119007-21-003.477-rapd02-Bijlage XXII Goede ruimtelijke onderbouwing.pdf
Tekst van het document
Aanvraag vergunning DuPont Bijlage XXII: Goede ruimtelijke onderbouwing
DuPont de Nemours B.V. 4 maart 2021
Project Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Aanvraag vergunning DuPont DuPont de Nemours B.V.
Bijlage XXII: Goede ruimtelijke onderbouwing Definitief 02 4 maart 2021 119007/21-003.477
119007 ir. L.F.C. Steens ir. J.G.H. Smit
M.A.H. Storms MSc, ing. P.A.E. Adriaansen, mevrouw I. van Putten BSc ir. L.F.C. Steens ir. L.F.C. Steens
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Stationsweg 5 Postbus 3465 4800 DL Breda +31 (0)76 523 33 33 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
7
1.1
Aanleiding tot het maken van de ruimtelijke onderbouwing
7
1.2
Ligging en locatie van het project
8
1.3
Wettelijk kader
8
1.4
Inhoud ruimtelijke onderbouwing
9
2
BESCHRIJVING VAN HET PROJECT
10
2.1
Bestaande situatie
10
2.1.1 2.1.2 2.1.3
10 10 11
2.2
3
Bevi inrichting Geluidbudget Zonebeheerplan De Staart Aangewezen activiteit
Toekomstige situatie
11
2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.2.4
11 11 11 12
Nieuwe Bevi inrichting Toekenning veiligheidszone Toekenning activiteit Toekenning geluidbudget en wijziging zonebeheerplan
TOETSING AAN HET RUIMTELIJK BELEID VAN HET RIJK, PROVINCIE EN GEMEENTE
13
Beleid en regels van het Rijk
13
3.1.1 3.1.2
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Structuurvisie Randstad 2040
13 13
3.2
Beleid en regels van de provincie Zuid-Holland
14
3.3
Gemeentelijk ruimtelijk relevant beleid
14
4
TOETSING AAN RELEVANTE OMGEVINGSASPECTEN
16
4.1
Externe veiligheid
16
4.1.1 4.1.2
19 27
3.1
4.2
Toetsing plaatsgebonden risicocontouren Toetsing groepsrisico
Geluidbudget
36
4.2.1 4.2.2
36 38
Beschrijving aangevraagde afwijking Ruimtelijke onderbouwing gevraagde afwijking
4.3
Overige omgevingsaspecten
38
5
CONCLUSIES
40
Laatste pagina
40
Bijlage(n)
Aantal pagina's
I
Bijlage XXII a: QRA DuPont
98
II
Bijlage XXII b: QRA Chemours
148
III
Bijlage XXII c: Memo DuPont en Chemours gecombineerd
26
IV
Bijlage XXII d: Akoestisch onderzoek DuPont
84
V
Bijlage XXII e: Akoestisch onderzoek Chemours
322
VI
Bijlage XXII f: Overzicht grondstoffen en product per spoor
1
VII
Bijlage XXII g: Akoestisch onderzoek Dow
58
Publieksvriendelijke Samenvatting Op grond van het geldende bestemmingsplan is vastgelegd welke risicovolle inrichtingen (als bedoeld in het Bevi) op de locatie aan de Baanhoekweg 22 in Dordrecht zijn toegestaan. In het bestemmingsplan is destijds vastgelegd dat de inrichting van DuPont de Nemours (Nederland) B.V. (DuPont) mag zijn gevestigd op deze locatie. Inmiddels zijn de activiteiten binnen de inrichting van DuPont deels ingebracht bij de inrichting van Chemours Netherlands B.V. (Chemours) en deels ingebracht bij de inrichting van Performance Materials Netherlands B.V. (Dow) zijn ter plaatse thans drie inrichtingen aanwezig; de inrichting van Chemours, de inrichting van DuPont en de inrichting van Dow. Binnen deze inrichtingen worden dezelfde activiteiten verricht, die door de in het bestemmingsplan aangewezen inrichting van DuPont werden verricht, maar nu verdeeld over verschillende inrichtingen, waaronder die van Chemours. In het bestemmingsplan wordt niet verwezen naar de inrichting van Chemours en derhalve dient Chemours een aanvraag in te dienen ter verkrijging van een omgevingsvergunning om te mogen afwijken van het vigerende bestemmingsplan. Daarnaast vraagt ook DuPont een omgevingsvergunning aan om af te wijken van het bestemmingsplan.
Dit rapport geldt als onderbouwing bij deze vergunningaanvraag dat de inrichting van DuPont niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Voor de ruimtelijke onderbouwing heeft een toetsing plaatsgevonden aan de relevante beleidskaders, waarbij is geconcludeerd dat de aangevraagde situatie past binnen het gemeentelijk, provinciaal en nationaal beleid. Daarnaast heeft een toetsing plaatsgevonden aan de relevante omgevingsaspecten. Hierbij is met name een onderbouwing op het gebied van externe veiligheid en geluid van belang. Voor de overige omgevingsaspecten is geconcludeerd dat de geplande aangevraagde situatie geen effect heeft op de goede ruimtelijke ordening. Externe veiligheid DuPont, Dow en Chemours geven de hoogste prioriteit aan veiligheid. Externe veiligheid gaat over mogelijke risico’s voor de omgeving door bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen en daarbij zijn aangewezen in wetgeving, zoals DuPont en Chemours1. Hierbij is bescherming van individuen (plaatsgebonden risico1) en groepen personen (groepsrisico) van belang. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven middels een contour om de bedrijven heen, die een bepaald risico weergeeft. Deze contour wordt berekend door een model.
De versie van het model (6.54) dat is gebruikt voor het huidige bestemmingsplan in 2013 is gewijzigd ten opzichte van de nieuwste versie van het model (versie 8.21 in 2019) dat is gebruikt voor deze ruimtelijke onderbouwing. Naast effecten op de plaatsgebonden risicocontouren hebben de wijzigingen geleid tot een sterke afname in het groepsrisico. Dit betekent dat met name de kans op ongevallen waarbij grote groepen slachtoffers vallen kleiner is geworden. Vooral de kans op en effecten van grote incidenten zijn hierbij afgenomen. Deze wijzigingen zijn alleen het gevolg van modelwijzigingen (zie onderstaande afbeelding 1 voor een indicatieve weergave van de effecten van de modelwijziging). In de fysieke situatie hebben geen veranderingen plaatsgevonden. De wijzigingen worden in dit document wel beschreven. Het plaatsgebonden risico wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de veiligheidszone uit het bestemmingsplan. Het plaatsgebonden risico voldoet aan het Bevi. Op enkele plekken overschrijdt de contour de veiligheidszone uit het bestemmingsplan. Voor de overschrijdingen zijn de maatregelen beschreven die reeds zijn genomen om het effect van een eventueel incident te minimaliseren. Op basis van deze beschrijving wordt een verzoek gedaan om de veiligheidszone uit het bestemmingsplan te wijzigen.
Voor het groepsrisico geldt dat het berekende risico voldoet aan de wettelijke oriëntatiewaarde en ook aan de strengere streefwaarde, zoals deze in de gemeentelijke structuurvisie is vastgelegd. 1
Dow is geen risicovolle inrichting, conform de definitie in het bestemmingsplan De Staart. De gevaarlijk stoffen die door Dow worden opgeslagen en worden verwerkt in het productieproces leiden niet tot een 10-6 plaatsgebonden risicocontour en niet tot een invloedsgebied en/of 1 % letaliteitsgrens, waardoor bijgedragen wordt aan het groepsrisico. Dow voldoet met betrekking tot de opslag en bewerking van gevaarlijke stoffen aan de eisen zoals gesteld in de Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit.
Daarnaast geeft deze ruimtelijke onderbouwing voor het groepsrisico een toelichting op het zelfredzaamheid, beheersbaarheid en resteffect.
