1.1 Concept Vervolgnotitie Herijking Minimabeleiddocx.pdf
Tekst van het document
Concept Vervolgnotitie Herijking Minimabeleid
2 juni 2022
Inhoudsopgave 1. Inleiding ...................................................................................................... 3 2.
Versterken randvoorwaarden succesvol minimabeleid ........................................ 8
3.
Adviesscenario .......................................................................................... 10
Persoonlijk minimabudget (PMB) ....................................................................... 10 Bijzondere bijstand (BB) ................................................................................... 12 Collectieve zorgverzekering minima (CZM) ......................................................... 15 SMS-Kinderfonds ........................................................................................... 16 SUN Drechtsteden.......................................................................................... 17 Tegemoetkoming Eigen Bijdrage Kinderopvang .................................................... 18 4. Plusscenario ................................................................................................ 20 5. Minscenario................................................................................................. 23 6. Overzicht adviezen ....................................................................................... 25 7. Financiële paragraaf ...................................................................................... 27 8. Bijlagen ...................................................................................................... 28 Bijlage 1: Wettelijk sociaal minimum (WSM) en Wettelijk minimumloon (WML) ....... 28 Bijlage 2: Rekenvoorbeeld draagkrachtpercentage bijzondere bijstand .................... 29
2 Samen werken aan zelfstandigheid
1. Inleiding De Vervolgnotitie herijking minimabeleid bouwt voort op de Startnotitie herijking minimabeleid die ten grondslag heeft gelegen aan de beeldvorming over dit thema in de gemeenteraden in het tweede kwartaal 2022. De Startnotitie wordt om die reden in het onderstaande als bekend beschouwd. In tegenstelling tot de Startnotitie, die neutraal is geformuleerd, wordt in de Vervolgnotitie – op basis van inhoudelijke overwegingen – door de SDD gemotiveerd advies uitgebracht over de richting van de herijking van de verschillende programmaonderdelen binnen het Drechtstedelijke minimabeleid. Dit advies is de uitkomst van een proces van ambtelijke co-creatie tussen de gemeenten en de SDD en is gebaseerd op de rode draden die in dat proces aan het licht zijn gekomen. Daarnaast wordt inzicht geboden in alternatieven die in de ambtelijke voorverkenning naar voren zijn gebracht. Van zowel de door de SDD geadviseerde doorontwikkeling als de ingebrachte alternatieven worden de pro en contra's alsmede de financiële consequenties op gemeenteniveau in beeld gebracht. Deze zijn samengevoegd in verschillende scenario's. De Vervolgnotitie dient als input voor oordeelsvormende sessies in de gemeenteraden na het zomerreces. Dit vooruitlopend op definitieve besluitvorming in de bevoegde gremia in het najaar 2022. Belangrijke overwegingen voorafgaand aan de herijking 1.
Het huidige minimabeleid is het product van een langjarige doorontwikkeling op basis van wetswijzigingen, tussentijdse evaluaties, veranderingen in de maatschappelijke en financiële context en signalen vanuit de uitvoering. Dit maakt het geen statisch geheel, maar in feite de uitkomst van een voortdurend dynamisch proces dat is afgestemd op actuele ontwikkelingen en uitvoeringsvraagstukken. Niet voor niets is de feitelijke invulling van het minimabeleid daarom, binnen de door de gemeenteraad gestelde kaders, vooral een door de wetgever op collegeniveau belegde verantwoordelijkheid. 2. De verschillende minimaregelingen ondersteunen weliswaar op verschillende wijze diverse doelgroepen, maar vormen wel een samenhangend geheel. Bijvoorbeeld doordat de inkomensgrenzen voor de minimaregelingen van elkaar verschillen, wat een dempend effect heeft op de (mede vanwege landelijke regelingen onvermijdelijke) armoedeval die optreedt wanneer het huishoudinkomen stijgt.1 Of doordat ze in hun samenhang specifieke doelgroepen extra ondersteunen. Volgens de laatste Minima-effectrapportage (MER) onder stabiele omstandigheden (waarover later meer) hebben de Drechtsteden daarin een goede balans gevonden met slechts enkele verbeterpunten. 3. Het vormgeven van minimabeleid is altijd een zoektocht naar de balans tussen effectiviteit en efficiency.
Om een voorbeeld te noemen en geredeneerd vanuit de logica van de Participatiewet (waar het minimabeleid in belangrijke mate op gebaseerd is) zou een te ruimhartig minimabeleid remmend kunnen werken op de uitstroom doelstelling binnen diezelfde wet. 4. Minimabeleid komt primair ten gunste van de huishoudens met de laagste inkomens, waarbij het – binnen het gehele complex van inkomensvoorzieningen – een lastige overweging is om te definiëren waar de lage inkomensgrens moet worden gelegd. In het geval van de verdeling van schaarse middelen wordt geadviseerd minimaal toereikend budget beschikbaar te stellen om te voorkomen dat huishoudens met de laagste inkomens door de financiële ondergrens zakken en niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan kunnen voorzien. Dit overigens wel met de kanttekening dat de primaire verantwoordelijkheid hiervoor bij de rijksoverheid moet liggen, om dit middels de instrumenten die het kabinet ter beschikking staan (hoogte minimumloon en bijstand, belastingmaatregelen, toeslagen, etc.) te repareren. Dilemma: herijken in onzekere tijden Zoals in de Startnotitie is geschetst leven we in economisch hoogst onzekere tijden, waarbij de koopkrachtontwikkelingen en de toekomstscenario's elkaar snel opvolgen.
Inmiddels zijn – op het moment van schrijven van deze Vervolgnotitie – de economische verwachtingen in negatieve zin bijgesteld ten opzichte van de Startnotitie en is de koopkracht verder aangetast. Tevens zien we dat 1
Van een armoedeval is sprake wanneer het huishoudinkomen stijgt, maar er maandelijks netto minder overblijft. Dit kan bijvoorbeeld komen doordat men te maken krijgt met een hoger belastingtarief, lagere toeslagen of doordat men niet meer in aanmerking komt voor een bepaalde minimaregeling omdat het inkomen hoger ligt dan de inkomensgrens die toegang geeft tot de regeling.
3 Samen werken aan zelfstandigheid
het kabinet is teruggekomen op zijn aanvankelijke terughoudendheid om snel in te grijpen naar aanleiding van de economische ontwikkelingen. Ook zien we dat de kabinetsmaatregelen – voor Haagse begrippen – razendsnel worden bijgesteld, zoals ten aanzien van de eenmalige energietoeslag (van niets naar €200 naar €800 voor de doelgroep tot 120% wettelijk sociaal minimum). Het beeld zal ongetwijfeld – gezien de volatiliteit van de huidige situatie – op het moment dat deze Vervolgnotitie ten behoeve van de oordeelsvorming in de gemeenteraden voorligt weer anders zijn. Hopelijk geldt ook voor de constatering dat het kabinet vooralsnog geen volledige compensatie biedt. Dit ook niet voor de huishoudens met de laagste inkomens, die in verhouding de grootste klappen opvangen. Wie van hen een flexibel energiecontract met wisselende tarieven heeft, zal de energietoeslag snel in rook zien opgaan. Aangezien het kabinet met de wetswijziging van de Participatiewet die de eenmalige energietoeslag mogelijk heeft gemaakt (in de vorm van categoriale bijzondere bijstand) ook de deur heeft opengezet voor aanvullende mogelijkheden binnen de individuele bijzondere bijstand, mag – zonder verder kabinetsingrijpen – op die grond in 2022 een aanzienlijke groei van de uitgaven op de bijzondere bijstand worden verwacht.
Dit alles brengt wel een belangrijk dilemma met zich mee: hoe te herijken met het oog op de toekomst? Met welk scenario moeten we rekening houden? In welke economische realiteit leven we dan? En biedt het kabinet voor de huishoudens met de laagste inkomens een afdoende oplossing om in de noodzakelijke kosten van het bestaan (waaronder mogelijkheden voor maatschappelijke participatie) te voorzien? Oftewel: ten bate van welk doel en op basis van welke gronden dient het minimabeleid te worden herijkt? Op het moment van schrijven van deze vervolgnotitie is de verwachting dat de inflatie in 2023 nog hoog zal blijven, wat slecht nieuws is voor de koopkrachtontwikkeling, met name voor de koopkracht van de huishoudens met de laagste inkomens. Ook de lagere middeninkomens komen daarmee onder druk te staan. Daarnaast hangt de dreiging van een nieuwe recessie als gevolg van verdere escalatie van de oorlog in Oekraïne, maar ook vanwege het opnieuw stilvallen van de productie en transportketens als gevolg van grootschalige lockdowns in China door omikron, nog in de lucht. De economische vooruitzichten voor 2023 zijn daarmee vooralsnog niet positief. De cruciale vraag voor de herijking van het minimabeleid is hoe het kabinet hierop gaat reageren.
