CConstaterende datDordrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

0006C856.pdf

Commissie Fysieke Leefomgeving Dordrecht 6 januari 2021, gemeente DordrechtBij agendapunt: 5: Jaarverslag Welstand- en Monumentencommissie 2018-20194.499 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Beest-den Hartog, AW van (Ella) Van: Verzonden: Aan: CC: Onderwerp: Bijlagen:

Nes, CAE van (Conny) maandag 28 september 2020 11:36 Gemeente Dordrecht 'Collegebenw'; Sleeking, PH (Piet); SecretariaatWMC; Boer, M den (Mark) Jaarverslag Welstands- en Monumentencommissie 2018-2019 WMC jaarverslag 2018-2019.pdf

Opvolgingsvlag: Vlagstatus:

Opvolgen Met vlag

Geachte leden van de Gemeenteraad, Hierbij ontvangt u namens de Welstands- en Monumentencommissie het gecombineerde jaarverslag 2018-2019.

Met vriendelijke groet,

C.A.E. (Conny) van Nes senior adviseur Erfgoed & Welstand

Dordrecht

Gemeente Dordrecht

Spuiboulevard 300 3311 GR DORDRECHT

' Postbus 8, 3300 AA DORDRECHT S 14078 cae.van.nes@dordrecht.nl S (078) 770 4908

monarchg) dordrecht.nl www.monumentenzorgdordrecht.nl

Neem alstublieft het milieu in acht voordat u besluit deze mail te printen.

1

Colofon Teksten Matthijs de Boer, Dennis Smit, Ineke de Visser, Ciska Bakker en Gerrit van Es

Eindredactie Frits Baarda

Fotografie Frits Baarda

1

Inhoudsopgave

P 4

Welstand en andere woorden

Matthijs de Boer, voorzitter

P 7

De opmars van Street art Dennis Smit, secretaris

p9

Monumenten en duurzaamheid

Ineke de Visser, bouwhistoricus Ciska Bakker, restauratiedeskundige

p 13

Hoe het cumulatief stratenpatroon verdwijnt

Gerrit van Es, architect

p 15

Van het secretariaat

2

1 Welstand en andere woorden

Ma tthijs de Boer, voorzitter

Welstandscommissies functioneren in Nederland onder verschillende benamingen. Dit artikel gaat over die namen en hun betekenissen in relatie tot het werk dat we doen voor de stad. De oude term 'Schoonheidscommissie' komt niet meer voor. Klinkt ook wel erg archaïsch. Het woord schoonheid wordt nauwelijks nog gebruikt, en over smaak valt niet te twisten, luidt het spreekwoord - om aan te geven dat daar juist wel over getwist wordt. Maar de welstandscommissie gaat er niet over. Ook het woord welstandscommissie is, alle spelregels van openbaarheid en vaste toetsingscriteria ten spijt, een beladen term geworden. Als je daar als gemeente vanaf wil, maar niet het kind met het badwater wilt weggooien, noem die commissie dan gewoon 'Commissie Ruimtelijke Kwaliteit' (Amsterdam) of 'AOK-adviescommissie omgevingskwaliteit' (Delft). Saillant is dat ook de Federatie Welstand, de organisatie die landelijk het welstandstoezicht in de gaten houdt, het nodig vond haar naam te veranderen. Die heet nu Federatie Ruimtelijke Kwaliteit en werkt met de slogan Mooiwaarts! Welstand is uit de naam verdwenen en schoonheid komt in de term Mooiwaarts via de achterdeur weer binnen. Gaat het dan toch over mooi en lelijk? What's in a name? In alle gemeenteraden zit wel iemand die per abuis spreekt van de 'Welzijnscommissie'.