Afbeelding 1 Indicatieve weergave van de effecten van de modelwijziging
Geluid DuPont, Dow en Chemours zijn gelegen op industrieterrein De Staart. De Wet geluidhinder verplicht industrieterrein De Staart lawaai veroorzakende bedrijven te zoneren. In het Zonebeheerplan De Staart is onder meer de verdeling van geluidsruimte voor alle bedrijven op het terrein vastgelegd. Voor de toekomstige situatie moeten voor Chemours, DuPont en Dow los van elkaar drie geluidsbudgetten worden opgenomen in het zonebeheerplan. In deze ruimtelijke onderbouwing zijn tabellen opgenomen met het geluidsniveau en het geluidsbudget van zowel Dupont, Dow als Chemours tijdens de dag, avond en nacht. Deze tabellen volgen uit de akoestische onderzoeken van DuPont, Dow en Chemours (zie bijlage XXII d, XXII e en XXII g). Het totale (cumulatieve) geluidsniveau van de bedrijven is vergeleken met het huidige geluidsbudget voor Chemours en DuPont samen. Uit de tabellen blijkt dat voor alle zonepunten de verdeling van het geluidsbudget past binnen het huidige totale geluidsbudget van Chemours en DuPont samen, dat is vastgelegd in het Zonebeheerplan. Er zijn dan ook geen belemmeringen voor de opsplitsing in twee geluidsbudgetten. Geconcludeerd wordt dat de gevraagde splitsing van het geluidsbudget niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
1 INLEIDING 1.1
Aanleiding tot het maken van de ruimtelijke onderbouwing
Op het fabrieksterrein aan de Baanhoekweg 22 te Dordrecht (het ‘Fabrieksterrein’) is ingevolge bestemmingsplan de Staart, zoals vastgesteld op 25 juni 2013 (het ‘Bestemmingsplan’), de vestiging van de inrichting van ‘DuPont de Nemours’ toegestaan. Inmiddels zijn de activiteiten binnen de inrichting van DuPont deels ingebracht bij de inrichting van Chemours Netherlands B.V. (Chemours) en deels in gebracht in Dow en zijn ter plaatse thans drie inrichtingen aanwezig; de inrichting van Chemours, de inrichting van DuPont en de inrichting van Dow. Binnen deze inrichtingen worden dezelfde activiteiten verricht, die door de in het bestemmingsplan aangewezen inrichting van DuPont werden verricht, maar nu verdeeld over verschillende inrichtingen. DuPont en Dow maken daarnaast gebruik van een gedeelte van het Fabrieksterrein op grond van een recht van Opstal en Erfdienstbaarheden. Chemours, DuPont en Dow hebben een aanvraag gedaan bij het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland (het ‘College’) om verlening van afzonderlijke revisievergunningen milieu1 aan iedere partijen, waardoor drie afzonderlijke inrichtingen worden vergund op het fabrieksterrein.
Gelet daarop heeft Chemours tevens een aanvraag om omgevingsvergunning gedaan voor de vestiging van een afzonderlijke inrichting, de vestiging van een afzonderlijk bedrijf en de uitvoering van afzonderlijke bedrijfsactiviteiten op het fabrieksterrein, naast de bestaande, reeds toegestane inrichting, het bestaande, reeds toegestane bedrijf en de bestaande, reeds toegestane bedrijfsactiviteiten van DuPont en Dow. Daarbij is van belang om in het oog te houden dat de feitelijke activiteiten op het fabrieksterrein niet wijzigen ten opzichte van de bestaande, toegestane situatie. Dit rapport geldt als ruimtelijke onderbouwing bij deze vergunningaanvragen voor het afwijken van het bestemmingsplan ter motivatie dat de geplande, nieuwe, situatie niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Voor de volgende wijzigingen wordt een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan aangevraagd: 1 toekenning geluidbudget: het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub c Wabo, namelijk het in afwijking van artikel 3.5.4.1 onder b van het Bestemmingsplan vestigen van de fabriek van DuPont en Dow op het Fabrieksterrein met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels voor afwijking, als bedoeld in artikel 2.12, lid 1 sub a, onder 1˚, van de Wabo in samenhang met artikel 3.6 van het Bestemmingsplan (de ‘Binnenplanse Afwijking’); 2 toekenning activiteiten: het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub c Wabo met toepassing van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3º Wabo voor het in afwijking van artikel 3.5.6.2 van bestemmingsplan ‘Staart’ toestaan van de bedrijfsactiviteiten van DuPont, zijnde (de productie van chemische producten, waaronder kunstharsen) op het Fabrieksterrein (naast de bestaande, toegestane bedrijfsactiviteiten van Chemours) (‘Afwijking 3.5.6.2’); 3 toekenning nieuwe Bevi-inrichting: het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub c Wabo met toepassing van artikel 2.12 lid 1 sub a 1
Conform artikel 2.1, lid e van de Wabo
7 | 41
Witteveen+Bos | 119007/21-003.477 | Definitief 02
4
onder 3º Wabo, namelijk het in afwijking van artikel 3.5.7 van het Bestemmingsplan vestigen van de volgende risicovolle inrichting op het Fabrieksterrein: DuPont, fabriek voor chemische producten waaronder kunstharsen (naast de bestaande, toegestane risicovolle inrichting van Chemours) (de ‘Afwijking van artikel 3.5.7’); toekenning veiligheidszone Bevi: het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub c Wabo met toepassing van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3º Wabo, namelijk het in afwijking van artikel 29.3.1. van het bestemmingsplan toestaan van risicovolle activiteiten, met dien verstande dat de individuele 10-6 contour van een risicovolle inrichting niet buiten de aanduiding ‘veiligheidszone - bevi’ mag liggen. Veiligheidszone toekennen aan DuPont naast de veiligheidszone van Chemours (‘Afwijking 29.3.1’).
Ook voor Chemours geldt dat sprake is van een strijdigheid met het bestemmingsplan. Chemours vraagt daarom ook een omgevingsvergunning aan om af te wijken van het bestemmingsplan. Aangezien deze ruimtelijke onderbouwing ook de individuele effecten van Chemours beschouwt, wordt deze ook gebruikt voor de afwijking van Chemours. Deze bijlage XXII is daarom volledig gelijk aan de betreffende bijlage die bij de aanvraag van Chemours is ingediend.
1.2
Ligging en locatie van het project
De bedrijven DuPont, Dow en Chemours zijn gelegen op het industriegebied Staart in Dordrecht. Afbeelding 1.1 geeft de ligging van deze bedrijven aan op het industriegebied.
Afbeelding 1.1 Ligging terrein van Chemours, Dow en DuPont
1.3
Wettelijk kader
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Het wettelijk kader voor de omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan is artikel 2.12, 1e lid onder a 3º van de Wabo in combinatie met de artikelen 5.20 en 6.14 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Op grond van artikel 2.12, 1e lid onder a 3º van de Wabo kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor een activiteit die in strijd is met het bestemmingsplan, mits die activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de omgevingsvergunning is voorzien van een goede
8 | 41
Witteveen+Bos | 119007/21-003.477 | Definitief 02
ruimtelijke onderbouwing. Dit document voorziet in de goede ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag voor afwijken van de in paragraaf 1.1 genoemde artikelen uit het bestemmingsplan. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) De aan- en afvoer, de opslag en het werken met gevaarlijke stoffen brengt bepaalde risico’s voor de omgeving met zich mee, zowel voor het personeel van DuPont en Chemours (en Dow) als voor de omgeving. Daarom is de inrichting van Chemours1 een Bevi-inrichting. Het Bevi verplicht de bevoegde gezagen voor de Wabo en Wet ruimtelijke ordening (Wro) – de gemeenten en provincies – afstand te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Het Bevi beperkt ook het totale aantal aanwezige personen in de directe omgeving van een risicovol bedrijf. Hierbij is bescherming van individuen (plaatsgebonden risico) en groepen personen (groepsrisico) van belang. De risicovolle bedrijven zijn genoemd in artikel 2 van het Bevi (en verder uitgewerkt in artikel 1 a tot en met c van het Bevi). De afstand tussen risicovolle bedrijven en de gevoelige objecten moet voldoen aan de normen volgens het Bevi. De normen uit het besluit worden gehanteerd bij het opstellen en wijzigen van bestemmingsplannen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen.
De normen in het besluit zijn niet effectgericht, maar gebaseerd op een kansbenadering, de kans om te overlijden als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Gezondheidsschade, kans op verwonding of materiële schade tellen daarbij niet mee. In het Bevi is geen harde norm voor het groepsrisico vastgelegd. Er is voor gekozen om de norm voor het groepsrisico als oriëntatiewaarde te handhaven, met een nadrukkelijke verantwoordingsplicht. In het Bevi is een voorschrift opgenomen waarbij inzicht moet worden gegeven in de actuele hoogte van het groepsrisico en de bijdrage aan het groepsrisico van ruimtelijke ontwikkelingen of risicovolle activiteiten. In de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn bepalingen en toepassing van de veiligheidsnormen verder uitgewerkt.
