CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

18. Rapport integraal milieu advies.pdf

Commissie Fysieke Leefomgeving Dordrecht 25 januari 2022, gemeente DordrechtBij agendapunt: 5: Vaststellen bestemmingsplan "12e Herziening Dubbeldam, locatie Oudland" - Raadsvoorstel5.305 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Rapport Zaaknummer Opsteller Onderwerp

Z-20-369276

M.L. Huigen-Belzer Integraal milieuadvies

Integraal milieuadvies bestemmingsplan Oudland, gemeente Dordrecht

Opdrachtgever

Gemeente Dordrecht

Contactpersoon

De heer P. de Haas

Opdrachtnemer

Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid

Contactpersoon

Mevrouw M.L. Huigen-Belzer

Pagina 0 van 17

Kenmerk

D-20-2087798

Datum

9 oktober 2020

Samenvatting Ten behoeve van de ontwikkeling van het voormalige sportterrein naar een woonlocatie stelt de gemeente Dordrecht een bestemmingsplan op. De gemeente heeft de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (hierna OZHZ), gevraagd hiervoor een integraal milieuadvies op te stellen dat zich richt op de volgende milieuaspecten: geluid, lucht, externe veiligheid, bedrijven en milieuzonering, bodem en flora en fauna. Hieronder is de samenvatting van de onderzochte aspecten weergegeven. Geluid Ten behoeve van de bestemmingplanprocedure is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai. Het verkeer op de route Provincialeweg/Recklinghausenweg veroorzaakt een geluidbelasting die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. De overige wegen en het spoorverkeer veroorzaken geen belemmeringen. Lucht Luchtkwaliteit is voor dit project geen belemmering en behoeft niet nader onderzocht te worden. Externe veiligheid Ten aanzien van het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het voorgenomen plan. Bodem De bodem is geen belemmering voor de planherziening. Het daadwerkelijk uitvoeren van een bodemonderzoek is aan de orde in de fase van aanvraag Omgevingsvergunning bouwen. Bedrijven en milieuzonering In het plangebied is één bedrijf aanwezig dat op het aspect geur niet voldoet aan de richtafstand uit de VNG handreiking 'Bedrijven en milieuzonering'.

Op basis van de activiteiten van het bedrijf en de afstanden tot het plangebied kan worden geconcludeerd dat er voor het geuraspect sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het bedrijf belemmert de ontwikkeling van het plangebied niet. Wet natuurbescherming Uit de Quickscan die ter plaatse is uitgevoerd, is gebleken dat werkzaamheden doorgang kunnen vinden onder voorbehoud van een aantal voorzorgsmaatregelen in het kader van de zorgplicht (Wnb art. 1.11).

1

Inhoud Samenvatting........................................................................................................................................1 Inhoud...................................................................................................................................................2 1

Inleiding......................................................................................................................................3

1.1

Plangebied .................................................................................................................................3

2

Geluid.........................................................................................................................................3

2.1

Inleiding......................................................................................................................................4

2.2

Samenvatting resultaten ............................................................................................................4

2.3

Conclusie ...................................................................................................................................5

3

Luchtkwaliteit .............................................................................................................................5

3.1

Inleiding......................................................................................................................................5

3.2

Conclusie ...................................................................................................................................6

4

Externe veiligheid.......................................................................................................................7

4.1

Inleiding......................................................................................................................................7

4.2

Toetsing .....................................................................................................................................8

4.3

Conclusie ...................................................................................................................................9

5

Milieuzonering............................................................................................................................9

5.1

Inleiding......................................................................................................................................9

5.2

Toetsingskader ..........................................................................................................................9

5.3

Conclusie .................................................................................................................................13

6

Bodem …………………………………………………………………………………………………14

6.1

Inleiding....................................................................................................................................14

6.2

Samenvatting resultaten ..........................................................................................................14

6.3

Conclusie .................................................................................................................................15

7

Flora en fauna…………………………………………………………………………………………14

7.1

Resultaten................................................................................................................................15

7.2

Conclusie .................................................................................................................................15

Bijlagen: 1 Resultaten akoestisch onderzoek 2 Quick scan flora en fauna Recklinghausenweg 3 Bodemonderzoek