Dat voor het bieden van een passende oplossing voor de lagere middeninkomens door het kabinet in eerste instantie wordt gekeken naar de werkgevers blijkt uit de oproep om de lonen te verhogen. Voor gemeenten is het cruciaal om te weten of het kabinet landelijke maatregelen gaat doorvoeren om de laagste inkomens te compenseren of dat de bal bij de gemeenten komt te liggen. En of het daartoe voldoende middelen ter beschikking stelt. Mocht, gedurende 2022, blijken dat dit niet het geval is, dan resteert voor het minimabeleid nog slechts een absoluut noodscenario, waarbij de schaarse middelen vooral voor directe noodhulp zullen moeten worden ingezet. In hoeverre dit risico zich reeds in 2022 voordoet, met een mogelijk groot beroep op de individuele bijzondere bijstand voor huishoudens voor wie de energietoeslag ontoereikend blijkt tot gevolg, is op dit moment nog niet in te schatten. Daarnaast vraagt de individuele bijzondere bijstand om de indexatie van richtprijzen om prijsstijgingen als gevolg van de actuele inflatie bij te houden. 1.
Bij de uitwerking van het adviesscenario gaan we ervan uit dat de belangrijkste koopkrachtreparatie in 2023 (en de jaren daarna) voor de huishoudens met de laagste inkomens wordt gevonden in landelijke maatregelen (zoals bijvoorbeeld verhoging minimumloon en daarmee bijstand, verlaging belastingtarief 1e schijf, aanpassing accijnzen) en dat het kabinet aan gemeenten voldoende middelen ter beschikking stelt voor aanvullende compensatie op basis van het minimabeleid. Kloppen deze aannames niet, dan krijgt het minimabeleid meer het karakter van een noodvoorziening en zullen op dat moment fundamenteel andere keuzes moeten worden gemaakt om de meest primaire kosten van het bestaan voor de minimadoelgroep te kunnen dekken.
4 Samen werken aan zelfstandigheid
2. Ons herijkingsadvies is gebaseerd op inhoudelijke overwegingen en is gericht op de optimalisatie van het beleid en de uitvoering van de aan de SDD gedelegeerde taken. Dit vanuit het centrale doel van de Opgave bestaanszekerheid versterken zoals dat in 2019 door de Drechtraad is vastgesteld met de Regionale visie sociaal domein Drechtsteden: 'We bieden perspectief, rust en ruimte. Vanuit onze rol zetten we maximaal in op het voorkomen en doorbreken van inkomensonzekerheid, armoede en schulden.' 3. We geven de optimalisering van het staande minimabeleid, naast de onder 1 geschetste koopkrachtcompensatie, vorm aan de hand van: a. de MER 2021 en 2022; b. signalen vanuit de uitvoering. Duiding en weging van de verschillende minimaregelingen De verschillende programmaonderdelen binnen het minimabeleid, zoals beschreven in de Startnotitie, dienen verschillende doelen. Voor een deel volgen die uit de Participatiewet: het persoonlijk minimabudget (= PMB = individuele inkomenstoeslag), de individuele bijzondere bijstand (BB) en – als laatste residu van de vroegere categoriale bijzondere bijstand onder de Bijstandswet – de collectieve zorgverzekering voor minima (CZM = gemeentepolis).
Ook de individuele studietoeslag is gebaseerd op de Participatiewet, zij het dat deze bij de meest recente wetswijziging per 1 april 2022 feitelijk niet meer onder het minimabeleid, maar onder de inkomensvoorzieningen (zoals algemene bijstand en aanpalende regelingen) moet worden geschaard. De individuele studietoeslag zal daarom via een andere routing dan het minimabeleid in besluitvorming worden gebracht. De beide andere onderdelen binnen het minimabeleid – het SMS-Kinderfonds en de subsidiëring van de Stichting Urgente Noden (SUN) – zijn buitenwettelijk. Het PMB draagt bij aan het versterken van de financiële positie van (eventueel specifieke groepen) huishoudens die langduriger op een inkomen op minimaniveau (dreigen te) zijn aangewezen. De BB draagt bij aan het verlichten van specifieke, uit bijzondere omstandigheden voortkomende, kosten van het bestaan waarmee zij onverwacht geconfronteerd kunnen worden. De CZM biedt de mogelijkheid een betaalbare, deels gesubsidieerde zorgverzekering af te sluiten met – in alle polis varianten – een ruimere dekking dan een basisverzekering. De meest uitgebreide polisvariant is in hoge mate doelgroep specifiek en gericht op inwoners met jaarlijks voorzienbaar hoge zorgkosten, doordat daarin het eigen risico is meeverzekerd.
De CZM helpt enerzijds de kosten van het bestaan te drukken, en anderzijds – door de drempel tot goede zorg te verlagen – onnodig gezondheidsverlies te voorkomen. Het SMS-Kinderfonds biedt een gerichte bijdrage aan het bevorderen van kansengelijkheid voor kinderen en het voorkomen van maatschappelijke uitsluiting. De werkzaamheden van de landelijk opererende Stichting Urgente Noden bieden een laatste vangnet, wanneer inwoners met acute financiële problematiek buiten alle beschikbare regelingen vallen. De Tegemoetkoming Eigen Bijdrage Kinderopvang vergoedt de eigen bijdrage van de kinderopvangtoeslag waardoor een mogelijke belemmering om te gaan werken wordt weggenomen. Samengevat: het samenhangende palet van minimavoorzieningen biedt mogelijkheden voor zowel koopkrachtondersteuning (m.n. PMB en de CZM), de ondersteuning van specifieke doelgroepen (PMB, BB, CZM, SMS-Kinderfonds en tegemoetkoming eigen bijdrage kinderopvang) als hulp bij specifieke, individuele, financiële vraagstukken (BB en SUN). In de onderstaande tabel is dit weergegeven: Doel/Instrument
PMB
BB
Inkomensondersteuning
++
+
Sociale/maatschappelijke participatie bevorderen
CZM
SMS KF
SUN
Teg. EB KO
+
++
++
(Mogelijk) lokaal beleid
o Kwijtschelding gemeentelijke heffingen o Subsidie voedselbank o Gratis bellen o Sport/cultuurfonds o Gratis OV
5 Samen werken aan zelfstandigheid
Ondersteuning voor specifieke doelgroepen Kinderen + + +
++
+
o Kind pakket of kind regeling
Werkende armen + + + + ++ (Chronisch) zieken + + ++ + Ouderen met alleen + ++ + o Gratis OV 65+ AOW +/++ = instrument leent zich in meer (++) of mindere (+) mate voor tegemoetkoming aan specifieke doelgroep
Uitwerkingsrichtingen op basis van de MER 2021/2022 en signalen vanuit de uitvoering Zoals ook in de Startnotitie benoemd laat de door het Nibud uitgevoerde MER 2021 een overwegend gunstig beeld zien. Hoewel alle huishoudens kwetsbaar blijven voor onverwachte tegenvallers en eigenlijk niet kunnen sparen, is – voor vrijwel alle onderzochte huishoudtypen – (net) voldoende beschikbaar om te kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan én maatschappelijke participatie. Dat geldt echter niet voor het paar met oudere kinderen, voor de participatie van de ouders schiet het budget te kort. Overigens worden alle minima-effectrapportages door het Nibud uitgevoerd onder de aannames dat huishoudens gebruik maken van alle landelijke, regionale en lokale vormen van inkomensondersteuning en dat zij goed in staat zijn hun financiën te beheren. Om een beeld te krijgen van de actuele stand van zaken ten aanzien van het staande beleid hebben we het Nibud in maart 2022 gevraagd voor de onderzochte huishoudtypen opnieuw een scan te doen op basis van geactualiseerde koopkrachtplaatjes met en zonder de Drechtstedelijke energietoeslag: 1. Zonder energietoeslag (die vooralsnog alleen in 2022 eenmalig wordt verstrekt) worden veel meer huishoudtypen geconfronteerd met een negatief saldo na de noodzakelijke maandelijkse uitgaven voor het basispakket en participatie.