1.4
Inhoud ruimtelijke onderbouwing
Vanwege de aard van het project ligt de nadruk van deze ruimtelijke onderbouwing op externe veiligheidsaspecten. In de huidige situatie is sprake van één Bevi-inrichting. De aanvraag houdt in om twee Bevi-inrichtingen ter plaatse te mogen vestigen in afwijking van het vigerende bestemmingsplan: de inrichting van DuPont en de inrichting van Chemours. Bijlage XXII a (QRA van DuPont), bijlage XXII b (QRA van Chemours) en bijlage XXII c (Memo DuPont en Chemours gecombineerd) onderbouwen dat wordt voldaan aan beleid en wet- en regelgeving met betrekking tot de externe veiligheid op het moment dat sprake is van twee risicovolle inrichtingen op het fabrieksterrein. De feitelijke activiteiten wijzigen niet ten opzichte van de huidige situatie. Naast externe veiligheid gaat deze ruimtelijke onderbouwing in op geluid. In de huidige situatie is vanuit het zonebeheersplan (alleen) geluidsruimte toegewezen aan Chemours, maar waarin tevens de activiteiten van DuPont en Dow zijn opgenomen. Het voornemen is om geluidsruimte op te splitsen en een deel van deze geluidsruimte toe te wijzen aan de inrichting van DuPont en Dow.
Overige ruimtelijke aspecten, zoals milieuzonering, luchtkwaliteit, bodemkwaliteit, archeologie, water en ecologie worden beperkt opgenomen in deze ruimtelijke onderbouwing, omdat de aangevraagde activiteit geen wijziging brengt in de feitelijke activiteiten die plaatsvinden op het fabrieksterrein. Op deze aspecten zal kort worden ingegaan in deze ruimtelijke onderbouwing.
1
In dit geval wordt bedoeld: de huidige vergunde inrichting Chemours waarin zowel de activiteiten van Chemours, DuPont en Dow zijn opgenomen.
9 | 41
Witteveen+Bos | 119007/21-003.477 | Definitief 02
2 BESCHRIJVING VAN HET PROJECT 2.1
Bestaande situatie
2.1.1
Bevi inrichting
Voor de locatie geldt het bestemmingsplan Staart 2013. In artikel 3.5.7 van het bestemmingsplan is bepaald dat risicovolle inrichtingen niet zijn toegestaan, behoudens de specifiek aangewezen inrichtingen. Hierbij is vervolgens DuPont toegestaan als Bevi inrichting. Een uitsnede van de bestemmingsplankaart is weergegeven in de afbeelding 2.1. De veiligheidszone conform Bevi is weergegeven in de bestemmingsplanuitsnede. De blauwe contour betreft de 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour uitgaande van de situatie dat nog sprake was van als één inrichting.
Afbeelding 2.1 Uitsnede bestemmingsplan De Staart (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
2.1.2
Geluidbudget Zonebeheerplan De Staart
De Wet geluidhinder verplicht om industrieterreinen waarop lawaaiveroorzakende bedrijven zijn of kunnen worden gevestigd te zoneren. Bij de zonering worden primair de grenzen vastgelegd van het gebied waarbinnen de lawaaimakende bedrijven gevestigd mogen zijn. Vervolgens wordt ten behoeve van het gezoneerde industrieterrein de zonegrens bepaald en vastgesteld. Het gebied binnen de zonegrens vormt het aandachtsgebied. De binnen het aandachtsgebied geldende wettelijke voorkeursgrenswaarde, dan wel de binnen de zone vastgestelde hogere waarden zijn bepalend voor de toelaatbaarheid van geluidproducerende activiteiten.
10 | 41
Witteveen+Bos | 119007/21-003.477 | Definitief 02
In 2009 is voor het industrieterrein een zonebeheerplan De Staart vastgesteld. In dit Zonebeheerplan is onder meer de verdeling van geluidsruimte voor het terrein vastgelegd. Aanvullend heeft het college van burgemeester en wethouders tweemaal het besluit genomen over het wijzigen van de geluidsruimte. De verdeling van de geluidsruimte is afgestemd op de herziening van de geluidszone en hogere waarden in Dordrecht, Papendrecht en Sliedrecht, zoals die in de periode 2007-2010 heeft plaatsgevonden. Het Zonebeheerplan is gebaseerd op de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer en wordt beschouwd als gemeentelijk beleid inzake industrielawaai en vergunningverlening. Bij vergunningverlening en bij de afhandeling van meldingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt getoetst aan de geluidruimte, zoals die is vastgelegd in het Zonebeheerplan. In artikel 3.4.5.1 van het bestemmingsplan is bepaald dat bedrijven uitsluitend zijn toegestaan voor zover zij niet meer geluid produceren dan in gevolge het zonebeheersplan is toegestaan. Op grond van artikel 2.6 is het mogelijk dat het college van burgemeester en wethouders hiervan met een vergunning kunnen afwijken, als het zonebeheersplan is gewijzigd.
2.1.3
Aangewezen activiteit
Ter plaatse van de bedrijven DuPont, Dow en Chemours geldt volgens het bestemmingsplan de enkelbestemming bedrijf en meer specifiek ‘de productie van chemische producten waaronder koel- en koudemiddelen en kunstharsen’ (artikel 3.5.6.2 bestemmingsplan). Bij deze specifieke aanwijzing is alleen DuPont genoemd.
2.2
Toekomstige situatie
2.2.1
Nieuwe Bevi inrichting
Daar waar ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan sprake was van de vestiging van één inrichting op de projectlocatie, zijn nu drie afzonderlijke inrichtingen gevestigd en is sprake van twee Beviinrichtingen. Dit betreft een afwijking van artikel 3.5.7 van het bestemmingsplan. Er kan worden vastgesteld dat de feitelijke activiteiten op het fabrieksterrein niet wijzigen ten opzichte van de bestemde situatie. Het feitelijke risico als gevolg van de activiteiten van de inrichtingen samen blijft daarmee hetzelfde.
2.2.2
Toekenning veiligheidszone
In het vigerende bestemmingsplan wordt in artikel 29.3.1 gesteld dat risicovolle activiteiten zijn toegestaan mits deze op basis van de individuele 10-6/jaar contour binnen de aanduiding ‘veiligheidszone - bevi’ blijft. Bedoeld met 'veiligheidszone – bevi' is hier de PR 10-6/jaar contour van het risicovolle bedrijf dat op grond van artikel 3.5.7 op deze plek is toegestaan. Met de aangevraagde afwijking moeten DuPont en Chemours worden toegestaan en moet voor ieder bedrijf een passende regeling voor de eigen PR 10-6/jaar veiligheidszone in het bestemmingsplan worden opgenomen.
2.2.3
Toekenning activiteit
Verzocht wordt om een afwijking van artikel 3.5.6.2 van het bestemmingsplan met als doel dat ook Chemours de in dat artikel genoemde specifieke activiteiten mag verrichten op het betreffende terrein. Uitdrukkelijk wordt vermeld dat er geen sprake is van wijziging van de activiteiten, maar alleen een splitsing van de activiteiten over drie bedrijven en inrichtingen. De activiteiten die Chemours en DuPont uitvoeren zijn aangewezen in het bestemmingsplan als milieucategorie 5.2 activiteiten en meer specifiek de productie van chemische producten, waaronder koel- en koudemiddelen en kunstharsen.
11 | 41
Witteveen+Bos | 119007/21-003.477 | Definitief 02
De bedrijfsactiviteiten van Dow zijn conform de Staat van bedrijven van het bestemmingsplan in te delen onder SBI code 20141 (A1) Organ. Chemische grondstoffenfabrieken, niet vallend onder ‘postSevesorichtlijn’ en daarmee is Dow aangeduid met milieucategorie 4.2. Op basis van de gebiedsaanduidingen in het bestemmingsplan is op de locatie waar Dow haar activiteiten uitvoert milieucategorie 4.2 toegestaan en dus passend binnen het vigerende bestemmingsplan. Voor Dow geldt dan ook dat er geen sprake is van wijziging van de activiteiten, maar alleen een splitsing van de activiteiten over bedrijven en inrichtingen.