Maar alle gekheid op een stokje, het is natuurlijk wel belangrijk dat de vlag de lading dekt. De term 'ruimtelijke kwaliteit' is niet voor niets geïntroduceerd. Weliswaar gaat 'welstand' altijd over 'het bouwplan in zijn omgeving', maar 'ruimtelijke kwaliteit' geeft nog eens expliciet aan dat er ruimer wordt gekeken, ook naar het landschap en de stedenbouw. De Dordtse welstandscommissie heet voluit Welstands- en Monumentencommissie Dordrecht. Een geïntegreerde commissie, die de belangen van de stad behartigt op het gebied van monumenten en nieuwbouw. Zoals het een respectabele monumentenstad betaamt. Dat betekent voor de samenstelling van de commissie dat de disciplines architectuur en stedenbouw zijn vertegenwoordigd, maar vooral ook expertise op het gebied van monumenten. Plus natuurlijk gedegen kennis van de stad en wat daar allemaal speelt. Die monumenten zijn lang niet allemaal gebouwen die tot in de puntjes onderhouden zijn en nog gebruikt worden als toen ze juist gebouwd waren. De dynamiek van een stad als Dordrecht maakt dat ook monumenten zich aanpassen aan de tijd. Dat kan zijn aan nieuw, soms heel ander gebruik dan waar het gebouw oorspronkelijk voor ontworpen was. Soms gebeurt dit na een periode van leegstand en/of verwaarlozing. De restauratie is dan niet een nauwkeurig herstel van het pand zoals het vroeger was, maar eerder een aanpassing aan een nieuw gebruik.

Een woning wordt bijvoorbeeld een restaurant of een elektriciteitsschakelstation een appartementengebouw. Een nieuw gebruik kan de redding zijn van een historisch pand, of omgekeerd: als een gebouw niet meer kan worden gebruikt, zal het verloren gaan. De wijzigingen waarmee een gebouw wordt aangepast aan een nieuw gebruik, kunnen het gebouw ook deels een nieuw uiterlijk, deels een nieuwe beleving en deels een nieuwe betekenis aan de stad geven. En de stad rondom het monument zal intussen ook deels veranderd zijn. Deels, omdat de commissie er scherp op toeziet dat de historische waarden ook beschermd worden en de stad daardoor herkenbaar blijft.

We hebben het dan over transformaties. Ook weer een mooi woord dat in de wereld van het bouwen een eigen lading heeft gekregen. Transformatie is zó 2018. Gebouwen 4

kunnen worden getransformeerd om een nieuwe functie te huisvesten, met behoud van monumentale waarden. De stad transformeert doordat gebouwen en de openbare ruimte op een ander manier gebruikt worden, maar ook doordat er gebouwen verdwijnen en er nieuwe voor in de plaats komen. Terwijl tegelijk het stedelijk weefsel, de structuur van de stad, herkenbaar blijft. In Dordrecht leveren monumenten een belangrijke bijdrage aan die herkenbaarheid. Dat gaat ook over identiteit en karakter. Tegenwoordig wordt wel gesproken over het DNA van een stad. Dan weet je zeker dat iedereen daar net iets anders onder verstaat. Duidelijk is dat bouwplannen integraal moeten worden bekeken en getoetst, of het nu om een monument gaat of over nieuwbouw. Je kunt de omgeving van het bouwplan niet negeren - de ruimtelijke kwaliteit, de stedenbouw en het landschap. Je kunt de geschiedenis van de plek niet negeren, maar ook de techniek niet. Bouwmaterialen en bouwtechnieken zijn onderhevig aan ontwikkeling. Het vroegere ambachtelijke bouwen is onbetaalbaar geworden. Nieuwe materialen en technieken moeten zich nog bewijzen, door er ervaring mee op te doen. Onze huidige wensen en eisen ten aanzien van het comfort, het binnenklimaat en de veiligheid van gebouwen zijn ook anders dan vroeger.

Op het gebied van duurzaamheid en energievoorzieningen worden hoge eisen gesteld, die het uiterlijk van die gebouwen mede bepalen. Al die dingen kunnen op gespannen voet staan met de 'welstand' of schoonheid van een gebouw. Monumenten verdragen meestal geen kunststof kozijnen. Zonnepanelen zijn vaak geen verfraaiing van een gebouw, het stadsgezicht of het landschap. Maar we hebben ze wel nodig. Je kan dat gerust een spanningsveld noemen. Een spanningsveld waarmee we als commissie in elke vergadering te maken hebben en dat soms pittige discussies oplevert. De commissie denkt natuurlijk mee over aspecten als duurzaamheid, maar houdt haar specifieke taak en bevoegdheid in de gaten. Bij de indiening van bouwplannen blijkt gelukkig regelmatig dat veel architecten ook integraal denken, zodat al in een vroeg stadium oplossingen worden ontworpen om aan de paradoxen het hoofd te bieden.

