VG01 210111 35918002 -aangepast- Toelichting en regels St. Josephstraat 39-53, Dongen
Tekst van het document
RISICOKAART PLANGEBIED
48
5.1.3.2.2
Explosieven
Het plan omvat nieuwe kwetsbare objecten. De gemeente Dongen heeft aangegeven dat er mogelijk sprake is van conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog binnen het plangebied. Deze kunnen gevaar opleveren als daar bij activiteiten in de bodem op wordt gestuit. Om een pragmatische wijze een indicatie te kunnen geven van het al dan niet verdacht zijn van het onderzoeksgebied heeft I&A Survey BV uit Amsterdam een onderzoek uitgevoerd, rapport: ''Quickscan Explosieven'' (9 mei 2017, GPR6532). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 4. I&A Survey BV concludeert dat:
op basis van de bronnen kan worden gesteld dat er troepenverplaatsingen in de nabijheid van het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden. Na de bevrijding van Dongen op 30 oktober 1944 zijn diverse V1-bommen in Dongen terecht gekomen. Geen van deze feiten zijn echter op basis van de quickscan direct te relateren aan het onderzoeksgebied.
er geen feiten zijn gevonden die de aanwezigheid van explosieven doet vermoeden binnen het onderzoeksgebied.
I&A Survey BV verondersteld dat er geen noodzaak is een historisch vooronderzoek uit te voeren.
5.1.3.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.1.4
Geurhinder veehouderijen
5.1.4.1 Inleiding Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.
5.1.4.2 Analyse Het initiatief omvat nieuwe geurgevoelige objecten, maar ligt niet in de omgeving van veehouderijen. Het uitvoeren van een geuronderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
BESTEMMINGSPLAN SINT JOSEPHSTRAAT 39-53, DONGEN | VASTGESTELD
49
5.1.4.3 Conclusie Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.1.5
Geluid
5.1.5.1 Inleiding Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.
5.1.5.2 Analyse Het plan omvat nieuwe geluidgevoelige objecten. Verkeerslawaai Het initiatief omvat nieuwe geluidgevoelige objecten, maar ligt buiten de Ke-zones waarbinnen geen geluidgevoelige objecten mogen worden opgericht. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk. Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Er is geen akoestisch onderzoek nodig.
5.1.5.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.1.6
Luchtkwaliteit
5.1.6.1 Inleiding Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
50
5.1.6.2 Analyse Effecten plan op luchtkwaliteit In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen. Onderhavig plan omvat 40 woningen en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig. Goed woon- en leefklimaat In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn daarom alleen de volgende criteria van toepassing:
40 µg/m3 jaargemiddelde concentratie NO2;
40 µg/m3 jaargemiddelde concentratie PM10;
25 µg/m3 jaargemiddelde concentratie PM2,5;
35 overschrijdingsdagen per jaar van de gemiddelde concentratie PM10.
Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving. In het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is door diverse bronbeheerders zoals gemeenten, provincies en Rijkswaterstaat de Monitoringstool ingevoerd. Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat op deze locatie in de jaren 2017, 2020 en 2030 aan bovengenoemde grenswaarden (jaargemiddelde en overschrijdingsdagen) voor PM10 en NO2 wordt voldaan. Uit de monitoringstool volgt dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
5.1.6.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.
BESTEMMINGSPLAN SINT JOSEPHSTRAAT 39-53, DONGEN | VASTGESTELD
51
5.1.7
Volksgezondheid
5.1.7.1 Inleiding Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid. Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst.
5.1.7.2 Veehouderijen Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen. Endotoxinen Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een toxisch effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor in fijnstof van intensieve veehouderijen. De Gezondheidsraad hanteert een advieswaarde van 30 endotoxine-eenheden per kubieke meter (EU/m³) voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht over een langere periode. Omdat thans nog een toetsingskader wordt voorbereid, wordt voor de beoordeling de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingkader 1.0" gehanteerd. Daarin zijn afstandsgrafieken opgenomen voor de relevante diersoorten vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens gerelateerd aan de fijnstofemissie. In algemene zin kan worden gesteld dat het effect van endotoxinen tot maximaal 600 meter van veehouderijen plaatsvindt. Analyse Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 600 meter rondom het plangebied zijn geen (intensieve) veehouderijen actief. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect endotoxinen plaats te vinden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van endotoxinen.
52
Geitenhouderijen Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid. Analyse Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 2 km rondom het plangebied zijn echter geen geitenhouderijen met meer dan 100 geiten actief. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect geitenhouderijen plaats te vinden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geitenhouderijen.
5.1.7.3 Boom- en fruitteelt Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd. Analyse Het plan leidt tot het toevoegen van woningen of andere functies waar personen gedurende langere tijd verblijven. Desalniettemin wordt opgemerkt dat de gronden rondom het plangebied thans niet in gebruik zijn voor boom- en fruitteelt en bovendien ook niet zijn aangewezen als boomteeltontwikkelingsgebied. Geconcludeerd wordt dat er geen rekening gehouden hoeft te worden met spuitzones als gevolg van boom- en fruitteelt.
5.1.7.4 Hoogspanningsverbindingen De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla.
BESTEMMINGSPLAN SINT JOSEPHSTRAAT 39-53, DONGEN | VASTGESTELD
53
Analyse Het plan leidt tot het toevoegen van woningen of andere functies waar kinderen gedurende langere tijd verblijven. Desalniettemin wordt opgemerkt dat er sprake is van een zeer grote afstand tot hoogspanningsverbindingen, namelijk ruim 1.350 meter, en dat het schadelijke magneetveld zich tot maximaal enkele honderden meters van de hoogspanningsverbinding uitstrekt. Er is geen nader onderzoek nodig. Er is geen sprake van invloed op de gezondheid van de nieuwe bewoners door hoogspanningsverbindingen.
5.1.7.5 Conclusie Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.1.8
Milieueffectrapportage
5.1.8.1 Inleiding Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, of waarvoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is.