Dit geldt voor alleenstaanden op bijstandsniveau (=100% WSM)2, voor alleenstaanden met twee oudere kinderen op bijstandsniveau, voor paren zonder kinderen op bijstandsniveau, voor het paar met twee jonge kinderen op bijstandsniveau, voor het paar met thuiswonend werkend kind tot 120% WSM en voor de paren met twee oudere kinderen tot 150% WSM. Daarnaast valt te constateren dat voor bijna alle huishoudtypen geldt dat de inkomenscategorieën tot 120% WSM nauwelijks geld overhouden om opzij te zetten voor onverwachte uitgaven. Positieve uitzondering op dat alles zijn eenoudergezinnen met jonge of oudere kinderen, doordat hun kinderbijslag hoger is (alleenstaande ouderkop) en hun uitgaven in verhouding lager dan bij een gezin met twee volwassenen. 2. Inclusief energietoeslag verandert het beeld enigszins, in dat geval komen het paar zonder kinderen op bijstandsniveau, het paar met twee jongere kinderen op bijstandsniveau, het paar met twee oudere kinderen tot 150% WSM, en het paar met een thuiswonend werkend kind tot 110% WSM nog tekort op de maandelijkse uitgaven.
De financiële kwetsbaarheid van de verschillende huishoudtypen is iets afgenomen en geldt voor de meeste huishoudtypen vooral nog op bijstandsniveau, behalve voor de paren met oudere kinderen waar het saldo over de gehele inkomensrange onder druk blijft staan en nauwelijks ruimte biedt om te sparen voor onverwachte uitgaven. Om redenen die eerder zijn aangegeven blijft het erg lastig om ook deze uitkomsten met het oog op de toekomstige inrichting van het minimabeleid goed te duiden. In de eerste plaats omdat het Nibud in zijn berekeningen is uitgegaan van het prijspeil van januari 2022. Sindsdien is de inflatie alweer sterk gestegen. Het Nibud geeft aan dat daardoor de bestedingsruimte zoals gepresenteerd in de onderzoeksresultaten mogelijk te positief wordt ingeschat. Vooral huishoudens met een beperkte positieve bestedingsruimte (na de noodzakelijke maandelijkse uitgaven voor het basispakket en participatie) kunnen daardoor alsnog in de problemen komen. De tweede disclaimer betreft de energietoeslag. Het Nibud heeft geen onderscheid gemaakt tussen huishoudens met hoge of lage energiekosten als gevolg van energielabel en/of contractvorm. Dit heeft tot gevolg dat binnen de
2
Zie bijlage 1 voor een overzicht van de hoogte van het wettelijk sociaal minimum (WSM) en het wettelijk minimumloon (WML).
6 Samen werken aan zelfstandigheid
uitkomsten van alle huishoudtypen en inkomenscategorieën die de energietoeslag ontvangen in het gepresenteerde 'gemiddelde' in feite extreme verschillen kunnen schuilgaan. Zoals we in de uitgangspunten van het adviesscenario hebben aangegeven, gaan we ervan uit dat het probleem van de stijgende energieprijzen en dalende koopkracht in 2023, grotendeels door het kabinet met passende maatregelen is geadresseerd, aangezien dit op gemeenteniveau niet volledig te repareren valt. Ten aanzien van de algemene bijstand geldt bijvoorbeeld dat deze toereikend moet zijn om te kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan, waar dat voor het grootste deel van de huishoudens dat daarop is aangewezen niet het geval is, is het aan het kabinet om dat met passende maatregelen te repareren. Voor ons blijven daarom primair de bevindingen en de adviezen vanuit de MER 2021 zoals weergegeven in de Startnotitie leidend. Dat betekent dat we op inhoudelijke gronden op zijn minst uitwerking zouden moeten geven aan: 1. Het versterken van de randvoorwaarden voor succesvol minimabeleid, dat wil zeggen dat we ervoor moeten zorgen dat huishoudens gebruik maken van alle vormen van inkomensondersteuning waar zij recht op hebben, dat zij budgetvaardig zijn en hun inkomsten en uitgaven minimaal in balans zijn. 2.
Het over de gehele linie (en mede met het oog op de recente koopkrachtontwikkelingen) verminderen van de financiële kwetsbaarheid van alle huishoudtypen tot en met 110-120% WSM om te voorkomen dat zij door financiële tegenvallers direct in de problemen komen. 3. Het gericht extra versterken van de financiële positie van de paren met oudere kinderen, opdat ook de ouders zelf volwaardig kunnen participeren. 4. Het op zijn minst handhaven van het huidige bereik (en daarmee de voorwaarden) van de CZM, gezien de gezondheidswinst en de afhechting van financiële risico's als gevolg van hoge zorgkosten die daarmee geboekt kunnen worden. 5. Voor de individuele bijzondere bijstand geldt dat nog in 2022 – met spoed en vooruitlopend op de herijking – een oplossing moeten worden gezocht voor huishoudens waarvoor de energietoeslag onvoldoende soelaas biedt. 6. Ten aanzien van de individuele bijzondere bijstand geldt bovendien dat op basis van signalen van de uitvoering een actualisatie- en optimalisatieslag dient te worden gemaakt, deels op basis van gewijzigde omstandigheden of nieuwe inzichten, deels om een reeds impliciete uitvoeringspraktijk in beleidsregels te bestendigen.
7 Samen werken aan zelfstandigheid
2. Versterken randvoorwaarden succesvol minimabeleid In de Minima-effectrapportages van het Nibud worden aannames gedaan om te komen tot een zo reëel mogelijke inschatting van de bestedingen per huishoudtype. De uitkomsten betreffen echter ten allen tijde een gemiddelde per huishoudtype, maar bieden wel een goede richting of het minimabeleid in relatie tot andere financiële regelingen een positieve bijdrage levert aan het huishoudbudget van de onderzochte huishoudtypen. Twee belangrijke randvoorwaarden voor succesvol minimabeleid zijn, volgens het Nibud, ten eerste dat huishoudens gebruik maken van alle landelijke, regionale en lokale vormen van inkomensondersteuning waar zij recht op hebben en ten tweede dat zij goed in staat zijn hun financiën te beheren. Of dit ook in praktijk zo is, wordt door het Nibud niet nader onderzocht en maakt daarom altijd deel uit van de aanbevelingen. Iedere MER begint dan ook met de volgende twee aanbevelingen: 1. Verminder niet-gebruik regelingen 2. Stimuleer goed financieel beheer Deze cruciale randvoorwaarden zijn naar aanleiding van de MER 2021 nog eens goed tegen het licht gehouden. Met name vanwege de huidige koopkrachtproblematiek, maar ook vanwege de omslag die in het denken rondom bestaanszekerheidsvraagstukken is ingezet.
Dit zowel vanuit de Visie sociaal domein Drechtsteden waar bestaanszekerheidsvraagstukken meer prominent op de voorgrond zijn geplaatst, als vanuit de landelijk groeiende kritiek op de (hardheden in de) Participatiewet. Geconcludeerd moet worden dat, onder het 'oude regime', in de cliëntbenadering te vaak is uitgegaan van, in alle opzichten, mondige burgers, die hun weg in de sociale zekerheid wel weten te vinden, weloverwogen financiële besluiten nemen, vertrouwen hebben in hun overheid en tijdig bij het juiste loket aan de bel trekken wanneer zij in de problemen dreigen te geraken. Zowel extern (Cliëntenraad Drechtsteden, sociaal wijkteams, sociaal raadslieden, gemeentelijke beleidscollega's) als intern (collega's uit de gehele organisatie die zich bezighouden met bestaanszekerheidsvraagstukken) is verkend waar beide cruciale randvoorwaarden van het minimabeleid vanuit dit gewijzigde gezichtspunt nog versterkt kunnen worden. Uit die analyse is naar voren gekomen dat op een viertal terreinen substantiële winst kan worden geboekt: 1. Informatievoorziening bundelen en uniformeren door het bieden van een toegankelijk en periodiek geactualiseerd overzicht van alle mogelijkheden tot inkomensondersteuning aan cliënten, alsmede het ondersteunen van de communicatie daarover door gemeenten en ketenpartners. 2.