Integraliteit, is dat dan zo'n fraai woord? De spellingcorrectie zet er een rood stippellijntje onder. Maar het is wel de rode draad van dit artikel. Het is de integrale Welstands- en Monumentencommissie Dordrecht. Dus niet een aparte welstandscommissie en een aparte monumentencommissie. In Dordrecht kunnen we de bouwinitiatieven integraal toetsen, waarbij we ook aspecten als duurzaamheid, landschap en stedenbouw kunnen betrekken. Want, nog eentje dan: 'welstand' zou je gerust een 'containerbegrip' kunnen noemen, waarbij ook de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving hoort.

5

2 De opmars van Street art

Dennis Smit, secretaris Welstands- en Monumentencommissie

De afgelopen jaren verschenen op steeds meer plekken in de stad muurschilderingen, variërend van werk van Street art-kunstenaars tot initiatieven van en met bewoners. In de meeste gevallen gaat het niet om 'bouwen', maar om het rechtstreeks aanbrengen van een schildering op een muur. De verandering van de gebouwde omgeving in de vorm van een rechtstreeks op een muur aangebrachte schildering is op zichzelf beschouwd niet vergunningplichtig. Uitzonderingen hierop zijn locaties binnen beschermd stadsgezicht en/of toepassing op monumenten. Vanwege het toegenomen aantal initiatieven is voor muurschilderingen binnen beschermd stadsgezicht een aantal welstandscriteria opgesteld. Wanneer een muurschildering niet vergunningplichtig is, wordt zo'n initiatief in beginsel niet vooraf getoetst door de Welstands- en Monumentencommissie. Wel kan de commissie achteraf toetsen of in een bepaalde situatie sprake is van een welstandsexces, in dat geval maakt het niet uit of het vergunningplichtig of vergunningvrij is. In beide gevallen kan het een welstandsexces zijn. Van een welstandexces is sprake wanneer er in een bepaalde situatie op overduidelijke wijze, ook voor niet-deskundigen, de toestand in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Een voorbeeld van een welstandsexces is het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren, die de samenhang van het straatbeeld ernstig verstoord. In een gebied met een intensief welstandregime zal eerder sprake zijn van een welstandsexces dan in een gebied met een regulier welstandsregime.

Wanneer een initiatief concreet genoeg is, kan de commissie ook vooraf een uitspraak doen of zij de muurschildering wel of niet zou aanmerken als een welstandsexces. Het vooraf met de commissie bespreken van zo'n plan is niet verplicht, maar wel sterk aan te raden. Achteraf concluderen dat er sprake is van een welstandsexces is immers voor niemand leuk, niet voor de initiatiefnemers, niet voor omwonenden en niet voor de commissie. Door een plan vooraf aan de commissie voor te leggen is er vóór het aanbrengen van de muurschildering al duidelijkheid over een eventueel welstandsexces.

Inherent aan muurschilderingen, of het nu gaat om Street art of een initiatief van bewoners, is dat ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte. Een specifieke plek in de stad zal erdoor veranderen. Het wordt, al dan niet tijdelijk, een onderdeel van het stadsbeeld. Net als bij een goed ontworpen gebouw kan het iets aan toevoegen en de stad verrijken. Die verandering van de gebouwde omgeving als gevolg van de muurschildering, oftewel het effect van de muurschildering op de stad, is wat de Welstands- en Monumentencommissie beoordeelt. De commissie beoordeelt dit aan de hand van de welstandscriteria. Het advies is geen beoordeling van de artistieke inhoud van de muurschildering: een welstandsadvies is immers geen kunstkritiek. Wel kan de vraag zijn of de muurschildering past in de omgeving en of de maat en de schaal ervan juist zijn. Dat zijn stuk voor stuk architectonische begrippen, die als welstandscriteria in de welstandsnota zijn vastgelegd. 7