2.2.4
Toekenning geluidbudget en wijziging zonebeheerplan
Het geluidsniveau van de drie inrichtingen wijzigt in beperkte mate. Vanwege herinrichting van het fabrieksterrein, nieuwe rekenmethoden en nieuw akoestisch onderzoek verandert het geluidsniveau. Gelet op de huidige situatie dient het geluidsbudget te worden toegewezen aan drie inrichtingen in plaats van aan één inrichting. Het verzoek tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijken van artikel 3.5.4.1 (met inachtneming van artikel 3.6) van het bestemmingsplan, betekent automatisch een verzoek tot wijziging van het zonebeheersplan. Opgemerkt wordt dat de totale belasting van de inrichtingen samen niet toeneemt ten opzichte van het huidige gezamenlijke geluidsbudget.
12 | 41
Witteveen+Bos | 119007/21-003.477 | Definitief 02
3 TOETSING AAN HET RUIMTELIJK BELEID VAN HET RIJK, PROVINCIE EN GEMEENTE De onderstaande beleidskaders zijn gebaseerd op de relevante beleidskaders zoals deze in het vigerende bestemmingsplan uit 2013 zijn opgenomen. Waar nodig is hiervan een geactualiseerde versie beschouwd.
3.1
Beleid en regels van het Rijk
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het Rijk heeft dertien nationale belangen aangewezen in de SVIR. Eén van de belangrijkste beleidsdoelen is een gezonde en veilige leefomgeving als basisvoorwaarde voor burgers en ondernemers. Dit wordt vooral vertaald naar nationaal belang nummer 8: het verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's. In de huidige situatie is sprake van twee Bevi-inrichtingen, waar het bestemmingsplan één Bevi-inrichting mogelijke maakt. Ten tweede dient het geluidsbudget te worden toegewezen aan drie inrichtingen in plaats van één inrichting. Als derde wordt verzocht een extra activiteit (van DuPont) toe te voegen aan het bestemmingsplan. Tenslotte wordt verzocht om een afzonderlijke veiligheidszones toe te kennen aan DuPont en Chemours Echter, de feitelijke activiteiten op het fabrieksterrein en de (milieu)gevolgen daarvan wijzigen niet ten opzichte van de bestaande situatie. Om die reden zijn is de aangevraagde situatie niet in strijd met het belang uit de SVIR ten aanzien van milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's.
3.1.2
Structuurvisie Randstad 2040
Het Rijk wil dat de Randstad zicht ontwikkelt tot een concurrerende Europese topregio. De regio moet aantrekkelijk zijn om in te wonen, te werken, te recreëren en te investeren. Om dat te bereiken, heeft de overheid een visie ontwikkeld op hoe de Randstad er in 2040 uit moet zien. Er zijn vier belangrijke doelstellingen voor de Randstad in 2040: 1 de Randstad bestand maken tegen klimaatverandering; 2 combinaties van water, natuur, landschap, cultuurhistorie, wonen en werken moeten bijdragen aan meer verscheidenheid in recreëren en de woon- en werkomgeving; 3 de internationaal sterke economische functies in de Randstad moeten worden versterkt en moeten goed internationaal verbonden zijn; 4 de stedelijke regio’s in de Randstad moeten ruimte en kwaliteit bieden voor wonen, werken en voorzieningen met een goede bereikbaarheid. Ook voor de Structuurvisie Randstad 2040 geldt dat de aangevraagde omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik van het bestemmingsplan hiermee niet in strijd is, aangezien de toekomstige ruimtelijke situatie niet wijzigt ten opzichte van de huidige situatie.
13 | 41
Witteveen+Bos | 119007/21-003.477 | Definitief 02
3.2
Beleid en regels van de provincie Zuid-Holland
Met de Wet ruimtelijke ordening heeft het Rijk verantwoordelijkheden en bevoegdheden gedecentraliseerd naar provincies en gemeenten. In dit speelveld neemt de provincie de verantwoordelijkheid voor aansturing op ruimtelijke kwaliteit en samenhang van projecten en programma's met provinciale betekenis (regisseursrol). De provincie zal niet voor alle provinciale belangen een leidende rol nemen in de uitvoering. Provinciale Staten van Zuid-Holland heeft op 30 mei 2018 de geconsolideerde versie van de Visie Ruimte en Mobiliteit vastgesteld. De Visie Ruimte en Mobiliteit biedt geen vastomlijnd ruimtelijk eindbeeld, maar wel een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. De visie geeft zekerheid over een mobiliteitsnetwerk dat op orde is en de reiziger en de vervoerder keuzevrijheid biedt, en bevat voldoende flexibiliteit om in de ruimtelijke ontwikkeling te reageren op maatschappelijke initiatieven. Dat geeft houvast voor andere ruimtelijke plannen en voor investeringen in ruimte en netwerk. Het geeft ook duidelijkheid over de randvoorwaarden die de provincie daaraan stelt.
Vier rode draden geven richting aan de gewenste ontwikkeling en het handelen van de provincie: 1 beter benutten en opwaarderen van wat er is; 2 vergroten van de agglomeratiekracht; 3 verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; 4 bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. De vestiging van de inrichtingen van Chemours, Dow en DuPont ter plaatse is niet in strijd met deze gewenste ontwikkelingen, aangezien de fysiek situatie niet wijzigt. De wijzigingen hebben daarom geen gevolgen voor de gewenste ontwikkelingen uit de Visie Ruimte en Mobiliteit.
3.3
Gemeentelijk ruimtelijk relevant beleid
Voor het beleidskader is de Structuurvisie Dordrecht 2040 (verder Structuurvisie) van belang. Deze structuurvisie is vastgesteld in september 2013. In de structuurvisie is opgenomen dat de rol van de overheid verschuift naar die van regisseur, om partijen bij elkaar te brengen, ze te stimuleren actie te ondernemen en te faciliteren in taken die bij de gemeenten liggen. Tegelijkertijd wordt wel van de overheid gevraagd om te zorgen voor veiligheid, overlast te voorkomen, te zorgen voor voorzieningen én om evenwicht te bereiken en te behouden in vraag en aanbod. De structuurvisie benoemt dat voor het gebiedstype suburbaan wonen, waar Staart-Oost onder valt, de nadruk ligt op (rustig) wonen. Daarom is er voor gekozen om de geluidbelasting hier laag te houden, bij voorkeur wordt een maximum van 48 dB gehanteerd. Dit is voor bestaande woningen en nieuwe ontwikkelingen echter niet altijd realiseerbaar. De geluidsbijdrage van DuPont, Dow en Chemours (separaat en gezamenlijk) komt bij woningen boven 48 dB. Een onderbouwing van de geluidsbelasting is opgenomen in paragraaf 4.2. Binnen de gebiedstypologie suburbaan wonen is de woonfunctie dominant aanwezig. Daarom wordt er gestreefd naar een zo laag mogelijke waarde voor het groepsrisico met een maximum waarde niet meer dan 0,75 van de oriëntatiewaarde.
Deze waarde betreft zowel het groepsrisico veroorzaakt door de industriële risico’s als transport risico’s. Indien er sprake is van overschrijdingssituaties zijn de genoemde waarden streef waarden. Het groepsrisico van Chemours en DuPont bedraagt 0,729 van de oriëntatiewaarde. Het gezamenlijke groepsrisico blijft hiermee onder de streefwaarde. Vanwege het gebiedstype industrieterrein geldt voor Staart-Oost dat nieuwe vestiging van bedrijven niet mogelijk is vanwege de ligging tegenover de woonwijk Merwepolder. Uitbreiding van de bestaande vestiging is onder voorwaarden mogelijk, waaronder dat het groepsrisico in de woonwijk niet toeneemt. Feitelijk vindt er geen uitbreiding plaats van de bedrijfsactiviteiten van DuPont, Dow en Chemours en blijft het groepsrisico onder de streefwaarde. De resultaten van het groepsrisico en plaatsgebonden risico (die alleen gelden voor Chemours en DuPont) worden verder toegelicht in paragraaf 4.1.
