies over gehad met de inhoud van het onderwijs.
Dus dat vind ik een ingewikkelde: wat kun je dan op gemeentelijk niveau? Is het niet veel meer zo dat je eigenlijk in ieder geval als gemeente naar de scholen en naar de werkgevers een oproep zou moeten doen om binnen elke school of
8
misschien wel binnen elk bedrijf iemand aan te wijzen die verantwoordelijk wordt gemaakt voor de bewustmaking van dat stukje als het gaat om het onderwijs, het zoeken van stageplekken en het vinden daarvan. Goed, dus ik moet u eerlijk zeggen dat wij denk ik wel gecharmeerd zijn door de inhoud van de motie. Wel vraag ik me heel erg af, en daar sluit ik me wel aan bij de heer Van der Net, het begint natuurlijk bij bewustwording en papier is geduldig, zoals we dat allemaal weten inmiddels. Alleen als je, denk ik … Want hoe ziet u dat voor zich, om als gemeente daar alleen in te opereren? Mijn zoon zit bijvoorbeeld, dat is gewoon een simpel voorbeeld, die zit op een school in Rotterdam in dit geval. Nou ja, hij merkt daar heel erg dat daar voor zijn gevoel sprake is van ongelijke behandeling. Dus dat is een Dordtse inwoner, dus hoe pak je dat dan aan? Want dat is wel de vraag die ik aan mijnheer Burakçin heb: hoe kun je dat dan, als je vaststelt dat het zo is, het voor de gemeente en ook naar buiten toe zo goed mogelijk regelen, dat je het ook voor de Dordtse inwoner die elders studeert bijvoorbeeld goed regelt? De voorzitter: Eigenlijk zegt u, mevrouw Nijhof, op welk niveau moet dit probleem feitelijk worden aangepakt? Mevrouw Nijhof: Ja. De voorzitter: De heer Burakçin. De heer Burakçin: Voorzitter, even voor de duidelijkheid.
Kijk, dit probleem is inderdaad, zoals mevrouw Nijhof dat zegt, een landelijk probleem, dat klopt gewoon. Want er is ook recentelijk een motie aangenomen, verschillende moties zelfs aangenomen in de Tweede Kamer, om dit probleem aan te pakken. Wat je natuurlijk wel ziet is bijvoorbeeld dat elke lokale gemeente daar bijvoorbeeld zijn eigen beleid op ontwikkelt. Ik kan me voorstellen, uw zoon zit dan in Rotterdam op school, maar in Rotterdam zijn ze hier al aardig ver mee. Dus ik kan me voorstellen dat bijvoorbeeld u, dat probleem bijvoorbeeld daar behapt wordt of misschien als het hier aangekaart wordt, dat er bijvoorbeeld een link gelegd wordt naar Rotterdam: joh, we pakken dit op. Maar we hebben hier natuurlijk in Dordrecht ook heel veel MBO-studenten. Ik heb in mijn motie neergezet bijvoorbeeld dertig procent van onze bevolking in Dordrecht is van migrantenafkomst, dus dat zijn er ook aardig wat. Dus dat we dan ook een beetje een lokaal beleid hierop uitoefenen, omdat we bijvoorbeeld, wat ik zeg: we hebben te maken met werkgevers waar we een subsidierelatie mee hebben. Misschien kunnen we daar iets mee, om bijvoorbeeld een diversiteitsbeleid op te leggen of dat soort ideeën. Maar daarom zeg ik ook: ga in gesprek en kijk wat je kan doen. Voordat we nu allerlei zaken voorschotelen wat ze moeten gaan doen.
Dus daar wil ik eigenlijk nog geeneens heel erg op vooruitlopen, maar wat mijnheer Van Dam Timmers zei: kijk in je omgeving, in andere gemeentes, hoe ze dat oppakken. Want wij lopen wat dat aangaat echt heel ver achter, vind ik. De voorzitter: Oké. De heer Bosman heeft een vraag. De heer Bosman: Voorzitter, dat klopt. Een vraag aan de heer Burakçin. Even een wat meer technische vraag, hoor. Want de heer Boersma, die is natuurlijk afwezig, die had zich afwezig gemeld, maar hem stond bij – en het kan zijn dat we daar een beetje naast zitten – dat u al een keer een soortgelijke motie had ingediend en dat die is ingetrokken, omdat wethouder Heijkoop toen toezeggingen heeft gedaan om inderdaad in gesprek te
9
gaan, volgens mij met onderwijsinstellingen. Nu is even de vraag: klopt dat? Want nogmaals, het kan zijn dat we ernaast zitten. Als dat niet klopt, wat is dan veranderd met toen? Laat ik hem even zo zeggen. De heer Burakçin: Ja. Als ik het woord mag, voorzitter. De voorzitter: Ja, natuurlijk, natuurlijk. Zolang ik niks zeg gaan jullie rustig je gang. De heer Burakçin: Ja, prima. Ja, er is inderdaad aan het begin van dit collegejaar een motie ingediend en een toezegging gedaan dat er een rondetafelgesprek gehouden zou worden met werkgevers. Daar heeft de wethouder ook iedere keer daarover, dat heeft hij inderdaad ook gedaan, daar heeft hij met werkgevers gesproken en vervolgens, om te kijken: komt discriminatie en racisme binnen jullie veld voor? Maar daar is het bij gebleven, dus er zijn geen enkele concrete stappen daarin ondernomen en daar hebben we eigenlijk alleen maar een afschrift van gezien. Ten tweede, er is nog een andere motie ingediend, dat was door GroenLinks en D66, dat was volgens mij twee jaar geleden, waarin er inderdaad is gevraagd om een antidiscriminatiebeleid. De uitwerking daarvan zouden we vorig jaar krijgen. Nou, die motie is gewoon in zijn geheel niet uitgevoerd door de wethouder. Dus ik vraag me ook af waarom niet, dat is dan ook misschien meteen een vraag richting de wethouder.