2

1

Inleiding

De gemeente Dordrecht is voornemens om op het voormalige sportpark Corridor aan de Recklinghausenweg woningen te realiseren. Ten behoeve van de uitwerking van het plan heeft de gemeente de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (hierna OZHZ), gevraagd een integraal milieuadvies op te stellen dat zich richt op de volgende milieuaspecten: lucht, geluid, bodem, bedrijven en milieuzonering, ecologie en externe veiligheid. Op basis hiervan worden conclusies beschreven en wordt een advies gegeven en zo nodig worden aanbevelingen gedaan. Per hoofdstuk worden de onderzochte milieuthema’s gerapporteerd. Hierin wordt achtereenvolgens ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten van het onderzoek, het toetsingskader, de uitgevoerde werkzaamheden en de onderzoeksresultaten. De aspecten geluid, ecologie en bodem zijn in een aparte rapportage uitgewerkt. Deze zijn als bijlagen toegevoegd. In het onderhavige rapport wordt op pagina 1 een samenvatting van de resultaten gegeven. Voor thema's waar aparte onderzoeken voor zijn uitgevoerd wordt in dit rapport een samenvatting gegeven van de resultaten en conclusies en/of advies voor vervolg. De onderzoeksrapporten worden als bijlage toegevoegd.

1.1

Plangebied

Het plangebied is gelegen tussen de Recklinghausenweg, de Visserstuin en het Suze Groeneweg-erf. De onderzoeken hebben betrekking op het gebied waar voorheen het sportpark gevestigd is geweest. In het nieuwe plan worden hier ongeveer 80-90 woningen in de vorm van grondgebonden eengezinswoningen en/of appartementen gerealiseerd. De exacte invulling is nog niet bekend. De bebouwing op de onderstaande rechter figuur geeft slechts een mogelijke invulling weer. Onderstaande figuren geven het plangebied weer.

Situatie van het plangebied

Mogelijke invulling van het plangebied

Zaaknummer: Z-20-369276 Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid

Pagina 3

2

Geluid

2.1

Inleiding

In het kader van het vaststellen van bestemmingsplannen is het noodzakelijk een geluidonderzoek uit te voeren indien daarin geluidgevoelige gebouwen zijn geprojecteerd. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald binnen welke zones van wegen, spoorwegen en industrieterreinen onderzoek moet plaatsvinden. De Wgh is alleen van toepassing binnen deze geluidzones. Daarnaast kan het vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ook noodzakelijk zijn om de geluidbelasting te berekenen van bijvoorbeeld wegen met een maximaal toegestane snelheid van 30 kilometer per uur. Voor dit gebied is vanwege wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De berekende geluidbelastingen zijn getoetst aan de grenswaarden zoals opgenomen in de Wgh en aan de voorwaarden die in het gemeentelijke hogere waarden beleid zijn beschreven. De uitgangspunten en de berekeningsresultaten van het akoestisch onderzoek zijn toegevoegd in bijlage 1. Uit deze bijlage is af te leiden dat voor de invulling van deze planlocatie is uitgegaan van 2 verkavelingsvarianten. Het verschil in beide varianten is dat in het zuidwestelijke deel van het plan een open strokenverkaveling is voorzien of een U-vormige verkaveling met een aanééngesloten wand in de richting van de route Provincialeweg/Recklinghausenweg.

2.2

Samenvatting resultaten

Binnen de zone langs de route Provincialeweg/Recklinghausenweg, de route Visserstuin/Provincialeweg en de Stadspolderring worden nieuwe woningen gerealiseerd. Dit betekent dat een akoestisch onderzoek op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk is. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is ook het railverkeer over de Merwede-Lingelijn in dit onderzoek betrokken. De zone van 100 meter langs deze spoorlijn is formeel gezien niet binnen het plangebied gelegen. Uit het onderzoek is gebleken dat alleen het verkeer op de route Provincialeweg/Recklinghausenweg een geluidbelasting veroorzaakt die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. De andere wegen en het spoorverkeer veroorzaken geen geluidbelasting ter plaatse van de nieuwe woningen die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. Deze geluidbronnen veroorzaken daarom geen belemmeringen. De geluidbelasting bedraagt op de eerstelijnsbebouwing langs de route Provincialeweg/Recklinghausenweg maximaal 54 dB. De maximaal mogelijk te verlenen hogere waarde van 63 dB wordt daarom niet overschreden. In het gemeentelijk geluidbeleid is vastgelegd dat voor woningen waarvoor een hogere waarde wordt vastgesteld sprake moet zijn van een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte. Uit de resultaten blijkt dat achter de gesloten bebouwingswand sprake is van zowel een geluidluwe zijde als een geluidluwe buitenruimte.