14 | 41
Witteveen+Bos | 119007/21-003.477 | Definitief 02
De aangevraagde wijzingen en afwijkingen leiden niet tot feitelijke wijzigingen in de activiteiten die worden uitgevoerde en de (ruimtelijke) effecten van de gevraagde afwijkingen van het bestemmingsplan zijn niet in strijd met de gemeentelijke Structuurvisie van Dordrecht.
15 | 41
Witteveen+Bos | 119007/21-003.477 | Definitief 02
4 TOETSING AAN RELEVANTE OMGEVINGSASPECTEN Dit hoofdstuk gaat in op de toetsing van de aangevraagde afwijking van de risicocontouren en van het geluidbudget zoals deze in de huidige situatie zijn vastgelegd. De wijziging van de activiteit (toevoegen van DuPont aan artikel 3.5.6.2) behoeft verder geen ruimtelijke onderbouwing, omdat hier sprake is van voorzetting van de feitelijk situatie. In paragraaf 4.1 externe veiligheid en 4.2 geluidbudget wordt dan ook alleen ingegaan op het afwijkend gebruik van artikel 3.5.7 (Bevi inrichtingen), 29.3.1 (toekenning veiligheidszone Bevi) ) en 3.5.4.1 (geluidbudget). Overige omgevingsaspecten worden kort behandeld in paragraaf 4.3.
4.1
Externe veiligheid
Deze paragraaf geeft een onderbouwing op het gebied van externe veiligheid voor Chemours en DuPont. Eerst worden de uitgangspunten voor de onderbouwing uit de kwantitatieve risicoanalyses en het rekenmodel Safeti beschreven. Vervolgens wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico waarbij steeds DuPont en Chemours afzonderlijke en vervolgens gezamenlijk worden beschouwd. Kwantitatieve risicoanalyse Voor het bepalen van de risico’s voor externe veiligheid is het opstellen van een kwantitatieve risicoanalyse (hierna QRA) verplicht. De QRA is een hulpmiddel om de risico’s van het gebruiken, vervoeren en opslaan van gevaarlijke stoffen inzichtelijk te maken. In een QRA worden zowel de kansen op als de effecten van incidenten met gevaarlijke stoffen inzichtelijk gemaakt. In 2017 is nog een QRA1 opgesteld voor de activiteiten die door DuPont en Chemours worden verricht onder de vigerende omgevingsvergunning. Ten behoeve van de aanvraag is een afzonderlijke QRA voor DuPont2 en voor Chemours3 opgesteld. In dit hoofdstuk worden de conclusies met betrekking tot het plaatsgebonden risico en het groepsrisico weergegeven. Voor de onderbouwing van de gehanteerde rekenmethodieken en gemaakte keuzes in scenario’s verwijzen we naar de QRA’s die als bijlage XXII a en XXII b zijn toegevoegd en ook onderdeel zijn van de aanvragen voor de revisievergunningen van beide bedrijven.
Naast de afzonderlijke QRA’s is ook een memo opgesteld met detailinformatie over maatgevende scenario’s en de gezamenlijke effecten van DuPont en Chemours. Deze memo is specifiek opgesteld als onderbouwing voor deze ruimtelijke onderbouwing en is opgenomen in bijlage XXII c. Rekenmodel Safeti-NL Om omgevingsveiligheidsrisico’s van inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden gebruikt, verpakt, bewerkt of opgeslagen en van chemicaliënleidingen en buisleidingen met aardolieproducten te berekenen wordt het rekenmodel Safeti_NL (verder Safeti) gebruikt; dit rekenprogramma is ontwikkeld en wordt ook beheerd door het RIVM. Aan de hand van een aantal invoergegevens, zoals de hoeveelheid gevaarlijke stof, de procescondities en de scenario's berekent Safeti hoe de stof zich in de omgeving verspreidt, welke effecten
1
Kwantitatieve risicoanalyse Chemours Netherlands B.V. Kenmerk 0266925 definitief revisie 2.0. d.d. 7 maart 2017.
2
Kwantitatieve risicoanalyse DuPont de Nemours (Nederland) B.V. Kenmerk 0416915.00 definitief revisie 6.0 d.d. 1 augustus 2019.
3
Kwantitatieve risicoanalyse Chemours Netherlands B.V. Kenmerk 0416916.00 - DQ99 definitief revisie 6.0 d.d. 17 december 2019.
16 | 41
Witteveen+Bos | 119007/21-003.477 | Definitief 02
optreden en hoe groot het risico voor de mens is. Het resultaat van een berekening bestaat uit de plaatsgebonden risicocontouren en de FN-curve voor het groepsrisico. Bij het opstellen van de QRA’s werd tot voor kort gebruik gemaakt van de huidige versie van Safeti, versie 6.54. De gezamenlijke QRA van 2017 en de QRA voor het bestemmingsplan uit 2013 zijn opgesteld met deze versie. Echter is de huidige versie verouderd en zeer recent is een nieuwe versie (8.21) van Safeti uitgekomen. Het RIVM heeft onderzocht welke consequenties de invoering van een nieuwe versie heeft voor bedrijven en de omgeving. Het RIVM adviseert aan het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Safeti 8.21 zo snel mogelijk in te voeren. Safeti 8.21 geeft een meer accurate weergave van de werkelijke situatie dan Safeti 6.54. Op verzoek van het bevoegd gezag hebben er revisies plaatsgevonden op de QRA’s. De wens was om gebruik te maken van Safeti 8.21, omdat dit op korte termijn de beste beschikbare techniek wordt. In paragraaf 4.1.1 en 4.1.2 worden daarom de uitkomsten uit Safeti 8.21 uiteengezet. Op verzoek van het bevoegd zijn tevens de uitkomsten uit Safeti 6.54 bijgevoegd in bijlage XXII a en XXII b. Dit is gedaan om meer inzicht te geven in hoe de veiligheidscontouren zich verhouden ten opzichte van de veiligheidszone zoals deze in het bestemmingsplan is opgenomen.
De situatie waarin sprake is van afzonderlijke inrichtingen, het gewijzigde model en nieuwe (voortschrijdend) inzichten leveren rekentechnische verschillen op tussen de modelberekening uit 2013/2017 en 2019. In bijlage 10 van de QRA’s van DuPont en Chemours zijn deze wijzigingen uitgebreid beschreven (zie bijlage XXII a en XXII b). Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat er geen sprake is van feitelijke veranderingen binnen de inrichtingen; verschillen in berekende effecten en contouren worden dan ook (alleen) veroorzaakt door de modelwijzigingen. Splitsing inrichting De veiligheidszone uit het bestemmingsplan is berekend op basis van een selectie van scenario’s. Voor het rekenprogramma is bepaald dat met een minimum van vijf scenario’s moet worden gerekend. De veiligheidszone uit het bestemmingsplan is bepaald aan de hand van vijf scenario’s. Als een inrichting gesplitst wordt moeten minimaal vijf scenario’s per inrichting worden gekozen. Hierdoor kan de opgetelde contour toenemen, omdat deze dan wordt berekend met minimaal tien scenario’s in plaats met vijf scenario’s. Hiermee wijzigt dus niet het feitelijke risico, maar wel de berekende contour. Wijziging model 6.54 - 8.21 In de nieuwe handleidingen van Safeti voor het berekenen van veiligheidscontouren is vastgelegd dat voor overslagactiviteiten altijd een scenario moet worden bepaald.
Dat betekent bijvoorbeeld dat de overslag van methanol nu wel is meegenomen en in de berekeningen van 2013 niet. In versie 8.21 van Safeti is het zogenaamde Allong Wind Dispersion model geïntroduceerd waarmee de verspreiding van bijvoorbeeld een toxische wolk wordt berekend. Met dit model worden op grotere afstand van de bron overwegend lagere concentraties berekend dan voorheen, al zal op die locaties de blootstellingstijd toenemen. Dit leidt in totaal tot een lagere berekende sterfte dan in het verleden. De introductie van het Allong Wind Dispersion model is een reden dat de risicocontouren op korte afstand (10-5/jaar en 10-6/jaar) van Chemours iets groter zijn geworden en de plaatsgebonden risico contouren op grotere afstand (10-7/jaar en 10-8/jaar) van Chemours (aanzienlijk) kleiner zijn geworden ten opzichte van de gezamenlijke QRA van 2017 en de QRA voor het bestemmingsplan uit 2013 (toen sprake was van één inrichting). Ook hierbij geldt dus dat hiermee geen sprake is van een wijziging van het feitelijk risico, maar wel een wijziging van de berekende contour en meer accurate weergave van de werkelijkheid op basis van voortschrijdend inzicht. Voortschrijdend inzicht leidend tot aanpassing in het model Voor DuPont was in Safeti 6.54 een niet realistische wolk-omvang van formaldehyde gebruikt bij één van de scenario’s (bij instaan falen bij de Pyrolyzers I en II).