De voorzitter: Een helder en duidelijk antwoord op uw technische vraag, mijnheer Bosman. De heer Bosman: Zeker. De voorzitter: De wethouder. Ik kom even in beeld. Wethouder Van der Linden. De heer Heijkoop is er niet, zoals iedereen weet, maar wellicht dat de heer Van der Linden namens het college, zoals dat gebruikelijk is spreekt dat uit één mond. Wethouder Van der Linden: Ja. De voorzitter: Met één tong. Geen gespleten tong. Wethouder Van der Linden: Ik doe mijn best. Ja, dank. Ik ben nog wel een beetje in dubio, want op zich kan ik iets melden over deze motie. Er wordt nu in de laatste twee minuten iets gerefereerd aan eerdere toezeggingen of afspraken waar ik niet de actuele stand van heb. Als ik kijk naar de motie zelf, daar begin ik even mee dan, dan verzoekt de motie eigenlijk om samen met werkgevers en scholen en gemeenten afspraken te maken. Het is wel zo, wat mevrouw Nijhof ook al een beetje aangaf, dat de rol van de gemeente bij het MBO-onderwijs, die is fors beperkter dan bijvoorbeeld bij PO en VO. Er wordt natuurlijk wel heel erg vaak overlegd met ook het MBO, het Wellantcollege, Da Vinci.
Ik zou in ieder geval willen voorstellen dat we dan het overleg voeren met de scholen om te zeggen: herken je deze bevindingen van RADAR en wat doen jullie zelf en herkennen jullie ook vanuit je eigen onderwijspopulatie dat dit speelt? Dat zou aanleiding kunnen vormen om de afspraken eens goed tegen het licht te houden, ook de afspraken met de werkgevers. De werkgevers zijn nu goed georganiseerd, die kennen we ook, daar zitten we vaak mee aan tafel. Dat zou, denk ik, sowieso wel een goede zijn, om dat
10
eventjes uit te zoeken en daarop terug te komen. In hoeverre er opvolging is gegeven aan eerdere afspraken of toezeggingen, dat kan ik op dit moment niet controleren. De voorzitter: Dat laatste is begrijpelijk, maar dan kunt u wellicht volgende week ook even een mededeling van doen, in hoeverre … Wethouder Van der Linden: Nou, misschien moeten we daar gewoon schriftelijk eventjes even op terug komen, daar heeft de commissie het hele verhaal. De voorzitter: Kan ook. Verder doet u de suggestie om dat nog eens te checken bij de andere partijen, hoe daar de stand van zaken is voor wat dit betreft, natuurlijk is dat altijd mogelijk. Ik denk niet dat Dordt echt afwijkt van de rest van het land, maar je weet het maar nooit. Wethouder Van der Linden: Ik weet het niet. Ik kan speculeren, ik weet het niet. Maar we zien allemaal wel dat de populatie van de Da Vinci bijvoorbeeld, is natuurlijk heel erg gemengd. We hebben er allemaal belang bij dat we onze arbeidsmarkt goed bedienen, dus als het allemaal klopt dan moeten werkgevers heel ontvankelijk zijn voor de nieuwe arbeidskrachten die voor de poort gaan staan, van welke achtergrond dan ook. De voorzitter: Ik zie verder geen vragen meer op de chat. De heer Burakçin wil nog wel even reageren, dat begrijp ik. Gaat uw gang.
De heer Burakçin: Heel kort nog even, want de wethouder geeft geen helder antwoord op wat hij nou echt van deze motie vindt. Ontraadt u deze motie of zegt u ‘dat vinden wij toch wel iets hebben en we willen hiermee aan de slag’? Wethouder Van der Linden: Nou, in de vorm waarin hij nu is opgesteld zou ik hem willen ontraden, want u geeft daarmee de gemeente een rol die niet automatisch bij de gemeente hoort. Dit is in de eerste plaats iets tussen scholen en werkgevers. Ik vind wel: als Dordtse burgers zich om wat voor reden dan ook achtergesteld voelen of op de één of andere manier onheus bejegend voelen, dan ligt er natuurlijk automatisch wel een soort rol voor de gemeente om te zeggen ’hé, wat gebeurt hier?’. Maar dan zou ik eerst de feiten wat helderder willen hebben en in ieder geval het MBO-onderwijs, wat we goed kennen, en als het kan ook met een aantal werkgevers of met een delegatie van werkgevers, die zijn goed georganiseerd, willen we spreken: hoe zit dit, herkennen jullie dit beeld? Dus al met al: de motie zelf zou ik willen ontraden, maar deze toezegging die hoort daar wel bij. De heer Burakçin: Voorzitter, als ik daar even mag reageren. Nou praat het college met één mond, dat weten we inmiddels. Twee weken geleden hebben wij hier een uitvoerig debat gevoerd over dat bedrag van 27 miljoen dat wij in het onderwijs willen steken.