Beter positioneren van Sociaal Wijkteams, Sociaal Raadslieden en andere maatschappelijke partners, zij vormen belangrijke intermediairs in het bereiken van (potentiële) cliënten. 3. Versterken van de dienstverlening door de SDD – mede door extra inzet op wijkgericht werken en aanwezigheid op vindplaatsen – en bestaande cliënten proactief wijzen op én toeleiden naar de mogelijkheden van aanvullende inkomensondersteuning. 4. Inrichten van kortdurende financiële begeleiding (door de SDD) om de budgetvaardigheid van cliënten te versterken, indien zij op dat punt ondersteuning nodig hebben. De eerste drie aspecten hebben te maken met toeleiding, het vierde met het opplussen van de persoonlijke dienstverlening. Om huishoudens beter de weg te laten vinden naar de vormen van inkomensondersteuning waar zij recht op hebben en hen extra ondersteuning te bieden bij het voeren van een goed financieel beheer, zullen op deze terreinen concrete acties moeten worden ondernomen. Hiervoor is extra inzet nodig op de toeleiding naar en de communicatie over de verschillende minimaregelingen. Bijvoorbeeld door het ontwikkelen van een minimaflyer en organiseren van bijeenkomsten met maatschappelijk partners.
Naast extra inzet op de toeleiding naar en de communicatie over de verschillende minimaregelingen, vraagt dit ook om het versterken van de kennis over de bestaanszekerheidsvraagstukken binnen de SDD, het bieden van meer ruimte voor deze vraagstukken in cliëntcontact en een attitude om cliënten actief toe te leiden naar regelingen waar zij recht op hebben.
8 Samen werken aan zelfstandigheid
Het inrichten van een vorm van kortdurende financiële begeleiding vult een omissie binnen het huidige pakket financiële diensten. De Sociaal Wijkteams en de Sociaal Raadslieden bieden geen structurele begeleiding aan, maar helpen inwoners met eenmalige kortdurende problemen (bijv. hulp bij het aanvragen van een regeling) en verwijzen door bij complexiteit. Hetzelfde geldt voor de Adviseurs Geldzaken. Ook zijn zij (momenteel) alleen voor eenmalige hulpvragen inzetbaar en verder slechts voor cliënten van PERSPCT of de gemeente Dordrecht. Bij de SDD hebben inwoners daarnaast de mogelijkheid om een budgetcursus te volgen of om het financiële beheer uit handen te geven middels budgetbeheer of bewindvoering. De huidige dienstverlening is daarmee ofwel eenmalig en probleemgericht, ofwel langdurig en intensief waar bij cliënten het beheer uit handen wordt genomen. In geen van de gevallen wordt echter substantieel geïnvesteerd in het duurzaam verhogen van de zelfredzaamheid, lees budgetvaardigheid, van cliënten. Vandaar dat partijen de behoefte hebben uitgesproken aan een tussenvariant waarbij kortdurende begeleiding wordt geboden – een vorm van ondersteuning waarbij de cliënt in enkele sessies wordt geholpen orde op zaken te stellen zonder dat het financieel beheer uit handen wordt genomen.
Zeker bij instroom en uitstroom uit de bijstand, als de financiële werkelijkheid van de cliënt verandert, is het belangrijk dat ondersteuning kan worden aangeboden. Dergelijke ondersteuning kan op meerdere manieren worden ingericht. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het uitbreiden van een bestaande functie binnen de SDD, een commerciële invulling, of een lokale oplossing. De meest voor de hand liggende oplossing om de uniformiteit te borgen is uitvoering door de SDD. Hier is de benodigde kennis en expertise verzameld, kan een cliënt direct worden geholpen wanneer zich financiële vraagstukken voordoen in zijn traject, is een doorverwijzing niet nodig, en kan direct worden opgeschaald naar zwaardere dienstverlening (bijvoorbeeld schuldhulpverlening) waar nodig. Verwacht wordt echter dat het verbreden van de dienstverlening op dit punt niet binnen de huidige capaciteit kan worden opgevangen. Geadviseerd wordt om voor deze extra functionaliteit budget beschikbaar te stellen voor een pilot voor de periode van 2 jaar, uitgaande van 2 fte. Financiële consequenties VERSTERKEN RANDVOORWAARDEN MINIMABELEID
KOSTEN
TOELICHTING
1. Kortdurende begeleiding
€ 193.830
T.b.v. uitbreiding fte.
9 Samen werken aan zelfstandigheid
3.
Adviesscenario
Op basis van de MER uit 2021 en die uit 2022, naar aanleiding van signalen vanuit de uitvoering SDD gericht op het continu verbeteren van het huidige beleid en na verschillende ambtelijke consultatierondes met de gemeenten, is onderstaand adviesscenario geformuleerd. In dit scenario ligt de prioriteit op zoveel mogelijk koopkrachtreparatie voor de huidige doelgroepen van het minimabeleid. Tevens bevat het, naar aanleiding van een direct advies hiertoe in de MER, een extra tegemoetkoming voor huishoudens met oudere kinderen, om hun achterstand met betrekking tot maatschappelijke participatie ten opzichte van andere huishoudtypen te repareren. Het is belangrijk te realiseren dat het scenario slechts deels in staat is om de huidige volatiliteit t.a.v. de inflatie op te vangen. De voornaamste compensatie zal vanuit het Rijk moeten komen. In het adviesscenario is afgewogen hoe deze compensatie aanvullend vanuit gemeenten kan worden geboden door zorgvuldige afweging van uitgaven op regelingen (of onderdelen daarvan) die het grootste effect hierin sorteren. Het scenario repareert dus slechts deels het koopkrachtverlies vanwege de hoge inflatie, met name door de verhoging van het bedrag van het PMB.
Ook komt het scenario tegemoet aan het bevorderen van participatie van ouders met kinderen (een belangrijke aanbeveling uit de MER 2021) en regelt het de verfijning van de bijzondere bijstand op basis van uitvoeringswensen en benodigde inflatiecorrectie. Hieronder wordt het advies per minimaregeling uiteengezet. Persoonlijk minimabudget (PMB) Het persoonlijk minimabudget is bedoeld voor mensen die langdurig moeten rondkomen van een laag inkomen. Het is een bedrag dat eenmaal per jaar wordt verstrekt. In de Drechtsteden ontstaat het eerste recht op PMB wanneer het inkomen 1 jaar niet hoger dan 110% van het WSM is geweest. Het maakt daarbij niet uit om wat voor inkomen het gaat; het kan een bijstandsuitkering zijn, maar ook een laag inkomen vanwege bijvoorbeeld parttime werk. Het persoonlijk minimabudget mag vrij besteed worden door de ontvanger, het is belastingvrij en wordt niet van de bijstandsuitkering afgetrokken (voor de huidige bedragen zie de tabel op pagina 11). Het PMB draagt bij aan het versterken van de financiële positie van de brede doelgroep huishoudens die langdurig op een inkomen op minimumniveau zijn aangewezen. Het is bij uitstek het instrument binnen het minimabeleid om de koopkracht van de gehele doelgroep te bevorderen. Het kent de volgende 'knoppen' waarmee het instrument te beïnvloeden is: KNOPPEN PMB
HUIDIG BELEID
1. Bepaling van de definitie laag inkomen
110% WSM
2. Bepaling van de referteperiode/definitie langdurigheid
1 jaar
3. Differentiatie naar huishoudtype
4. De hoogte van de toeslag 5. De nadere regels ten aanzien van de doelgroep
Differentiatie naar alleenstaand/gehuwd en inrichtingsnorm 35% van de geldende bijstandsnorm Geen recht bij zicht op inkomstenverbetering en bij gebleken onvoldoende inspanningen om tot inkomensverbetering te komen
Om de koopkracht van de huidige doelgroep te verbeteren, kan het beste aan de 'knop' van de hoogte van de toeslag worden gedraaid in combinatie met de knop die differentiatie mogelijk maakt naar gezinssituatie. Daarbij is het noodzakelijk zich te realiseren dat het PMB een bedrag op jaarbasis is. Verrekend naar een extra bedrag per maand zal het effect van een geringe verhoging van het jaarbedrag nauwelijks maandelijks merkbaar zijn. Uiteraard is de knop die de doelgroep bepaalt ook
10 Samen werken aan zelfstandigheid
een primaire knop met veel gevolgen; als het percentage van het WSM wordt verhoogd of verlaagd heeft dit direct consequenties voor het aantal mensen dat in aanmerking komt voor het PMB. Een verschuiving van de referteperiode (de periode waarna voor het eerst recht ontstaat) heeft een eenmalig bezuinigingseffect: momenteel ontstaat na een jaar een inkomen tot 110% van het WSM voor het eerst recht. Door aan deze knop te draaien ontstaat eerder of later het eerste recht, daarna is er jaarlijks recht. Gezien het huidige tijdsbeeld waarin we een hoge inflatie en grote financiële onzekerheden kennen die met name voor de minimadoelgroep moeilijk te dragen is, is het advies om in elk geval de koopkrachtvermindering van de huidige doelgroep (dat zijn de allerlaagste inkomens) zoveel als mogelijk te dempen. De prioriteit ligt in dit scenario bij de groep die het hardst wordt getroffen (de bijstandspopulatie en de inkomensgroep tot 110% van het WSM). Ook is het advies om conform het advies van het Nibud een differentiatie in het PMB te brengen indien er binnen de gezinssituatie oudere kinderen zijn. Zo komen de ouders van oudere kinderen beter toe aan uitgaven voor participatie. We komen tot onderstaande adviezen: 1.