3 Monumenten en duurzaamheid

Ineke de Visser, bouwhistoricus Ciska Bakker, restauratiedeskundige

Tijdens de raadsvergadering van de commissie Fysieke leefomgeving, waarbij de Welstands- en Monumentencommissie te gast was, werd de volgende vraag gesteld: 'Hoe kijkt de commissie aan tegen de energietransitie van monumentale panden in onze gemeente met betrekking tot zonnepanelen?'. Een goede vraag. Voordat we hier specifiek ingaan op de zonnepanelen, willen we deze vraag eerst in een groter kader plaatsen. Vanuit de bouwhistorie zetten we het vervolgens in een historisch perspectief. Daarna leggen we uit hoe er binnen de erfgoedsector grosso modo tegen de energietransitie wordt aangekeken. Tot slot laten we zien hoe de commissie in haar advieswerk omgaat met deze opgave. Hierbij komen natuurlijk ook de zonnepanelen ter sprake. In tegenstelling tot wat vaak gezegd wordt, zijn er veel overeenkomsten tussen de energietransitie en de monumentenzorg. In beide gevallen gaat het namelijk om waarden voor de lange termijn. De energietransitie is gebaseerd op de waarde dat wij de aarde zo goed mogelijk willen doorgeven aan onze kinderen. Goed rentmeesterschap dus. In de monumentenzorg willen we de historie tastbaar en beleefbaar doorgeven aan de volgende generaties. Dat is eveneens een vorm van goed rentmeesterschap. Het bereiken van beide waarden vraagt om professionals die een grotere horizon hebben en verder kijken.

De huidige energietransitie is zeker niet de eerste in de geschiedenis. In de middeleeuwen stookten we (inlands) hout. Halverwege de 17de eeuw was dat hout op. In laag Nederland ontstonden grootschalige nieuwe energielandschappen, zoals de Loosdrechtse plassen. Daar werden op grote schaal veengronden afgegraven voor de winning van turf, een makkelijk te transporteren brandstof. Later kwam daar gas voor in de plaats. Hoewel in 1792 het eerste huis verlicht werd door (kolen-) gaslampen, duurde het tot 1924 voordat gas via veilige pijpleidingen kon worden gedistribueerd. In 1959 werd in Slochteren gas ontdekt en binnen tien jaar was driekwart van Nederland aangesloten op het aardgasnetwerk. De energietransitie richting elektriciteit verliep sneller. De productie van gloeilampen kwam in 1881 op gang. In 1910 werd in Dordrecht een gemeentelijk energiebedrijf opgericht. Toch duurde het tot omstreeks 1930 voordat alle Nederlandse huizen op het elektriciteitsnetwerk waren aangesloten.

Sinds de oliecrisis in de jaren '70 van de vorige eeuw worden er bij woningen eisen gesteld aan de isolatie. Stapje voor stapje zijn deze eisen strenger geworden. Was in 1975 vier centimeter muurisolatie normaal, tegenwoordig is tien of twaalf centimeter het minimum. Tot 1 juli 2018 was de gasleverancier verplicht een woning (binnen de bebouwde kom) aan te sluiten op het gasnet. Sinds 1 juli 2018 is het verboden om een nieuwe woning aan te sluiten op het aardgasnet. De wet- en regelgeving is soms zo veranderlijk als het weer. Binnenkort moet de nieuwbouw aan de nieuwe BENG-norm voldoen. BENG staat voor een Bijna Energie Neutraal Gebouw. Daarnaast wordt bij steeds meer projecten aandacht besteed aan klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen. 9

De meest vergaande vorm van duurzaam bouwen is het circulair bouwen. De regering heeft aangekondigd om dit vanaf 2021 in stappen te gaan afdwingen.