5.1.8.2 Analyse De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren niet tot de in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage genoemde ontwikkelingen. Er is derhalve geen nadere m.e.r.-beoordeling nodig. Gelet op de resultaten van de hiervoor reeds uitgevoerde milieuanalyse, kan zonder nader onderzoek worden geconcludeerd dat het plan geen significant nadelige milieugevolgen heeft. Een nadere motivering is niet noodzakelijk.
5.1.8.3 Conclusie Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig. Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.
54
5.2
Waarden
5.2.1
Archeologie
5.2.1.1 Inleiding Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.
5.2.1.2 Analyse Het plangebied ligt gedeeltelijk in een zone met een landschappelijke waarden. Voorafgaand aan de ontwikkelingen dient in kaart gebracht te worden of zich binnen het onderzoeksgebied behoudenswaardige archeologische resten (zouden kunnen) bevinden, die tegen de achtergrond van de bodemingrepen gevaar lopen. Archeologisch bureau- en inventariserend onderzoek noordelijk deel plangebied Bureau voor Archeologie uit Utrecht heeft een bureau- en inventariserend onderzoek uitgevoerd, rapport: ''St Josephstraat, Dongen, gemeente Dongen: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase'' (5 juli 2017, 2214-6687). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 5. Op basis van dit onderzoek concludeert Bureau voor Archeologie dat:
uit milieukundig onderzoek blijkt dat het archeologisch niveau in het noordelijke plandeel waarschijnlijk door egalisatie, bouw- en sloopwerkzaamheden in de 20e eeuw is verstoord.
het booronderzoek bevestigd dat de bovenste 45 tot 120 cm van het bodemprofiel is omgewerkt.
Bureau voor Archeologie beveelt aan om bodemingrepen in de zone langs de Sint Josephstraat dieper dan 50 centimeter te vermijden. Aanbevolen wordt de rest van het noordelijke plandeel vrij te geven voor de beoogde ontwikkeling. Het zuidelijke deel is niet onderzocht.
BESTEMMINGSPLAN SINT JOSEPHSTRAAT 39-53, DONGEN | VASTGESTELD
55
Archeologisch vooronderzoek zuidelijke deel plangebied Naar aanleiding van bovengenoemd onderzoek heeft Vestigia uit Amersfoort een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd, rapport: ''Archeologisch vooronderzoek in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van het JAL-terrein aan de St. Josephstraat 39 te Dongen, gemeente Dongen'' (19 december 2019, V18-3998). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 6. Op basis van dit onderzoek concludeert Vestigia dat:
bij het inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen een dunne bouwvoor is aangetroffen met een scherpe overgang naar het onderliggende ongestoorde dekzand. In het dekzand zijn geen sporen van bodemvorming en geen roest aangetroffen. Op basis daarvan is geconcludeerd dat de oorspronkelijke bodem in het (sub)recente verleden tot ten minste 50 centimeter beneden het oorspronkelijke maaiveld moet zijn vergraven. Eventuele archeologische waarden zullen hierbij verloren zijn gegaan.
Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek kan de archeologische verwachting voor het onderzochte gebied worden bijgesteld naar ‘laag’ voor alle archeologische periodes. Vestigia adviseert dan ook geen vervolgstappen in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het is aan het bevoegd gezag, de gemeente Dongen, om een besluit te nemen ten aanzien van het beëindigen van het onderzoeksproces. Ondanks een zorgvuldig onderzoek kan nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister. Advies Monumentenhuis Brabant Monumentenhuis Brabant adviseert het plangebied voor de huidige ontwikkeling vrij te geven, maar in het zuidwestelijke gedeelte van het plangebied (het gedeelte waar in 2019 aanvullend onderzoek is gedaan) een dubbelbestemming archeologie te behouden voor lagen dieper dan 1,50 m onder het maaiveld. Indien er in de toekomst dan toch ingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 1,50 m onder het maaiveld worden gedaan, kan dan nog onderzocht worden of er onder het eventuele stuifzand nog archeologische resten aanwezig zijn.
56
5.2.1.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan. De gronden tussen de percelen aan de Sint Josephstraat hebben mogelijk nog wel een archeologische waarden en hebben in dit bestemmingsplan een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 1' gekregen. Voor alle gronden achter de bebouwing aan de Sint Josephstraat is de archeologische verwachtingswaarde bijgesteld naar laag voor de bovenste 1,50 m. Voor de gronden in de bovenste laag tot 1,50 meter is geen archeologisch onderzoek verplicht. Wanneer er werkzaamheden dieper dan 1,50 worden verricht met een oppervlakte van meer dan 100 m2 dient nog wel een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Deze verplichting is opgenomen in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2'.
5.2.2
Cultuurhistorie
5.2.2.1 Inleiding Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.
5.2.2.2 Analyse Binnen het plangebied zijn cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Het rijksmonument en beeldbepalend pand binnen het plangebied zijn reeds in beeld en bij de planvorming wordt hiermee rekening gehouden. De cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Dongen, bijgevoegd als bijlage 7 van de toelichting, gaat in op de industrialisatie van de kern Dongen. Hierin wordt verondersteld dat: ''Tijdens de industrialisatie transformeerde de leernijverheid in Dongen zich tot leerindustrie. Mede als gevolg van de goedkope arbeidskrachten groeide Dongen uit tot een centrum van leer- en schoenenindustrie in Brabant. In 1895 waren 119 leerlooierijen actief in het dorp. In 1885 tweehonderd schoenmakerijen. In het eerste kwart van de twintigste eeuw groeide een aantal van deze kleine bedrijfjes uit tot grote industriële complexen.'' Op basis van de waardestelling worden door de initiatiefnemer diverse ontwerpkeuzes gemaakt om de beleefbaarheid van de fabriek te waarborgen.
BESTEMMINGSPLAN SINT JOSEPHSTRAAT 39-53, DONGEN | VASTGESTELD
57
Binnen onderhavig planvoornemen heeft de initiatiefnemer daarnaast rekening gehouden met de beeldbepalende waarden van het gebouw.