Er is hiervoor een realistischer voorstel gemaakt welke is goedgekeurd door het RIVM en vervolgens gemodelleerd is in Safeti 8.21.
17 | 41
Witteveen+Bos | 119007/21-003.477 | Definitief 02
Voor DuPont zijn er gegevens toegevoegd met betrekking tot de uitstroomhoogte van instantaan falende atmosferische vaten en vloeistofkolomhoogte van deze instantaan falende vaten. In bijlage 10.4 van de QRA van DuPont (zie bijlage XXII a) is het resultaat van deze wijziging op het PR afgebeeld. Met betrekking tot de stof HF bij Chemours waren een aantal zaken te conservatief ingeschat. De volgende aanpassingen zijn doorgevoerd: - de aanwezige spoorketelwagens zijn niet 100 % van de tijd 100 % volledig gevuld. Hier zijn aanpassingen in aangebracht; - de omvang van de opvangbak (bundgrootte) is voor verschillende scenario’s aangepast van 907 m3 naar 600 m2 en 300 m3. Dit mede naar aanleiding van de in het Protocol Spoor genoemde plasgroottes; - de hoogte uitstroming bij de lossing van HF is in overeenstemming gebracht met de werkelijkheid. Deze stond op 1 m maar is aangepast naar 4 m. Bovengenoemde wijzigingen hebben tot gevolg dat de plaatsgebonden risicocontouren op een aantal plaatsen zijn gewijzigd (zie afbeelding 4.1 voor een indicatieve weergave van de effecten van de modelwijzigingen). Zowel de 10−30/jaar en de 10−8/jaar contour zijn in Safeti 8.21 sterk afgenomen. De 10−6/jaar en de 10−5/jaar contouren zijn op sommige plekken kleiner en op sommige plekken groter geworden. In de volgende paragraaf (4.1.1) wordt verder ingegaan op de plaatsgebonden risicocontouren.
Naast effecten op de plaatsgebonden risicocontouren hebben de wijzigingen geleid tot een afname in het groepsrisico. Zowel het maximaal aantal slachtoffers als het aantal slachtoffers waar groepsrisico het dichtst bij de oriëntatiewaarde komt zijn afgenomen. Dit betekent dat met name de kans op ongevallen waarbij grote groepen slachtoffers vallen kleiner is geworden. Het groepsrisico is sterk afgenomen, hetgeen blijkt uit de kleiner geworden 10−30/jaar plaatsgebonden risicocontour. Vooral de kans op en effecten van grote incidenten zijn hierbij afgenomen. Het groepsrisico en de afname hiervan zijn verder toegelicht in paragraaf 4.1.2. Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat er geen sprake is van feitelijke veranderingen binnen de inrichtingen; verschil in berekende effecten en contouren worden dan ook (alleen) veroorzaakt door de modelwijzigingen.
18 | 41
Witteveen+Bos | 119007/21-003.477 | Definitief 02
Afbeelding 4.1 Indicatieve weergave van effecten van de modelwijzigingen tussen Safeti 6.54 en 8.21 voor de gezamenlijke risicocontouren
4.1.1
Toetsing plaatsgebonden risicocontouren
Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit. In Nederland geldt voor kwetsbare objecten zoals woningen en scholen dat het plaatsgebonden risico niet groter mag zijn dan 1 op een miljoen per jaar (10−6/jaar). Dit risico als gevolg van een activiteit is te vertalen naar een plaatsgebonden risicocontour. In het Bevi is bepaald dat binnen een risicocontour geen kwetsbare objecten mogen zijn gelegen. Volgens de Structuurvisie geldt voor Staart-Oost dat vestiging van nieuwe risico relevante bedrijven niet is toegestaan. In het bestemmingsplan is de plaatsgebonden risico vastgelegd in de veiligheidszone. In deze paragraaf worden eerst de resultaten van de nieuw berekende plaatsgebonden risicocontour van DuPont, Chemours en de gezamenlijke contour beschreven. Vervolgens worden deze contouren getoetst aan het Bevi. Hieruit blijkt dat zowel de plaatsgebonden risicocontour van DuPont, Chemours als de gezamenlijke contour voldoen aan het Bevi. Daarnaast zijn de plaatsgebonden risicocontouren vergeleken met de veiligheidszone, zoals deze in het bestemmingsplan is vastgelegd.
Hieruit blijkt dat alleen de plaatsgebonden risicocontour van DuPont binnen de veiligheidszone uit het bestemmingsplan blijft. De plaatsgebonden risicocontouren van Chemours en de gezamenlijke contour overschrijden op een aantal plekken de veiligheidszone uit het bestemmingsplan. Voor deze overschrijdingen is gekeken of het mogelijk is maatregelen te treffen. Gezien het grote aantal preventieve en repressieve maatregelen dat reeds is
19 | 41
Witteveen+Bos | 119007/21-003.477 | Definitief 02
genomen, is het niet mogelijk aanvullende maatregelen te treffen. Bij ‘kleine’ scenario’s, die wel nog aannemelijk kunnen zijn, is het effect al zeer klein. Om die reden wordt een verzoek gedaan om de veiligheidszone uit het bestemmingsplan te wijzigen. Plaatsgebonden risicocontour DuPont In afbeelding 4.2 zijn de plaatsgebonden risicocontouren zoals berekend in Safeti 8.21 te zien. De 10-6/jaar contour is door middel van de rode lijn weergegeven en de 10-8/jaar contour door middel van de groene lijn. De gestippelde rode lijn betreft de plaatsgebonden 10-6/jaar veiligheidszone uit het bestemmingsplan.
Afbeelding 4.2 Berekende plaatsgebonden risicocontouren voor DuPont Safeti 8.21
Maatgevende scenario’s DuPont In de QRA van DuPont is inzichtelijk gemaakt welke scenario’s het meeste bijdragen aan het totale risico op vier punten rondom het fabrieksterrein (Risk ranking points). In de QRA zijn uitgebreide tabellen opgenomen (zie bijlage XXII a). Samengevat gaat het om de volgende scenario’s, waarbij wordt opgemerkt dat hier alleen zogenaamde toxische scenario’s zijn weergegeven waarbij het vrijkomen van formaldehyde leidt tot een wolk die zich in de omgeving verspreidt.
Tabel 4.1 Overzicht scenario’s die het meest bijdragen aan totale risico per Risk ranking point DuPont Risk ranking point
Scenario
oost
instantaan falen - extractie kolom
47,48
instantaan falen- Formaldehyde opslagtank
36,19
10 min constante uitstroom - Formaldehyde opslagtank
7,35
partial condensors pool
70,46
zuid
20 | 41
Witteveen+Bos | 119007/21-003.477 | Definitief 02
Relatieve bijdrage (%)
Risk ranking point
west
noord
Scenario
Relatieve bijdrage (%)
pyrolyzer instantaan pool
9,38
instantaan falen - extractie kolom
8,81
pyrolyzer I 10 min fixed duration release
47,96
pyrolyzer II 10 min fixed duration release
47,96
10 min constante uitstroom - Formaldehyde opslagtank
4,08
partial condensors pool
64,79
instantaan falen- Formaldehyde opslagtank
10,75
instantaan falen - extractie kolom
8,01
Plaatsgebonden risicocontour Chemours In afbeelding 4.3 zijn de plaatsgebonden risicocontouren zoals berekend in Safeti 8.21 te zien. De 10-6/jaar contour is door middel van de rode lijn weergegeven en de 10-8/jaar contour door middel van de groene lijn. De gestippelde rode lijn is de veiligheidszone in het bestemmingsplan.
Afbeelding 4.3 Berekende plaatsgebonden risicocontouren voor Chemours Safeti 8.21
Maatgevende scenario’s In de QRA van Chemours is inzichtelijk gemaakt welke scenario’s het meeste bijdragen aan het totale risico op zeven punten rondom het fabrieksterrein (Risk ranking points). In de QRA zijn uitgebreide tabellen opgenomen. De volgende tabel geeft de relatieve bijdrage weer van de voornaamste drie scenario’s. Deze resultaten zijn afkomstig uit bijlage 10.11 van de QRA van Chemours (zie bijlage XXII b). Dit betreffen alle zogenaamde toxische scenario’s waarbij het vrijkomen van een stof (afhankelijk van het scenario HFP, HF en PFIB) leidt tot een toxische wolk die zich verspreidt in de omgeving.
21 | 41
Witteveen+Bos | 119007/21-003.477 | Definitief 02
Tabel 4.2 Overzicht scenario’s die het meest bijdragen aan totale risico per Risk ranking point Chemours Risk ranking point
Scenario
Noord-1 (op Beneden Merwede))
Chemours FM15/18/19/21/35/38 en FE03\FM18 1421-020 Kolom FC+PFIB (HFP)\leiding 5207 bodemleiding\020.21. leiding 5207 0,1D\020.21. leiding 5207 0,1D leak
27,13
Chemours FM15/18/19/21/35/38 en FE03\FM18 1421-020 Kolom FC+PFIB (HFP)\Reboiler Calandria - F22 column\020.09. reboiler 10mm\020.09. reboiler 10mm leak
26,31
Chemours FM15/18/19/21/35/38 en FE03\FM18 1421-020 Kolom FC+PFIB (HFP)\Kolom - F22 column\020.3. kolom 10mm gat rectificerend\020.3. kolom 10mm gat rectificerend leak
13,15
Chemours FM15/18/19/21/35/38 en FE03\FM18 1421-020 Kolom FC+PFIB (HFP)\leiding 5207 bodemleiding\020.21. leiding 5207 0,1D\020.21. leiding 5207 0,1D leak
23,37
Chemours FM15/18/19/21/35/38 en FE03\FM18 1421-020 Kolom FC+PFIB (HFP)\Reboiler Calandria - F22 column\020.09. reboiler 10mm\020.09. reboiler 10mm leak
19,38
FM01 Verlading (HF met waterscherm)\FM01 Overslag wagons HF Scenarios zonder waterscherm (onveranderd: rest van de scenario's) (READY)\O.09 breuk leiding beveiliging\O.09 breuk leiding beveiliging line rupture
12,75
Chemours FM15/18/19/21/35/38 en FE03\FM18 1421-020 Kolom FC+PFIB (HFP)\leiding 5207 bodemleiding\020.21. leiding 5207 0,1D\020.21. leiding 5207 0,1D leak
93,59
Chemours FM15/18/19/21/35/38 en FE03\FM18 1421-020 Kolom FC+PFIB (HFP)\Kolom - F22 column\020.2. kolom 10 min\020.2. kolom 10 min fixed duration release
3,09
Chemours FM15/18/19/21/35/38 en FE03\FM18 1421-020 Kolom FC+PFIB (HFP)\Reboiler Calandria - F22 column\020.08. reboiler 10 min\020.08. reboiler 10 min fixed duration release
1,88
Chemours FM15/18/19/21/35/38 en FE03\FM18 1421-020 Kolom FC+PFIB (HFP)\leiding 5207 bodemleiding\020.21. leiding 5207 0,1D\020.21. leiding 5207 0,1D leak
92,62
Chemours FM15/18/19/21/35/38 en FE03\FM18 1421-020 Kolom FC+PFIB (HFP)\Kolom - F22 column\020.2. kolom 10 min\020.2. kolom 10 min fixed duration release
2,85
Chemours FM15/18/19/21/35/38 en FE03\FM18 1421-020 Kolom FC+PFIB (HFP)\Reboiler Calandria - F22 column\020.08. reboiler 10 min\020.08. reboiler 10 min fixed duration release
1,67
Chemours FM15/18/19/21/35/38 en FE03\FM18 1421-020 Kolom FC+PFIB (HFP)\leiding 5207 bodemleiding\020.21. leiding 5207 0,1D\020.21. leiding 5207 0,1D leak
42,2
Chemours FM15/18/19/21/35/38 en FE03\FM18 1421-020 Kolom FC+PFIB (HFP)\Reboiler Calandria - F22 column\020.09. reboiler 10mm\020.09. reboiler 10mm leak
17,63
Chemours FM15/18/19/21/35/38 en FE03\FM18 1421-020 Kolom FC+PFIB (HFP)\Kolom - F22 column\020.3. kolom 10mm gat rectificerend\020.3. kolom 10mm gat rectificerend leak
8,82
Zuid-1 (op locatie Evides)
Noord-2 (in Papendrecht)
Zuid-2 (op het Wantij)
Merwehal
22 | 41
Witteveen+Bos | 119007/21-003.477 | Definitief 02
Relatieve bijdrage (%)
Risk ranking point
Scenario
Oost-1
Chemours FM15/18/19/21/35/38 en FE03\FM35 LCC (GF2/GF3)\Overslag spoor GF3\Model Group\groot gat\groot gat leak
56,87
Chemours FM15/18/19/21/35/38 en FE03\FM18 1421-020 Kolom FC+PFIB (HFP)\leiding 5207 bodemleiding\020.21. leiding 5207 0,1D\020.21. leiding 5207 0,1D leak
7,66
Chemours FM15/18/19/21/35/38 en FE03\FM18 1421-020 Kolom FC+PFIB (HFP)\Reboiler Calandria - F22 column\020.09. reboiler 10mm\020.09. reboiler 10mm leak
3,42
Chemours FM15/18/19/21/35/38 en FE03\FM18 1421-020 Kolom FC+PFIB (HFP)\leiding 5207 bodemleiding\020.21. leiding 5207 0,1D\020.21. leiding 5207 0,1D leak
27,98
Chemours FM15/18/19/21/35/38 en FE03\FM18 1421-020 Kolom FC+PFIB (HFP)\Reboiler Calandria - F22 column\020.09. reboiler 10mm\020.09. reboiler 10mm leak
27,12
Chemours FM15/18/19/21/35/38 en FE03\FM18 1421-020 Kolom FC+PFIB (HFP)\Kolom - F22 column\020.3. kolom 10mm gat rectificerend\020.3. kolom 10mm gat rectificerend leak
13,56
West-1
Relatieve bijdrage (%)
Plaatsgebonden risicocontour DuPont en Chemours gezamenlijk Naast de afzonderlijke contouren is ook de gezamenlijke plaatsgebonden risicocontour gerapporteerd. De resulterende contour is voldoende representatief, dit wordt toegelicht in de memo die als bijlage XXII c is toegevoegd. In afbeelding 4.4 is de gezamenlijke 10-6/jaar contour door middel van de (gestippelde) rode lijn weergegeven en de gezamenlijke 10-8/jaar contour door middel van de (gestippelde) groene lijn. Uit de afbeelding blijkt dat de gezamenlijke contour vrijwel overeenkomt met de contour van Chemours. De bijdrage van DuPont aan de gezamenlijke contour is zeer beperkt. Alleen centraal op de locatie in de directe nabijheid van de insluitsystemen van DuPont blijkt DuPont de gezamenlijke contouren van Chemours en DuPont te kunnen beïnvloeden.
23 | 41
Witteveen+Bos | 119007/21-003.477 | Definitief 02
Afbeelding 4.4 Berekende plaatsgebonden risicocontouren voor Chemours en voor DuPont en Chemours gezamenlijk Safeti 8.21
Toetsing Bevi Het plaatsgebonden risico bepaalt de kans dat iemand op een bepaalde plek buiten het bedrijfsterrein overlijdt door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor de toetsing aan het Bevi wordt daarom alleen gekeken naar de locaties waar de 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour buiten de inrichtingsgrens is gelegen. Volgens het Bevi is de plaatsgebonden risicocontour een grenswaarde voor kwetsbare objecten. Als de plaatsgebonden risicocontour over beperkt kwetsbare objecten is gelegen, geldt deze als richtwaarde en niet als grenswaarde (art. 5, lid 2 Bevi). De 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour van DuPont is volledig gelegen binnen de inrichtingsgrens (van Chemours) (zie afbeelding 4.2) en ook niet over de gebouwen en activiteiten van Dow gelegen. Om die reden voldoet de plaatsgebonden risicocontour van DuPont aan het Bevi. De 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour van Chemours overschrijdt in het oosten, noorden en noordwesten de inrichtingsgrens. In het oosten valt de overschrijding over de rioolwaterzuivering. De overschrijding in het noorden ligt boven water (Beneden Merwede). In het noordwesten valt de overschrijding over enkele bedrijven op het industrieterrein.