In het Klimaatakkoord uit 2019 is afgesproken dat ook de bestaande gebouwen verduurzaamd moeten worden. Dit geldt dus ook voor monumenten, zij het dat de lat minder hoog ligt. Met de Routekaart Verduurzaming Monumenten ligt vast dat monumenten in 2030 veertig procent CO2-reductie moeten hebben bereikt en zestig procent CO2-reductie in 2040. Nu hebben monumenten de naam dat er niets mag en niets kan. Daarom is het opvallend dat juist in de hoek van de meest vergaande verduurzaming, namelijk het circulaire bouwen, monumenten als het grote voorbeeld worden gezien. "Nog duurzamer is natuurlijk dat woningen en wijken ook zo worden ontworpen dat ze toekomstbestendig zijn en lang kunnen blijven staan. Neem de Amsterdamse grachtenpanden, die hebben al vele levens en functies achter zich, dankzij hun grote aanpasbaarheid."1 Dit komt misschien wat flauw over, maar wie kent er niet een gebouw dat al na 25 jaar werd afgebroken. We bouwen tegenwoordig zo degelijk dat een gebouw technisch eeuwen mee kan gaan, om het vervolgens binnen één generatie toch weer te slopen. Dus het verbod om een monument te slopen is heel duurzaam! Natuurlijk vraagt het restaureren van een gebouw veel energie. Maar de grootste energievreters in de bouw zijn de productie van baksteen en beton. Stenen worden gebakken op een temperatuur van rond de 1000 graden, dat kost veel energie.

In 2010 veroorzaakte beton in de hele keten een klimaatimpact van 3,5 Mton CO2 (= 1,7 procent van de Nederlandse nationale emissie).2

De waarde van een monument wordt gevormd door de ouderdom, de uitzonderlijke architectonische kwaliteit, de zeldzaamheid of de authenticiteit. Daarom is het belangrijk dat historische materialen, constructies en details behouden blijven. Monumenten zijn geen schilderijen. Er moet in geleefd kunnen worden. Want de meeste monumenten hebben alleen bestaansrecht als ze een functie hebben. Ook vroeger werd er regelmatig wat veranderd aan monumenten. Als het goed is gedaan, dan is de latere aanbouw of verbouw een waardevolle toevoeging aan het monument. Dat moet dus ook gelden voor de aanpassingen die we nu doen.

Vanwege het criterium van authenticiteit is het adagium van de Monumentenzorg: 'Behouden gaat voor vernieuwen.' Dit betekent dat een onderdeel pas vernieuwd mag worden als het technisch helemaal 'op' is. Als een onderdorpel van een kozijn verrot is, moet het kozijn gerepareerd worden en niet het gehele kozijn vervangen worden. Dit is ook een duurzame keuze. Sinds de nota Belvedère (1999) is hier een tweede adagium aan toegevoegd: 'Behoud door ontwikkeling'. De gedachte hierachter is dat er niets zo slecht is voor een gebouw als leegstand. Een herbestemming oftewel ontwikkeling is dan noodzakelijk voor het behoud van het gebouw en vaak zijn dan forse ingrepen noodzakelijk. Je kan zeggen dat sinds de nota Belvedère de omgang met monumenten soepeler geworden is. Bij het toetsen van een bouwplan voor een monument moet er een afweging gemaakt worden tussen het gebruiksbelang en de cultuurhistorische waarden van de te wijzigen onderdelen. Daarvoor is het dus noodzakelijk dat de cultuurhistorische waarden inzichtelijk worden gemaakt. Bij verbouwingen in monumenten is er een bouwhistorische verkenning noodzakelijk. Als een aanvrager een muur wil slopen wordt onderzocht of de muur een hoge cultuurhistorische waarde heeft of van vrij recente datum is. In het laatste geval is het slopen van de muur geen probleem.

Als het een oude muur betreft, 1 Nul20 Wonen en Bouwen in de metropoolregio Amsterdam december 2019 Dossier Circulair bouwen. https://www.nul20.nl/dossiers/lange-weg-naar-circulair-bouwen 2 https://www.ce.nl/publicaties/1374/milieu-impact-van-betongebruik-in-de-nederlandse-bouw

10

wordt er gekeken of deze ingreep vanuit monumentaal oogpunt acceptabel is en vanuit het gebruiksbelang noodzakelijk. Over het algemeen kijkt een aanvrager alleen naar zijn wensen op de korte of middellange termijn. De erfgoedspecialist kijkt verder. Want hoe beter een plan doordacht is, hoe langer het duurt voordat het pand opnieuw verbouwd zal worden. Het aandringen op goed doordachte plannen is dus belangrijk vanuit een erfgoedbelang, maar ook vanuit het duurzaamheidsbelang. Helaas is het niet verplicht om bij de verbouwing van een monument een restauratiearchitect in de arm te nemen. De Welstands- en Monumentencommissie heeft dan ook haar handen vol aan middelmatige of slechte plannen in waardevolle gebouwen.