Dakopbouw krijgt een gesloten karakter richting de oostzijde in verband met de privacy van de buren.
De dakopbouw komt terug te liggen ten opzichte van de bestaande dakopstand, zodat het duidelijk is waar het monumentale volume stopt en waar het nieuwe volume begint.
De dakopbouw wordt contrasterend ten opzichte van het monument ontworpen, zonder dat daarbij de samenhang in verhouding, kleurgebruik en materiaal verloren gaat.
5.2.2.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
5.2.3
Natuurwaarden
5.2.3.1 Inleiding Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen:
gebiedsbescherming;
soortenbescherming;
bescherming van houtopstanden.
5.2.3.2 Analyse Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Brabant. Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om stikstofdepositie. Conform de Wet natuurbescherming mag de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden namelijk niet toenemen. Er geldt dan ook een grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar. Om de effecten van onderhavig plan op de omliggende Natura 2000-gebieden te bepalen is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd door Lycens (rapport 'Stikstofdepositieberekening in relatie tot Natura 2000 Locatie JAL terrein Dongen', kenmerk: 2020-0077-01, 14 februari 2020). Het onderzoeksrapport is als bijlage 8 bijgevoegd.
58
Soortenbescherming Bij ontwikkeling van het initiatief kunnen door de sloop van de bebouwing of kappen van bomen/rooien van beplanting verblijfplaatsen, foerageergebieden, vliegroutes van vogels en vleermuizen verstoord worden. Quickscan flora en fauna De beoordeling van het plan ten aanzien van de soortenbescherming is uitgevoerd door Ecologisch adviesbureau De Brabantse Wal uit Bergen op Zoom: rapport 'Quickscan flora en fauna ten behoeve van herontwikkeling terrein voormalige schoenenfabriek aan de Sint Josephstraat 39-53 te Dongen ' (mei 2017, 17.05.03). Het onderzoeksrapport is als bijlage 9 bijgevoegd.
BESTEMMINGSPLAN SINT JOSEPHSTRAAT 39-53, DONGEN | VASTGESTELD
59
Op basis van dit onderzoek concludeert Ecologisch adviesbureau De Brabantse Wal dat:
zowel in gebouw 5 als gebouw 7 broedende vogels zijn aangetroffen. In gebouw 5 gaat het om de Kauw en de niet wettelijk beschermde verwilderde postduif, en in gebouw 7 om de Kauw en de Pimpelmees.
rond het terrein foeragerende Gewone dwergvleermuizen zijn aangetroffen en er was tevens sprake van een overtrekkende Rosse vleermuis. Alhoewel dit niet geconstateerd is, is niet uit te sluiten dat de Gewone dwergvleermuis een verblijfplaats heeft in de liftschacht van gebouw 6 en dat de Rosse vleermuis huist in de in minder goede staat verkerende Paardenkastanje en/of Hollandse linde oostelijk van gebouw 5.
Op het terrein zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen.
Een deel van de effecten is te voorkomen door sloop- en snoei- c,q. kapwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Verder is het van belang om bij de uitvoering zorgvuldig te handelen en eventueel aangetroffen dieren de gelegenheid te bieden weg te vluchten. Voor de verwilderde postduiven is het wellicht nodig ze op een moment dat ze niet broeden of geen niet-vliegvlugge jongen verzorgen te verstoren en/of te verjagen. Voor de vos is het gewenst de twee meest westelijk gelegen holen met afschermende beplantingen in een nieuwe situatie te vrijwaren van mogelijke verstoringen. Door zorgvuldig te werken en de voorgestelde mitigerende maatregelen uit te voeren wordt ook invulling gegeven aan de algemene zorgplicht die er op grond van de wet natuurbescherming is. Voor het vaststellen van mogelijk gebruik van opstallen of bomen door Gewone dwergvleermuis en Rosse vleermuis is aanvullend onderzoek nodig. Beoordelend vleermuizenonderzoek Naar aanleiding van bovengenoemd onderzoek heeft Cobra adviseurs uit Cuijk een Beoordelend vleermuizenonderzoek uitgevoerd, rapport: ''Beoordeling gebouw en boom op verblijfplaatsen van vleermuizen op locatie J.A.L.-terrein in Dongen'' (18 februari 2019, 302108 v1.0). Het onderzoeksrapport is als bijlage 10 bijgevoegd. Op basis van dit onderzoek concludeert Cobra adviseurs dat:
er geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in de liftschacht.
verblijfplaatsen van vleermuizen ook geen belemmeringen vormen voor het kappen of snoeien van de paardenkastanje. Er zijn namelijk geen verblijfplaatsen van vleermuizen in deze boom aanwezig.
60
er naar alle waarschijnlijkheid ten minste één zomer- en/of paarverblijfplaats van vleermuizen aanwezig is in gebouw 2. Het is goed mogelijk dat er meer van dit type verblijfplaatsen aanwezig zijn. Om vast te stellen om welke soorten en aantallen vleermuizen het gaat, moet nader onderzoek worden uitgevoerd.
voor het bewoonde duivennest op de zolder van gebouw 2 geadviseerd wordt om de zolder tot ongeveer half februari 2019 niet te betreden, om verstoring te voorkomen.
het mogelijk is dat er winter-, kraam-, zomer- en/of paarverblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in de spouwmuren van gebouw 4. Om vast te stellen om welke soorten en aantallen vleermuizen het gaat, moet nader onderzoek worden uitgevoerd.
het mogelijk is dat er zomer- en/of paarverblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn achter scheuren, kieren en openingen in van gebouw 1 (met uitzondering van de liftschacht). Om vast te stellen om welke soort en aantallen vleermuizen het gaat, moet nader onderzoek worden uitgevoerd.
er geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in de linde op het voorterrein.
op het achterterrein verblijfplaatsen aanwezig zijn van konijnen in de vorm van holen. Konijnen zijn op nationaal niveau beschermd, maar in Noord-Brabant geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen voor deze soort een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Zorgvuldig handelen is echter vereist. Daarom adviseren wij om de konijnenholen in kaart te brengen en de holen te ontzien tussen januari en juni (zie onderstaande 'Inspectie mogelijke verblijfplaatsen beschermde soorten').