De overschrijdingen van de inrichtingsgrens door de nieuwe 10-6/jaar contour in het oosten, het noorden en het noordwesten zijn gelegen ter plekke van beperkt kwetsbare objecten, zoals gedefinieerd in artikel 1 van het Bevi. Om die reden kan geconcludeerd worden dat de plaatsgebonden risicocontour van Chemours voldoet aan het Bevi. De contour van Chemours komt bijna volledig overeenkomt met de gezamenlijke contour. Om die reden wordt de gezamenlijke contour hier niet apart getoetst aan het Bevi. Aan de hand van deze onderbouwing kan geconcludeerd worden dat de plaatsgebonden risicocontouren voldoen aan het Bevi en daarom niet in strijd zijn met de goede ruimtelijke ordening.
24 | 41
Witteveen+Bos | 119007/21-003.477 | Definitief 02
Toetsing bestemmingsplancontour Voor de toetsing aan het bestemmingsplan is de 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour van DuPont, Chemours en gezamenlijk (respectievelijk uit afbeelding 4.2, 4.3 en 4.4) vergeleken met de veiligheidszone uit het bestemmingsplan . De plaatsgebonden risicocontour van DuPont is volledig gelegen binnen de veiligheidszone uit het bestemmingsplan. Wanneer we de gezamenlijke 10-6/jaar contour van Chemours vergelijken met de veiligheidszone uit het bestemmingsplan dan is deze op enkele plekken kleiner en op enkele plekken groter. In het zuiden en zuidwesten is de 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour van Chemours kleiner geworden dan de veiligheidszone uit het bestemmingsplan. De overschrijdingen van de veiligheidszone uit het bestemmingsplan door de nieuwe 10-6/jaar contour van Chemours zijn gelegen in het oosten, het noordwesten en het noorden. Zoals beschreven in paragraaf 4.1 hebben de splitsen van de inrichting, het gewijzigde model en nieuwe (voortschrijdende) inzichten tot gevolg gehad dat de PR-contour op een aantal plaatsen licht is gewijzigd. Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat er geen sprake is van feitelijke veranderingen op het fabrieksterrein en daarmee dus geen sprake is van feitelijke wijzigingen van de risico’s, maar alleen een wijziging van de berekende contour.
Overschrijding noordwesten en noorden De overschrijding in het noordwesten en het noorden wordt veroorzaakt door voortschrijdend inzicht en modelwijzingen en is dus niet het gevolg van het toevoegen van scenario’s. De voornaamste scenario voor het noorden en het noordwesten gaan over het instantaan falen van HF wagons en een lek in een bodemleiding. Maatregelen voor deze scenario’s zijn beschreven in tabel 4.4 en in het HF-rapport1. Overschrijding oosten De overschrijding in het oosten is het gevolg van onder andere het toevoegen van een extra scenario in de berekeningen, namelijk de overstand van de spoorketelwagons met gevaarlijke stoffen op het spoor. De toevoeging van het scenario van de overstand van de spoorketelwagons heeft dusdanig effect dat de contour in het oosten (richting de rioolwaterzuivering) licht is gewijzigd en ook de veiligheidszone uit het bestemmingsplan overschrijdt. Om die reden is in overleg met Chemours (en DuPont) bekeken welke preventieve en repressieve maatregelen genomen zijn en of eventuele aanvullende maatregelen genomen kunnen worden om het plaatsgebonden risico in het oosten te verminderen. De overschrijding van de veiligheidszone uit het bestemmingsplan in het oosten is te verklaren door het opstellen (overstand) van de wagons op het spoor in het oosten.
De lay-out van het spoor en de wissels zorgt er namelijk voor dat de wagons voor methanol, HF en chloroform op dit gedeelte van het spoor de inrichting binnen worden gebracht door de externe vervoerder (DB Cargo) en tijdelijk op dit gedeelte van het spoor moeten worden opgesteld, om vervolgens gerangeerd te worden naar de opstelplaatsen voor deze stoffen elders op het terrein (zie afbeelding 4.6 en bijlage XXII f).
1
Het HF-rapport bevat een studie naar mogelijke maatregelen om het risico op het vrijkomen van HF te verminderen. In het HF-rapport wordt geconcludeerd dat eventuele aanvullende maatregelen geen effect hebben in het verlagen van het risico en daarnaast feitelijk nauwelijks zijn te realiseren.
25 | 41
Witteveen+Bos | 119007/21-003.477 | Definitief 02
Afbeelding 4.5 Lay-out van het spoor. Rode ovaal is de oostelijke overstandlocatie
Binnen de inrichtingen zijn de volgende preventieve maatregelen aanwezig om ongevallen te voorkomen: - er mag maar 1 locomotief tegelijk rijden; - bediening van de loc geschiedt uitsluitend met vrij zicht. Dat wil zeggen: · machinist staat in de cabine van de loc (trein wordt getrokken); · machinist staat op de voorste wagon met gebruik van afstand bedienbare loc (trein wordt geduwd); · machinist loopt schuin voor de trein met gebruik van afstand bedienbare loc (trein wordt geduwd of getrokken); - machinist heeft portofooncontact met een persoon die op de voorste wagon staat of schuin voor de trein loopt (trein wordt geduwd); - er wordt alleen met lage snelheid gereden en gerangeerd. Een lage snelheid betekent maximaal 10 km/uur, aangezien de rangeertrein niet sneller kan en de externe vervoerder (DB Cargo) een loopsnelheid hanteert; - conform EU-richtlijn 2006/861/EG betreffende rollend spoormaterieel zijn alle ketelwagons (dus ook voor vervoer van bijvoorbeeld methanol) bestand tegen (frontale) aanrijdingen; - de ketelwagons voor toxische stoffen (HF, Chloroform, 5 % HF) zijn (nog) sterker dan de methanolwagons en bestand tegen grotere impact. Deze zijn tegen een ontsporing bestand en zullen dan niet lek raken. Dit is conform het Rekenprotocol Spoor van het RIVM.
Naast deze preventieve maatregel zijn als repressieve maatregel meerdere watervoorzieningen aanwezig op dit oostelijke deel van het spoor, zodat in geval van een incident de brandweer middels een waterscherm het effect van het incident kan verminderen. Als aanvulling op de preventieve en repressieve maatregelen worden hieronder ‘kleine’ scenario’s beschreven. Ondanks dat deze ‘kleine’ scenario’s minder effect hebben dan grootschalige scenario’s, zijn deze wel meer aannemelijk dat de grote scenario’s, Om die reden worden deze ‘kleine’ scenario’s kort beschreven.
26 | 41
Witteveen+Bos | 119007/21-003.477 | Definitief 02
De volgende ‘kleine’ spoorscenario’s kunnen worden onderscheiden: 1 het constateren van een kleine (druppel) lekkage van een methanolwagon bij binnenkomst: de betreffende wagon zal ‘geïsoleerd’ worden (uit de treinsamenstelling worden gehaald) en zo spoedig mogelijk naar de losplaats worden gereden. Daar zal de wagon worden leeggehaald. Een dergelijk scenario heeft overigens geen invloed op de externe veiligheid (geen effecten buiten de inrichting grens); 2 een uit de rails lopen/ontsporing van een methanolwagon ter hoogte van een wissel: een verkeerd staande wissel zal door het vrije zicht van de machinist of de persoon die voorop loopt/staat worden opgemerkt. Uit de rails lopen is niet realistisch. Mocht het onverhoopt toch plaatsvinden dan zal door de lage snelheid waarmee wordt gereden de wagon niet kantelen. Een uit de rails lopen van een wagon zal niet leiden tot een lekkage. Gezien het grote aantal preventieve en repressieve maatregelen dat reeds is genomen, is het niet mogelijk aanvullende maatregelen te treffen. Bij ‘kleine’ scenario’s, die wel nog aannemelijk kunnen zijn, is het effect al zeer klein. De contour van Chemours komt bijna volledig overeen met de gezamenlijke contour. Om die reden wordt de gezamenlijke contour hier niet apart getoetst aan het bestemmingsplan.