Bij het verduurzamen van monumenten komen een paar aspecten vaak voor, zoals isolatieglas aanbrengen, gevels isoleren, installaties vervangen en zonnepanelen aanbrengen. Dat enkel glas qua milieu-duurzaamheid en wooncomfort onvoldoende presteert is een open deur. De commissie is daar niet doof voor. Maar de vervanging moet wel zorgvuldig afgewogen worden. Per kozijn moet bekeken worden, wat hier de beste oplossing is. Toepassing van dun monumentenglas, achterzetramen of isolerend glasfolie zijn een paar van de mogelijkheden die vaak beter inpasbaar zijn dan standaard isolatieglas. De commissie is ook kritisch op het leidingverloop van installaties. Zij heeft er doorgaans geen probleem mee als in een pand een badkamer verplaatst of toegevoegd wordt, maar zij wil wel graag voorkomen dat (riolering-) leidingen bijvoorbeeld dwars door een geornamenteerd stucplafond heen worden getrokken. Dat klinkt voordehand liggend, maar in de praktijk is dat een grote bron van zorg, zeker omdat de installaties in gebouwen steeds ingewikkelder worden. Na-isoleren is iets dat zorgvuldig moet gebeuren; de omgang met de bestaande detailleringen, maar ook de zorg voor de juiste bouwfysische balans in een oud pand. Helaas haalt de commissie nogal eens fouten uit tekeningen, die tot schade aan het monument hadden kunnen leiden. Tot slot de zonnepanelen waarmee dit artikel begon.

Zonnepanelen zijn op monumenten toegestaan als ze niet zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte en er geen bijzondere dakbedekking op het pand aanwezig is. Overigens vindt de commissie het heel frustrerend als er in dezelfde vergadering eerst een monument langskomt, waar met moeite twee zonnepanelen op gezet worden en daarna een fabriekshal waarbij enorme dakoppervlakken onbenut blijven. Maar Welstand gaat niet over wel of geen zonnepanelen. Dat beslist de eigenaar. We kunnen hooguit vragen of er al nagedacht is over zonnepanelen en of de architect deze wil mee-ontwerpen, zodat het dak er netjes uitziet.

Monumenten en duurzaamheid hebben dus meer met elkaar gemeen dan vaak wordt gedacht. Ze zijn gebaseerd op de gedeelde waarde van goed rentmeesterschap voor toekomstige generaties. Het sloopverbod, restaureren in plaats van vernieuwing en een zorgvuldige planvorming zorgen voor het voorkomen van veel onnodige milieubelasting. Het aanbrengen van zonnepanelen en het verduurzamen van monumenten zijn wel degelijk mogelijk, maar vraagt wel om vakmanschap. En dat is terecht: het gaat per slot van rekening om de mooiste gebouwen. Hopelijk hebben we hier duidelijk kunnen maken dat de Welstands- en Monumentencommissie zeer zorgvuldig omgaat met de prachtige monumenten die Dordrecht rijk is. Maar ook dat zij de verduurzaming van het Dordtse erfgoed met een positieve en kundige blik beoordeelt.