Tot slot wordt opgemerkt dat de zorgplicht als genoemd in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming te allen tijde van toepassing is. Inspectie mogelijke verblijfplaatsen beschermde soorten Naar aanleiding van het beoordelend vleermuisonderzoek heeft Cobra adviseurs uit Cuijk een inspectie naar mogelijke verblijfplaatsen beschermde soorten uitgevoerd, rapport: ''Inspectie mogelijke verblijfplaatsen beschermde soorten op J.A.L.-terrein in Dongen'' (18 maart 2020, 302943 v1.0). Het onderzoeksrapport is als bijlage 11 bijgevoegd. Op basis van dit onderzoek concludeert Cobra adviseurs dat:
er geen verblijfplaatsen van postduiven, konijnen, huismussen en kerkuilen aanwezig zijn op het J.A.L.-terrein. Ten aanzien van deze soorten zijn in het kader van de Wnb dan ook geen vervolgstappen nodig.
BESTEMMINGSPLAN SINT JOSEPHSTRAAT 39-53, DONGEN | VASTGESTELD
61
er bewoonde nesten van kauw en pimpelmees (en mogelijk andere kleine zangvogels met uitzondering van huismussen) aanwezig zijn in openingen en kieren van gebouw 2. Nesten van pimpelmees zijn in sommige gevallen jaarrond beschermd. Maar in dit geval niet, omdat in de directe omgeving voldoende alternatieve nestlocaties voorhanden zijn. Nesten van kauw zijn ook niet jaarrond beschermd.
er kans is op een bewoond eekhoornnest in een van de bomen aan de zuidoostrand van het terrein. Zolang deze boom en de bomen die onderdeel uitmaken van dezelfde bomenrij behouden blijven, zijn er geen vervolgstappen nodig in het kader van de Wnb.
Cobra adviseurs adviseert om na het broedseizoen alle kieren en openingen in gebouwen af te dichten, zodat deze ongeschikt worden voor vogels als verblijfplaats. Aanvullend vleermuisonderzoek Naar aanleiding van het beoordelend vleermuisonderzoek heeft Cobra adviseurs uit Cuijk een Aanvullend vleermuizenonderzoek uitgevoerd, rapport: ''Vleermuisonderzoek J.A.L.terrein Dongen'' (5 februari 2020, 302337). Het onderzoeksrapport is als bijlage 12 bijgevoegd. Op basis van dit onderzoek concludeert Cobra adviseurs dat:
Voor ruige dwergvleermuis en laatvlieger zijn geen vervolgstappen nodig in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn. Er is namelijk geen sprake van verblijfplaatsen en er wordt geen essentieel foerageergebied of vliegroute aangetast van deze soorten.
Tijdens het onderzoek met de batdetector zomer- en paarverblijfplaatsen van zes gewone dwergvleermuizen zijn vastgesteld in één van de onderzochte gebouwen. Zomer- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis kunnen ook als winterverblijfplaats worden gebruikt. Alle vleermuizen zijn strikt beschermd onder de Wnb. Het renoveren of slopen van het gebouw met verblijfplaatsen leidt tot overtreding van artikel 3.5 lid 4 Wnb, omdat met een dergelijke handeling verblijfplaatsen worden aangetast. Om het gebouw met verblijfplaatsen te mogen renoveren of slopen, is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Deze ontheffing moet worden aangevraagd bij het bevoegd gezag, in dit geval Provincie Noord-Brabant. Bij de ontheffingsaanvraag dient ook een activiteitenplan te worden aangeleverd.
62
Het opstellen van het activiteitenplan waarin onder andere de mitigerende maatregelen zullen worden omschreven is reeds in gang gezet en ook zal de ontheffingsaanvraag worden voorbereid. Bescherming van houtopstanden Het plan omvat niet het kappen van bomen buiten de bebouwde kom of in een houtopstand van meer dan 10 are, of het kappen van een bomenrij van meer dan 20 bomen. Er is derhalve geen herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Inpasbaarheidsonderzoek bomen Door Cobra adviseurs uit Cuijk een is een inpasbaarheidsonderzoek naar de bestaande bomen uitgevoerd, rapport: 'Inpasbaarheidsonderzoek 111 bomen J.A.L-. terrein Dongen'' (14 maart 2019, 302108 v1.0). Het onderzoeksrapport is als bijlage 13 bijgevoegd. Hierna is de samenvatting van de rapportage en het advies opgenomen. Kwaliteit en toekomstverwachting Er zijn 92 bomen met een normale conditie en negentien bomen met een verminderde of sterk verminderde conditie. De gemiddelde kwaliteit van de bomen is goed, maar er is sprake van achterstallig onderhoud. In veel bomen zijn bijvoorbeeld afgestorven takken aanwezig. De toekomstverwachting van 107 bomen is meer dan vijftien jaar en van twee bomen minder dan vijftien jaar. Bij twee bomen kan de toekomstverwachting pas worden bepaald na het uitvoeren van nader onderzoek.
Groeiplaats en beworteling Vanwege de overwegend schrale groeiplaatsomstandigheden wortelen de bomen vooral in de bovenste 30 cm van het profiel. Hierdoor hebben de bomen overwegend een oppervlakkig en breed wortelgestel ontwikkeld met veel fijne beworteling. Gemiddeld hebben de bomen tot circa 40 cm stamdiameter een kluitgrootte van circa vijftien keer de stamdiameter. De bomen vanaf circa 40 cm stamdiameter hebben een kluitgrootte van circa tien keer de stamdiameter. Voor sommige bomen, bijvoorbeeld de bomen in verharding, hebben de kluiten een afwijkend, compacter formaat. Inpasbaarheid Op basis van de actuele toekomstverwachting en de kwaliteit van de groeiplaats hebben wij de inpasbaarheid bepaald. Bijna alle bomen zijn vanwege de goede kwaliteit en toekomstverwachting inpasbaar en het behouden waard. Bij twee bomen is eerst nader onderzoek nodig om te bepalen of het nog zinvol is de bomen in te passen.