Er was één partij die daar fel op tegen was, er waren meerdere partijen, maar één partij was daar fel op tegen: dat was Gewoon Dordt. Die zegt: joh, dat is onze taak helemaal niet. Toen heeft wethouder Heijkoop nadrukkelijk aangegeven, waar ik honderd procent achter sta: dat is een politieke keuze, het is een politieke keuze om daar iets aan te willen doen. Die urgentie had hij kennelijk om wel zich te bemoeien met het onderwijsveld en daar geld aan te besteden. Maar dit is toch ook een politieke keuze, om je hier in te zetten?
11
Wethouder Van der Linden: Ja, en dat gaan we dus doen. De heer Burakçin: … over het onderwijs. Dat is toch een slap antwoord? Sorry dat ik het zo zeg. Wethouder Van der Linden: Dat is niet waar. Wij gaan ons inzetten, wij gaan bellen met het MBO of we gaan aan tafel, daar hebben we vaak het overleg mee. Dan gaan we zeggen: kijk eens, hier ligt een rapport, daar staan feiten in, die gelden voor heel Nederland. Gelden deze feiten ook in Dordrecht? Dat is interessant, waarom heb je ons nog niet gebeld? Want dan hebben we echt een probleem als maatschappij. Of zijn er redenen om te veronderstellen dat het in Dordt net iets anders is, dat het wel goed loopt? Dat zou ik willen weten, voordat je een plan van aanpak moet gaan maken. De politieke keuze is dus om je er wel tegenaan te bemoeien, maar niet meteen de rol op je te nemen als gemeente om te zeggen: wij gaan een plan van aanpak opstellen. Want als werkgevers en scholen zeggen ‘dit speelt wel, maar we zijn er mee bezig’, of ‘het speelt hier wel, maar op een andere manier’, dat lijkt me toch een feitelijke basis die je eerst moet hebben, voordat je zoiets gaat doen. Dus de motie zelf geeft opdracht om een plan van aanpak te maken.
Ik denk dat het van belang is om eerst even uit te zoeken: herkent het veld de feiten of zijn er redenen om daar een aanvulling op te geven of een correctie? De heer Burakçin: Voorzitter, als ik heel kort nog even mag. Als we dan deze motie een klein beetje wijzigen, dat we bijvoorbeeld zeggen dat we bijvoorbeeld het college opdracht geven om contact te leggen met een onderwijsinstelling en ons beleid, dat daar sprake is van dit soort misstanden, dat er een plan van aanpak komt om stagediscriminatie tegen te gaan. Stemt u daar dan mee in? Wethouder Van der Linden: Ik vind dit een beetje moeilijk, omdat ik dan … Nee, ik probeer hier serieus antwoord te geven. Ik hou heel erg van lichaamstaal, maar u straalt nu uit dat we niks doen. Ik vind dit een heel wezenlijk probleem, dat wil ik hier gewoon even zeggen, niet als wethouder, maar als persoon. Als in Dordt iemand zich onveilig voelt, onheus bejegend of achtergesteld dan hebben we daar met zijn allen als maatschappij iets aan te doen. Dus daarom wil ik eerst weten: klopt dit nou? Als dit klopt, waarom zijn we dan niet gebeld of geïnformeerd of waarom is het dan niet eerder op tafel gelegd? Ik zeg het even scherp, omdat ik weet dat het heus wel een keer op tafel is gekomen.
Laten we dat eerst vaststellen en als dan het onderwijs zelf zegt: we hebben echt iets te doen, beste gemeente, kom aan tafel, want anders redden we het niet. Dan heb je een ander gesprek dan wanneer het onderwijs zegt: nou, beste gemeente, wij herkennen natuurlijk het rapport, dat is een groot maatschappelijk probleem, ook in Dordt merken we dat soms, dus we hebben het overleg met de werkgevers of met anderen om hier wat aan te doen. Dus ik zou die rol even willen openhouden, tot we dat gesprek hebben gehad. De voorzitter: Mag ik constateren dat de twee heren het eigenlijk volgens mij helemaal niet zo oneens zijn? Wethouder Van der Linden: Ik denk het ook.
12
De voorzitter: Alleen de weg er naartoe, die is nogal verschillend. Maar het doel is volgens mij wel hetzelfde. Volgens mij zag ik mevrouw Stevens tot twee keer toe in ieder geval een signaal afgeven. Ik weet niet of dat bedoeld was om het woord te krijgen? Dan heeft ze nu het woord. Mevrouw Stevens: Dank je wel, voorzitter. De voorzitter: Ga je gang. Mevrouw Stevens: Ik wilde één ding vragen aan de wethouder hierover. We hebben inderdaad vorige keer behoorlijk gesproken over de extra gelden voor het onderwijs. Zou het een suggestie zijn, zoals mevrouw Nijhof ook aangaf, om bijvoorbeeld binnen het MBO een soort van aandachtsfunctionaris aan te kunnen stellen om dit probleem aan te pakken en te kunnen bekijken in hoeverre dit speelt en hoe u daar denkt te kunnen bemiddelen? Want dan denk ik, dan wordt het vast concreet. Want ik hoorde u ook zeggen, of tenminste, ik hoorde dat de heer Burakçin net zeggen: er is al een motie geweest, er is al gesproken met onderwijs, maar om het even plat te zeggen, er is nog niet zo heel veel veranderd. Dus heb je denk ik concretere stappen nodig en dan vind ik de suggestie zoals mevrouw Nijhof die net gaf, om een soort van aandachtsfunctionaris op de scholen aan te stellen, vind ik wel een hele goede. Hoe kijkt u daar tegenaan? Wethouder Van der Linden: U weet dat ik ook portefeuillehouder Jeugd ben.