Differentiatie bedrag PMB naar leeftijd kinderen: ouder dan 12 jaar + €100 per jaar We zien in de MER 2021 een financieel probleem ontstaan als het gaat om de kosten voor participatie van de ouders bij paren met oudere kinderen (ouder dan 12 jaar). Zij houden per maand onvoldoende over om zelf te kunnen participeren. In de MER 2022 wordt dit, vanwege de toegenomen inflatie, verder versterkt. Daarom beveelt het Nibud aan om extra aandacht te hebben voor deze groep. Ook de Drechtstedelijke visie 'Iedereen een zelfstandig en volwaardig bestaan' pleit ervoor deze groep tegemoet te komen. We adviseren om huishoudens met minimaal 1 kind ouder dan 12 jaar een extra bedrag aan PMB toe te kennen. Met de extra bestedingsruimte kunnen zij invulling geven aan hun eigen participatiemogelijkheden. Keerzijde kan zijn dat de kinderen geen prikkel voelen om iets bij te dragen in het gezinsinkomen. Het gaat echter in deze gevallen om kinderen ouder dan 12 jaar en beneden 21 jaar, die (als zij werken) met een minimumjeugdloon hoe dan ook een zeer klein aandeel kunnen bijdragen in het gezinsinkomen. 2. Verhogen bedrag PMB van 35% naar 45% van geldende norm Het PMB is bij uitstek het instrument om te voorkomen dat mensen met een langdurig laag inkomen door financiële tegenvallers direct in de problemen komen.
We gaan er daarbij vanuit dat reserveren met een bijstandsuitkering in de huidige inflatoire tijd vrijwel onmogelijk is. De MER 2022 laat inzien dat met name de groep tot 120% van het WSM het financieel zwaar heeft. Het PMB is echter bedoeld als inkomenstoeslag voor de groep met het allerlaagste inkomen. Het advies is daarom om juist voor de huidige doelgroep van het PMB (met een inkomen tot 110% van het WSM) het bedrag met 10% te laten stijgen op jaarbasis. Dit komt neer op een verhoging waardoor verdisconteerd naar een bedrag per maand ongeveer €9 extra te besteden is door alleenstaanden en €13 extra door gehuwden. Samengevat geven beide adviezen het volgende beeld voor de hoogte van de bedragen van het PMB: Van 35% van geldende bijstandsnorm
45% van geldende bijstandsnorm
Alleenstaande
€ 385
€ 495
Naar 45% van geldende bijstandsnorm + €100 extra bij oudere kind(eren)3 € 495
Alleenstaande ouder
€ 385
€ 495
€ 595
Gehuwde
€ 550
€ 705
€ 705
Gehuwd met kind(eren)
€ 550
€ 705
€ 805
3
De precieze bedragen voor 2023 zijn nog niet bekend. In de kostenberekening is de inflatiecorrectie voor 2023 en afronding van bedragen wél opgenomen.
11 Samen werken aan zelfstandigheid
Alleenstaande + verblijf in inrichting Alleenstaande ouder + verblijf in inrichting Gehuwd + verblijf in inrichting
€ 125
€ 160
€ 160
€ 125
€ 160
€ 260
€ 190
€ 245
€ 245
Gehuwd met kind(eren) + verblijf in inrichting
€ 190
€ 245
€ 345
Financiële consequenties KNOPPEN PMB 1. Bepaling van de definitie laag inkomen 2. Bepaling van de referteperiode/definitie langdurigheid 3. Differentiatie naar huishoudtype
4. De hoogte van de toeslag 5. De nadere regels ten aanzien van de doelgroep
Uitvoeringskosten
HUIDIG BELEID
ADVIESSCENARIO
MEERKOSTEN
110% WSM
110% WSM
x
1 jaar
1 jaar
x
Differentiatie naar alleenstaand/gehuwd en inrichtingsnorm
Differentiatie (€100,netto) naar huishoudens met oudere (12+) kinderen 45% van de geldende bijstandsnorm Geen recht bij zicht op inkomstenverbetering en bij gebleken onvoldoende inspanningen om tot inkomensverbetering te komen
[1] € 49.607
35% van de geldende bijstandsnorm Geen recht bij zicht op inkomstenverbetering en bij gebleken onvoldoende inspanningen om tot inkomensverbetering te komen
[2] € 651.590
x
[3] € 14.055
Toelichting De genoemde bedragen behelzen de extra kosten t.o.v. het huidige beleid. [Ad 1] De kosten zijn gebaseerd op de aanname dat 25,6% procent van de huishoudens die het PMB aanvragen kinderen heeft en dat 35% daarvan ouder is dan 12 jaar. Deze cijfers zijn gebaseerd op CBS-gegevens en de aantallen die bekend zijn bij de SDD. Het percentage is toegepast op de geprognosticeerde aantallen voor het PMB in 2023. [Ad 2] De kosten zijn gebaseerd op de geprognosticeerde aantallen voor het PMB in 2023. [Ad 3] De adviezen hebben tot gevolg dat de uitvoeringskosten stijgen. We gaan ervan uit dat zij evenredig meestijgen met de programmakosten. Hierbij zijn alleen de maatregelen meegerekend waarvan verwacht wordt dat deze voor de uitvoering van de SDD meer werk met zich meebrengen.
Bijzondere bijstand (BB) De SDD verstrekt, afhankelijk van de individuele omstandigheden en de financiële situatie, bijzondere bijstand voor bijzondere en noodzakelijke kosten. Zoals de kosten in verband met ziekte, een noodzakelijke verhuizing, bewindvoering of rechtsbijstand. De SDD bepaalt aan de hand van de beleidsregels en artikel 35 van de Participatiewet of er recht op bijzondere bijstand bestaat. Hierbij wordt gekeken naar wat de aard van de kosten is, of de kosten noodzakelijk zijn, of de kosten voortkomen uit bijzondere omstandigheden en of de kosten daadwerkelijk gemaakt worden. De bijzondere bijstand is in de MER niet nader onderzocht omdat het wel of niet in aanmerking komen voor bijzondere bijstand sterk afhankelijk is van de persoonlijke situatie. De bijzondere bijstand kent de volgende 'knoppen' waarmee het instrument te beïnvloeden is:
12 Samen werken aan zelfstandigheid
KNOPPEN BB 1. Inkomensgrenzen 2. Vermogensgrenzen
3. Draagkrachtpercentages
4. Terugwerkende kracht aanvragen 5. Vorm bijstand: lening of gift 6. Hoogte richtprijzen
HUIDIG BELEID 110% WSM alleenstaande € 6.505; gehuwden € 13.0104 35% van ‘meerinkomen’; 100% van ‘meervermogen’ 6 maanden leenbijstand o.a. voor duurzame gebruiksgoederen geïndexeerde richtprijzen
Na ambtelijke consultatie van de gemeenten en de uitvoering SDD is het advies om slechts gerichte en geringe beleidswijzigingen door te voeren ten aanzien van de bijzondere bijstand. De voornaamste reden hiervoor is dat het huidige beleid een complex geheel van diverse kostensoorten behelst en dat aanvragen altijd worden beoordeeld op basis van de individuele omstandigheden. De geringe beleidswijzigingen die worden doorgevoerd houden een actualisatie van het beleid in naar aanleiding van signalen uit de praktijk en ontwikkelingen in de jurisprudentie en wet- en regelgeving. Dit is niet nieuw, maar een jaarlijks terugkerende actie. Dit jaar is vanuit de uitvoeringspraktijk onder meer aangegeven om de richtprijzen, die worden gehanteerd bij volledige woninginrichting en losse duurzame gebruiksgoederen, te indexeren. De laatste keer dat dat gedaan is, was in 2016. Gezien de huidige inflatiecijfers, is – ook na consultatie van beleidscollega's in de gemeenten – aangegeven dat hierop een correctie noodzakelijk is. Hieronder ons advies ten aanzien van een inhoudelijke beleidswijziging ten aanzien van de vergoedingen van medische kosten. Vergoeding voor medische kosten Inwoners kunnen in financiële problemen komen door hoge medische kosten en/of geen toegang hebben tot een aanvullende zorgverzekering als gevolg van schulden.
SUN Drechtsteden signaleert dat dit de afgelopen periode steeds vaker voorkomt. Uit de Participatiewet volgt dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) een passende en adequate voorliggende voorziening is bij medische kosten, waardoor bijzondere bijstand in principe achterwege moet blijven. We constateren echter dat dat niet altijd en voor iedereen geldt. Daarom is het advies om beleidsmatig coulanter te zijn voor inwoners met medische kosten die niet worden vergoed vanuit de (voorliggende) zorgverzekering. Van belang blijft echter dat de stimulans behouden moet blijven voor inwoners om een passende (aanvullende) zorgverzekering af te sluiten, zoals de Gemeentepolis. Het is de verantwoordelijkheid van inwoners om een zorgverzekering te kiezen die bij diens medische situatie past. Het doel van het coulantere beleid is om betere ondersteuning te bieden aan juist die inwoners die hoge medische kosten maken en/of geen toegang tot de aanvullende zorgverzekering hebben. Het verlenen van bijstand voor medische kosten die niet door de Zorgverzekeringswet vergoed worden, is een ruimere wijze van bijstandsverlening dan waartoe gemeenten gehouden zijn op grond van de Participatiewet (het is daarmee 'buitenwettelijk begunstigend beleid').
Kanttekening is dat de beoordeling van aanvragen bijzondere bijstand voor medische kosten meer tijd vraagt, waarbij eveneens veel wordt gevraagd van de aanvrager in het aanleveren van informatie.
4
Het vermogen zoals omschreven in artikel 34 Participatiewet. Dit zijn de bedragen die gelden per 1 januari tot 1 juli 2022.
13 Samen werken aan zelfstandigheid
Wij adviseren de volgende uitgangspunten voor nieuw beleid: 1. Inwoner heeft geen aanvullende zorgverzekering door gegronde reden (bijvoorbeeld geen toegang door schulden of gezondheidssituatie) → bijstand mogelijk ter hoogte van vergoeding gemeentepolis. 2. Inwoner heeft geen aanvullende zorgverzekering maar het betreft een dringende, noodzakelijke behandeling die anders niet plaats kan vinden → eenmalige uitzondering in de vorm van leenbijstand. 3. Inwoner heeft wel aanvullende verzekering, maar er zijn overstijgende medische kosten → bijstand (om niet) mogelijk, mits dringend en noodzakelijk, niet verwijtbaar, behandeling is niet te spreiden over twee jaar en geen coulance mogelijkheid bij de zorgverzekering. Naast hoge medische kosten is ook het wettelijk eigen risico (maximaal €385 euro per jaar) een grote kostenpost voor financieel kwetsbare huishoudens. Het advies is echter om niet over te gaan tot een vergoeding van het eigen risico middels de bijzondere bijstand. Bij de Gemeentepolis Drechtsteden is het reeds mogelijk om bij het meest uitgebreide pakket (bedoeld voor chronisch zieken en gehandicapten) het eigen risico mee te verzekeren en daarmee af te kopen. Bij de andere pakketten is het, net als bij reguliere zorgverzekeringen, mogelijk om het eigen risico achteraf in delen te betalen.
Indien ervoor wordt gekozen om bijzondere bijstand te verlenen voor het eigen risico dan zou dat een ruimere wijze van bijstandsverlening zijn dan waartoe gemeenten gehouden zijn op grond van de Participatiewet. De zorgtoeslag is deels bedoeld als een tegemoetkoming voor de kosten van het eigen risico, evenals het PMB als extra tegemoetkoming voor huishoudens met een langdurig laag inkomen. Verwacht kan worden dat het vergoeden van het eigen risico vanuit de bijzondere bijstand leidt tot een aanzienlijk toename van de uitgaven en uitvoeringskosten, aangezien het eigen risico een veelvoorkomende kostenpost is voor huishoudens.5 Financiële consequenties KNOPPEN BB 1. Inkomensgrenzen 2. Vermogensgrenzen
3. Draagkrachtpercentages
4. Terugwerkende kracht aanvragen 5. Vorm bijstand: lening of gift 6. Hoogte richtprijzen 7. Coulance medische kosten Uitvoeringskosten
HUIDIG BELEID
ADVIESSCENARIO
MEERKOSTEN
110% WSM alleenstaande € 6.505; gehuwden € 13.010 35% van ‘meerinkomen’; 100% van ‘meervermogen’ 6 maanden
110% WSM alleenstaande € 6.505; gehuwden € 13.010 35% van ‘meerinkomen’; 100% van ‘meervermogen’ 6 maanden
x x
leenbijstand o.a. voor duurzame gebruiksgoederen geïndexeerde richtprijzen x
leenbijstand o.a. voor duurzame gebruiksgoederen geïndexeerde richtprijzen ✓
x
x
x
x [1] € 40.000 [2] € 11.333
Toelichting De genoemde bedragen behelzen de extra kosten t.o.v. het huidige beleid. [Ad 1] De kosten zijn gebaseerd op ervaringen van andere gemeenten die ook een coulance hanteren t.a.v. de medische kosten. Het opgenomen bedrag is met nadruk wel een indicatie, aangezien het zeer afhankelijk is van de individuele aanvragen.
5
45% van de verzekerden had in 2015 het volledige verplicht eigen risico verbruikt (laatste jaar waarover gegevens bekend zijn). Bron: Vektis.
14 Samen werken aan zelfstandigheid
[Ad 2] Het toepassen van een coulance t.o.v. de medische kosten zal leiden tot meer en complexere aanvragen. Dit heeft tot gevolg dat de uitvoeringskosten stijgen. De uitvoeringskosten stijgen evenredig mee met de stijging van de programmakosten.
Collectieve zorgverzekering minima (CZM) De CZM is bedoeld om inwoners met een laag inkomen toegang te bieden tot goede en betaalbare zorg, hun kwetsbaarheid vanuit zowel gezondheids- als financieel perspectief ondervangen en ter voorkoming van zorgmijding en schuldenproblematiek. Ofwel: het draagt bij aan het versterken van de bestaanszekerheid van de inwoners in de Drechtsteden. In de Drechtsteden is zorgverzekeraar VGZ de aanbieder van de Gemeentepolis Drechtsteden. Om voor de Gemeentepolis Drechtsteden in aanmerking te komen, wordt een inkomensgrens van 130% van het (bruto) WML gehanteerd, inclusief vakantiegeld. Er is geen vermogenstoets. Doordat de Drechtsteden een deel van de maandelijkse premie betalen aan VGZ, kan de premie voor de deelnemers relatief laag worden gehouden. De CZM kent de volgende knoppen waarmee het instrument te beïnvloeden is: KNOPPEN CZM 1. Aanbieden gemeentepakketten 2. Eigen bijdrage gemeenten
3. Inkomensgrens 4. Vermogenstoets
HUIDIG BELEID Alle drie de pakketten worden aangeboden. Gemeentepakket Compact: €13,50 Compleet: €13,50 Compleet + €0,ER: €27,00 130% WML Geen vermogenstoets
Zoals benoemd in de 'Startnotitie herijking minimabeleid 2022' gaat het in deze herijking over de keuzemogelijkheden binnen het lopende contract voor 2023. Daarbij wordt de speelruimte wel beperkt door de contractvoorwaarden. Grote individuele aanpassingen – die een grote invloed hebben op het bereik en de afname – kunnen leiden tot het beëindigen van het contract door VGZ, ten nadele van alle gemeenten. Omdat inwoners jaarlijks in de week van 12 november een nieuwe polis ontvangen voor het komende jaar, moeten wijzigingen in het huidige contract uiterlijk 1 oktober bij VGZ bekend zijn. De verzekeraar heeft namelijk tijd nodig om correcte polissen te maken. Besluitvorming voor 1 oktober 2022 is dus een randvoorwaarde voor de uitvoerbaarheid van het besluit. Indien dit niet voor die tijd heeft plaatsgevonden, blijft de situatie zoals die nu is en wordt het contract ongewijzigd voortgezet in 2023. Het advies is om geen wijzigingen aan te brengen in de CZM. De CZM is een goedwerkend instrument in de Drechtsteden met een jaarlijks toenemend bereik. De CZM helpt enerzijds de kosten van het bestaan te drukken, en anderzijds – door de drempel tot goede zorg te verlagen – onnodig gezondheidsverlies te voorkomen.
Uit een Maatschappelijke Kosten Baten Analyse blijkt ook dat het aanbieden van gemeentepolis leidt tot 35% minder aanvragen bijzondere bijstand medische kosten; circa 40% minder betalingsachterstanden en dat het een preventief effect heeft op zorgmijding.6 Daarom wordt geadviseerd de CZM onveranderd te laten voor 2023. Een andere afweging in lijn met dit advies is dat in 2023 wordt gestart met de eventuele nieuwe aanbesteding voor 2024 en verder. Hierbij komen dezelfde keuzemogelijkheden weer aan bod. Dat betekent dat wijzigingen die nu plaatsvinden dan eventueel weer moeten worden herzien.
6
Rebel, MKBA Gemeentepolis, 6 januari 2021.
15 Samen werken aan zelfstandigheid
Financiële consequenties KNOPPEN CZM 1. Aanbieden gemeentepakketten 2. Eigen bijdrage gemeenten
3. Inkomensgrens 4. Vermogenstoets
HUIDIG BELEID
ADVIESSCENARIO
KOSTEN
Alle drie de pakketten worden aangeboden. Gemeentepakket Compact: €13,50 Compleet: €13,50 Compleet + €0,ER: €27,00 130% WML Geen vermogenstoets
Alle drie de pakketten worden aangeboden. Gemeentepakket Compact: €13,50 Compleet: €13,50 Compleet + €0,ER: €27,00 130% WML Geen vermogenstoets
x
x
x x
Toelichting Geen verdere toelichting.
SMS-Kinderfonds Het doel van het SMS-Kinderfonds is bedoeld om sociale uitsluiting van kinderen van minima te voorkomen. Dit wordt bereikt door kinderen in staat te stellen deel te nemen aan activiteiten die hun maatschappelijke participatie kunnen bevorderen. Denk bijvoorbeeld aan een sportclub, vereniging en kunstzinnige vorming. De uitvoering is belegd bij de Dordtpas (Dordrecht) en Stichting Leergeld Drechtsteden (overige Drechtstedengemeenten). Het SMS-Kinderfonds kent de volgende knoppen waarmee het instrument te beïnvloeden is: KNOPPEN SMS-KINDERFONDS 1. Doel bestedingen
HUIDIG BELEID School, Muziek, Sport. Sociale uitsluiting van kinderen van minima voorkomen
2. Hoogte bedragen per jaar per kind
PO: € 275 p.j. VO/MBO/HBO: € 790 p.j.
3. Inkomensgrens 4. Vermogenstoets
140% WSM Geen vermogenstoets Passysteem (Dordrecht) en Methodiek Leergeld (overige Drechtsteden) Dordtpas (Dordrecht) en Stichting Leergeld Drechtsteden (overige Drechtsteden)
5. Vorm van verstrekking
6. Aanbieder
Na ambtelijke consultatie is het advies om in 2023 geen beleidswijzigingen door te voeren, maar gedurende 2023 in te zetten op complete herijking van het SMS-Kinderfonds. Aanpassing van de aanbieders en huidige vorm van verstrekking vergt namelijk een langer traject. Signalen uit de uitvoering en andere verbeterpunten in de dienstverlening worden tussentijds wel opgepakt.
16 Samen werken aan zelfstandigheid
Bijvoorbeeld een vereenvoudiging in de uitvoering waarbij ouders niet meer hoeven aan te tonen dat hun kind naar het voortgezet onderwijs gaat (en daarmee recht hebben op een hoger bedrag), door de verhoging van het bedrag op basis van leeftijd toe te kennen. Financiële consequenties KNOPPEN SMS-KINDERFONDS 1. Doel bestedingen
2. Hoogte bedragen per jaar per kind 3. Inkomensgrens 4. Vermogenstoets 5. Vorm van verstrekking
6. Aanbieder
HUIDIG BELEID
ADVIESSCENARIO
School, Muziek, Sport. Sociale uitsluiting van kinderen van minima voorkomen PO: € 275 p.j. VO/MBO/HBO: € 790 p.j. 140% WSM Geen vermogenstoets Passysteem (Dordrecht) en Methodiek Leergeld (overige Drechtsteden) Dordtpas (Dordrecht) en Stichting Leergeld Drechtsteden (overige Drechtsteden)
School, Muziek, Sport. Sociale uitsluiting van kinderen van minima voorkomen PO: € 275 p.j. VO/MBO/HBO: € 790 p.j. 140% WSM Geen vermogenstoets Passysteem (Dordrecht) en Methodiek Leergeld (overige Drechtsteden) Dordtpas (Dordrecht) en Stichting Leergeld Drechtsteden (overige Drechtsteden)
MEERKOSTEN x
x
x x x
x
Toelichting Geen verdere toelichting.
SUN Drechtsteden SUN Drechtsteden is een maatschappelijke organisatie (onderdeel van een landelijke koepel) die jaarlijks private fondsen ontvangt voor de financiering van giften vanuit het Noodfonds. Vanuit de SDD wordt, sinds de oprichting van SUN in 2015, een subsidie verstrekt voor de uitvoeringskosten. Dit heeft ermee te maken dat private donateurs geen overheadkosten willen financieren. SUN Drechtsteden biedt met het Noodfonds het laatste vangnet als sociale voorzieningen als gevolg van wet- en regelgeving niet of niet tijdig een oplossing kunnen bieden. Omdat SUN onafhankelijk van toetsing aan wet- en regelgeving financiële middelen kan verstrekken, wordt de drempel tot deze voorziening vaak als laagdrempelig(er dan de SDD) ervaren. Door de intensieve samenwerking tussen SUN Drechtsteden en SDD, kan SUN Drechtsteden richting de SDD een belangrijke signaalfunctie vervullen. KNOPPEN SUN DRECHTSTEDEN 1. Subsidiering uitvoeringskosten
HUIDIG BELEID Subsidieverstrekking voor uitvoeringskosten €66.130
Het Noodfonds als laatste financieel vangnet werkt goed en snel. Het advies is om de huidige subsidie voor uitvoeringskosten in stand te houden, zodat de private financiering door SUN Drechtsteden ten volle kan worden benut voor giften in noodsituaties.
17 Samen werken aan zelfstandigheid
Financiële consequenties KNOPPEN SUN DRECHTSTEDEN 1. Subsidie uitvoeringskosten
HUIDIG BELEID
ADVIESSCENARIO
Subsidieverstrekking voor uitvoeringskosten
Subsidieverstrekking voor uitvoeringskosten
MEERKOSTEN x
Toelichting Geen verdere toelichting.
Tegemoetkoming Eigen Bijdrage Kinderopvang De Drechtsteden vergoeden voor mensen met een laag inkomen de eigen bijdrage die volgt uit de kinderopvangtoeslag. Hiermee wordt een belemmering om aan het werk te gaan verder teruggedrongen. De regeling Tegemoetkoming Eigen Bijdrage Kinderopvang kent de volgende knoppen waarmee het instrument te beïnvloeden is: KNOPPEN EIGEN BIJDRAGE KINDEROPVANG
HUIDIG BELEID
1. Aanbieden van de regeling
Ja
2. Hoogte tegemoetkoming
4% totale kosten kinderopvang conform max. uurtarief
3. Inkomensgrens 4. Vermogenstoets
110% WSM alleenstaande € 6.505; gehuwden € 13.0107 6 maanden
5. Terugwerkende kracht aanvragen
Na ambtelijke overleg is het advies om de doelgroep en daarmee het bereik van de regeling te vergroten. Doelgroep vergroten naar 120% van WSM Het gebruik van de tegemoetkoming eigen bijdrage kinderopvang kan worden verbeterd door in te zetten op de bekendheid van de regeling, maar ook door de doelgroep te vergroten. Met de huidige inkomensgrens op 110% van het WSM, komt slechts een zeer klein deel van de doelgroep (werkende armen met weinig contracturen) in aanmerking. Daarom is het advies de inkomensgrens te verhogen naar 120% WSM. Hiermee is de doelgroep gelijkgetrokken met de doelgroep van de regeling bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage peuterspeelzaal. Die regeling geldt alleen voor kinderen tot 4 jaar (door gemeenten gesubsidieerde peuteropvang en vve). De regeling tegemoetkoming eigen bijdrage kinderopvang geldt voor alle kinderen waarvoor kinderopvangtoeslag wordt ontvangen. Financiële consequenties KNOPPEN EIGEN BIJDRAGE KINDEROPVANG 1. Aanbieden van de regeling 2. Hoogte tegemoetkoming
3. Inkomensgrens
7
HUIDIG BELEID
ADVIESSCENARIO
MEERKOSTEN
Ja
Ja
x
4% totale kosten kinderopvang conform max. uurtarief 110% WSM
4% totale kosten kinderopvang conform max. uurtarief 120% WSM
x
[1] € 5.000
Het vermogen zoals omschreven in artikel 34 Participatiewet. De bedragen gelden van 1 januari tot 1 juli 2022.
18 Samen werken aan zelfstandigheid
4. Vermogenstoets
5. Terugwerkende kracht aanvragen
alleenstaande € 6.505; gehuwden € 13.010 6 maanden
alleenstaande € 6.505; gehuwden € 13.010 6 maanden
x
x
Toelichting De genoemde bedragen behelzen de extra kosten t.o.v. het huidige beleid. [Ad 1] De kosten zijn gebaseerd op een kostenstijging van 20% ten opzichte van de voor 2023 begrote uitgaven (€ 25.000). Hiervoor is gekozen omdat (hogere) percentages op basis van doelgroepgegevens niet realistisch zijn voor deze regeling. Dit komt doordat er structureel sprake is van een onderbenutting en de beschikbare doelgroepgegevens niet differentiëren naar huishoudens met kinderen.
Financieel overzicht adviesscenario De genoemde bedragen behelzen de extra kosten t.o.v. het huidige beleid. VERSTERKEN RANDVOORWAARDEN MINIMABELEID 1. Kortdurende begeleiding TOTAAL PMB 3. Differentiatie naar huishoudtype
4. De hoogte van de toeslag
ADVIESSCENARIO
MEERKOSTEN
✓
€ 193.830 € 193.830
ADVIESSCENARIO Differentiatie (€100,netto) naar huishoudens met oudere (12+) kinderen 45% van de geldende bijstandsnorm
MEERKOSTEN € 49.607
Uitvoeringskosten TOTAAL
€ 651.590 € 14.055 € 715.252
BB 7. Coulance medische kosten Uitvoeringskosten TOTAAL EIGEN BIJDRAGE KINDEROPVANG 3. Inkomensgrens TOTAAL
ADVIESSCENARIO
MEERKOSTEN
✓
€ 40.000 € 11.333 € 51.333
ADVIESSCENARIO 120% WSM
MEERKOSTEN € 5.000 € 5.000
TOTALE MEERKOSTEN Adviesscenario
€ 965.415
19 Samen werken aan zelfstandigheid
4. Plusscenario Het plusscenario is een uitgebreidere variant van het eerder geformuleerde adviesscenario. Dat betekent dat dit scenario het adviesscenario bevat én extra maatregelen of in enkele gevallen verdergaande aanpassingen. Het heeft daarmee meer aandacht voor het versterken van de bestaanszekerheid van minima in zich en neemt meer van het koopkrachtverlies weg dat juist terecht komt bij de groep werkende armen. Het scenario is voornamelijk gebaseerd op de uitkomsten van de MER 2022, waarbij we zien dat voor bijna alle huishoudtypen tot en met 120% WSM geldt dat zij nauwelijks geld overhouden om opzij te zetten voor onverwachte uitgaven. Dit scenario komt extra tegemoet aan het koopkrachtverlies voor juist die doelgroep. Randvoorwaarde van dit plusscenario is, net als in het adviesscenario, dat de bekendheid en het gebruik van minimaregelingen verder worden verbeterd en dat de doelgroep goed met geld kan omgaan (er is sprake van goed financieel beheer). Daarom zijn de nadere adviezen benoemd in hoofdstuk 2 over het verder versterken van de randvoorwaarden van succesvol minimabeleid hier ook van toepassing. Hieronder wordt het advies per minimaregeling uiteengezet. Persoonlijk minimabudget (PMB) In het adviesscenario werd al een verruiming van het PMB voorgesteld, omdat het PMB bij uitstek het instrument is om de algehele koopkracht van minima te verbeteren.
In het plusscenario worden twee verregaande verruimende maatregelen voorgesteld: een vergroting van de doelgroep en differentiatie van het PMB-bedrag ongeacht de leeftijd van de kinderen. 1. Vergroten doelgroep PMB naar 120% WSM We zien in de MER, zowel die van 2021 als – hoewel verder versterkt –in die van 2022, dat huishoudens tot 120% WSM over de gehele linie geen financiële flexibiliteit hebben. Hun financiële positie is zwak en zodra zich bijzondere kosten voordoen lopen zij groot risico om met maandelijkse tekorten te maken te krijgen. Tot de groep van 120% WSM behoort ook de (steeds groter wordende) groep 'werkende armen'. Juist voor hen willen we de koopkrachtdaling zoveel mogelijk dempen. Werken moet blijven lonen. Op termijn zal het wettelijk minimumloon van kabinetswege worden verhoogd, zeer waarschijnlijk start de geleidelijke verhoging al in 2023 en stijgt het minimumloon in 2023, 2024 en 2025 stapsgewijs met in totaal 7,5%. De verwachting is echter ook dat de inflatie ongekend hoog zal blijven in 2023. Keerzijde van meer financiële ondersteuning van de groep tot 120% van het WSM kan zijn dat zij niet gemotiveerd worden om meer uren te gaan werken. De praktijk leert echter wel dat deze groep vaak al aan het maximum van het voor hen mogelijke aantal werkuren zit. 2.
Differentiatie bedrag PMB: huishoudens met kinderen + €100 extra per jaar De MER laat zien dat juist in de gezinssituaties met kinderen, de ouder(s) minimaal of niet toekomen aan uitgaven voor participatie. Dit geldt met name voor paren met kinderen doordat een paar de kosten van twee volwassenen moet dragen, zoals de kosten van de zorgverzekering, kleding en voeding. Deze kosten worden niet gecompenseerd door de hogere bijstandsnorm voor een paar, ten opzichte van de norm voor een alleenstaande (ouder). Om de participatiemogelijkheden van deze doelgroep te verbeteren en om kinderarmoede verder terug te dringen, is het advies om alle huishoudens met kinderen (ongeacht hun leeftijd) een extra financiële tegemoetkoming te geven in de vorm van een verhoging van het PMB-bedrag van €100 per jaar per huishouden. Dit verschilt ten opzichte van het adviesscenario. Daarin zouden alleen huishoudens met kinderen boven de 12 jaar hiervoor in aanmerking komen. Bijzondere bijstand (BB) Er wordt voor wat betreft de bijzondere bijstand geen verruiming geadviseerd in het plusscenario. Het verhogen van de inkomensgrens van 110% naar 120% WSM leidt bijvoorbeeld tot een enorme stijging van de uitgaven, die voornamelijk ten bate zou komen van de inwoners die bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten ontvangen. De bewindvoering is namelijk de grootste kostenpost binnen de bijzondere bijstand.
Daarbij is het nu ook al mogelijk om met een inkomen boven de huidige
20 Samen werken aan zelfstandigheid
inkomensgrens (110% WSM) bijzondere bijstand te ontvangen, alleen geldt in die situatie dat wordt verwacht dat de inwoner een deel kan bijdragen in de kosten, namelijk 35% van het inkomen boven de inkomensgrens (het 'meerinkomen'). Het rekenvoorbeeld in bijlage 2 maakt dit inzichtelijk. Collectieve zorgverzekering minima (CZM) De CZM is een effectief instrument om tegemoet te komen aan het koopkrachtverlies en extra in te zetten op het versterken van de bestaanszekerheid van minima. Zoals beschreven ondervangt het de kwetsbaarheid op gezondheids- en financieel vlak en draagt het bij aan het voorkomen van zorgmijding en schuldenproblematiek. Signalen van samenwerkingspartners bevestigen dit beeld. Tegelijkertijd zien we dat in een situatie van schulden hierop als eerste wordt bezuinigd. Het is daarom dan ook belangrijk de CZM zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Dit kan door de gemeentelijke eigen bijdrage te verhogen en terug te brengen naar de situatie van voor 2021 (in 2020 is een bezuiniging van 10% doorgevoerd). Dit betekent een verhoging van de eigen bijdrage door gemeenten op de maandelijkse premie op alle drie de pakketten: wij adviseren om het pakket compact en compleet te verhogen van €13,50 naar €15,00 (verhoging van €1,50) en het pakket compleet incl. €0,- eigen risico te verhogen van €27,00 naar €30,00 (verhoging van €3,00).