BESTEMMINGSPLAN SINT JOSEPHSTRAAT 39-53, DONGEN | VASTGESTELD
63
Twee bomen met een beperkte toekomstverwachting adviseren wij niet in te passen. Advies Allereerst moet een keuze gemaakt worden over welke bomen behouden kunnen blijven of verwijderd moeten worden. Bomen kunnen behouden blijven als het ontwerp rekening houdt met de kluitdiameter en de kroonprojectie. En er binnen de kluitdiameter geen afgraving en grote ophoging plaatsvindt. Bomen waarbinnen afgraving en grote ophoging onvermijdbaar is, adviseren wij niet in te passen. Daarnaast hebben wij aanbevelingen opgenomen over:
uit te voeren boomveiligheidsmaatregelen;
uit te voeren nader onderzoek als verplanten wordt overwogen;
op te nemen uitgangspunten voor het ontwerp en handvatten voor boombescherming;
een op te stellen bomeneffectanalyse zodra het voorlopig ontwerp gereed is.
Met voorgaand inpasbaarheidsonderzoek is zoveel mogelijk rekening gehouden bij de situering van de woningen en tuinen. Hiermee kunnen zo veel mogelijk bomen behouden blijven.
5.2.3.3 Conclusie Na verkrijging van de ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming vormt het aspect natuurwaarden geen planologische belemmering meer voor het plan.
5.3
Waterparagraaf
5.3.1
Inleiding
Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Brabantse Delta. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets. De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).
64
5.3.2
Beleid
In deze paragraaf is het relevante vigerende beleid opgenomen.
5.3.2.1 Nationaal niveau
Het Nationaal Waterplan Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
5.3.2.2 Provinciaal niveau
Het Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2016-2021 Dit plan bevat het strategische waterbeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2016-2021. Naast beleidskader is het Provinciaal Waterplan ook toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water. Bovendien dient het plan als structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening.
5.3.2.3 Waterschap Brabantse Delta Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Brabantse Delta. Het waterschapsbeleid is onder meer beschreven in:
Het Waterbeheerplan 2010-2015 van het Waterschap
Brabant Keur Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water. Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlak. Hieromtrent is in de Algemene regels bij de keur het volgende opgenomen: 1. Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 2000 m² stelt het waterschap geen nadere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijke beleid.
BESTEMMINGSPLAN SINT JOSEPHSTRAAT 39-53, DONGEN | VASTGESTELD
65
2. Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 2000 m² maar minder dan 10.000 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) 3. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig.
Beleidsregel "Hydrologische uitgangspunten, bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen". In de Beleidsregel worden de kaders en normen voor de watertoets gegeven. De uitgangspunten ten aanzien van het hemelwaterbeleid worden beschreven. Met behulp van de afvoernormen kan de benodigde waterberging en/of retentievoorziening worden berekend. De voorkeursvolgorde voor de te treffen compenserende maatregel betreft: 1. infiltreren; 2. retentie aanleggen binnen plangebied; 3. retentie aanleggen buiten plangebied; 4. berging zoeken in bestaand plangebied. Voor onderhavig plan is gekozen voor een combinatie van infiltratie en berging zoeken in het bestaand plangebied door middel van de aanleg van wadi's (zie berekening bergingscapaciteit in paragraaf). Verder zijn de volgende randvoorwaarden opgenomen: 5. Hemelwatersysteem. 6. Kwantiteit. 7. Kwaliteit. 8. Drooglegging.
5.3.3
Watersysteem
5.3.3.1 Bodem Er heeft geen specifiek onderzoek plaatsgevonden naar de infiltratiecapaciteit van de bodem. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek (zie paragraaf 5.1.1) blijkt dat ter plaatse sprake is van een matige fijne zandbodem. De waterdoorlatendheid is goed.
66
5.3.3.2 Oppervlaktewater Binnen het plangebied en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig.
5.3.3.3 Grondwater De gemeten hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied lag tijdens het bodemonderzoek op 3,00 m-mv.
5.3.3.4 Waterschapsbelangen Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied waarin waterschapsbelangen een rol spelen, zoals waterkering, waterberging of waterwinning.
5.3.4
Hemelwater
De beoordeling van het plan ten aanzien van de waterhuishouding is uitgevoerd door Akertech: rapport 'Watertoets ontwikkeling JAL Dongen' (18 mei 2020, 2020018). Het onderzoeksrapport is als bijlage 14 bijgevoegd. Op basis van dit onderzoek concludeert Akertech het volgende: Algemeen Uit het Stedenbouwkundig ontwerp blijken diverse compenseren maatregelen mogelijk om invulling te geven aan de wateropgave, zoals:
Groen dak;
Wadi’s (voorzijde woningen);
Greppels (achterzijde woningen);
Infiltratiekratten.
Compenserende maatregelen Met de toepassing van die compenserende maatregelen kan een waterberging worden bereikt van circa 1.161 m3. Dit voldoet ruimschoots aan de wateropgave van 595 m3. Echter, er dient een keuze te worden genomen in de oplossingsrichtingen. Tevens dient van de oplossingsrichtingen een watersysteem te worden uitgedacht. De voorkeur van Akertech gaat uit naar toepassing van:
Wadi’s voor regenwater afkomstig van particulier en openbaar terrein met een noodoverloop naar het IT-riool;
Infiltratiekratten voor regenwater afkomstig van particulier terrein met een noodoverloop naar de greppels gelegen aan de achterzijde van de woningen;
BESTEMMINGSPLAN SINT JOSEPHSTRAAT 39-53, DONGEN | VASTGESTELD
67
IT-riool als noodoverloop van de wadi’s, als extra buffer en (beperkte) afvoer voor pieksituaties naar het bestaande regenwaterriool in de Sint Josephstraat (bij voorkeur als ringleiding en aangesloten op 2 locaties op het bestaande riool; ter hoogte van huisnummer 41 en 55);
Toepassen waterbergende fundering onder rijbaan / parkeerplaatsen;
Toepassen van water-passerende bestrating van rijbanen.