Dit geldt zowel voor de woningen in de wand als voor de woningen die daar achter liggen. Deze bebouwing is ook de hoek om 'gesloten' uitgevoerd. Dit is vanuit geluid niet strikt noodzakelijk voor zover de wand langs de Provincialeweg/Recklinghausenweg maar niet wordt onderbroken met grotere openingen waarachter direct woningen zijn gelegen. Kleinere openingen, zoals een ontsluitingsweg met voetpaden daarlangs, zijn niet onmogelijk.

4

Als tweede onderzoeksoptie is in het zuidwestelijke deel uitgegaan van een 2 strokenverkaveling met woningen haaks op de route Provincialeweg/Recklinghausenweg. Deze vanuit akoestisch oogpunt meest ongunstige oriëntatie is niet mogelijk binnen de voorwaarden die in het gemeentelijke geluidbeleid zijn gesteld. Op de verdiepingen van de woningen die het dichtst bij deze route zijn gelegen is geen sprake van een geluidluwe gevel. Ter plaatse van 1 woning is geen sprake van een geluidluwe buitenruimte. In de gesloten variant (U-vormige bebouwing) kan wel worden voldaan aan deze voorwaarden.

2.3

Conclusie

Alleen het verkeer op de route Provincialeweg/Recklinghausenweg veroorzaakt een geluidbelasting die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. De andere wegen en het spoorverkeer veroorzaken geen belemmeringen. De geluidbelasting bedraagt maximaal 54 dB en is lager dan de maximale ontheffingswaarde. Omdat een hogere waarde noodzakelijk is moet worden getoetst aan de voorwaarden uit het hogere waarden beleid. Uit deze toetsing blijkt dat met een aanééngesloten wand langs de route Provincialeweg/Recklinghausenweg bij elke woning sprake is van een geluidluwe gevel en geluidluwe buitenruimte. De strokenverkaveling in het zuidwestelijke deel van het plan leidt er toe dat niet bij alle woningen kan worden voldaan aan de voorwaarden uit het hogere waarden beleid. Mogelijk dat het plangebied anders kan worden ingedeeld.

3

Luchtkwaliteit

3.1

Inleiding

Ter plaatse is op de locatie geen bebouwing aanwezig. In het plangebied worden ongeveer 80-90 woningen gerealiseerd in de vorm van grondgebonden eengezinswoningen en/of appartementen. De exacte invulling is nog niet bekend. Bij een sportcomplex vinden vervoersbewegingen plaats. Deze vervoersbewegingen komen te vervallen. De nieuwe invulling van het plan gebied brengt ook vervoersbewegingen met zich mee. Wet en regelgeving De Europese regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit is in Nederland geïmplementeerd in hoofdstuk 5 titel 2 van de Wet milieubeheer (Wm), ook wel de ‘Wet luchtkwaliteit’ genoemd. In de ‘Wet luchtkwaliteit’ is opgenomen dat een besluit inpasbaar is vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit, als tenminste aan één van de volgende vier gronden wordt voldaan (artikel 5.16 lid 1): a)

De voorgenomen ontwikkeling inclusief alle bijbehorende maatregelen leidt niet tot overschrijdingen van grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

b)

De voorgenomen ontwikkeling leidt (per saldo) niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

c)

De bijdrage van de voorgenomen ontwikkeling aan de luchtverontreiniging is ‘niet in betekenende mate’ (NIBM).

d)

De voorgenomen ontwikkeling is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

5

Niet in betekenende mate (NIBM) Op basis van de Wet luchtkwaliteit zijn plannen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, vrijgesteld van toetsing (Wet milieubeheer, artikel 5.16, lid 1 sub c). Dit betekent dat in overschrijdingssituaties plannen toch gerealiseerd kunnen worden indien de bijdrage van het plan ‘niet in betekenende mate’ is. In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) is het begrip 'niet in betekenende mate' gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 (stikstof dioxide) of PM10 (fijn stof). Dit betekent dat voor zowel NO2 als PM10 planbijdragen zijn toegestaan van maximaal 1,2 μg/m³ in situaties waarin de jaargemiddelde concentraties de grenswaarde overschrijden. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) is een lijst met categorieën van inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties opgenomen, die als ‘niet in betekenende mate’ projecten worden beschouwd. Als een plan binnen de benoemde projectomvang valt, is het vrijgesteld van toetsing. Er is ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit dan geen verdere belemmering voor de realisatie van het project.

3.2

Toetsing en conclusie

Het woningbouwproject past binnen de Regeling 'NIBM'. Luchtkwaliteit is daarom voor dit project geen belemmering en behoeft niet verder te worden onderzocht. Ook als de bijdrage van de voorgenomen ontwikkelingen In Betekenende Mate (IBM) is, kan het plan alsnog doorgang vinden als de grenswaarden na de planontwikkeling niet worden overschreden. Gezien de lage (achtergrond)concentraties is het niet te verwachten dat de grenswaarden worden overschreden na de planontwikkeling. De woningbouw ter plaatse levert ook vervoersbewegingen op. De geïnventariseerde luchtkwaliteit in 2018 bevat 20-38 µg/m³. De ontwikkeling van deze locatie levert niet in betekende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Het woningbouwproject past binnen de Regeling 'NIBM'. Luchtkwaliteit is daarom voor dit project geen belemmering en behoeft niet verder te worden onderzocht. Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van een besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen.

6

4

Externe veiligheid

4.1

Inleiding

Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Het gaat om de risico’s verbonden aan ‘risicovolle inrichtingen’, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en anderzijds om het ‘vervoer van gevaarlijke stoffen’ via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Binnen het beleidskader staan twee begrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Onderstaand worden deze begrippen nader toegelicht. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans om op een bepaalde plaats te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die permanent op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van één gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 PR-contour (die als harde wettelijke norm geldt) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden.

Voorbeelden van kwetsbare objecten zijn onder andere woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoorgebouwen. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N), de fN-curve. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt doorgaans begrensd door de 1% letaliteitsgrens of te wel door de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Wetgeving Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Het Bevi stelt grenswaarden en richtwaarden voor inrichtingen met gevaarlijke stoffen o.a. PGS-15 opslagen en LPG-tankstations. In dit besluit is opgenomen dat de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico voor nieuwe al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare, 10-6 per jaar bedraagt. Van deze grenswaarde kan/mag het bevoegd gezag niet afwijken. Het groepsrisico moet conform het Bevi verantwoord worden als de personendichtheden binnen het invloedsgebied wijzigen.

Deze (uitgebreide) verantwoording dient in te gaan op de hoogte van het groepsrisico, maatregelen tot het beperken van het groepsrisico, voor- en nadelen van mogelijke andere ontwikkelingen met een lager groepsrisico, mogelijkheden tot bestrijding van een ramp en de zelfredzaamheid van de aanwezige personen binnen het invloedsgebied. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Het transport van gevaarlijke stoffen brengt diverse risico’s met zich mee. Voor het transport van risicovolle stoffen over de weg, spoor en het water is een risiconormering vastgelegd. In de Regeling basisnet welke in 2015 in werking is getreden, is vastgelegd welke risico’s het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken.

7

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen 200 meter van de transportas dient de hoogte van het groepsrisico bepaald te worden en zal de eventuele toename van het groepsrisico verantwoord moeten worden. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het Bevb zijn de risiconormeringen opgenomen voor buisleidingen. Het gaat daarbij om buisleidingen voor het transport van brandbare gassen en vloeistoffen. Voor nieuwe buisleidingen geldt dat de PR 10-6 contour op de leiding of in de belemmeringstrook moet liggen, hiermee wordt onnodig ruimtebeslag voorkomen. Nieuwe bebouwing mag niet gelegen zijn binnen de PR 10-6 contour van de buisleiding. Het groepsrisico wordt bepaald door de kans per kilometer buisleiding of een bepaald aantal slachtoffers groter is dan de oriëntatiewaarde. De oriëntatiewaarde geldt voor zowel bestaande als nieuwe situaties. Bij nieuwe situaties dient de hoogte van het GR bepaald te worden om te kunnen toetsen aan de oriëntatiewaarde.

4.2

Toetsing

De locatie is gelegen langs de Recklinghausenweg te Dordrecht. Op basis van de externe veiligheid beleidskaart blijkt dat de locatie niet is gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour. Wel is het invloedsgebied van het bedrijf Chemours over het planvoornemen gelegen. Ook is een klein deel van het planvoornemen (zuid-westhoek) gelegen in het invloedsgebied van de hogedruk aardgas buisleiding en een deel van het plan valt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn (Dordrecht – De Staart). Onderstaand worden deze risicobronnen verder behandeld. Chemours Het invloedsgebied van Chemours is circa 3.175 meter groot. Het plangebied ligt aan de rand van dit invloedsgebied. Door het planvoornemen zal het aantal aanwezige personen binnen het plangebied beperkt wijzigen. Gezien de afstand van het planvoornemen tot Chemours (circa 2.500 meter) en de ligging binnen stedelijk gebied, wordt aangenomen dat dit geen invloed heeft op de hoogte van het groepsrisico. Daarbij geldt dat het invloedsgebied wordt bepaald door de toxische scenario’s. Bij een toxisch scenario, moeten de aanwezigen binnenhuis schuilen en de ventilatie uitschakelen.

Juist gezien de afstand van het planvoornemen tot Chemours, en de snelheid waarmee een eventuele gifwolk richting het planvoornemen drijft, is door middel van alarmering en het centraal afschakelen van de ventilatie voldoende tijd voor de aanwezigen om zich in veiligheid te brengen (of te wel de zelfredzaamheid is hoog). Concluderend is te stellen dat de verwachting is, dat er geen sprake is van een wijziging in de hoogte van het groepsrisico. De zelfredzaamheid is door het binnenhuis kunnen schuilen) hoog. Buisleiding De buisleiding heeft een invloedsgebied van 70 meter. Drie woningen binnen het plan zijn gelegen binnen dit invloedsgebied. Gezien de beperkte toename van het aantal personen, en de ligging in stedelijk gebied is geen wijziging te verwachten van het groepsrisico. Tevens ligt het plan buiten de 100% letaliteitscontour en de house-burning afstand. De house-burning afstand van een buisleiding is de afstand tussen de woningen en de buisleiding die nodig is om de risico's te verkleinen die op kan treden bij brandgevaar.

8

Spoorlijn De spoorlijn Dordrecht – De Staart loopt langs het planvoornemen. Het invloedsgebied ligt over het planvoornemen, echter ligt het planvoornemen buiten de 200 meter contour. Vanuit het Besluit externe veiligheid transportroutes is alleen een groepsrisicoverantwoording noodzakelijk als het plan gelegen is binnen de 200 meter van de spoorlijn. Dit is niet het geval, een verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet noodzakelijk.

4.3

Conclusie

Concluderend is te stellen dat het invloedsgebied van Chemours, de buisleiding en het spoor over het plangebied is gelegen. Bij een nadere analyse van deze gegevens is te stellen dat gezien de afstand de verwachting is dat er geen sprake is van een wijziging in de hoogte van het groepsrisico. De zelfredzaamheid van de aanwezigen (door binnenhuis te schuilen) is. Hierover is ook advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid.

5

Milieuzonering

5.1

Inleiding

Milieuzonering heeft betrekking op het ruimtelijk scheiden van milieubelastende functies (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies zoals woningen. Uitgangspunt is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het plangebied is gelegen in een omgeving waar een aantal bedrijven gevestigd zijn.

5.2

Toetsingskader

De VNG handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” 2009 is de meest gebruikte methode bij milieuzoneringen. In de handreiking worden voor vier verschillende milieuaspecten (geluid, gevaar, geur en stof) richtafstanden aanbevolen voor milieubelastende activiteiten (bedrijven), ten opzichte van een rustige woonwijk. De milieubelastende activiteiten zijn gerangschikt op SBI code. De grootste richtafstand is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. De gegeven richtafstanden kunnen, met uitzondering van de richtafstand voor gevaar, met één stap verlaagd worden zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat wanneer er sprake is van een gemengd gebied. In deze situatie is er geen sprake van een gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Door de ligging is er alsnog sprake van een gemengd gebied.

9

Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie

Rustige woonwijk

Gemengd gebied

1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

Milieuzonering en het plangebied Het plangebied is gelegen in een omgeving waar een klein aantal bedrijven aanwezig zijn. Het plangebied en het tegenoverliggend bedrijventerrein wordt gescheiden door de Recklinghausenweg. Deze drukke weg is de toegangsweg tot de wijk Stadspolders. Op basis van het bovenstaande is het mogelijk om de richtafstanden met één stap te verlagen tot de norm 'gemengd gebied'. In onderstaand figuur zijn de omliggende bedrijven ten opzicht van het plangebied weergegeven.

10

Het bedrijf Electroplast is een bedrijf met milieucategorie 4.1. De richtafstand daarvan reikt tot in het plangebied. Een tweede bedrijf met een hogere milieucategorie dat hier aanwezig was, het bedrijf Looman Olie B.V., is inmiddels niet meer aan de Egstraat 68 gevestigd. Om deze reden maakt dit bedrijf geen deel uit van de beoordeling. Het bedrijf Electroplast is een bedrijf welke valt onder de SBI code 222.1 (waaraan volgens de Staat van Bedrijfsactiviteiten van het bestemmingsplan een milieucategorie 4.1 is toegekend. Richtafstanden voor het bedrijf Electroplast Aspect

Richtafstand

Richtafstand

rustige

gemengd

woonwijk

gebied

Geur

200 meter

100 meter

Stof

50 meter

30 meter

Geluid

100 meter

50 meter

Gevaar

50 meter

50 meter

Wanneer bij de invulling van een plangebied uitgegaan wordt van kleinere afstanden dan de richtafstanden moet onderbouwd worden: 

waarom er toch sprake kan zijn van een goed woon-en leefklimaat en/of waarom een kleinere afstand kan volstaan;

dat er geen extra belemmeringen optreden voor de bedrijfsvoering van de aanwezige bedrijven.

Nader onderzoek naar de specifieke bedrijfsvoering moet uitwijzen of het aanwezige bedrijf een goed woon- en leefklimaat bij de woningen in de weg staat of dat de woningen een belemmering gaan vormen voor de bedrijfsvoering van het aanwezige bedrijf. Omdat alleen voor het aspect geur de richtafstand tot over het plangebied moet naar dit aspect nader onderzoek worden gedaan.

Werkwijze onderzoek geur Onderzocht is welke geurrelevante activiteiten het bedrijf verricht en in hoeverre daarvan geuroverlast te verwachten is. Op basis daarvan is bepaald of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor de te ontwikkelen woningen voor het aspect geur. Daarnaast is bepaald of de woningen een belemmering kunnen vormen voor eventuele ontwikkelingen van het bedrijf.

Resultaten Electroplast is een kunststofverwerkend bedrijf. Binnen de kunststofverwerking zijn met name de volgende processen geurrelevant: harsverwerking (zoals polyesterhars of epoxyhars), productie van oplosmiddelhoudende producten (zoals lijmen), schuimen van EPS of PUR, verwerking van zacht PVC en kunststofrecycling.

11

Bij Electroplast vinden geen van bovengenoemde processen plaats. Binnen Electroplast worden kunststofproducten gemaakt op basis van polyethyleen door middel van extrusie en spuitgieten. Er vinden bij het bedrijf geen geurrelevante activiteiten vanwege oplosmiddelen plaats of alleen op kleine schaal, zoals het bedrukken van de kunststofproducten met inkt. Ook is er geen sprake van bekende geurklachten vanwege het bedrijf. Het is daarom aannemelijk dat de richtafstand van 100 meter voor gemengd gebied niet van toepassing is op Electroplast. De activiteiten zijn wat betreft geur meer vergelijkbaar met SBI code 222.3 productie van verpakkingsmateriaal waarvoor een richtafstand geldt van 25 meter voor geur. Een verandering of ontwikkeling van Electroplast waarbij geurrelevante activiteiten wel een belangrijke rol kunnen spelen is niet mogelijk binnen het bestemmingsplan voor het betreffende bedrijventerrein (Dubbeldam). Conform het bestemmingsplan "Dubbeldam" zijn namelijk alleen bedrijven toegestaan tot en met categorie 3. Hiervoor bedraagt de maximale richtafstand 50 meter. De woningen zullen dus met betrekking tot het aspect geur geen extra belemmering vormen voor eventuele ontwikkelingen van het bedrijf. Geluid De afstand tussen de perceelgrenzen van het bedrijf Electroplast en het plangebied voldoet aan de richtafstand voor geluid.

Ondanks dat voldaan wordt aan de richtafstand is nader onderzocht of geluid een aandachtspunt vorm voor de planontwikkeling. Mede omdat in het verleden sprake is geweest van geluidklachten over het bedrijf. Dit in combinatie met het gegeven dat de nieuwe woningen dichterbij het bedrijf komen te liggen dan de woningen in de bestaande situatie. Het bedrijf kan hierdoor beperkt worden in haar bedrijfsvoering.

Geluidruimte Electroplast Het bedrijf Electroplast valt sinds januari 2013 onder het Activiteitenbesluit als een type B inrichting. Vanaf die datum zijn dan ook de algemene voorwaarden van Hoofdstuk 2 en specifiek de geluidvoorwaarden van afdeling 2.8 "Geluidhinder" van toepassing. Dit betekent dat Electroplast bij de bestaande omliggende woningen 50 dB(A) etmaalwaarde aan geluid mag maken. Deze waarde van 50 dB(A) was in 2009 ook vergund bij de woningen aan het Suze Groeneweg-erf. Deze waarde was ook vergund aan het bedrijf voordat ze kwamen te vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. Deze geluidruimte was gebaseerd op het door het bedrijf aangeleverde akoestische onderzoek van destijds. In een eerder in 2018 opgesteld geluidadvies voor de ontwikkeling in onderhavig plangebied is berekend dat een geluidbelasting van 50 dB(A) bij de woningen aan het Suze Groeneweg-erf betekent dat de geluidbelasting op de woningen aan de rand van onderhavig plangebied kan toenemen tot ongeveer 55 dB(A) etmaalwaarde. Huidige geluidruimte Het is mogelijk dat Electroplast de, nu als uitgangspunt gehanteerde, geluidruimte niet meer nodig heeft en of gebruikt. Uit bovengenoemd akoestisch onderzoek dat ten tijde van de vergunningaanvraag was uitgevoerd bleek dat Electroplast vrij veel dominante geluidbronnen op het dak van het bedrijf had staan.

12

Die geluidbronnen waren installaties. Deze installatie hebben ook tot geluidklachten in de omgeving geleid. Inmiddels zijn die installaties van het dak verwijderd. Er zijn de laatste jaren ook geen geluidklachten meer over het bedrijf bekend. De werkzaamheden van het bedrijf vinden binnen plaats. Het is om bovenstaande waarschijnlijk om te veronderstellen dat het bedrijf de genoemde geluidruimte niet meer nodig heeft of gebruikt. Zekerheid daarover is alleen te verkrijgen door een akoestisch onderzoek. Daarvoor is de medewerking nodig van het bedrijf. Mocht daaruit blijken dat het bedrijf die geluidruimte wel nodig heeft dan kan aan het bedrijf meer geluidruimte worden toegekend door middel van een maatwerkvoorschrift. Voorwaarde is wel dat moet worden gemotiveerd dat deze extra geluidruimte nodig is en aan BBT voldoet. Tevens is in het Activiteitenbesluit opgenomen dat in de betreffende woningen aan de binnenwaarden moet worden voldaan. Voor nieuwe woningen is dat bij een geluidbelasting van ten hoogste 55 dB(A) altijd zo omdat het bouwbesluit al een minimale geluidwering eist van 20 dB. De eis van 35 dB(A) etmaalwaarde in een verblijfsruimte is daarmee gewaarborgd Bij de motivering zal ook meespelen of sprake zal zijn van een goede ruimtelijke ordening waarbij de toekomstige woningen dienen te beschikken over een geluidluwe gevel en buitenruimte.

Dit is al een vereiste vanwege het wegverkeerslawaai.

5.3

Conclusie

Van één bedrijf (Electroplast) reikt de richtafstand tot over het plangebied. Dit is de richtafstand voor geur. Voor wat betreft geluid reikt de richtafstand van dit bedrijf niet tot over het plangebied maar door de nieuwbouw wordt de geluidruimte van dit bedrijf beperkt. Op basis van de activiteiten van het bedrijf en de afstanden tot het plangebied kan worden geconcludeerd dat er ook voor het geur- en geluidaspect sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Ook zullen de woningen ten aanzien van het geuraspect geen belemmering vormen voor eventuele ontwikkelingen van het bedrijf. Voor wat betreft geluid is de conclusie dat het bedrijf door de bouw van de woningen minder geluidruimte krijgt. Naar verwachting hebben ze de huidige beschikbare geluidruimte niet nodig. Alleen een akoestisch onderzoek, waarvoor medewerking van het bedrijf nodig is, kan daarover zekerheid bieden. Wanneer het bedrijf die ruimte wel nodig blijkt te hebben kan die ruimte, onder voorwaarden gegeven worden door het stellen van een maatwerkvoorschrift.

13

6

Bodem

6.1

Inleiding

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. De toelichting van het bestemmingsplan bevat altijd een paragraaf over de bodemkwaliteit. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit artikel staat een verwijzing naar artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht. Hierin is geregeld dat het gemeentebestuur bij haar besluitvorming de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. Het bestemmingsplan bevat een motivering over de bodemkwaliteit in relatie tot de boogde bestemming (functie). De (milieuhygiënische) bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de gewenste bestemming. Er gelden daarbij andere eisen voor de bestemming wonen dan voor bijvoorbeeld de bestemming bedrijven.

Het uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Bij het uitgevoerde bodemonderzoek wordt tevens het volgende vastgesteld: 

of bij toekomstige werkzaamheden werknemers worden blootgesteld aan een bodemverontreiniging;

de hergebruiksmogelijkheden van de aanwezige asfaltverharding;

of funderingslagen aanwezig zijn en het dan vaststellen van de hergebruiksmogelijkheden;

het vaststellen van de toepassingsmogelijkheden indien grond wordt afgevoerd.

Het verkennend bodemonderzoek is toegevoegd in bijlage 1.

6.2 

Samenvatting resultaten

Er zijn maximaal lichte verhoogde gehalten uit het standaard NEN pakket in de bodem aangetroffen.

Er is geen (of maximaal licht verontreinigd) sloot of dempingsmateriaal aangetroffen ter plaatse van de vermoedelijke ligging van de voormalige sloot.

Ten behoeve van toepassingsmogelijkheden van de grond is indicatief getoetst aan het besluit bodemkwaliteit. In tabel 4.1 op pagina 20 van het rapport zijn de resultaten weergegeven. Dit is ook vermeld in de alinea 'toepassingsmogelijkheden indien grond buiten de regio wordt afgevoerd'.

De grond is ten aanzien van PFAS toepasbaar in zone B op basis van de Herziene handreiking toepassing van PFOA houdende grond Zuid-Holland Zuid d.d. 13 juni 2018. Dit is opgenomen in de tabel op pagina 21 van het rapport.

14

De aanwezige asfaltverharding is als 'niet teerhoudend' (geraamd op 170 ton) beoordeeld. Het asfalt komt hiermee in aanmerking voor hergebruik.

Er zijn funderingslagen aanwezig bestaande uit repac. Voor de hergebruiksmogelijkheden wordt het puin indicatief geclassificeerd als “N-bouwstof”.

Voor de grond is indicatief vastgesteld dat er geen veiligheidsklasse (basishygiëne) van toepassing is. Dit is relevant indien er werkzaamheden in de grond gaan plaatsvinden. De definitieve bepaling dient door een veiligheidskundige te worden bepaald.

De onderzoekslocatie ligt niet in een gebied dat verdacht is voor "niet gesprongen explosieven".

Ten aanzien van archeologie geldt een lage verwachtingskans.

6.3

Conclusie

De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling en het gebruik van de rapportage voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. Op basis van de resultaten van het rapport worden ten behoeve van de werkzaamheden voor de herinrichting geen nadere aanbevelingen gedaan.

7

Flora en fauna

7.1

Inleiding

In het kader van de voorbereiding van een bestemmingsplan dient ook het aspect flora en fauna beoordeeld te worden. Een quick scan flora en fauna is een kort, eerste onderzoek. In deze fase wordt onderzocht of er mogelijk beschermde planten of dieren op het terrein voorkomen en/of dat de nieuwe ontwikkeling effecten heeft voor deze soorten. Bij de quick scan wordt een inventarisatie op de locatie uitgevoerd. De resultaten van de inventarisatie zijn hieronder uitgewerkt.

7.2

Resultaten

Het volledige advies is als bijlage 3 bij dit rapport toegevoegd. De inventarisatie van het terrein: De inventarisatie heeft op 9 juni 2020 op de locatie plaatsgevonden. Het terrein bestaat in de autonome situatie voor het grootste deel uit kruidenrijk grasland, waarbinnen een duidelijk onderscheid in vegetatie is te zien tussen het deel wat voorheen kunstgras was en het deel wat voorheen reeds natuurlijk begroeid was. De vegetatie bestaat uitsluitend uit algemene grasen kruidensoorten. Langs de noordoostelijke en zuidoostelijke randen van het terrein bevinden zich bomenrijen. Aan de noordoostelijke kant van het terrein wordt deze bomenrij omgeven door hoge (> 3 meter), opgaande begroeiing.

7.2

Conclusie

De conclusie van de quick scan is dat de werkzaamheden doorgang vinden onder voorbehoud van een aantal voorzorgsmaatregelen in het kader van de zorgplicht volgens artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Uit het onderzoek blijkt dat er geen vervolgstappen (nader onderzoek) nodig zijn. Het nemen van de genoemde voorzorgsmaatregelen is voldoende. De tabel uit de quick scan is hieronder weergegeven.

15

16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/391/documents/15120