11

4 Hoe het cumulatief stratenpatroon verdwijnt

Gerrit van Es, architect Dordrecht is historisch en organisch gegroeid door een aaneenrijging van panden langs wegen, rivieren, havens en straten. Elk pand heeft zijn eigen signatuur, die levendigheid geeft aan de stad. Deze panden hebben echter ook een vormrelatie die voortkomt uit de bouwtraditie en de klassieke ordening van de gevelarchitectuur. Deze eigenschappen geven het straatbeeld een eenheid in de verscheidenheid die een stad kenmerkt. De samenhang van de straatgevels laat zich lezen door een licht verschuivende maatvoering en kleine verandering in de ritmiek van de architectonische gevelelementen, het zogeheten cumulatief stratenpatroon. Ieder pand heeft zijn eigen dakbeëindiging met kroonlijst of topgevel. Het lijkt alsof panden op een hoffelijke manier met elkaar converseren, zoals men in gezelschap 'hoffelijk' met elkaar in gesprek is, doorspekt met grapjes. Ieder pand heeft zijn eigen grootte, variërend van twee tot vier bouwlagen en verschil in kavelbreedten. Ondanks de diversiteit in grootte, ordening en bouwperioden blijft men de binnenstad ervaren als een harmonisch geheel. De historische stad zou je kunnen karakteriseren als een ruimtelijke en maatschappelijk coherente ontwikkeling in de tijd, waardoor de stad leesbaar en herkenbaar is voor zijn inwoners en passanten.

Hoe kan het nu dat die samenhang van de panden in de oude binnenstad, qua architectuur en bouwperioden, wel behouden blijft terwijl men deze kwaliteit in de huidige tijd niet meer terugvindt? Waarom is dit ook niet terug te vinden in de recente, perceelsgewijze ontwikkelingen die qua opzet min of meer dezelfde kavelopzet hebben als die van de historische stad?

De huidige perceelsgewijze ontwikkeling wordt stedenbouwkundig geregisseerd door middel van het kavelpaspoort. Hierin wordt de grootte van het kavel, bebouwingsoppervlakte, bouwhoogte en rooilijn vastgelegd. Tevens wordt aan het kavelpaspoort een beeldkwaliteitsplan toegevoegd om de acterende architecten op één lijn te krijgen. Hier is niets mis mee en qua kavelstructuur past dit model in het binnenstedelijk weefsel, zoals de ontwikkeling aan het Wantij. Vanaf de binnenstad ziet de nieuwe kadewand er speels en divers uit. Elk pand heeft zijn eigen architectuur en monumentaliteit. Het ontworpen kavel is een op zichzelf gerichte eenheid die de wens van het individu weerspiegelt. Per kavel heeft men een geheel eigen gevelcompositie met raamopeningen, balkons, entrees en dergelijke. Ook in kleur- en materiaalgebruik zijn de gevels verschillend. Gezien de weidsheid van het Wantij werkt de diversiteit van de panden in het straataanzicht van de kade niet als storend. Echter in een binnenstedelijke situatie, zoals bij het Papeterspad met smallere straatprofielen, overstraalt de individuele expressie de collectiviteit van de stedelijke ruimte. Dit in tegenstelling tot het historische stadsbeeld.

De historisch gegroeide straatwand toont zich namelijk als een 'open' compositie met een nuancering qua maat en architectonische compositie van de panden die in zichzelf geen(!) besloten eenheid vormen. Deze vondst van de klassieken noemt men het 'cumulatief formeel straten patroon van afzonderlijke woningen'. De panden hebben allen een verwantschap met de compositieregels, gesteld vanuit de klassieke orde en bouwtraditie. Zo wordt een horizontale continuïteit gerealiseerd in ruimte en tijd. Het individuele pand is herkenbaar in de collectieve straatgevel, zoals ook de collectiviteit 13

herkenbaar is in het individuele pand. Er treedt een wederkerigheid op tussen het individuele en de collectiviteit van de stad. De straatwanden begeleiden op harmonieuze, terughoudende wijze de openbare ruimte van de historische binnenstad.

De Dordtse gevels langs de straten, kaden en grachten vertonen die 'hoffelijke conversatie', verhalen met subtiele wendingen. Het is een keten van woorden, eindeloze afwisselingen en zinswendingen die het verhaal van de oude binnenstad zo boeiend en schilderachtig maakt.

Deze subtiele conversatie van historische panden is echter niet terug te vinden in de hedendaagse perceelsgewijze verkaveling. De panden staan naast elkaar, een soort gemompel in zichzelf. Het spel van de architectuur rijkt niet verder dan de kavelbreedte, de conversatie met de buren ontbreekt, ieder pand staat op zich. De moderne individualistische architectuur is per kavel het uitgangspunt. Ieder pand heeft zijn eigen plastische ordening en ritmiek van gevelopeningen. De gevelarchitectuur van de individuele panden zijn nu 'monumentaler' geworden dan de traditionele gevels. De individualiteit van het ontwerp is het belangrijkste uitgangspunt geworden, het individuele pand is een op zichzelf staand object in de rij van panden. De 'informatieve' rijkdom van deze nieuw ontwikkelde gevels verlegt de aandacht van de passant van de openbare ruimte naar het object van de moderne individualiteit in plaats van het collectief besef van de stad.

Het totale beeld van de traditionele straatwand, met zijn nuanceringen en zinswendingen, is geheel verdwenen. De straatwand van de hedendaagse perceelsgewijze verkaveling heeft een meer 'staccato' geleding in plaats van de subtiele aaneengesloten geleding. Het metrische patroon van de traditionele straatgevel bindt het individuele met het gemeenschappelijke, wat tot een harmonische straatgevel leidt. In plaats van een toegevoegd beeldkwaliteitsplan voor het kavelpaspoort zou het interessant zijn een thematiek te ontwerpen om de cohesie van de straatgevel te borgen en niet alleen referentiebeelden. Het gaat dus niet om het beeld van het pand alleen, maar om de samenhang waarin het individuele zich herkent in de collectiviteit. Dus ontwerp een thematiek of ruimtelijk kader, waarbinnen de verschillende architectonische elementen kunnen worden uitgezet, zonder dat het geheel of de individuele ontwikkeling is vastgelegd, zoals het cumulatief stratenpatroon. Met deze ontwerpthematiek zou tevens projecten in de binnenstad kunnen worden geregisseerd. Het gaat erom hoe het nieuwbouwplan reageert op modus en veranderende ritmiek van de bestaande staatwand, waardoor het een conversatie aan kan gaan met de stad. Hierin staat het individuele en het collectieve, alsook het nieuwe en het oude in een wederkerige relatie.

Alleen zo kan de passant genieten van de subtiele conversatie tussen de panden langs de grachten, lanen en straten, die Dordrecht zo innemend maakt.

Ter afsluiting een citaat uit 'De taal van de klassicistiese architectuur'(uitgave SUN, 1983), het gebod tot orde van Alexander Tzonis:

'Het kumulatieve formele patroon houdt het midden tussen een alomvattende kompositie, die slechts één wereld namelijk de wereld van de klassicitiese architectuur beheerst, en een landschap met een "open" vrije vorm'.

14

Van het secretariaat In 2018 zijn 536 plannen behandeld, waarvan 401 keer een aanvraag omgevingsvergunning, 115 keer een vooroverleg en in 20 gevallen ging het om een legalisatieonderzoek of om de vraag of er wel of niet sprake was van een welstandsexces. In 68 gevallen ging het om een plan voor een Rijksmonument, in 54 gevallen om een plan voor een gemeentelijk monument en in 74 gevallen om een plan binnen Beschermd Stadsgezicht. Er is 717 keer een advies uitgebracht, 290 keer door de grote commissie, 251 keer door de kleine commissie en 176 keer een ambtelijk advies. Gemiddeld leidt 1,4 behandeling tot een positief advies.

In 2019 zijn 503 plannen behandeld, waarvan 403 keer een aanvraag omgevingsvergunning, 93 keer een vooroverleg en in 7 gevallen ging het om een legalisatieonderzoek of om de vraag of er wel of niet sprake was van een welstandsexces. In 47 gevallen ging het om een plan voor een Rijksmonument, in 57 gevallen om een plan voor een gemeentelijk monument en in 58 gevallen om een plan binnen Beschermd Stadsgezicht. Er is 702 keer een advies uitgebracht, 223 keer door de grote commissie, 238 keer door de kleine commissie en 241 keer een ambtelijk advies. Gemiddeld leidt 1,4 behandeling tot een positief advies.

15

Colofon

Teksten Matthijs de Boer, Dennis Smit, Ineke de Visser, Ciska Bakker en Gerrit van Es Eindredactie Frits Baarda

Fotografie Frits Baarda Vormgeving gemeente Dordrecht

16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.dordrecht.nl/api/v1/meetings/216/documents/6326