Met deze watertoets wordt onderbouwd dat er meerdere oplossingsrichtingen waarmee de waterberging binnen het plangebied kan worden gerealiseerd.
5.3.5
Afvalwater
Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden. Het vuile afvalwater zal via de nieuw te realiseren binnenweg op de bestaande riolering in de Sint Josephstraat op geloosd worden.
5.3.6
Waterkwaliteit
Er zijn geen bijzondere maatregelen genomen om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden geen uitlogende materialen toegepast.
5.3.7
Conclusie
Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
68
HOOFDSTUK 6 FINANCÏELE HAALBAARHEID In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond. Een bestemmingsplan moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.
6.1
Kostenverhaal
Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro). In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend opgenomen ontwikkelingen behoren tot deze in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Omdat de gemeente en grondeigenaar een (anterieure) overeenkomst hebben gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal, is het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' en is het opstellen van een exploitatieplan echter niet vereist.
6.2
Gemeentelijke grondexploitatie
De gemeente heeft geen gronden in het plangebied in eigendom. Alle kosten en risico's van de planontwikkeling, -voorbereiding en -uitvoering zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke grondexploitatie wordt dus niet belast door voorliggend ruimtelijk plan. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is hiermee aangetoond.
BESTEMMINGSPLAN SINT JOSEPHSTRAAT 39-53, DONGEN | VASTGESTELD
69
70
HOOFDSTUK 7 JURIDISCHE ASPECTEN 7.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend. Het bestemmingsplan bestaat uit:
de toelichting;
de planregels;
de verbeelding.
De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen. De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.
7.2
Planregels
De indeling van de planregels is als volgt. Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 3
Algemene regels
Hoofdstuk 4
Overgangsregels
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Begrippen (artikel 1) In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.
BESTEMMINGSPLAN SINT JOSEPHSTRAAT 39-53, DONGEN | VASTGESTELD
71
Wijze van meten (artikel 2) In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
Groen (artikel 3) Groenvoorzieningen zijn binnen vrijwel alle bestemmingen mogelijk. Vooral de gronden die in het gemeentelijke Groenstructuurplan (oktober 1997) zijn aangemerkt als structureel groen, zijn bestemd als groen. De bestemming Groen is een globale bestemming waarbinnen onder andere ook voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en voet- en fietspaden zijn toegestaan. De bestemming Groen hoeft niet te betekenen dat er sprake is van natuur- of landschapswaarden. Daar waar dat wel het geval is, is tevens de dubbelbestemming Waarde – Landschap van toepassing Verkeer- Verblijfsgebied (artikel 4) Binnen deze bestemming vallen alle gronden met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen.Hiertoe behoren wegen, straten en paden met voornamelijk de verblijfsfunctie, groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen.Ook waterhuishoudkundige voorzieningen, onder andere ten behoeve van waterberging, zijn binnen deze bestemming toegestaan. Op deze gronden mag uitsluitend bebouwing worden opgericht in de vorm van nutsvoorzieningen, straatmeubilair, gedenktekens en speeltoestellen. Wonen (artikel 5) De bestemming maakt het mogelijk twee gebouwen met 18 appartementen en 4 grondgebonden woningen en 18 grondgebonden woningen te realiseren.
Binnen de woonbestemming zijn naast wonen ook beroep-aan-huis en kleine bedrijfsmatige activiteiten toegestaan, mits wordt voldaan aan de in het artikel opgenomen specifieke gebruiksregels. Ook de aanduiding ‘erf’ behoort toe aan de woonbestemming. In de bouwregels komt terug hoe groot de aan-, uit-en bijgebouwen binnen deze aanduidingen maximaal mogen zijn. Tevens zijn op de bestemde gronden parkeervoorzieningen, tuinen, achterpaden en ontsluitingen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen toegestaan. In de bouwregels zijn, in combinatie met de verbeelding, bijgebouwen toegestaan, evenals bouwwerken, geen gebouwen zijnde en ondergrondse bouwwerken.
72
Waarde - Archeologie – 1 (artikel 6) De in dit artikel aangegeven bestemming betreft een zogenoemde dubbelbestemming. De regeling heeft tot doel de bescherming en veiligstelling van het archeologisch erfgoed in de bodem. Voor andere werkzaamheden dan bouwen (bijvoorbeeld graven) is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden nodig wanneer de grond over een gebied van meer dan 100 m2 en dieper dan 50 cm wordt verstoord. Deze wordt niet verleend indien daardoor in onevenredige mate schade aan de archeologische waarde wordt of kan worden toegebracht. Slechts onder bepaalde voorwaarden is geen omgevingsvergunning noodzakelijk. In het artikel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het verwijderen van de bestemming als (door middel van archeologisch onderzoek) is aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn. Waarde - Archeologie – 2 (artikel 7) De in dit artikel aangegeven bestemming betreft een zogenoemde dubbelbestemming. De regeling heeft tot doel de bescherming en veiligstelling van het archeologisch erfgoed in de bodem. Voor andere werkzaamheden dan bouwen (bijvoorbeeld graven) is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden nodig wanneer de grond over een gebied van meer dan 100 m2 en dieper dan 150 cm wordt verstoord.
Waarde-Landschap (artikel 8) De voor 'Waarde-Landschap' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van landschapswaarden. Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd, indien aanwezige landschapswaarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind. Hoofdstuk 3
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel (artikel 9) In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.