Wij hebben natuurlijk diverse aandachtsfunctionarissen, ook binnen het MBO. Wij gaan daar niet rechtstreeks over, wij kunnen niet tegen zo’n school zeggen, met een vingertje: jij moet een aandachtsfunctionaris aanstellen. Maar we hebben wel eerder geconstateerd als het ging bijvoorbeeld om wat oudere jeugd: daar blijft soms echt een vraag liggen die in de thuissituatie niet opgepakt wordt. Scholen zijn geen plaatsen van jongeren met thematiek, daar gaan we speciale aandacht aan geven. Lijkt mij een prima oplossing, maar nogmaals: ik zou eerst dat gesprek willen hebben en dan die suggestie best in het pakketje willen meenemen. Mevrouw Stevens: Dank u wel. De voorzitter: Ik zag mevrouw Nijhof ook even in beeld verschijnen. Ik weet niet of zij iets wil aanvullen op de rest. Mevrouw Nijhof: Nou, ik kom net even het woord niet vinden, maar aandachtsfunctionaris, dat had ik ook in mijn hoofd. Alhoewel ik wel denk dan, want de wethouder Jeugd reageert hierop, zeg maar, en die zegt dan: zo’n onderwerp kan niet thuis opgepakt worden. Dan zou ik er in ieder geval wel echt voor pleiten dat dat dan ook uit de juiste gelden komt. Want het is in dit geval een probleem wat eigenlijk binnen het onderwijs opgepakt moet worden wel. De voorzitter: Laat het onderwijs betalen. Mevrouw Nijhof: Ja, laat het onderwijs betalen dan, ja. Die krijgen ook heel veel geld, trouwens.
13
Wethouder Van der Linden: Zo is het ook. Maar ik heb het nu nog niet over geld en ik heb het ook niet over of die er moet komen, ik heb het over een gesprek. We vinden het allemaal een belangrijk onderwerp, dus dat komt … De voorzitter: Tot slot de heer Burakçin. De heer Burakçin: Heel kort. Ik wil toch iets rechtzetten, want volgens mij is dat verkeerd begrepen. Die motie die niet uitgevoerd is, dat was een algemene motie met het verzoek om een antidiscriminatiebeleid te maken. Het ging niet specifiek over het onderwijs. De voorzitter: Oké. Helder. Goed, volgens mij is er voldoende over dit onderwerp met elkaar gewisseld. En wilde ik overgaan naar de tweede motie, dat is de motie ‘Bloedserieus’ van GroenLinks en de PvdA. Wie mag ik daarover het woord geven, om de motie nader toe te lichten? Mevrouw Stevens. Mevrouw Stevens: Dank u wel. Er staat natuurlijk al genoeg genoemd in de motie waar wij om vragen en ik wil daaraan toevoegen dat ik samen met GroenLinks en de Partij van de Arbeid al vorig jaar bezig geweest ben om te kijken: in hoeverre komt dit probleem ook in Dordrecht voor? Daarmee bemerkte ik al dat er heel veel schaamte en taboe is om over dit onderwerp te kunnen praten. Ik heb toen ook onderzoekjes gedaan en ik kwam op een gegeven moment op een kleine driehonderd meiden en vrouwen die met dit probleem te maken hebben.
Wij hebben daar diverse acties voor opgezet en wij willen toch wel heel graag dat de gemeente, zo ook als in andere gemeenten, hier ook het één en ander in zou kunnen doen. Vandaar ook dat wij dit vragen, om met een plan van aanpak, een voorstel te komen om te kijken: hoe gaan we hiermee om naar scholen, maatschappelijke instellingen enzovoort? Tot zover, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel. Wil de heer Burakçin nog aanvulling geven? De heer Burakçin: Nee hoor, het was helder. Dank u wel. De voorzitter: De heer Bosman heeft een vraag. De heer Bosman: Jazeker, voorzitter, dank u. Laat ik beginnen toch met een compliment, want mevrouw Stevens geeft natuurlijk al aan dat er met schaamte over gesproken wordt, dus ik denk dat het goed is dat zo’n onderwerp ook gewoon eens besproken wordt. Maar mijn vraag is wel, u verzoekt het college in de motie om eind oktober een voorstel voor te leggen, om menstruatieproducten kosteloos te verstrekken. Dat klinkt wel heel algemeen. Daarmee bedoel ik dat, ik lees het als zijnde: voor iedereen, voor alle … Mevrouw Stevens: Nou, dat is absoluut … Sorry. De heer Bosman: Nee, gaat uw gang. Mevrouw Stevens: Nee, dat is absoluut niet de bedoeling. Echt niet, laat ik daar heel helder in zijn. Het is juist de bedoeling dat het komt bij die doelgroep die geen geld heeft om die menstruatieproducten te kunnen kopen.
Op scholen is er al door de dienst Gezondheid en Jeugd al een keer navraag bij gedaan. Daar kwam niet goed een beeld
14
naar voren, omdat die schaamte toch nog heel erg groot is. Maar het is met name bedoeld voor die meiden en vrouwen die het niet kunnen betalen en die daardoor niet de schoolcarrière of naar het werk kunnen of daardoor ook persoonlijke hygiënische klachten kunnen krijgen, gezondheidsklachten, doordat ze andere producten gebruiken dan die ervoor bedoeld zijn. Maar absoluut niet voor iedereen. De heer Bosman: Oké, dus als ik nog even een keer mag. Als ik het goed begrijp vraagt u eigenlijk in het plan – ik probeer hem even zelf te herdenken, om het even zo te zeggen – u vraagt eigenlijk om een plan om te zorgen dat het dan bij de juiste doelgroep terechtkomt. Mag ik het zo interpreteren? Mevrouw Stevens: Dat klopt. Het kan bijvoorbeeld zijn dat je bij scholen, dat meiden daar gewoon om kunnen vragen, dat het voorradig is op scholen of bij maatschappelijke instellingen of bij sportclubs. Maar ik denk ook wel dat het dan echt bedoeld is voor die groep die het niet kan betalen. De voorzitter: Helder. De heer Bosman: Oké. De voorzitter: Duidelijk, mijnheer Bosman? De heer Bosman: Zeker. Ja, dank. De voorzitter: O, heb ik mijn geluid uitstaan. De heer Kwaak. De heer Kwaak: Dank u wel, voorzitter. Ik had even hier wat vragen over. Nu hebben we het over de kosten die te hoog zijn.
Als ik nou even goed google en ik kijk bij het Kruidvat in de aanbieding zie ik 34 stuks voor de prijs van vijf euro. Het gemiddelde per jaar als je echt duur inkoopt, dan hebben we het ook over tien euro. Dus je kunt zeggen: u zegt maar wat, u bent man en u bekijkt het anders. Maar ik werk heel mijn leven met vrouwen, dat weet je, en ik weet precies hoe de cyclus werkt. Ik had vroeger ook in mijn agenda precies staan wanneer ze ziek waren, ik kon dat precies aftikken. Maar vind ik het dan wel echt een taak voor de gemeente, vraag ik me af. Ik begrijp die doelstelling voor de mensen die het echt nodig hebben, maar ik denk: voor vijf euro in de maand, is dat nou echt nog te veel? Mevrouw Stevens: Klopt, dat is te veel. Ik heb meiden gesproken die alles moesten doen van tussen de vijftig en zeventig euro per week, die er dan ook hun luiers voor moesten kopen en voedsel en noem het maar op. Bij de Botermarkt heb ik vrouwen gesproken ook die daar echt soms de keuze moeten maken: koop ik maandverband of koop ik eten of koop ik luiers voor mijn kind? Dan is vijf euro … Kijk, het is wat u ook aangeeft: het is geen incidenteel probleem, het komt gewoon iedere maand terug tot een bepaalde leeftijd. De heer Kwaak: Dat weet ik, dat weet ik. Mevrouw Stevens: Als je dan vijf meiden in huis hebt, vijf dochters, dat kan aardig oplopen.
15
De heer Kwaak: Ja, ik snap hem. De voorzitter: Dat waren uw vragen, mijnheer Kwaak? De heer Kwaak: Ja, tot zover, voorzitter. De voorzitter: Dan ga ik naar de heer Van Dam Timmers. De heer Van Dam Timmers: Dank u wel, voorzitter. Dank ook voor de motie, die hebben we natuurlijk bestudeerd. Ik had eigenlijk nog wel een paar vragen daarover, over deze motie en dan met name op zich: hoe heeft u dit in gedachten qua organisatie? Want als ik zo kijk naar het probleem wat u schetst, dan denk ik dat dat zeker reëel is, maar dan vraag ik me af: dit is een oplossing gericht op een soort ad hoc probleem, op een deelprobleem van een groep mensen, maar eigenlijk is natuurlijk waar we het over hebben het bestaansminimum. Dat is een heel ander vraagstuk. Of niet een heel ander vraagstuk, maar een veel breder vraagstuk dan alleen het vraagstuk wat u er nu uithaalt. Wat ik kan me nog wel een aantal andere acute dingen bij mensen onder het bestaansminimum bedenken waarvan ik denk: daar zou je eigenlijk mensen ook mee moeten ondersteunen. Wat maakt nou dat u zegt, waarom we dit als een soort van losse ad hoc-oplossing moeten toepassen en hoe zou je dat dan willen organiseren? Dat is eigenlijk mijn belangrijkste vraag. De voorzitter: Mevrouw Stevens. Mevrouw Stevens: Als ik kijk naar het armoedebeleid zoals we die hier hebben vastgesteld zitten daar gewoon heel veel goede zaken in.
Ik denk, ik ben het wel met u eens: natuurlijk is dit ook weer een onderdeel. Maar juist vanwege die taboesfeer en dat er niet over gesproken wordt, wordt dit probleem gewoon onderschat. Daarom hebben wij gezegd: we moeten hier dus aandacht voor vragen. Ik ben het met u eens dat er nog heel veel andere onderdelen zijn, maar dit is wel een onderdeel wat meiden en vrouwen heel erg raken. Wat het zal je maar gebeuren, dat je het niet kan kopen en daardoor niet naar school of naar je werk of weet ik veel wat kan of dat je andere dingen gaat gebruiken dan de menstruatieproducten, waardoor je dus allerlei gezondheidsklachten kan krijgen. Dat vind ik gewoon echt heel ver gaan. Natuurlijk is het zo dat ik ook nog, net als u, een aantal dingen kan opnoemen, maar ik ben wel heel erg blij en content met het armoedebeleid zoals we die hebben vastgesteld. Zeker is dit een onderdeel. De heer Van Dam Timmers: Dank voor uw beantwoording en dank ook, voorzitter. Het is niet helemaal een antwoord op mijn vraag, want u zegt eigenlijk: het bestaansminimum is natuurlijk mooi om daar dingen op te doen, maar dit moet daar los van.
Maar ik had ook nog wel de vraag: hoe zou je dat dan willen organiseren? U weet ongetwijfeld dat mijn fractie altijd gecharmeerd is van vrijwilligersinitiatieven, omdat wij denken: als er iets vanuit de samenleving komt dan wordt het over het algemeen, in onze opinie dan, vaak beter georganiseerd en meer gedragen. Zou dat niet een beter idee zijn dan het als een soort van gemeentelijke taak op te richten? Mevrouw Stevens: Wij hebben natuurlijk, ik weet niet of u daarmee bekend bent, een aantal acties gehad. Bij de Makro hebben we een hele goede actie gevoerd, ik heb van zo'n Lions Club, ik ben even die naam kwijt, hebben we gewoon heel veel middelen
16
gehad. Maar dat zijn allemaal incidentele middelen. Mensen vinden het fijn om het een keer te geven en dan houdt het weer op. Dat maakt gewoon dat we zeggen: dit is gewoon een structureel probleem. Nogmaals, ik heb het dan over waar ik zelf achter gekomen ben, zo’n kleine driehonderd tienermoeders en vrouwen. Ik weet niet, misschien is nog veel meer, dat weet ik niet. Maar dit is het gegeven aantal en wij hebben echt wel het één en ander gekregen van diverse clubs, maar het is allemaal één keer, eenmalig. De voorzitter: De heer Timmers, is dat een antwoord op uw vraag? De heer Van Dam Timmers: Toch niet. De voorzitter: Nee, hè? De heer Van Dam Timmers: Dan nog steeds blijft mijn vraag: u stelt hier voor dat, met alle sympathie op zich voor het onderwerp, vind ik het een ad hoc-oplossing, dat is één. Maar wat ik ingewikkeld vind, u zegt: de gemeente moet het kosteloos gaan verstrekken aan onder andere scholen, sportverenigingen en andere maatschappelijke organisaties. Maar dan vraag ik me nog steeds af: hoe ga je dat dan organiseren? Wat zie je dan voor je? Want het hele punt is juist dat de mensen die dit betreft, dat er een taboe op zit.
Dus dan vervolgens bereik je ze alsnog niet, ben ik dan bang … De voorzitter: Ik hoor heel … De heer Van Dam Timmers: en dan vraag ik me af: dient dit het doel? De voorzitter: … praktisch: hoe ga je dat uitvoeren? Mevrouw Stevens: Ik snap uw vraag en ik denk dat we daar ook een voorbeeld in kunnen nemen, zoals bijvoorbeeld het in Den Haag is geregeld, zoals het ook in Rotterdam is geregeld. Er zijn allerlei voorbeelden uit het land, hoe je dit organisatorisch zou kunnen gaan regelen. Ik zou dan niet op dit moment concreet weten: hoe moeten we dat dan precies in Dordrecht doen? Want daarvoor heb ik juist: laten we naar dit plan van aanpak kijken, maar laten we ook vooral kijken naar die steden die dit inmiddels al doen, zoals Den Haag, zoals Rotterdam en er zijn nog een paar steden. De heer Van Dam Timmers: Dat is niet helemaal een antwoord, maar goed, ik laat het erbij. De voorzitter: Verder komt u vanavond niet. De heer Van Dam Timmers: Nee, ik begrijp het. De voorzitter: De heer … Nee, mevrouw Van Eck. Mevrouw Van Eck: Dank u wel, voorzitter. De heer Van Dam Timmers heeft het gras een beetje voor mijn voeten weggemaaid, want wij vinden het zeker een heel sympathiek idee en ik kan me ook heel goed voorstellen dat het mensen belemmert, beperkt en niet lekker in hun vel zittend maakt, nog naast het feit dat het al sowieso geen pretje is. Maar
17
ik was ook even benieuwd naar: hoe kan je dat nou, even praktisch gezien, hoe moet ik het nou gewoon voor me zien? Dus dat is eigenlijk wat mijn voorganger ook vroeg en u zei: er zijn verschillende voorbeelden in andere steden, maar die heb ik even niet paraat. Dus dat was eigenlijk ook mijn vraag: hoe zouden we dat dan kunnen organiseren en dat het ook bij de juiste personen terecht komt? Want dat is denk ik ook wel het euvel: hoe zorg je er nou voor dat als je iets opzet, dat je het ook bij de juiste personen krijgt? Mevrouw Stevens: Wij hebben een gesprek gehad met de Voedselbank, we hebben een gesprek gehad met Geef het Dordt. De Voedselbank is terdege wel bereid om dit organisatorisch op zich te kunnen nemen. Maar goed, die hele uitwerking, dan moeten we weer een paar stappen verder zijn om zeker te weten dat het dan ook gaat gebeuren. Maar de Voedselbank heeft duidelijk aangegeven dat zij dan hier partij in willen zijn. De voorzitter: Eigenlijk zegt u: wij zoeken intermediairs die contact hebben met mensen die dit probleem betreffen en we gaan kijken hoe we ze op die manier kunnen bereiken. Mevrouw Stevens: Precies. De voorzitter: Dat is helder. Mevrouw Van Eck: Ja, dank u. De voorzitter: De heer Van der Net. De heer Van der Net: Waar ik de hele tijd tegenaan hik is: het gaat over schaamte en het gaat over armoede.
Maar ik bedoel, laten we nou ook wel even het beestje gewoon bij de naam noemen: dat heeft te maken, neem ik aan, met cultuur dan, die schaamte. Wat ik ervaar die schaamte binnen mijn kennissenkring niet echt. Dus dat is de eerste vraag. Dan daarnaast wil ik nog wel even aanstippen dat ik het wel met de heer Van Dam Timmers eens ben, want dit zijn allemaal van die deelonderwerpen. Laten we dit nou gewoon breed zien in het armoedebeleid. Want als je zelfs vijf euro in de maand niet kan ophoesten voor maandverband, dan hebben we een vrij breder probleem. Maar even de vraag: waar gaat het om, die schaamte? Mevrouw Stevens: De schaamte, ik kan me voorstellen dat dat in uw vriendenkring niet voorkomt, omdat het meestal daar voor handen is als men ongesteld is. Ten tweede is het niet zo dat het een cultuurprobleem is, want ik heb genoeg meiden gesproken die daar gewoon geen geld voor hebben, ongeacht van welke cultuur ze zijn, ook van de Nederlandse cultuur. Nogmaals: als het in het armoedebeleid opgenomen wordt en er komt dadelijk een voorstel – en er zijn ook voorstellen waarvan we zeggen: nou, dit kan meegenomen worden in het armoedebeleid – perfect, helemaal goed. De heer Van der Net: Wat dat betreft is dat dan ook even duidelijk. Maar nog even de verduidelijking.
Dus het gaat meer om schaamte om de armoede dan om schaamte vanwege de ongesteldheid eens in de maand? Mevrouw Stevens: Het gaat inderdaad, de hoofdoorzaak is schaamte over de armoede dat je geen menstruatieproducten kan kopen en het taboe zit met name, ook bij Nederlandse meiden, om te praten over menstruatiearmoede en te praten over.
18
De heer Van der Net: Het is mij duidelijk, maar volgens mij is het duidelijk ook wat het standpunt zal worden van ons: dat dit gewoon breed moet worden opgepakt en niet in deelonderwerpen. Dank u wel, voorzitter. De voorzitter: Ook een mannenfractie. De heer Bosman. De heer Van der Net: Dit hoorde ik, hoor, voorzitter. De heer Bosman: Voorzitter, dank. Ik dacht: ik ga toch even een kleine opmerking maken op wat mevrouw Van Eck zei, maar dan kan ik het ook niet laten om iets te zeggen op mijnheer Van der Net. Want schaamte, is dat cultuur? Het kan meespelen, maar ik denk, laat ik gewoon heel eerlijk zijn, dat ook niemand te koop loopt als je bijvoorbeeld aambeien hebt. Ik bedoel, dat is ook ergens wellicht een stuk schaamte, los van cultuur. Dat terzijde. Wat ik tegen mevrouw Van Eck wilde zeggen, toevallig weet ik dat uit Rotterdam, daar hebben ze een Rotterdampas en daarvan uit kan je het bijvoorbeeld betalen en op die manier komt het bij de juiste doelgroep. Nou, volgens mij hebben we in Dordt een Dordtpas. De vraag is aan het college het plan, maar ik geef op die manier maar aan dat het zo ook geregeld kan worden, los van wat je ervan vindt, maar het is een denkrichting. De voorzitter: Dat was het? Kijk aan, mevrouw Van Eck geeft aan dat het een toppertje is.
Ik weet niet hoe mevrouw Stevens erover denkt, maar … Mevrouw Stevens: Nee, we hebben het daar ook over gehad, over die Dordtpas, maar dan kom je weer in die schaamte op het moment dat je weer menstruatieproducten moet kopen met een Dordtpas, maar als het niet anders is, is dat een prima oplossing. Ik zit zelf veel meer te denken aan wat ik net ook genoemd werd, bijvoorbeeld zoals de voedselbank. Maar goed, … De voorzitter: Goed, volgens mij is dat verder een uitvoeringszaak. Moet de bereidheid er ook zijn om het te willen. Mevrouw Stolk. Mevrouw Stolk: Ja, voorzitter. Ik wilde mevrouw Stevens even helpen want het is inderdaad zo dat in Rotterdam het via de Rotterdampas gedaan wordt en in Den Haag wordt het bij maatschappelijke instellingen gedaan en dan kan je bijvoorbeeld denken aan de Voedselbank, maar je kan ook bijvoorbeeld bij wijkcentra, dat je het daar bijvoorbeeld zou kunnen doen, maar dat is meer natuurlijk een uitvoeringsprobleem. Ik wilde haar alleen daar even in ondersteunen dat het niet zozeer is van hoe je het gaat doen, want dat is meer voor de uitvoering, maar meer gewoon de gedachte achter deze motie. Dus dat was eigenlijk even mijn opmerking aanvullend daarop. De voorzitter: Nou, dank je wel, een waardevolle aanvulling en een concretisering van hoe het in andere steden gebeurt. Verder nog vragen of opmerkingen? Niet.
Dan sluiten we dit onderdeel nu ook af en hebben we daarmee de moties voor de Kadernota gehad. Rest mij de zaken die Beter Voor Dordt hebben aangedragen bij de griffie, namelijk en ik herhaal de punten nog maar even, de afwikkeling van de toeslagenaffaire, de PGBgefinancierde jeugdhulp, de inkomenstoets verordening jeugd en de invulling taakstelling Dordrecht beschut werk. Wie van de fractie mag ik hierover het woord geven om de politieke vraag te formuleren? Mevrouw Nijhof.
19
Mevrouw Nijhof: Voorzitter, dat waren vier vragen die u nu voorleest, de laatste hoort daar in ieder geval, die hoort wat mij betreft daar niet bij en waar ik het niet helemaal mee eens was dat al deze vragen technisch geduid zijn en ook als zodanig beantwoord zouden worden, ik heb geen beantwoording op de vragen overigens gekregen. Vandaar dat ik deze vraag erbij heb gesteld, die erboven staat, die ook is opgenomen in, hoe heet dat … De voorzitter: Het blokkenschema, ja, ik heb … Mevrouw Nijhof: Het blokkenschema, ja. De voorzitter: Ik heb denk ik een ander blokkenschema. Mevrouw Nijhof: Wacht even, ik ga even naar het blokkenschema. Ja. De voorzitter: Maar dat was de vraag in het begin met doen wij als gemeente. Mevrouw Nijhof: Ja, dat klopt. Ja, want wat ik zelf dacht is eigenlijk het is geduid, onze vragen, wij mochten vragen indienen, we hoefden niet specifiek moties in te dienen. We mochten ook onderwerpen aandragen. Nou, dit zijn in ieder geval de onderwerpen die we aangedragen hebben. Wel voorzien inderdaad van een vraag. Deze vragen zijn geduid als technisch. Ik ga ervan uit dus dat de portefeuillehouder in ieder geval de vragen die erbij staan wel kan beantwoorden als zodanig en verder heb ik vanochtend een extra vraag toegevoegd die eigenlijk meta is aan de vragen die hier volgens de griffie technisch zouden zijn.
Die gaan er eigenlijk over, als het gaat over de drie eerste onderwerpen, als ik dat even toe mag lichten, over de gemeentes hebben allerlei taken tot zich genomen vanaf 2015. Nu is het ook weer zo dat de gemeentes nu de opdracht krijgen om de slachtoffers van de toeslagenaffaire in hun gemeentes verder te helpen. Wat wij de afgelopen jaren heel erg zien en daarom hebben we ook bijvoorbeeld de kwestie rondom de inkomenstoets als voorbeeld genomen en ook de kwestie rondom, even afgeleid vanuit de Kadernota, de grote overschrijdingen die iedere keer gemaakt worden op jeugd, waar we constant maar achteraan lopen, maar mee met deze transitie is echt de opdracht gekomen om de zorg dichter bij de burger te brengen, om uiteindelijk eigenlijk de inwoner, laten we zeggen, te helpen om uiteindelijk te regie over zijn leven weer terug te krijgen of te houden. Dat is de basisopdracht in ieder geval van de transitie jeugd heel erg geweest. Wij zijn de afgelopen jaren alleen maar bezig met waar het dan allemaal te veel kost en proberen er vat op te krijgen en wij zouden eigenlijk heel vraag de vraag stellen, naar aanleiding van bijvoorbeeld de kwestie rondom de inkomenstoets en bijvoorbeeld naar aanleiding van de cijfers van de data die ook nog hierbij zijn gevoegd van het Sociaal Domein, waarin er staat dat er bijvoorbeeld heel weinig PGB’s worden toegekend in onze gemeente.
Nou is het PGB specifiek eigenlijk een gefinancierde vorm van zorg, waardoor de inwoner zelf de regie kan houden, waardoor die zijn eigen zorg kan inkopen of zelfs zorg zou kunnen verlenen vanuit de PGB. En wij zouden eigenlijk heel graag, wij hebben als gemeente bijvoorbeeld uiteindelijk gekozen om de inkomenstoets dus niet toe te passen op de PGB’s. Nou, dan zou je toch denken wij hebben die drempel niet opgeworpen, dan zouden er toch eigenlijk meer PGB’s uiteindelijk verstrekt moeten worden. Dat is dus niet zo, dat zien we ook aan de cijfers. Waar is nou in hemelsnaam de basisbedoeling gebleven van de taken die er naar gemeente gingen als het ging om, laten we zeggen, de burger die samen
20
kijkt met de gemeente wat de meest passende hulp is en nou goed, die niet uiteindelijk zelf langs de zijlijn komt te staan, waarin die overgenomen wordt door professionals die, laten we zeggen, allerlei vormen van dure hulp in een, laten we zeggen, toewijzen. Waar is die positie van de cliënt? Moeten we daar als gemeentes, ook als volksvertegenwoordigers, niet eens veel beter naar gaan kijken als we het hebben over deze gedecentraliseerde taken? Want daar gaat het namelijk helemaal niet meer over, de discussie, het gaat eigenlijk alleen maar over geld, overschrijdingen en ondertussen komen er heel veel mensen in de knel. Heel veel jeugdigen, weten we ook, komen in de knel. Daar gaat de discussie uiteindelijk niet meer over, dus ik zou heel graag in onze raad eigenlijk ook de discussie willen starten. Zijn wij nog wel, dat is eigenlijk ook de vraag die ik hierbij gesteld heb, zijn wij nog wel … Heeft u het blokkenschema nu open, of niet? De voorzitter: Ik niet. Mevrouw Nijhof: Nee. Ja, maar goed, ik kan het hier niet open krijgen. De voorzitter: Nee, maar ik snap u, u heeft heel veel … Mevrouw Nijhof: Ja. Ja, waar is de positie van de burger? De voorzitter: Heel veel al gezegd. Mevrouw Nijhof: Nee, waar is de positie van de burger? En moet … De voorzitter: Ik heb hier de vraag liggen.