BESTEMMINGSPLAN SINT JOSEPHSTRAAT 39-53, DONGEN | VASTGESTELD
73
Algemene bouwregels (artikel 10) Dit artikel bevat regels ten aanzien van afwijkende bestaande bebouwing en ondergeschikte bouwdelen. Dit artikel bevat tevens de verplichting tot het voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij een verwijzing is opgenomen naar het relevante beleidsdocument. Algemene gebruiksregels (artikel 11) In dit artikel zijn algemene gebruiksregels als geldend voor het gehele plangebied opgenomen. Algemene afwijkingsregels (artikel 12) Voor ondergeschikte afwijkingen van de bestemmingsplan bepalingen (de bouwregels) is een algemene afwijkingsregel opgenomen. Algemene wijzigingsregels (artikel 13) In lid 13.1 is een algemene flexibiliteitsbepaling opgenomen om voor bepaalde onderdelen van bestemmingen of gebouwen dan wel bouwwerken af te wijken van de bestemmingsgrenzen. Deze bepaling gaat verder dan die van artikel 29, vandaar dat hier altijd een wijziging voor nodig is van burgemeester en wethouders. Overigens geldt ook hier dat deze bepalingen als algemene regel gelden voor alle bestemmingen. Overige regels (artikel 14) Dit artikel bevat één bepaling, namelijk "Werking wettelijke regeling (artikel 14.3)" In een (toenemend) aantal gevallen wordt in de regels van bestemmingsplannen verwezen naar een (andere) wettelijke regeling of wordt een procedure, begrip en / of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard).
Ook in de begripsbepalingen komen die verwijzingen voor. Op grond van jurisprudentie mag een bestemmingsplan slechts volgens de vereiste procedure van de Wro worden gewijzigd. Het impliciet wijzigen van een bestemmingsplan door wijzigingen in wetgeving in de bepalingen waarnaar wordt verwezen is niet toegestaan. Het is dan ook nodig dat verwijzingen naar toepasbare wettelijke regelingen worden gefixeerd, namelijk naar de tekst ervan zoals die op het moment van vaststelling van het plan gold. Uit praktische overwegingen is er voor gekozen in dit hoofdstuk van de regels een artikel "Wettelijke regelingen" op te nemen, waarin is bepaald dat alle wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan. Hierdoor behoeft niet meer telkens te worden verwezen naar publicaties in het staatsblad.
74
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht (artikel 15) Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met het bestemmingsplan is. Slotregel (artikel 16) Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
BESTEMMINGSPLAN SINT JOSEPHSTRAAT 39-53, DONGEN | VASTGESTELD
75
76
HOOFDSTUK 8 PROCEDURE Het bestemmingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure. De voorziene procedurestappen zijn: 1. Omgevingsdialoog 2. Inspraak voorontwerpbestemmingsplan 3. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 4. Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan 5. Vaststelling door gemeenteraad 6. Terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan
8.1
Omgevingsdialoog
Op 2 juli 2019 een informatiebijeenkomst plaatsgevonden in café-zaal 'De Gouden Leeuw' in Dongen. Hier waren 36 aanwezigen, waarvan 29 omwonenden. Het verslag van deze informatiebijeenkomst is bijgevoegd in bijlage 15 van de toelichting. Deze informatieavond heeft geleid tot aanpassingen van het plan.
8.2
Inspraak voorontwerpbestemmingsplan
Het voorontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken vanaf 19 juni tot en met 23 juli 2020 ter inzage gelegen. Het verslag van de terinzagelegging en de beantwoording van de ingekomen inspraakreacties is opgenomen als bijlage 16. De ingekomen inspraakreacties hebben niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.
8.3
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de betrokken instanties. Door Provincie Noord-Brabant en Waterschap Brabantse Delta is gereageerd op de plannen. De provincie geeft aan dat het plan in overeenstemming is met de provinciale belangen. Het Waterschap vraagt een tekstuele aanpassing door te voeren inzake het genoemde beleid. Verder geven zij een positief wateradvies, aangezien de belangrijkste uitgangspunten voor het waterschap naar wens zijn opgenomen in het voorontwerp bestemmingsplan. Het verslag van het vooroverleg is in de inspraaknota (bijlage 16) opgenomen.
BESTEMMINGSPLAN SINT JOSEPHSTRAAT 39-53, DONGEN | VASTGESTELD
77
8.4
Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerpbesluit, het ontwerpbestemmingsplan en alle bijbehorende stukken hebben vanaf vrijdag 2 oktober tot en met donderdag 12 november 2020 ter inzage gelegen. In die periode kon een ieder zijn of haar zienswijze naar keuze schriftelijk of mondeling indienen. Er zijn 5 zienswijzen ingediend. Het verslag van de terinzagelegging en de beantwoording van de ingekomen zienswijzen is opgenomen als bijlage 17. De ingekomen zienswijzen hebben geleid tot beperkte aanpassing van het bestemmingsplan.
8.5
Vaststelling
Het bestemmingsplan is op 28 januari 2021 gewijzigd vastgesteld.
78
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING Bijlage 1
Diverse (bodem)onderzoeken
Bijlage 2
Diverse aanvullende onderzoeken
Bijlage 3
Aanvullend inpandig onderzoek
Bijlage 4
Explosievenonderzoek
Bijlage 5
Bureau- en inventariserend veldonderzoek (archeologie)
Bijlage 6
Archeologisch vooronderzoek
Bijlage 7
Cultuurhistoriekaart rapportage
Bijlage 8
Stikstofdepositieonderzoek
Bijlage 9
Quickscan flora en fauna
Bijlage 10
Beoordeling gebouw en boom op verblijfplaatsen van vleermuizen
Bijlage 11
Inspectie mogelijke verblijfplaatsen beschermde soorten
Bijlage 12
Aanvullend vleermuisonderzoek
Bijlage 13
Inpasbaarheidsonderzoek bomen
Bijlage 14
Watertoets
Bijlage 15
Informatieavond
Bijlage 16
Inspraaknota
Bijlage 17
Nota van zienswijzen
BESTEMMINGSPLAN SINT JOSEPHSTRAAT 39-53, DONGEN | VASTGESTELD
79
80
REGELS
BESTEMMINGSPLAN SINT JOSEPHSTRAAT 39-53, DONGEN | VASTGESTELD
81
82
HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
plan
het bestemmingsplan Sint Josephstraat 39-53, Dongen met identificatienummer NL.IMRO.0766.BP2020000069-VG01 van de gemeente Dongen 1.2
bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen 1.3
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en / of het bebouwen van deze gronden. 1.4
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
aan- en uitbouw
een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw. 1.6
aan-huis-gebonden beroep
een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.7
archeologisch deskundige
een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke en als zodanig geregistreerde deskundige op het gebied van archeologisch onderzoek, in het bezit van een opgravingsbevoegdheid. 1.8
archeologisch onderzoek
onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt.
BESTEMMINGSPLAN SINT JOSEPHSTRAAT 39-53, DONGEN | VASTGESTELD
83
1.9
archeologische waarde
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden. 1.10
atelier
werkplaats van een kunstenaar. 1.11
bebouwing
één of meer gebouwen en / of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.12
bedrijf
een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen. 1.13
bedrijfswoning
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, welke slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein. 1.14
bestaande afstands-, hoogte-, inhouds-, oppervlaktematen
afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand kunnen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet. 1.15
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak. 1.16
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.17
Bevi-inrichtingen
bedrijven zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. 1.18
bevoegd gezag
bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 1.19
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
84
1.20
bouwgrens
de grens van een bouwvlak. 1.21
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.22
bouwperceelgrens
een grens van een bouwperceel. 1.23
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.24
bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.25
bijgebouw
een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw. 1.26
café
een horecabedrijf, niet zijnde een discotheek of bar / dancing, uitsluitend of overwegend gericht op het verstrekken van dranken voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van kleine etenswaren, al dan niet ter plaatse bereid. 1.27
consumentenvuurwerk
vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik. 1.28
dakkapel
een constructie ter vergroting van een gebouw, welke zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst. 1.29
detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
BESTEMMINGSPLAN SINT JOSEPHSTRAAT 39-53, DONGEN | VASTGESTELD
85
1.30
detailhandel in volumineuze goederen
detailhandel in de volgende categorieën:
detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen;
detailhandel in volumineuze goederen, zoals auto's, keukens, badkamers, boten, motoren, caravans, landbouwwerktuigen en grove bouwmaterialen en daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen, zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en materialen;
tuincentra;
grootschalige meubelbedrijven, al dan niet – in ondergeschikte mate – in combinatie met woninginrichting en stoffering;
bouwmarkten.
1.31
dienstverlening
het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren, internetwinkels en bankfilialen. 1.32
extensieve dagrecreatie
niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie. 1.33
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.34
hoofdgebouw
een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. 1.35
horecabedrijf
het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie en / of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf. 1.36
huishouden
de bewoning door een persoon of meerdere personen in de vorm van een vast samenlevingsverband, niet zijnde kamerverhuur of een bijzondere woonvorm, van een woning. Dit samenlevingsverband dient in continuïteit en onderlinge verbondenheid te zijn.
86
1.37
indicatieorgaan
een indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a, eerste lid van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. 1.38
kamerverhuur
het bedrijfsmatig (nacht)verblijf aanbieden, waarbij het kenmerk is dat de kamerhuurder ter plaatse het hoofdverblijf heeft. 1.39
kantoor (ruimte)
voorzieningen gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen. 1.40
kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
het in een woning door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, voor zover sprake is van een inrichting type A, zoals bedoeld in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit), en voor zover de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt en voor zover deze activiteiten een ruimtelijke uitstraling hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.41
landschapswaarde
de aan een gebied toegekende waarde, wat betreft het waarneembare deel van het aardoppervlak, welke waarde wordt bepaald door de herkenbaarheid en identiteit van de onderlinge samenhang en beïnvloeding van niet-levende en levende natuur. 1.42
mantelzorg
de hulp bij het dagelijks functioneren, die vrijwillig en onbetaald wordt verleend aan personen uit het sociale netwerk die – door welke oorzaak dan ook – vrij ernstige fysieke, verstandelijke of psychische beperkingen hebben. 1.43
natuurwaarde
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de aanwezige flora en fauna. 1.44
NEN
door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan.
BESTEMMINGSPLAN SINT JOSEPHSTRAAT 39-53, DONGEN | VASTGESTELD
87
1.45
nutsvoorzieningen
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.46
overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak. 1.47
peil
De kruin van de weg indien de afstand tussen het bouwwerk en de kant van de weg minder dan 5 m bedraagt.
Bij ligging in het water: het gemiddelde zomerpeil van het aangrenzende water.
In andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld.
1.48
platte dakafdekking
een horizontaal of nagenoeg horizontaal vlak met een dakhelling van maximaal 3° ter afdekking van een gebouw. 1.49
praktijkruimte
een gebouw of een gedeelte daarvan, dat dient voor het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch, medisch, paramedisch, therapeutisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied. 1.50
seksinrichting
het bedrijfsmatig- of in een omvang of frequentie die daarmee overeenkomt- gelegenheid bieden tot het ter plaatse, in een gebouw of een verblijfsmiddel, verrichten van seksuele handelingen. 1.51
verkoopvloeroppervlak (vvo)
de verkoopruimte, dat wil zeggen de voor het winkelend publiek toegankelijke ruimte van een detailhandelsbedrijf, inclusief de etalages en de ruimte achter de toonbanken en kassa's. 1.52
voorgevel van een gebouw
het meest naar de wegzijde gekeerde deel van een gebouw. Indien meerdere delen van het gebouw naar de weg zijn gekeerd (hoekkavel), bepalen burgemeester en wethouders welke zijde als voorgevel moet worden beschouwd.
88
1.53
Wgh-inrichtingen
bedrijven, zoals bedoeld in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken. 1.54
woning
een (gedeelte van een) hoofdgebouw met daarbij behorende aan- of uitbouwen, dat dient voor de huisvesting van één huishouden.
BESTEMMINGSPLAN SINT JOSEPHSTRAAT 39-53, DONGEN | VASTGESTELD
89
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
afstand
de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst zijn. 2.2
bouwhoogte van een antenne-installatie ingeval van een vrijstaande (schotel)antenne-installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie;